Сетевая библиотекаСетевая библиотека
Slaaf, Krijger, Koningin Morgan Rice Over Kronen en Glorie #1 Morgan Rice komt met wat wederom een briljante serie belooft te zijn, en sleept ons mee in een fantasie over heldhaftigheid, eer, moed, magie en vertrouwen in je lotsbestemming. Morgan is er weer in geslaagd om een aantal sterke personages te produceren die ons op elke pagina voor hen laten juichen…Aanbevolen voor de permanente bibliotheek van iedereen die houdt van een goedgeschreven fantasy. Books and Movie Reviews, Roberto Mattos (over Rise of the Dragons) Van de #1 Bestverkopende auteur Morgan Rice komt een meeslepende nieuwe fantasy serie. De 17-jarige Ceres, een beeldschoon en straatarm meisje in de stad Delos, leeft het wrede en keiharde leven van een gewone burger. Overdag levert ze de door haar vader gesmede wapens af bij het trainingsveld van het paleis, en ’s nachts traint ze stiekem met hen, verlangend om een krijger te zijn in een land waar het voor meisjes verboden is om te vechten. Als ze op het punt staat als slaaf verkocht te worden, is ze wanhopig. De 18-jarige Prins Thanos veracht alles waar zijn koninklijke familie voor staat. Hij verafschuwt de wrede manier waarop ze het volk behandelen, vooral de wrede competitie – De Killings – dat de stad aan het hart gaat. Hij verlangd ernaar om zichzelf te bevrijden van de boeien van zijn opvoeding, maar ondanks het feit dat hij een fantastische krijger is, ziet hij geen uitweg. Wanneer Ceres het hof verbijstert met haar verborgen krachten wordt ze ten onrechte gevangen gezet, gedoemd tot een nog afschuwelijker leven dan ze zich had kunnen voorstellen. Thanos, die smoorverliefd is, moet bepalen of hij alles voor haar op het spel wil zetten. Ceres, die wordt meegesleurd in een wereld van bedrog en dodelijke geheimen, leert al snel dat er mensen zijn die regeren, en mensen die hun pionnen zijn. En dat gekozen worden soms het ergste is dat er kan gebeuren. SLAAF, KRIJGER, KONINGIN vertelt een episch verhaal over tragische liefde, wraak, verraad, ambitie en het lot. Gevuld met onvergetelijke personages en bloedstollende actie, voert het ons mee naar een wereld die we nooit zullen vergeten, en ons weer compleet opnieuw verliefd laten worden op fantasy. Boek #2 in OVER KRONEN EN GLORIE is binnenkort verkrijgbaar! SLAAF, KRIJGER, KONINGIN (OVER KRONEN EN GLORIE--BOEK 1) MORGAN RICE Morgan Rice Morgan Rice is de #1 bestverkopende en USA Today bestverkopende auteur van de epische fantasy serie DE TOVENAARSRING, die bestaat uit zeventien boeken; van de #1 bestverkopende serie DE VAMPIERVERSLAGEN, die bestaat uit twaalf boeken; van de #1 bestverkopende serie DE SURVIVAL TRILOGIE, een post-apocalyptische actiethriller bestaande uit twee boeken; en van de epische fantasy serie KONINGEN EN TOVENAARS, die bestaat uit zes boeken; en van de nieuwe epische fantasy serie OVER KRONEN EN GLORIE. Morgans boeken zijn verkrijgbaar in audio en print edities, en vertalingen van de boeken zijn verkrijgbaar in meer dan 25 talen. Morgan hoort graag van je, dus breng gerust een bezoekje aan www.morganricebooks.com (http://www.morganricebooks.com) om je in te schrijven voor de nieuwsbrief, een gratis boek te ontvangen, gratis giveaways te ontvangen, de gratis app te downloaden, op de hoogte te blijven van het laatste nieuws, en via Facebook en Twitter in contact te blijven! Geselecteerde bijvalsbetuigingen voor Morgan Rice “Als je dacht dat er geen reden meer was om te leven na het einde van DE TOVENAARSRING serie, dan had je het mis. Met DE OPKOMST VAN DE DRAKEN komt Morgan Rice wederom met wat een briljante nieuwe serie belooft te zijn. We worden verzwolgen door een fantasie over trollen en draken, moed, eer, magie en geloof in je lotsbestemming. Morgan is er weer in geslaagd om sterke personages neer te zetten, voor wie we op elke pagina juichen… Aanbevolen voor de permanente bibliotheek van iedereen die houdt van een goed geschreven fantasy novel.” --Books and Movie Reviews Roberto Mattos “Een fantasy vol actie, die ongetwijfeld fans van Morgan Rice’s voorgaande novels zal bekoren, evenals fans van werken zoals THE INHERITANCE CYCLE van Christopher Paolini… Fans van Young Adult fictie zullen dit meest recente werk van Rice verslinden en smeken om meer.” --The Wanderer, A Literary Journal (over De Opkomst van de Draken) “Een fantasy waarbij elementen van mysterie en intriges in de verhaallijn zijn verweven. Een Zoektocht van Helden draait om moed en om het besef dat een levensdoel leidt tot groei, volwassenheid, en excellentie… Voor degenen die op zoek zijn naar stevige fantasy avonturen bieden de protagonisten en de actie een krachtige verzamelingen ontmoetingen die zich richten op Thors evolutie van een dromerige kind naar een jonge volwassene, met onmogelijke overlevingskansen… Het begin van een veelbelovende epische tienerserie.” --Midwest Book Review (D. Donovan, eBook Reviewer) “DE TOVENAARSRING heeft alle ingrediënten voor direct succes: samenzweringen, intriges, mysterie, dappere ridders en opbloeiende relaties, compleet met gebroken harten, bedrog en verraad. Het zal je urenlang boeien, en is geschikt voor alle leeftijden. Aanbevolen voor de permanente collectie van alle liefhebbers van fantasy.” --Books and Movie Reviews, Roberto Mattos “In dit met actie gevulde eerste boek uit de epische Tovenaarsring serie (die nu 14 boeken bevat), stelt Rice de lezers voor aan de 14-jarige Thorgrin “Thor” McLeod, die er van droomt om zich aan te sluiten bij de krijgsmacht van de Zilveren, de elite ridders die de koning dienen… Rice schrijft goed en de premisse is intrigerend.” --Publishers Weekly Boeken door Morgan Rice DE WEG VAN STAAL ALLEEN DE WAARDIGE (Boek #1) KRONEN EN GLORIE SLAAF, KRIJGER, KONINGIN (Boek #1) KONINGEN EN TOVENAARS DE OPKOMST VAN DE DRAKEN (Boek #1) DE OPKOMST VAN DE HELDHAFTIGE (Boek #2) DE ZWAARTE VAN EER (Boek #3) EEN SMIDSVUUR VAN MOED (Boek #4) EEN RIJK VAN SCHADUWEN (Boek#5) NACHT VAN DE DAPPEREN (Boek #6) DE TOVENAARSRING EEN ZOEKTOCHT VAN HELDEN (Boek #1) EEN MARS VAN KONINGEN (Boek #2) EEN LOT VAN DRAKEN (Boek #3) EEN SCHREEUW VAN EER (Boek #4) EEN GELOFTE VAN GLORIE (Boek #5) EEN AANVAL VAN MOED (Boek #6) EEN RITE VAN ZWAARDEN (Boek #7) EEN GIFT VAN WAPENS (Boek #8) EEN HEMEL VAN SPREUKEN (Boek #9) EEN ZEE VAN SCHILDEN (Boek #10) EEN BEWIND VAN STAAL (Boek #11) EEN LAND VAN VUUR (Boek #12) EEN HEERSCHAPPIJ VAN KONINGINNEN (Boek #13) EEN EED VAN BROEDERS (Boek #14) EEN DROOM VAN STERVELINGEN (Boek #15) EEN STEEKSPEL VAN RIDDERS (Boek #16) HET GESCHENK VAN DE STRIJD (Boek #17) DE SURVIVAL TRILOGIE ARENA EEN: SLAVERUNNERS (Boek #1) ARENA TWEE (Boek #2) ARENA DRIE (Boek #3) VAMPIER, GEVALLEN VOOR ZONSOPKOMST (Boek #1) DE VAMPIER DAGBOEKEN VERANDERD (Boek #1) GELIEFD (Boek #2) VERRADEN (Boek #3) VOORBESTEMD (Boek #4) VERLANGD (Boek #5) VERLOOFD (Boek #6) BELOOFD (Boek #7) GEVONDEN (Boek #8) HERREZEN (Boek #9) BEGEERT (Boek #10) VERDOEMD (Boek #11) GEOBSEDEERD (Boek#12) Luister naar DE TOVENAARSRING serie in audio boek formaat! Copyright © 2016 door Morgan Rice. Alle rechten voorbehouden. Behalve zoals toegestaan onder de V.S. Copyright Act van 1976, mag geen enkel deel van deze publicatie worden gereproduceerd, gedistribueerd of overgedragen worden, in wat voor vorm dan ook, of worden opgeslagen in een database of zoeksysteem, zonder de voorafgaande toestemming van de auteur. Dit ebook is uitsluitend voor jou persoonlijk bedoeld. Dit ebook mag niet doorverkocht worden of weggeven worden aan andere mensen. Als je dit boek met iemand anders wil delen, schaf dan alsjeblieft een extra exemplaar aan voor elke ontvanger. Als je dit boek leest en je hebt het niet aangeschaft, of het is niet voor jouw gebruik aangeschaft, geef het dan terug en schaf je eigen exemplaar aan. Bedankt voor het respecteren van het harde werk van deze auteur. Dit is een werk van fictie. Namen, personages, bedrijven, organisaties, plaatsen, evenementen en incidenten zijn een product van de fantasie van de auteur of zijn fictief gebruikt. Enige overeenkomst met echte personen, levend of dood, is geheel toevallig. Omslagafbeelding Copyright Nejron Photo, gebruikt onder licentie van Shutterstock.com. INHOUD HOOFDSTUK ÉÉN (#u066d82d1-7bde-548e-aeb0-008ceabc485f) HOOFDSTUK TWEE (#u39509488-0645-514f-80d4-f3cb3b063b80) HOOFDSTUK DRIE (#u34ff9b56-e321-5f03-b7ae-99f470eb20fe) HOOFDSTUK VIER (#u64df24b6-6c19-51f9-a9c5-32b05b09918f) HOOFDSTUK VIJF (#uf99cc1f6-29ba-531a-9588-1111fbb4fa62) HOOFDSTUK ZES (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZEVEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ACHT (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK NEGEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ELF (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TWAALF (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK DERTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VEERTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIJFTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZESTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZEVENTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ACHTTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK NEGENTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK EENENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TWEEËNTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK DRIEËNTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIERENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIJFENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZESENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZEVENENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ACHTENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK NEGENENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK DERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK EENENDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TWEEËNDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK DRIEËNDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIERENDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIJFENDERTIG (#litres_trial_promo) “Kom dichterbij, geliefde krijger, en ik zal je een verhaal vertellen. Een verhaal over verre gevechten. Een verhaal over mannen en heldhaftigheid. Een verhaal over kronen en glorie.” --De Vergeten Kronieken van Lysa HOOFDSTUK ÉÉN Ceres rende door de achterafstraten van Delos. De opwinding gierde door haar aderen, en ze wist dat ze niet te laat kon komen. De zon was nog maar nauwelijks op, en toch was de benauwde, stoffige lucht in de eeuwenoude stenen stad al verstikkend. Ondanks haar brandende benen en haar pijnlijke longen dwong ze zichzelf om sneller te rennen, nog sneller, springend over de talloze ratten die uit de goten in de straten kropen. Ze kon het gerommel in de verte al horen, en haar hart bonsde van de anticipatie. Ergens daar voor haar, wist ze, stonden de Killings op het punt te beginnen. Ceres liet haar handen langs de stenen muren glijden terwijl ze zich door een smalle steeg baande, en wierp een blik achterom om zich er van te verzekeren dat haar broers haar konden bijhouden. Daar, zag ze tot haar opluchting, rende Nesos, en slechts een paar meter achter hem, Sartes. Nesos was op zijn negentiende slechts twee zonnecycli ouder dan zij, terwijl Sartes, haar jongere broertje, vier zonnecycli jonger was en zich op de drempel van volwassenheid bevond. De twee leken, met hun lange zandkleurige haar en bruine ogen, precies op elkaar—en hun ouders—maar helemaal niet op haar. En toch waren ze, ondanks het feit dat Ceres een meisje was, nooit in staat om haar bij te houden. “Schiet op!” riep Ceres over haar schouder. Er klonk weer gerommel, en hoewel ze nooit eerder naar het festival was geweest, kon ze het zich tot in detail voorstellen: de hele stad, alle drie miljoen inwoners van Delos, die zich op deze zomerzonnewende in het Stadion verdrongen. Het zou anders zijn dan alles dat ze ooit had gezien, en als zij en haar broers zich niet haastten, zou er geen zitplaats meer over zijn. Ceres ging nog harder rennen. Ze veegde een zweetdruppel van haar voorhoofd en veegde haar hand af aan haar gerafelde, ivoorkleurige tuniek, een afdankertje van haar moeder. Ze had nog nooit nieuwe kleren gekregen. Volgens haar moeder, die stapelgek was op haar broers maar een speciale haat en nijd voor haar leek te koesteren, verdiende ze het niet. “Wacht!” riep Sartes. Er klonk een beetje ergernis in zijn schorre stem. Ceres glimlachte. “Moet ik je soms dragen?” riep ze terug. Ze wist dat hij het haatte als ze hem plaagde, maar haar rotopmerking zou hem motiveren om bij te blijven. Ceres vond het niet erg dat hij met hen meeging; ze vond het aandoenlijk hoe hij, met zijn dertien jaar, alles wilde doen om als hun gelijke beschouwd te worden. En hoewel ze het nooit zou toegeven, had een deel van hem het nodig dat hij haar nodig had. Sartes gromde luid. “Moeder maakt je af als ze erachter komt dat je weer niet naar haar luistert!” riep hij terug. Hij had gelijk. Dat zou ze inderdaad doen—Ceres zou zeker met de zweep krijgen. De eerste keer dat haar moeder haar had geslagen, op vijfjarige leeftijd, was het moment geweest dat Ceres haar onschuld had verloren. Daarvoor was de wereld leuk, lief en goed geweest. Daarna was er niets meer veilig geweest, en het enige waar ze zich aan vast kon klampen was haar hoop op een toekomst waar ze bij haar weg kon komen. Ze was ouder nu, en toch was die droom langzaam in haar hart aan het eroderen. Gelukkig wist Ceres dat haar broers haar nooit zouden verraden. Ze waren net zo trouw aan haar als zij aan hen. “Dan is het maar goed dat Moeder er nooit over te weten zal komen!” riep ze terug. “Vader zal erachter komen!” beet Sartes. Ze grinnikte. Vader wist het al. Ze hadden een deal gesloten: als ze tot laat zou opblijven om de zwaarden te slijpen die bij het paleis afgeleverd moesten worden, dan mocht ze naar de Killings. En dat had ze gedaan. Ceres bereikte de muur aan het eind van de steeg, duwde haar vingers in twee spleten en begon te klimmen. Haar handen en voeten bewogen snel, en ze klom een goede zes meter omhoog, tot ze boven was. Hijgend ging ze staan, en de zon begroette haar met haar felle stralen. Ze hield een hand boven haar ogen. Ze snakte naar adem. Normaal gesproken was de Oude Stad bevlekt met enkele burgers, hier en daar een zwerfkat of een hond—maar vandaag bruiste ze van het leven. Het wemelde van de mensen. Ceres kon de straatstenen niet eens zien onder de zee van mensen die zich op het Fonteinplein verdrongen. In de verte glinsterde de oceaan in een levendig blauw, terwijl het witte Stadion als een berg tussen de kronkelende wegen en de op elkaar gedrukte huizen van twee en drie verdiepingen omhoog rees. Aan de buitenste rand van het plein stonden kooplui met hun stalletjes, waar ze voedsel, sieraden of kleren verkochten. Er streek een windvlaag langs haar gezicht, en de geur van vers gebakken eten drong haar neusgaten binnen. Wat ze wel niet zou geven voor wat voedsel om dat knagende gevoel in haar maag te bevredigen. Ze voelde een steek van honger en sloeg haar armen om haar buik heen. Het ontbijt die ochtend was niet meer geweest dan een paar lepels kleffe pap, die haar op de één of andere manier nog hongeriger hadden gemaakt. Gezien het feit dat vandaag haar achttiende verjaardag was, had ze gehoopt op tenminste een beetje extra eten in haar kom—of een knuffel, of iets. Maar niemand had er een woord over gezegd. Ze betwijfelde dat ze het zich zelfs maar hadden herinnerd. Ze ving een glimp van licht op, en toen Ceres naar beneden keek zag ze een gouden koets door de menigte heen rijden, als een bel in de honing, langzaam en glimmend. Ze fronste. Door haar opwinding had ze er niet bij stil gestaan dat er ook leden van de koninklijke familie bij het evenement aanwezig zouden zijn. Ze verachtte hen, hun verwaandheid, het feit dat hun dieren beter gevoed werden dan de meeste mensen in Delos. Haar broers hoopten dat ze op een dag het klassensysteem zouden overwinnen. Maar Ceres deelde hun optimisme niet: als er enige vorm van gelijkheid in het Rijk zou komen, was er een revolutie nodig. “Zie je hem?” hijgde Nesos terwijl hij naast haar omhoog krabbelde. Ceres’ hart begon sneller te kloppen toen ze aan hem dacht. Rexus. Ook zij had zich afgevraagd of hij al hier was, en ze had tevergeefs naar zijn gezicht gezocht in de menigte. Ze schudde haar hoofd. “Daar.” Nesos wees. Ze volgde zijn vinger naar de fontein en kneep haar ogen samen. Ineens zag ze hem, en ze kon haar opwinding niet onderdrukken. Ze voelde altijd hetzelfde als ze hem zag. Daar was hij, zittend op de rand van de fontein, bezig met het spannen van zijn boog. Zelfs vanaf deze afstand kon ze zijn schouder- en borstspieren onder zijn tuniek zien bewegen. Hij was nauwelijks een paar jaar ouder dan zij, met blond haar dat opviel tussen de hoofden met zwart en bruin haar, en zijn gebruinde huid glinsterde in de zon. “Wacht!” riep een stem. Ceres wierp een blik naar beneden en zag Sartes, die worstelde om naar boven te komen. “Opschieten of we laten je achter!” spoorde Nesos hem aan. Natuurlijk, ze zouden het niet in hun hoofd halen om hun kleine broertje achter te laten, maar hij moest wel leren om bij te blijven. In Delos kon een moment van zwakte de dood betekenen. Nesos haalde een hand door zijn haar en kwam op adem terwijl hij zijn blik over de menigte liet glijden. “Dus op wie zet je je geld in?” vroeg hij. Ceres draaide zich naar hem om en lachte. “Welk geld?” vroeg ze. Hij glimlachte. “Als je iets had,” antwoordde hij. “Brennius,” antwoordde ze zonder te aarzelen. Verrast fronste hij zijn wenkbrauwen. “Echt?” vroeg hij. “Waarom?” “Ik weet het niet.” Ze haalde haar schouders op. “Gewoon een voorgevoel.” Maar ze wist wel waarom. Ze wist het heel goed, beter dan haar broers, beter dan alle andere jongens uit haar stad. Ceres had een geheim: ze had niemand verteld dat ze zo nu en dan, gekleed als jongen, bij het paleis trainde. Het was bij koninklijk besluit verboden voor meisjes—er stond de doodstraf op—om te leren vechten. Mannelijke burgers waren echter welkom om te komen trainen, in ruil voor gelijke hoeveelheden werk in de stallen van het paleis, werk dat ze met veel plezier deed. Ze had Brennius bekeken en was onder de indruk van de manier waarop hij vocht. Hij was niet de grootste van de krijgsheren, maar hij berekende zijn bewegingen met de grootste precisie. “Echt niet,” antwoordde Nesos. “Het wordt Stefanus.” Ze schudde haar hoofd. “Stefanus wordt in de eerste tien minuten afgemaakt,” zei ze botweg. Stefanus was de meest voor de hand liggende keus. Hij was de grootste van de krijgsheren, en waarschijnlijk ook de sterkste; maar hij was niet zo berekenend als Brennius of een aantal van de andere krijgers die ze had zien vechten. Nesos brulde van het lachen. “Ik geef je mijn goede zwaard als dat het geval is.” Ze wierp een blik op het zwaard aan zijn riem. Hij had geen idee hoe jaloers ze was geweest toen hij dat meesterwerk van een wapen drie jaar geleden van Moeder voor zijn verjaardag had gekregen. Haar zwaard was een oud overgebleven exemplaar dat haar vader op de recyclestapel had gegooid. Oh, wat ze wel niet zou kunnen doen als ze een wapen had zoals dat van Nesos. “Daar hou ik je aan, weet je,” zei Ceres glimlachend—hoewel ze hem in werkelijkheid nooit zijn zwaard zou afnemen. “Ik verwacht niet anders,” grijnsde hij. Ze vouwde haar armen voor haar borst toen er ineens een donkere gedachte bij haar opkwam. “Moeder zou het niet toestaan,” zei ze. “Maar Vader wel,” zei hij. “Hij is heel trots op je, weet je.” Neso’s lieve opmerking verraste haar. Ze wist niet echt hoe ze het moest aanvaarden, en sloeg haar ogen neer. Ze hield zielsveel van haar vader, en ze wist dat hij van haar hield. Maar om de één of andere reden zag ze alleen haar moeders gezicht voor zich. Het enige dat ze wilde was dat haar moeder haar zou accepteren en net zo veel van haar zou houden als van haar broers. Maar hoe hard ze ook haar best deed, Ceres had altijd het gevoel dat ze in haar ogen nooit genoeg kon zijn. Sartes klom kreunend naast hen op de muur. Hij was nog altijd een kop kleiner dan Ceres en zo schriel als een krekel, maar ze was er van overtuigd dat hij één dezer dagen als bamboe de lucht in zou schieten. Dat was ook wat er met Nesos gebeurd was. Hij was nu een gespierde hunk, die met zijn één meter negentig boven iedereen uittorende. “En jij?” Ceres draaide zich om naar Sartes. “Wie denk jij dat er gaat winnen?” “Ik ben het met jou eens. Brennius.” Ze glimlachte en maakte met haar hand zijn haar door de war. Hij zei altijd wat zij zei. Er rees weer gerommel op, de menigte zwol aan, en ze voelde een urgentie. “Laten we gaan,” zei ze, “geen tijd te verspillen.” Zonder te wachten klom Ceres langs de muur naar beneden en raakte rennend de grond. Terwijl ze de fontein in het oog hield, baande ze zich een weg naar het plein, verlangend om bij Rexus te komen. Hij draaide zich om en zijn ogen werden groot van verrukking toen hij haar zag naderen. Ze rende op hem af en voelde zijn armen om haar middel terwijl hij een stoppelige wang tegen de hare drukte. “Ciri,” zei hij in zijn lage, schorre stem. Er liep een rilling over haar rug toen ze zich omdraaide en recht in Rexus kobaltblauwe ogen staarde. Met zijn één meter vijfentachtig was hij bijna een kop groter dan zij, met blond, stug haar dat langs zijn hartvormige gezicht viel. Hij rook naar zeep en de buitenlucht. Jezus, wat was het goed om hem weer te zien. Ondanks het feit dat ze zich prima kon redden in vrijwel elke situatie, gaf zijn aanwezigheid haar een gevoel van kalmte. Ceres ging op haar tenen staan en sloeg haar armen om zijn brede nek heen. Ze had hem nooit als meer dan een vriend beschouwd tot ze hem over de revolutie had horen spreken, en over het ondergrondse leger waar hij lid van was. “We zullen vechten om onszelf te bevrijden van het juk van de onderdrukking,” had hij jaren geleden tegen haar gezegd. Hij had met zoveel passie over het verzet gesproken dat ze heel even had geloofd dat het omverwerpen van de monarchie mogelijk was. “Hoe was de jacht?” vroeg ze met een glimlach, wetend dat hij dagenlang weg was geweest. “Ik heb je glimlach gemist.” Hij streelde haar lange, roségouden haar naar achteren. “En je smaragdgroene ogen.” Ceres had hem ook gemist, maar ze durfde het niet te zeggen. Ze was te bang om de vriendschap die ze hadden te verliezen als er iets tussen hen zou gebeuren. “Rexus,” zei Nesos, die hen inhaalde en zijn arm greep. Sartes volgde hem op de voet. “Nesos,” zei hij in zijn diepe, autoritaire stem. “We hebben weinig tijd als we naar binnen willen,” voegde hij toe, en knikte naar de anderen. Ze haastten zich weg en gingen op in de massa die op weg was naar het Stadion. De soldaten van het Rijk waren overal en dreven de massa naar voren, soms met knuppels en zwepen. Hoe dichter ze bij de weg kwamen die naar het Stadion leidde, hoe dikker de menigte werd. Ineens hoorde Ceres opschudding bij één van de kraampjes, en ze draaide zich instinctief om. Ze zag dat er ruimte was ontstaan rond een kleine jongen, waarnaast twee soldaten van het Rijk en een koopman stonden. Een aantal toeschouwers gingen er snel vandoor, terwijl anderen een cirkel vormden en nieuwsgierig toekeken. Ceres liep naar voren en zag één van de soldaten een appel uit de hand van de jongen slaan. Hij greep de kleine bij zijn arm en schudde hem gewelddadig door elkaar. “Dief!” gromde de soldaat. “Genade, alstublieft!” schreeuwde de jongen terwijl de tranen over zijn smerige, ingevallen wangen liepen. “Ik had…zo’n honger!” Ceres voelde haar hart barsten van medeleven. Zij had dezelfde honger gevoeld—en ze wist dat de soldaten niet anders dan wreed zouden zijn. “Laat de jongen gaan,” zei de zwaargebouwde koopman kalm. Hij gebaarde met zijn hand, zijn gouden ring glinsterend in het zonlicht. “Ik kan het me veroorloven om hem een appel te geven. Ik heb honderden appels.” Hij grinnikte zachtjes, alsof hij de situatie niet al te zwaar opvatte. Maar de menigte verzamelde zich om hen heen en iedereen werd stil terwijl de soldaten zich omdraaiden om de koopman te confronteren. Hun glimmende wapenrustingen ratelden. Ceres’ hart kromp samen voor de koopman—ze wist dat niemand het riskeerde om de confrontatie met het Rijk aan te gaan. De soldaat deed dreigend een stap naar de koopman toe. “Je neemt het op voor een crimineel?” De koopman keek van de één naar de ander en leek nu onzeker. De soldaat draaide zich om en sloeg de jongen in zijn gezicht. Er klonk een misselijkmakend gekraak dat Ceres deed huiveren. De jongen viel met een doffe bons op de grond, en de menigte hapte naar adem. De soldaat wees naar de koopman en zei, “Om je loyaliteit aan het Rijk te bewijzen, hou je de jongen vast terwijl we hem met de zweep geven.” De ogen van de koopman werden hard, en er stond zweet op zijn voorhoofd. Tot Ceres’ verrassing hield hij voet bij stuk. “Nee,” antwoordde hij. De tweede soldaat nam twee dreigende stappen naar de koopman en legde zijn hand op het heft van zijn zwaard. “Doe het, of je verliest je kop en we steken je winkel in de fik,” zei de soldaat. Het ronde gezicht van de koopman betrok, en Ceres kon zien dat hij verslagen was. Langzaam liep hij naar de jongen toe. Hij greep hem bij zijn armen en knielde voor hem. “Vergeef me alsjeblieft,” zei hij met tranen in zijn ogen. De jongen jammerde en begon te schreeuwen terwijl hij zichzelf los probeerde te trekken. Ceres kon het kind zien trillen. Ze wilde door blijven lopen naar het Stadion, en hier geen getuige van zijn, maar ze stond als verstijfd midden op het plein, haar ogen op de wreedheid gefixeerd. De eerste soldaat scheurde de tuniek van de jongen open terwijl de tweede met een zweep boven zijn hoofd zwaaide. De meeste toeschouwers juichten de soldaten toe, hoewel er een paar mompelden en toen met hangende hoofden wegliepen. Niemand kwam voor de dief op. Met een hebzuchtige, bijna krankzinnige uitdrukking sloeg de soldaat de zweep tegen de rug van de jongen, en hij gilde het uit van de pijn. Bloed sijpelde uit de verse snijwonden. De soldaat bleef uithalen, tot het hoofd van de jongen naar achteren zakte en hij niet langer schreeuwde. Ceres voelde een sterke drang om naar voren te stormen en de jongen te redden. Maar dat, wist ze, zou haar dood betekenen, en de dood van iedereen waar ze van hield. Ze liet haar schouders hangen, hopeloos en verslagen. Ze nam zich voor om op een dag wraak te nemen. Ze trok Sartes naar zich toe en bedekte zijn ogen. Ze wilde hem wanhopig graag beschermen, hem nog een paar jaar onschuld gunnen, hoewel er in dit land eigenlijk geen onschuld bestond. Ze dwong zichzelf om niet impulsief te handelen. Als man zijnde moest hij deze wreedheden zien, niet alleen zodat hij zich aan kon passen, maar ook zodat hij op een dag een sterke deelnemer van het verzet kon zijn. De soldaten rukten de jongen uit de handen van de koopman en gooiden zijn bewusteloze lichaam achterin een houten wagen. De koopman drukte zijn handen tegen zijn gezicht en huilde. Binnen enkele seconden was de wagen weer in beweging, en was de open ruimte weer gevuld met mensen die over het plein slenterden alsof er niets was gebeurd. Ceres voelde een overweldigend gevoel van misselijkheid opwellen. Het was onrechtvaardig. Ze kon nu zo een handvol zakkenrollers aanwijzen—mannen en vrouwen die hun kunst zo hadden geperfectioneerd dat zelfs de soldaten van het Rijk hen niet konden pakken. Het leven van deze arme jongen was nu verwoest vanwege zijn gebrek aan vaardigheid. Als dieven werden gepakt, of ze nu jong of oud waren, verloren ze hun ledematen of meer, afhankelijk van de stemming van de rechters op die dag. Als hij geluk had, zou zijn leven gespaard worden en zou hij worden veroordeeld tot een straf waarbij hij levenslang in de goudmijnen moest werken. Ceres zou liever sterven dan zo’n straf ondergaan. Ze vervolgden hun weg door de straat, hun stemming verpest, schouder aan schouder met de anderen. De hitte was bijna ondraaglijk. Er kwam een gouden koets naast hen rijden die iedereen uit de weg dreef, en de mensen naar de huizen langs de straten duwde. Ceres werd ruw door elkaar geschud en keek op. Ze zag drie tienermeisjes in kleurrijke zijden jurken, hun ingewikkelde kapsels versierd met pinnen van goud en kostbare juwelen. Eén van de tienermeisjes gooide lachend een munt op straat, en een handjevol burgers liet zich op handen en knieën vallen, worstelend om een stukje metaal waar ze hun familie een hele maand mee zouden kunnen voeden. Ceres stopte nooit om aalmoezen op te rapen. Ze zou liever verhongeren dan donaties van dat soort mensen aannemen. Ze zag een jonge man de munt vastgrijpen, waarna een oudere man hem tegen de grond werkte en een stijve hand om zijn nek klampte. Met zijn andere hand wrikte de oudere man de munt uit zijn hand. De tienermeisjes lachten en wezen, waarna hun koets weer verder reed. Ceres’ ingewanden krompen samen van walging. “In de nabije toekomst zal ongelijkheid voorgoed verdwijnen,” zei Rexus. “Daar zal ik op toezien.” Terwijl ze hem hoorde spreken, zwol Ceres’ hart van trots. Op een dag zou ze zij aan zij met hem en haar broers in het verzet vechten. De straten werden breder naarmate ze het Stadion naderden, en Ceres kreeg weer het gevoel dat ze kon ademen. De lucht gonsde. Ze had het gevoel dat ze zou scheuren van opwinding. Ze liep door één van de tientallen gewelfde poorten en keek op. Er bevonden zich duizenden en duizenden burgers in het schitterende Stadion. De ovalen structuur was aan de noordelijke kant ingestort, en de meeste rode markiezen waren gescheurd en boden slechts weinig bescherming tegen de verzengende zon. Wilde beesten gromden van achter ijzeren tralies en valdeuren, en ze kon de krijgsheren al klaar zien staan achter de poorten. Ceres nam alles verwonderd in zich op. Ineens keek Ceres op en besefte ze dat ze achter was geraakt. Ze haastte zich naar voren om Rexus en haar broers in te halen, maar op dat moment werd ze omsingeld door vier potige mannen. Ze roken naar alcohol, rottende vis en zweet en ze verdrongen zich om haar heen en staarden haar aan met hun rotte tanden en lelijke grijnzen. “Jij gaat met ons mee, mooi meisje,” zei één van hen terwijl ze op strategische wijze dichterbij kwamen. Ceres’ hart ging hevig tekeer. Ze keek voor zich uit, zoekend naar de anderen, maar ze waren al verzwolgen door de menigte. Ze confronteerde de mannen en zette haar dapperste gezicht op. “Laat me met rust of ik…” Ze barstten in lachen uit. “Wat?” spotte één van hen. “Een klein meisje als jij dat het tegen ons vier opneemt?” “We zouden je hier schoppend en schreeuwend naar buiten kunnen dragen en niemand die er wat van zou zeggen,” voegde een ander toe. En het was waar. Vanuit haar ooghoeken zag Ceres mensen voorbij lopen, die deden alsof ze niet zagen hoe deze mannen haar behandelden. Ineens werd het gezicht van de leider serieus. Met één snelle beweging had hij haar bij haar armen gegrepen en haar naar zich toe getrokken. Ze wist dat ze haar konden meenemen en dat niemand ooit meer iets van haar zou horen, en die gedachte beangstigde haar meer dan wat dan ook. In een poging haar bonzende hart te negeren draaide Ceres zich om en rukte haar arm los uit zijn houtgreep. De andere mannen lachten geamuseerd, maar toen ze de onderkant van haar handpalm tegen de neus van de leider sloeg en zijn hoofd naar achteren klapte, werden ze stil. De leider greep met zijn smerige handen naar zijn neus en kreunde. Ze liet zich niet vermurwen. Wetend dat ze maar één kans had, schopte ze hem in zijn maag, en hij klapte voorover. Maar ze werd onmiddellijk door de andere drie besprongen. Hun sterke handen grepen haar vast en trokken haar mee. Ineens bedaarden ze. Ceres keek om en zag tot haar opluchting dat Rexus was verschenen en er één in zijn gezicht stompte, waardoor de man bewusteloos raakte. Toen verscheen Nesos. Hij greep een ander en gaf hem een knietje in zijn maag, waarna hij hem tegen de grond trapte en hem in het rode stof liet liggen. De vierde man stormde op Ceres af, maar net toen hij wilde aanvallen, dook ze weg. Ze draaide om haar as en schopte hem tegen zijn achterste, waardoor hij met zijn hoofd tegen een pilaar aan klapte. Ze stond daar, hijgend, en nam alles in zich op. Rexus legde een hand op Ceres’ schouder. “Ben je in orde?” Ceres’ hart ging nog steeds hevig tekeer, maar haar angst werd langzaam vervangen door een gevoel van trots. Ze had het goed gedaan. Ze knikte en Rexus legde een arm om haar schouder terwijl ze verder liepen. Er speelde een glimlach om zijn volle lippen. “Wat?” vroeg Ceres. “Toen ik zag wat er gebeurde, wilde ik ze stuk voor stuk neersteken. Maar toen zag ik hoe je jezelf verdedigde.” Hij schudde zijn hoofd en grinnikte. “Dat hadden ze niet verwacht.” Ze voelde haar wangen rood kleuren. Ze wilde zeggen dat ze onbevreesd was geweest, maar in werkelijkheid was dat niet zo. “Ik was nerveus,” gaf ze toe. “Ciri, nerveus? Nooit.” Hij kuste Ceres op haar hoofd, en ze liepen verder het Stadion in. Ze vonden een paar lege plekken op de begane grond en ze namen plaats. Ceres was dolblij dat ze niet te laat waren. Ze liet alle gebeurtenissen van die ochtend achter zich en liet zich meeslepen door de opwinding van de juichende menigte. “Zie je ze?” Ceres volgde Rexus’ vinger en keek omhoog. Ze zag een stuk of tien tieners in een stand zitten, die wijn uit zilveren kelken dronken. In haar hele leven had ze nog nooit zulke mooie kleren, zoveel voedsel op één tafel, of zoveel glinsterende juwelen gezien. Niet één van hen had ingevallen wangen of holle buiken. “Wat doen ze?” vroeg ze toen ze zag dat één van het munten in een gouden schaal verzamelde. “Elk van hen bezit een krijgsheer,” zei Rexus, “en ze zetten geld in op wie ze denken dat er zal winnen.” Ceres snoof. Dit was slechts een spelletje voor hen, besefte ze. Natuurlijk gaven die verwende tieners niets om de krijgers of de vechtkunst. Ze willen alleen zien of hun krijgsheer zou winnen. Maar voor Ceres draaide dit evenement om eer en moed en vaardigheden. De koninklijke banners gingen de lucht in, er klonk trompetgeschal, en toen aan alle kanten van het Stadion de ijzeren tralies open vlogen, marcheerde de ene na de andere krijgsheer de duisternis uit, hun leren en ijzeren wapenrustingen glimmend in het zonlicht. De menigte ging tekeer toen de vechters de arena betraden, en Ceres stond, evenals de rest, applaudisserend op. De krijgers eindigden in een naar buiten gerichte cirkel, hun bijlen, zwaarden, speren, schilden, drietanden, zwepen en andere wapens omhoog geheven. “Heil, Koning Claudius,” riepen ze. Er werd weer op trompetten geblazen, en het gouden rijtuig van Koning Claudius en Koningin Athena kwam door één van de poorten de arena binnengereden. Ze werden gevolgd door een rijtuig met Kroonprins Avilius, daarna met Prinses Floriana, en daarna werd de arena overspoeld door een entourage van rijtuigen met mensen van adel. Elk rijtuig werd getrokken door twee sneeuwwitte paarden, versierd met kostbare juwelen en goud. Toen Ceres Prins Thanos bij hen zag, keek ze ontzet naar de chagerijnige blik van de negentienjarige jongen. Ze had hem van tijd tot tijd, als ze zwaarden voor haar vader bezorgde, zien praten met de krijgsheren in het kasteel. Hij had altijd die zure blik van superioriteit in zijn ogen. Zijn lichaamsbouw liet niets te wensen over—hij kon bijna aangezien worden voor een krijgsheer—hij had gespierde armen, zijn middel was strak en gespierd, en zijn benen waren zo hard als boomstammen. Maar het feit dat hij geen respect of passie voor zijn positie leek te hebben maakte haar woedend. Terwijl de leden van de koninklijke familie naar hun plaatsen op het podium paradeerden, werd er weer op trompetten geblazen, het signaal dat de Killings op het punt stonden te beginnen. De menigte brulde terwijl alle krijgsheren, op twee na, weer achter de ijzeren poorten verdwenen. Ceres herkende één van hen als Stefanus, maar ze kon niet zien wie de andere vechter was; hij droeg niets behalve een helm met een vizier en een lendendoek die met een lederen riem vastzat. Misschien was hij van ver gekomen om deel te nemen. Zijn geoliede huid had de keur van vruchtbare grond, en zijn haar was zo zwart als de donkerste nacht. Door de spleten in zijn helm kon Ceres de vastberaden blik in zijn ogen zien, en ze wist onmiddellijk dat Stefanus het gevecht niet zou overleven. “Maak je geen zorgen,” zei Ceres tegen Nesos. “Je mag je zwaard houden.” “Hij is nog niet verslagen,” antwoordde Nesos met een grijns. “Stefanus zou niet ieders favoriet zijn als hij niet superieur was.” Toen Stefanus zijn drietand en schild hief, werd de menigte stil. “Stefanus!” schreeuwde één van de rijke jongens in de stand met een geheven vuist. “Macht en moed!” Stefanus knikte naar de jongen en het publiek brulde goedkeurend. Toen stormde hij met volle kracht op de buitenlander af. De buitenlander week in een oogwenk uit, draaide om zijn as en haalde met zijn zwaard naar Stefanus uit. Hij miste hem op een centimeter na. Ceres kromp ineen. Met zulke reflexen zou Stefanus het niet lang uithouden. De buitenlander gaf een brul en hakte keer op keer op Stefanus’ schild in, terwijl Stefanus naar achteren werd gedreven. De wanhopige Stefanus wist het gezicht van zijn tegenstander te raken met de rand van zijn schild, en het bloed spatte door de lucht terwijl hij tegen de grond ging. Ceres vond het een behoorlijk goede zet. Misschien had Stefanus zijn techniek verbeterd sinds ze hem de laatste keer had zien trainen. “Stefanus! Stefanus! Stefanus!” riepen de toeschouwers. Stefanus stond bij de voeten van de gewonde vechter, maar net toen hij op het punt stond om hem met zijn drietand neer te steken, tilde de buitenlander zijn benen op. Hij schopte Stefan, die viel en op zijn achterste terecht kwam. Beide vechters sprongen zo snel als katten overeind en gingen weer tegenover elkaar staan. Hun ogen ontmoetten elkaar en ze begonnen om elkaar heen te cirkelen. De spanning in de lucht was voelbaar voor Ceres. De buitenlander gromde en hief zijn zwaard hoog in de lucht terwijl hij op Stefanus af rende. Stefanus week snel uit en stak hem in zijn dijbeen. Als wraak zwaaide de buitenlander zijn zwaard rond, en sneed hij in Stefanus’ arm. Beide krijgers kreunden van de pijn, maar het was alsof hun wonden hun furie alleen maar deden oplaaien in plaats van hen te vertragen. De buitenlander trok zijn helm af en slingerde hem op de grond. Zijn zwarte, bebaarde kin zat onder het bloed en zijn rechteroog was gezwollen, maar zijn blik vertelde Ceres dat hij klaar was met spelletjes spelen en voor de kill ging. Hoe snel zou hij in staat zijn om hem te doden? Stefanus rende op de buitenlander af, en Ceres snakte naar adem toen Stefanus’ drietand in botsing kwam met het zwaard van zijn tegenstander. Hun ogen op elkaar gericht worstelden de krijgers met elkaar, kreunend, hijgend, duwend. De aderen in hun voorhoofd waren zichtbaar en hun spieren spanden zich aan onder hun bezwete huid. De buitenlander dook en wrong zich uit de houtgreep. Hij verraste Ceres; hij draaide zich snel als een tornado om, haalde uit met zijn drietand en onthoofdde Stefanus. Na een paar ademtochten stak de buitenlander triomfantelijk zijn arm in de lucht. De menigte was een seconde lang doodstil. Ze keek op naar de jongen die Stefanus’ eigenaar was. Zijn mond stond wijd open, en zijn wenkbrauwen stonden woest. De jongen smeet zijn zilveren kelk de arena in en stormde de stand uit. De dood is de grote gelijkmaker, dacht Ceres terwijl ze een glimlach onderdrukte. “August!” riep een man in het publiek. “August! August!” De ene na de andere toeschouwer begon met hem mee te doen, tot het hele stadion de naam van de overwinnaar riep. De buitenlander boog naar Koning Claudius, en toen renden er drie andere krijgers door de ijzeren poorten om hem te vervangen. Het ene gevecht volgde het andere op, en de dag gleed voorbij. Ceres gaf haar ogen goed de kost. Ze wist niet of ze de Killings haatte of dat ze het geweldig vond. Aan de ene kant genoot ze ervan om de strategie, de vaardigheden en de moed van de deelnemers te bestuderen; maar aan de andere kant verachtte ze het feit dat de krijgers niets meer waren dan pionnen voor de rijken. Toen het laatste gevecht van de eerste ronde begon, vochten Brennius en een andere krijger vlak naast waar Ceres, Rexus en haar broers zaten. Ze kwamen steeds dichterbij, hun zwaarden kletterend, en de vonken spatten alle kanten op. Het was opwindend. Ceres zag Sartes over de reling leunen, zijn ogen strak de deelnemers gericht. “Naar achteren!” riep ze naar hem. Maar voor hij kon antwoorden sprong er ineens een omnicat uit een luik in de grond, aan de andere kant van het stadion. Het enorme beest likte zijn slagtanden en zijn klauwen begroeven zich in het rode zand terwijl hij zich richting de krijgers begaf. De krijgsheren hadden het dier nog niet gezien, en het stadion hield zijn adem in. “Brennius is er geweest,” mompelde Nesos. “Sartes!” riep Ceres weer. “Ik zei naar—” Ze kreeg de kans niet om haar zin af te maken. Een steen onder Sartes’ hand schoot ineens los, en voor iemand kon reageren viel hij naar beneden, over de reling heen. Hij belandde met een doffe bons in de kuil. “Sartes!” riep Ceres vol afschuw terwijl ze overeind sprong. Ceres keek naar beneden en zag Sartes, drie meter onder haar, rechtop zitten en met zijn rug tegen de muur leunen. Zijn onderlip trilde, maar er waren geen tranen. Geen woorden. Hij hield zijn arm vast en keek omhoog, zijn gezicht vertrokken van angst. Hem daar beneden zien zitten was meer dan Ceres kon verdragen. Zonder na te denken greep ze Nesos’ zwaard en sprong over de reling de kuil in. Ze belandde vlak voor haar jongere broertje. “Ceres!” schreeuwde Rexus. Ze wiep een blik omhoog en zag hoe Rexus en Nesos door wachters werden weggesleurd voor ze haar achterna konden gaan. Ceres stond in de kuil, overspoeld door een onwerkelijk gevoel. Hier stond ze dan, bij de vechters in de arena. Ze wilde Sartes hier weghalen, maar er was geen tijd meer. Dus ging ze voor hem staan, vastberaden om hem te beschermen. De omnicat brulde naar haar. Hij hurkte laag en fixeerde zijn gele ogen op Ceres. Ze kon het gevaar voelen. Ze greep Nesos’ zwaard met beide handen vast en klemde haar vingers stevig om het heft heen. “Rennen, meisje!” schreeuwde Brennius. Maar het was al te laat. De omnicat stormde op haar af en was nog maar een paar meter bij haar vandaan. Ze ging dichter bij Sartes staan, en vlak voordat hij kon aanvallen, kwam Brennius vanaf de zijkant en sneed hij het oor van het beest af. De omnicat ging op zijn achterpoten staan en brulde. Hij klauwde een stuk uit de muur achter Ceres terwijl het paarse bloed zijn vacht doordrenkte. De menigte brulde. De tweede krijgsheer naderde, maar voor hij het beest iets kon aandoen had de omnicat zijn keel al opengehaald met zijn klauwen. De krijger klemde zijn handen om zijn nek heen en zakte op de grond in elkaar. Het bloed sijpelde tussen zijn vingers door. Het publiek begon te juichen, hongerig naar bloed. De omnicat gromde en gaf Ceres zo’n harde klap dat ze door de lucht vloog, waarna ze op de grond terecht kwam. Bij de impact kletterde het zwaard uit haar handen, en het landde een eindje bij haar vandaan. Ceres lag daar, en haar longen weigerden open te gaan. Snakkend naar adem en met een draaiend hoofd probeerde ze op handen en knieën te gaan zitten, maar ze viel al snel weer. Terwijl ze ademloos op de grond lag, haar gezicht tegen het ruwe zand gedrukt, zag ze de omnicat op Sartes af gaan. Bij het zien van haar broertje in zo’n weerloze toestand, voelde ze een vuur in zich opwellen. Ze dwong zichzelf om adem te halen en met een complete helderheid stelde ze vast wat ze moest doen om haar broertje te redden. Energie stroomde als een vloedgolf door haar heen en gaf haar een onmiddellijk kracht. Ze krabbelde overeind, pakte het zwaard op, en stormde zo snel op het beest af dat ze er van overtuigd was dat ze vloog. Het beest was drie meter bij haar vandaan nu. Twee. Eén. Ceres zette haar tanden op elkaar en zwaaide zichzelf op de rug van het beest. Ze begroef haar volhardende vingers in zijn borstelige vacht, wanhopig om zijn aandacht van haar broertje af te leiden. De omnicat ging op zijn achterpoten staan en schudde met zijn bovenlichaam, waardoor Ceres heen en weer werd geslingerd. Maar haar ijzeren greep en haar vastberadenheid waren sterker dan de pogingen van het dier om haar af te werpen. Toen het beest weer op vier poten terecht kwam, greep Ceres haar kans. Ze hief haar zwaard hoog in de lucht en stak het beest in zijn nek. Het beest krijste en ging weer op zijn achterpoten staan. De menigte werd gek. Het beest haalde naar achteren uit met zijn klauwen en boorde ze door Ceres’ rug. De klauwen voelden als dolken in haar vlees, en Ceres schreeuwde het uit van de pijn. De omnicat greep haar vast en smeet haar tegen een muur aan. Ze kwam een paar meter bij Sartes vandaan op de grond terecht. “Ceres!” riep Sartes. Met suizende oren ging Ceres rechtop zitten. De achterkant van haar hoofd bonkte, en ze voelde een warme vloeistof over haar nek stromen. Er was geen tijd om te kijken hoe ernstig de wond was. De omnicat viel haar weer aan. Terwijl het beest op haar afrende, besefte Ceres dat ze weerloos was. Zonder na te denken hief ze instinctief haar hand, en strekte hem voor zich uit. Het was het laatste dat ze dacht dat ze zou zien. Op het moment dat de omnicat haar besprong, kreeg Ceres het gevoel of er een bal van vuur in haar borstkas ontbrandde, en ineens voelde ze een bal van energie uit haar hand schieten. Midden in de lucht werd het beest ineens slap. De omnicat viel, gleed over de grond, en kwam boven op haar benen tot stilstand. Half verwachtend dat het beest weer tot leven zou komen om haar af te maken, hield Ceres haar adem in. Maar het beest bewoog niet meer. Verbijsterd staarde Ceres naar haar handpalm. Het publiek kon nooit gezien hebben wat er gebeurd was, en dachten waarschijnlijk dat het beest was gestorven omdat ze hem eerder met haar zwaard had gestoken. Maar zij wist wel beter. Er was één of andere mysterieuze kracht uit haar hand gekomen die het beest in een oogwenk had gedood. Wat voor kracht was het/ Ze had nog nooit zoiets meegemaakt, en ze wist niet wat ze ervan moest maken. Wie was ze om die kracht te hebben? Bang liet ze haar hand op de grond vallen. Aarzelend keek ze op, en ze zag dat het doodstil was geworden in het stadion. En ze kon zich slechts één ding afvragen. Hadden zij het ook gezien? HOOFDSTUK TWEE Voor een seconde die eeuwig leek te duren, voelde Ceres alle ogen op haar branden. Ze zat daar, verdoofd door pijn en ongeloof. Meer dan voor de repercussies die haar te wachten stonden, vreesde ze voor de bovennatuurlijke kracht die in haar school, de kracht die de omnicat had gedood. Meer dan voor de mensen waar ze door omgeven werd, vreesde ze voor de confrontatie met zichzelf—een zelf die ze niet langer kende. Ineens begon de menigte, die stil was geweest van verbijstering, luid te juichen. Het duurde even voor het tot haar doordrong dat ze voor haar juichten. Er sneed een stem door het lawaai. “Ceres!” schreeuwde Sartes naast haar. “Ben je in orde?” Ze draaide zich om naar haar broertje, die ook nog steeds op de grond van het Stadion lag, en deed haar mond open. Maar er kwam niets uit. Ze was buiten adem en ze voelde zich versuft. Had hij gezien wat er echt was gebeurd? Ze wist niet hoe het met de rest zat, maar op deze afstand zou het een wonder zijn geweest als hij het niet had gezien. Ceres hoorde voetstappen, en ineens werd ze door twee sterke handen omhoog getrokken. “Wegwezen!” gromde Brennius, en hij duwde haar richting de open poort aan haar linkerkant. De verwondingen op haar rug deden pijn, maar ze dwong zichzelf om terug te keren naar de realiteit. Ze greep Sartes en trok hem ook overeind. Samen renden ze naar de uitgang in een poging aan het gejuich van het publiek te ontsnappen. Al snel betraden ze de donkere, benauwde tunnel. Binnen zag Ceres tientallen krijgsheren, wachtend op hun beurt voor een paar seconden van glorie in de arena. Sommigen zaten in een diepe meditatie op de banken, anderen spanden hun armspieren terwijl ze heen en weer liepen, weer anderen bereidden hun wapens voor op het onvermijdelijke bloedbad. Maar ze hadden het gevecht gezien, en staarden haar vol nieuwsgierigheid aan. Ceres haastte zich door de ondergrondse gangen. De fakkels aan de muren hulden de grijze bakstenen in een warme gloed, en verlichtten allerlei wapens die tegen de muren aan stonden. Ze probeerde de pijn in haar rug te negeren, maar met elke stap die ze nam schaafde het ruwe materiaal van haar kleding tegen de open wonden. De klauwen van de omnicat hadden als dolken gevoeld toen ze naar binnen gingen, maar de pijn leek nu bijna nog erger. “Je rug bloed,” zei Sartes met een trillende stem. “Komt wel goed. We moeten Nesos en Rexus zien te vinden. Hoe gaat het met je arm?” “Het doet pijn.” Toen ze de uitgang bereikten zwaaide de deur open, en stonden er ineens twee soldaten van het Rijk voor hen. “Sartes!” Voor ze kon reageren werd haar broertje door één van de soldaten vastgegrepen, en zij door de ander. Verzet was zinloos. De soldaat slingerde haar over zijn schouder alsof ze een zak graan was en droeg haar weg. Vrezend dat ze zojuist was gearresteerd, begon ze hem op zijn rug te slaan. Maar het had geen zin. Zodra ze buiten het Stadion waren gooide hij haar op de grond, en Sartes belandde naast haar. Een paar toeschouwers vormden een halve cirkel om haar heen en gaapten haar aan, hongerig naar bloed. “Ga nog eens het Stadion binnen,” snauwde de soldaat, “en je wordt opgehangen.” Tot haar verrassing draaiden de soldaten zich zonder nog een woord te zeggen om, en verdwenen weer in de menigte. “Ceres!” schreeuwde een diepe stem. Ceres keek op en zag tot haar opluchting Nesos en Rexus hun kant op komen. Ze snakte naar adem toen Rexus zijn armen om haar heen sloeg. Toen trok hij zich terug, zijn ogen gevuld met bezorgdheid. “Het gaat wel,” zei ze. Terwijl massa’s mensen het Stadion uit stroomden, haastten Ceres en de anderen zich de straten op. Ze wilden geen confrontaties meer. Terwijl ze over het Fonteinplein liep, speelde Ceres de gebeurtenissen in haar hoofd af. Het duizelde haar nog steeds. Ze zag de blikken van haar broers, en vroeg zich af wat ze dachten. Waren ze getuige geweest van haar krachten? Waarschijnlijk niet. De omnicat was te dichtbij geweest. Maar ze zag ook een nieuw soort respect in hun ogen. Ze wilde niets liever dan hen vertellen wat er echt gebeurd was. Maar ze wist dat ze dat niet kon doen. Ze was er zelf niet eens zeker van. Er was nog zoveel niet uitgesproken tussen hen, maar nu, ten midden van deze menigte, was niet de tijd om te praten. Ze moesten eerst zien dat ze veilig naar huis kwamen. Hoe verder weg te van het Stadion kwamen, hoe minder druk de straten werden. Rexus, die naast haar liep, pakte haar hand vast en verstrengelde zijn vingers met de hare. “Ik ben trots op je,” zei hij. “Je hebt het leven van je broertje gered. Ik weet niet hoeveel zussen dat gedaan zouden hebben.” Hij glimlachte, zijn ogen gevuld met medeleven. “Die wonden lijken behoorlijk diep,” merkte hij op met een blik op haar rug. “Komt wel goed,” mompelde ze. Het was een leugen. Ze wist helemaal niet zeker of het goed zou komen, of dat ze zelfs maar thuis zou kunnen komen. Ze voelde zich duizelig door het bloedverlies, en het hielp ook niet echt dat haar maag knorde en dat de brandende zon het zweet over haar rug deed lopen. Eindelijk bereikten ze het Fonteinplein. Zodra ze langs de kraampjes liepen, werden ze gevolgd door een verkoper, die hen een grote mand eten voor de halve prijs aanbod. Sartes grijnsde van oor tot oor—wat ze behoorlijk vreemd vond—en toen hield hij met zijn goede arm een koperen munt omhoog. “Ik denk dat ik je wel wat eten verschuldigd ben,” zei hij. Ceres snakte naar adem. “Waar heb je dat vandaan?” “Dat rijke meisje in de gouden koets gooide twee munten naar buiten, niet één. Maar iedereen was zo gefocust op het gevecht tussen de mannen dat ze het niet eens merkten,” antwoordde Sartes, zijn glimlach nog steeds intact. Ceres werd kwaad en wilde de munt uit Sartes’ hand grissen en hem weggooien. Dat was tenslotte bloedgeld. Ze hadden niets nodig van rijke mensen. Maar toen ze haar arm uitstrekte om de munt van hem af te pakken, werd haar weg ineens versperd door een oude vrouw. “Jij!” zei ze, wijzend naar Ceres. Haar stem was zo luid dat Ceres het gevoel had dat hij dwars door haar heen ging. De huid van de vrouw was glad, maar bijna doorzichtig, en haar perfect gevormde lippen hadden een groene teint. Haar lange, dikke, zwarte haar was versierd met eikels en mos, en haar bruine ogen pasten perfect bij haar lange bruine jurk. Ze was prachtig om te zien, dacht Ceres, en ze was even betoverd. Ceres knipperde verbijsterd met haar ogen, en wist zeker dat ze deze vrouw nog nooit had ontmoet. “Hoe kent u mij?” Haar ogen ontmoetten die van de vrouw toen ze dichterbij kwam, en Ceres bemerkte dat de vrouw dat de vrouw sterk naar mirre rook. “Ader van de sterren,” sprak ze in een griezelige stem. Toen de vrouw haar arm in een gracieus gebaar optilde, zag Ceres een gebrandmerkte triquetra aan de binnenkant van haar pols. Een heks. Gebaseerd op de geur van de goden, misschien een waarzegster. De vrouw liet het roségouden haar van Ceres door haar vingers glijden en rook eraan. “Je bent geen vreemde voor het zwaard,” zei ze. “Je bent geen vreemde voor de troon. Je lotsbestemming is groot. De verandering zal groot zijn.” Ineens draaide de vrouw zich om. Ze haastte zich weg en verdween achter haar kraampje, en Ceres bleef verdoofd achter. De woorden van de vrouw penetreerden haar ziel. Ze had het gevoel dat het meer was geweest dan slechts een observatie; het was een voorspelling. Groot. Verandering. Troon. Lotsbestemming. Dit waren woorden waar ze zich nog nooit mee geassocieerd had. Had ze de waarheid gesproken? Of waren het slechts de woorden van een gestoorde vrouw? Ceres keek om en zag dat Sartes een mandje met eten vasthield, zijn mond al volgepropt met meer dan genoeg brood. Hij strekte het mandje naar haar uit. Ze zag het gebakken voedsel, fruit, groenten, en het was bijna genoeg om haar vastberadenheid te breken. Normaal gesproken zou ze het verslonden hebben. Maar nu had ze om de één of andere reden haar eetlust verloren. Er lag een toekomst voor haar. Een lotsbestemming. * De wandeling naar huis duurde bijna een uur langer dan normaal, en ze hadden de hele weg zwijgend gelopen, elk verloren in hun eigen gedachten. Ceres kon zich alleen maar afvragen wat de mensen van wie ze het meest hield over haar dachten. Ze wist nauwelijks wat ze over zichzelf moest denken. Ze keek op en zag haar bescheiden huis, en was verrast dat ze het had gehaald met haar pijnlijke hoofd en rug. De anderen waren eerder al de andere kant op gegaan om een klus voor haar vader te doen, en Ceres stapte alleen over de krakende drempel. Ze zette zich schrap en hoopte dat ze haar moeder niet tegen zou komen. Het leek of ze een oven binnenliep. Ze pakte een klein flesje ontsmettende alcohol dat haar moeder onder haar bed bewaarde en trok de kurk eraf, voorzichtig om niet zo veel te gebruiken dat het opgemerkt zou worden. Ze zette zich schrap, trok haar shirt open en goot het over haar rug. Ceres schreeuwde het uit van de pijn. Ze balde haar vuist en leunde met haar hoofd tegen de muur. De klauwen van de omnicat voelden als duizend messteken. Het voelde alsof deze wond nooit zou genezen. De deur sloeg open en Ceres kromp ineen. Ze was opgelucht toen ze zag dat het Sartes maar was. “Vader wil je zien, Ceres,” zei hij. Ceres zag dat zijn ogen wat rood waren. “Hoe gaat het met je arm?” vroeg ze, in de veronderstelling dat het pijn deed. “Het is niet gebroken. Alleen gekneusd.” Hij liep naar haar toe en er verscheen een ernstige blik in zijn ogen. “Bedankt dat je me hebt gered vandaag.” Ze glimlachte naar hem. “Had ik iets anders kunnen doen?” zei ze. Hij glimlachte. “Ga naar vader,” zei hij. “Ik zal je jurk en de doek verbranden.” Ze wist niet hoe ze aan haar moeder moest uitleggen waarom haar jurk ineens verdwenen was, maar het afdankertje moest zeker verbrand worden. Als haar moeder de jurk in deze staat zou vinden—onder het bloed en vol met gaten—dan zou ze niet kunnen voorspellen hoe zwaar haar straf zou zijn. Ceres vertrok en liep over het pad van vertrapt gras naar de schuur achter het huis. Er stond nog maar één boom op hun bescheiden stukje grond—de andere bomen waren tot haardhout gehakt om het huis tijdens de koude winternachten te verwarmen—en de takken hingen als een beschermende energie over het huis. Elke keer dat Ceres de boom zag, deed hij haar denken aan haar grootmoeder, die het jaar voor de laatste was overleden. Haar grootmoeder was degene die de boom had geplant toen ze nog een kind was. Op een bepaalde manier was het haar tempel. En ook die van haar vader. Als het leven hen even teveel werd, dan gingen ze onder de sterren liggen en openden ze hun harten tegen Nana alsof ze nog leefde. Ceres ging de schuur binnen en begroette haar vader met een glimlach. Tot haar verrassing merkte ze op dat het meeste gereedschap niet meer op de werktafel lag, en dat er geen zwaarden bij de haard lagen om gesmeed te worden. Ze kon zich niet eens herinneren wanneer ze de vloer voor het laatst zo schoon had gezien, of dat er zo weinig gereedschap aan de muren en het plafond had gehangen. Haar vaders blauwe ogen lichtten op, zoals ze altijd deden als hij haar zag. “Ceres,” zei hij terwijl hij opstond. Zijn donkere haar was het afgelopen jaar veel grijzer geworden, evenals zijn korte baard, en de wallen onder zijn liefdevolle ogen waren twee keer zo groot. Hij was altijd een grote man geweest, en bijna net zo gespierd als Nesos; maar recentelijk, merkte Ceres op, was hij afgevallen en begon zijn eerder perfecte postuur in te zakken. Hij trof haar bij de deur en legde een eeltige hand tegen haar onderrug. “Loop met me mee.” Haar spieren spanden zich. Als hij wilde praten en lopen, betekende dat hij iets belangrijks met haar wilde delen. Zij aan zij slenterden ze naar de achterdeur van de schuur en liepen ze het kleine veld op. Donkere wolken pakten zich samen in de verte en bliezen warme, temperamentvolle windvlagen hun kant op. Ze hoopte dat de wolken de regen zouden produceren die ze nodig hadden om van deze schijnbaar oneindige droogte te herstellen, maar waarschijnlijk hielden ze, zoals altijd, slechts lege beloftes. De aarde kraakte onder haar voeten terwijl ze liep, de grond droog, de planten geel, bruin en dood. Dit stuk land achter hun subdivisie behoorde toe aan Koning Claudius, maar er was al jaren niet gezaaid. Ze bereikten de top van een heuvel en keken uit over het veld. Haar vader hield zijn handen achter zijn rug terwijl hij zwijgend naar de lucht keek. Dat was niets voor hem, en haar angst werd sterker. Toen hij begon te spreken, leek hij zijn woorden zorgvuldig uit te kiezen. “Soms hebben we de luxe niet om ons eigen pad te kiezen,” zei hij. “Dan moeten we alles dat we willen opofferen voor degenen waar we van houden. Soms zelfs onszelf, als dat nodig is. Hij zuchtte, en in de lange stilte, die alleen door de wind werd verstoord, ging Ceres’ hart hevig tekeer. Ze vroeg zich af waar hij heen wilde. “Wat ik wel niet zou geven om me voorgoed aan je jeugd vast te houden,” voegde hij toe. Hij tuurde naar de hemel, zijn gezicht vertrokken van de pijn voor het zich weer ontspande. “Wat is er?” vroeg Ceres terwijl ze een hand op zijn arm legde. “Ik moet een tijdje weg,” zei hij. Het voelde alsof ze geen adem meer kon halen. “Weg?” Hij draaide zich om en keek in haar ogen. “Zoals je weet waren het een bijzonder moeilijke winter en lente dit jaar. De afgelopen jaren van droogte zijn moeilijk geweest. We hebben niet genoeg geld verdiend om de komende winter door te komen, en als ik niet ga, dan zal ons gezin verhongeren. Ik ben door een andere koning aangesteld om zijn wapensmid te worden. Het verdiend goed.” “Je neemt me wel met je mee, toch?” zei Ceres, een paniekerige toon in haar stem. Somber schudde hij zijn hoofd. “Je moet hier blijven en je moeder en broers helpen.” Ze werd overspoeld door een golf van angst bij de gedachte. “Je kunt me hier niet bij Moeder achterlaten,” zei ze. “Dat kun je niet doen.” “Ik heb met haar gepraat, en ze zal voor je zorgen. Ze zal aardig zijn.” Ceres stampte met haar voet in de aarde, en het stof rees op. “Nee!” De tranen sprongen in haar ogen en rolden over haar wangen naar beneden. Hij deed een stapje naar haar toe. “Luister heel goed naar me, Ceres. Het paleis heeft van tijd tot tijd nog steeds zwaarden nodig. Ik heb een goed woordje voor je gedaan, en als je zwaarden maakt op de manier waarop ik het je heb geleerd, kun je zelf wat geld verdienen.” Het verdienen van haar eigen geld zou haar mogelijk meer vrijheid geven. Ze was erachter gekomen dat haar kleine, sierlijke handen goed van pas kwamen bij het uitsnijden van gecompliceerde ontwerpen en inscripties op de messen en handvaten. Haar vaders handen waren breed, zijn vingers dik en stomp, en er waren er maar weinig die haar vaardigheden bezaten. Toch schudde ze haar hoofd. “Ik wil geen wapensmid zijn,” zei ze. “Het zit in je bloed, Ceres. En je hebt er talent voor.” Ze schudde haar hoofd, onvermurwbaar. “Ik wil wapens gebruiken,” zei ze, “niet maken.” Zodra de woorden uit haar mond kwamen, had ze er al spijt van. Haar vader fronste zijn wenkbrauwen. “Je wil een krijger zijn? Een krijgsdame?” Hij schudde zijn hoofd. “Op een dag mogen vrouwen misschien vechten,” zei ze. “Je weet dat ik heb getraind.” Zijn wenkbrauwen kreukelden van bezorgdheid. “Nee,” beval hij stellig. “Dat is niet jouw weg.” Haar hart zonk. Ze had het gevoel dat haar droom om een krijger te worden bij zijn woorden in het niets opging. Ze wist dat hij niet wreed wilde zijn—dat was hij nooit. Het was slechts de realiteit. En als ze wilde dat hun gezin in leven bleef, zou zij ook iets moeten opgeven. Ze staarde in de verte, en de hemel lichtte op door de bliksem. Drie seconden later donderde het. Hoe had ze niet kunnen zien hoe ernstig hun situatie was? Ze was altijd in de veronderstelling geweest dat ze er samen wel doorheen zouden komen, maar dit veranderde alles. Nu zou ze zich niet meer aan Vader vast kunnen klampen, en zou er niemand meer tussen haar en Moeder staan. De ene traan na de andere viel op de troosteloze aarde, en ze bleef onbeweeglijk staan. Moest ze haar dromen opgeven en haar vaders advies opvolgen? Hij haalde iets achter zijn rug vandaan, en haar ogen werden groot toen ze een zwaard in zijn hand zag liggen. Hij kwam dichterbij en ze kon de details van het wapen zien. Het was ontzagwekkend. Het heft was van puur goud, met een slang erin gegraveerd. Het mes was dubbelzijdig en leek van het beste staal te zijn gemaakt. Hoewel het vakmanschap Ceres niet bekend was, kon ze meteen zien dat het van de beste kwaliteit was. Op het mes zelf stond een inscriptie. Wanneer hart en zwaard elkaar ontmoeten, zal er overwinning zijn. Ze snakte naar adem en staarde er vol ontzag naar. “Heb jij dat gesmeed?” vroeg ze, niet in staat om haar ogen van het zwaard af te wenden. Hij knikte. “Volgens de werkwijze van de noorderlingen,” antwoordde hij. “Ik heb er drie jaar aan gewerkt. Het mes alleen al zou ons gezin een heel jaar kunnen voeden.” Ze keek hem aan. “Waarom verkoop je hem dan niet?” Vastberaden schudde hij zijn hoofd. “Daar is hij niet voor gemaakt.” Hij kwam nog dichterbij, en tot haar verrassing hield hij het zwaard voor zich uit. “Hij is voor jou gemaakt.” Ceres bracht een hand naar haar mond en liet onwillekeurig een kreun ontsnappen. “Mij?” vroeg ze verbijsterd. Hij glimlachte breed. “Dacht je echt dat ik je achttiende verjaardag was vergeten?” antwoordde hij. Ze voelde de tranen in haar ogen springen. Ze was nog nooit zo geraakt. Maar toen dacht ze aan wat hij eerder had gezegd, over dat hij niet wilde dat ze vocht, en ze voelde zich verward. “En toch,” antwoordde ze, “zei je dat ik niet mag trainen.” “Ik wil niet dat je sterft,” legde hij uit. “Maar ik kan zien waar je hart ligt. En daar heb ik geen controle over.” Hij legde een vinger onder haar kin en tilde haar hoofd omhoog tot hun ogen elkaar ontmoetten. “Ik ben trots op je.” Hij overhandigde haar het zwaard, en toen ze het koele metaal tegen haar handpalm voelde, werd ze één met het wapen. Het gewicht was perfect voor haar, en het helft voelde alsof het gemaakt was voor haar hand. Alle hoop die eerder was gestorven kwam weer tot leven. “Zeg niets tegen je moeder,” waarschuwde hij. “Verstop het ergens waar ze het niet kan vinden, anders zal ze het verkopen.” Ceres knikte. “Hoe lang blijf je weg?” “Ik zal proberen om voor de eerste sneeuwval terug te komen.” “Dat duurt nog maanden!” zei ze, terwijl ze een stap achteruit deed. “Het is wat ik moet doen om—” “Nee. Verkoop het zwaard. Blijf!” Hij legde een hand tegen haar wang. “Dit zwaard verkopen zou ons misschien dit seizoen kunnen helpen. En misschien het volgende. En dan?” Hij schudde zijn hoofd. “Nee. We hebben een oplossing voor de lange termijn nodig.” Lange termijn? Ineens drong het tot haar door dat zijn nieuwe baan niet voor slechts een paar maanden was. Het zouden wel jaren kunnen worden. Ze was radeloos. Hij deed een stap naar voren, alsof hij het voelde, en knuffelde haar. Ze voelde hoe ze in zijn armen begon te huilen. “Ik zal je missen, Ceres,” zei hij over haar schouders. “Je bent anders dan alle anderen. Ik zal elke nacht naar de hemel kijken en weten dat jij je onder dezelfde sterren bevind. Zal jij hetzelfde doen?” Eerst wilde ze naar hem schreeuwen, en zeggen: hoe durf je me hier alleen achter te laten. Maar in haar hart voelde ze dat hij niet kon blijven, en ze wilde het niet moeilijker voor hem maken dan het al was. Er rolde een traan over haar gezicht. Ze snoof en knikte. “Ik zal elke nacht onder onze boom staan,” zei ze. Hij kuste haar voorhoofd en sloeg zijn lieve armen om haar heen. De wonden op haar rug voelden als messen, maar ze klemde haar kaken op elkaar en gaf geen kik. “Ik hou van je, Ceres.” Ze wilde antwoorden, maar ze kon zichzelf er niet toe brengen om iets te zeggen—haar woorden bleven in haar keel steken. Hij haalde zijn paard uit de stal, en Ceres hielp hem met voedsel, gereedschap en andere spullen in de zadeltassen te pakken. Hij omhelsde haar een laatste keer, en ze dacht dat ze zou barsten van verdriet. Toch kon ze geen woord uitbrengen. Hij besteeg zijn paard, en knikte voor hij het dier aanspoorde. Ceres zwaaide terwijl hij wegreed, en ze keek met een onbuigzame aandacht toe tot hij achter de heuvel in de verte was verdwenen. De enige ware liefde die ze ooit had gekend kwam van die man. En nu was hij weg. Er begon regen te vallen, en het prikte in haar gezicht. “Vader!” schreeuwde ze zo luid als ze kon. “Vader, ik hou van je!” Ze liet zich op haar knieën vallen en begroef huilend haar gezicht in haar handen. Het leven, wist ze, zou nooit meer hetzelfde zijn. HOOFDSTUK DRIE Met pijnlijke voeten en brandende longen beklom Ceres de steile heuvel, zo snel als ze kon, zonder een druppel uit de emmers water te knoeien. Normaal gesproken zou ze wel een pauze nemen, maar haar moeder had gedreigd dat ze geen ontbijt zou krijgen als ze niet tegen zonsopkomst terug was—en geen ontbijt betekende dat ze niet zou eten tot het avondmaal. De pijn kon haar niet zoveel schelen—het zorgde dat ze niet de hele tijd aan haar vader hoefde te denken, en de miserabele situatie die hij had achtergelaten. De zon kwam net boven de Alva Bergen in de verte op, en schilderde de verspreidde wolken in een goudroze gloed. Er blies een zacht windje door het hoge, gele gras aan weerszijden van de weg. Ceres snoof de frisse ochtendlucht op en dwong zichzelf om sneller te lopen. Haar moeder zou het feit dat hun gewone weg was opgedroogd, of dat er een lange rij bij de andere stond, bijna een kilometer verderop, geen acceptabel excuus vinden. Ze stopte niet voor ze de heuveltop bereikte—en toen ze er was, hield ze abrupt halt, verbijsterd door wat ze voor zich zag. Daar, in de verte, stond haar huis—en daarvoor stond een bronzen wagen. Haar moeder stond buiten, diep in gesprek met een man die zoveel overgewicht had dat Ceres dacht dat ze nog nooit iemand had gezien die zelfs maar de helft van zijn gewicht had. Hij droeg een bordeauxrode linnen tuniek en een rode zijden hoed, en zijn lange baard was ruig en grijs. Ze kneep met haar ogen en probeerde het te begrijpen. Was hij een koopman? Haar moeder droeg haar beste jurk, een lange, groene, linnen japon die ze jaren geleden had gekocht met geld dat eigenlijk bedoeld was om nieuwe schoenen voor Ceres van te kopen. Het sloeg helemaal nergens op. Aarzelend begon Ceres de heuvel af te lopen. Ze hield haar ogen op hen gericht, en toen ze zag dat de oude man haar moeder een zware lederen buidel overhandigde en haar moeders ingevallen gezicht oplichtte, werd ze nog nieuwsgieriger. Hadden ze eindelijk weer eens geluk? Zou Vader nu weer thuis kunnen komen? De gedachten deden haar borstkas een beetje samentrekken, hoewel ze zichzelf niet toestond om opwinding te voelen voor ze wist wat er precies gaande was. Toen Ceres hun huis naderde, draaide haar moeder zich om en gaf haar een warme glimlach—en Ceres kreeg onmiddellijk een knoop in haar maag. De laatste keer dat haar moeder zo naar haar had geglimlacht—met glimmende tanden en oplichtende ogen—had Ceres met de zweep gekregen. “Liefste dochter,” zei haar moeder met een overdreven lieve toon. Ze strekte haar armen uit en vertoonde een grijns die Ceres’ bloed deed koken. “Dit is het meisje?” zei de oude man met een begerige glimlach. Zijn donkere kraaloogjes werden groot toen hij naar Ceres keek. Nu Ceres dichterbij stond, kon ze elk rimpel in de huid van de dikke man zien. Zijn brede, platte neus leek zijn hele gezicht in beslag te nemen, en toen hij zijn hoed afdeed, glom zijn bezwete kale hoofd in het zonlicht. Haar moeder liep naar Ceres toe, pakte de emmers van haar over, en zette ze op het verschroeide gras neer. Dat gebaar alleen al bevestigde voor Ceres dat er iets ernstig mis was. Ze voelde paniek opwellen. “Ik wil u graag voorstellen aan mijn trots en vreugde, mijn enige dochter, Ceres,” zei haar moeder, en ze deed of ze een traan uit haar ogen veegde, die er in werkelijkheid niet was. “Ceres, dit is Heer Blaku. Toon respect voor je nieuwe meester.” Ceres voelde een steek van angst in haar borst. Ze haalde een teug lucht naar binnen. Ceres keek naar haar moeder, die met haar rug naar Heer Blaku stond en haar de meest kwaadaardige glimlach toewierp die ze ooit had gezien. “Meester?” vroeg Ceres. “Om onze familie van de financiële ondergang en publieke vernedering te redden, heeft de vrijgevige Heer Blaku je vader en mij een genereus bod gedaan: een zak goud in ruil voor jou.” “Wat?” hijgde Ceres. Ze voelde de grond onder haar voeten wegzakken. “Nu, wees het brave meisje dat je bent en betuig je respect,” zei haar moeder, die Ceres een waarschuwende blik toe wierp. “Dat zal ik niet,” zei Ceres. Ze deed een stap achteruit en stak haar borst vooruit. Ze voelde zich een idioot om het feit dat ze niet meteen had beseft dat de man een slavendrijver was, en dat de transactie om haar ging. “Vader zou me nooit verkopen,” voegde ze met op elkaar geklemde kaken toe. Haar angst en verontwaardiging werden steeds heviger. Haar moeder keek haar dreigend aan en greep haar bij haar arm, en haar vingernagels begroeven zich in Ceres’ huid. “Als je je gedraagt, neemt deze man je wellicht als zijn bruid, en voor jou zou dat iets heel moois betekenen,” mompelde ze. Heer Blaku likte aan zijn dunne, korstige lippen terwijl hij zijn opgezwollen ogen gretig over Ceres’ lichaam liet glijden. Hoe kon haar moeder haar dit aandoen? Ze wist dat haar moeder niet zoveel van haar hield als van haar broers—maar dit? “Marita,” sprak hij in een nasale stem. “Je had al gezegd dat je dochter mooi was, maar je bent vergeten te vertellen wat voor ongelofelijk magnifiek wezen ze is. Ik moet zeggen, ik heb nog niet eerder een vrouw gezien met lippen zo sappig als zij, en met zulke gepassioneerde ogen, en een lichaam zo stevig en voortreffelijk.” Ceres’ moeder legde met een diepe zucht een hand op haar hart, en Ceres had het gevoel dat ze ieder moment kon overgeven. Ze balde haar handen tot vuisten en rukte haar arm los. “Misschien had ik meer moeten vragen, als ze u zo goed bevalt,” zei Ceres’ moeder, die haar ogen radeloos neersloeg. “Ze is tenslotte ons enige geliefde meisje.” “Ik ben bereid goed geld te betalen voor zo’n schoonheid. Wat dacht u van vijf extra goudstukken?” vroeg hij. “Wat gul van u,” antwoordde haar moeder. Heer Blaku waggelde naar zijn wagen om meer goud te halen. “Vader zou het hier nooit mee eens zijn,” sneerde Ceres. Ceres’ moeder deed dreigend een stap naar haar toe. “Oh, maar het was je vaders idee,” beet haar moeder met hoog opgetrokken wenkbrauwen. Ceres wist nu dat ze loog—als ze dat deed, dan loog ze. “Denk je nu echt dat je vader meer van jou houdt dan van mij?” vroeg haar moeder. Ceres knipperde met haar ogen en vroeg zich af wat dat er mee te maken had. “Ik zou nooit van iemand kunnen houden die denkt dat ze beter is dan ik,” voegde ze toe. “Je hebt nooit van me gehouden?” vroeg Ceres. Ze voelde haar woede in hopeloosheid veranderen. Met het goud in zijn handen waggelde Heer Blaku naar Ceres’ moeder, en overhandigde het haar. “Je dochter is elk goudstuk waard,” zei hij. “Ze zal een goede vrouw zijn en vele zoons voor me baren.” Ceres beet op de binnenkant van haar lippen en schudde haar hoofd. “Heer Blaku komt je morgenochtend ophalen, dus ga naar binnen en pak je spullen in,” zei Ceres’ moeder. “Doe ik niet!” schreeuwde Ceres. “Dat is altijd al je probleem geweest, meisje. Je denkt alleen maar aan jezelf. Dit goud,” zei haar moeder, die de buidel voor Ceres’ gezicht liet bungelen, “zal je broers in leven houden. Het zal onze familie intact houden en ons de mogelijkheid bieden om in ons huis te blijven wonen en reparaties uit te voeren. Daar had je zeker niet aan gedacht?” Voor een fractie van een seconde dacht Ceres dat ze misschien zelfzuchtig was, maar toen besefte ze dat haar moeder haar weer probeerde te manipuleren en Ceres’ liefde voor haar broers tegen haar gebruikte. “Maakt u zich geen zorgen,” zei Ceres’ moeder terwijl ze zich tot Heer Blaku wendde. “Ceres zal gehoorzamen. U moet alleen streng tegen haar zijn, en dan wordt ze zo mak als een lammetje.” Nooit. Ze zou nooit de vrouw van die man zijn, of iemands eigendom. En ze zou nooit toestaan dat haar moeder of wie dan ook haar leven zou verruilen voor vijfenvijftig stukken goud. “Ik zal nooit met deze slavendrijver mee gaan,” beet Ceres, en ze wierp hem een blik vol walging toe. “Ondankbaar kind!” schreeuwde Ceres’ moeder. “Als je niet doet wat ik zeg, zal ik je zo hard slaan dat je nooit meer kan lopen. Nu naar binnen!” De gedachte dat ze door haar moeder geslagen zou worden bracht afschuwelijke, diepgewortelde herinneringen bij haar omhoog; ze werd weer meegevoerd naar dat angstige moment toen ze vijf jaar oud was, toen haar moeder haar had geslagen tot alles zwart was geworden. De wonden van dat pak slaag en vele anderen waren genezen—maar de wonden in Ceres’ hart waren altijd blijven bloeden. En nu ze zeker wist dat haar moeder niet van haar hield, en dat ook nooit had gedaan, spleet haar hart voorgoed in tweeën. Voor ze kon antwoorden had Ceres’ moeder haar zo hard in haar gezicht geslagen dat haar oor begon te piepen. Eerst was Ceres verbijsterd door de plotselinge aanval, en ze krabbelde bijna terug. Maar toen knapte er iets in haar. Ze zou zichzelf niet toestaan ineen te duiken zoals ze altijd had gedaan. Ceres sloeg haar moeder terug, op haar wang, zo hard dat ze op de grond viel. Ze snakte naar adem. Met een rood aangelopen gezicht krabbelde haar moeder overeind. Ze greep Ceres bij haar schouder en haren, en gaf haar een knietje in haar maag. Toen Ceres naar voren klapte, ramde haar moeder haar knie in Ceres’ gezicht, waardoor ze op de grond viel. De slavendrijver stond daar en keek met grote ogen toe, grinnikend. Hij vond het duidelijk geweldig om het gevecht te aanschouwen. Nog steeds hoestend en buiten adem van de aanval, krabbelde Ceres overeind. Schreeuwend viel ze haar moeder aan en werkte haar tegen de grond. Dit eindigt vandaag, was het enige dat Ceres kon denken. Alle jaren dat haar moeder niet van haar had gehouden en haar met minachting had behandeld, voedden haar razernij. Ceres beukte haar gebalde vuisten keer op keer in haar moeders gezicht terwijl tranen van woede over haar wangen liepen, en ze oncontroleerbaar snikte. Toen werd haar moeder slap. Ceres’ schouders schokten met elke schreeuw, en haar ingewanden voelden alsof ze binnenste buiten waren gekeerd. Haar zicht wazig door haar tranen, keek ze op naar de slavendrijver. Ze voelde een nog intensere haat voor hem. “Jij wordt een goeie,” zei Heer Blaku met een valse grijns terwijl hij de zak met goud opraapte en hem aan zijn lederen riem bevestigde. Voor ze kon reageren had hij haar vastgegrepen. Hij sleurde haar naar zijn wagen en gooide haar in één snelle beweging achterin, alsof ze een zak aardappelen was. Zijn enorme omvang en kracht waren teveel voor haar. Terwijl hij met zijn ene hand haar pols vasthield en met zijn andere een ketting pakte, zei hij, “Ik ben niet dom genoeg om te denken dat je hier morgenochtend nog bent.” Ze wierp een blik op het huis dat achttien jaar lang haar thuis was geweest, en de tranen sprongen in haar ogen toen ze dacht aan haar broers en haar vader. Maar ze moest een keus maken als ze zichzelf wilde redden, voordat de ketting om haar enkel zat. Ze schraapte al haar kracht bij elkaar en in een snelle beweging trok ze haar arm los uit de greep van de slavendrijver, tilde haar been op, en trapte hem zo hard als ze kon in zijn gezicht. Hij viel achterover, van de wagen af, en tuimelde op de grond. Ze sprong van de wagen af en rende zo snel ze kon over de zandweg, weg van de vrouw die ze nooit meer moeder zou noemen, weg van alles dat ze kende en waar ze van hield. HOOFDSTUK VIER Omgeven door de koninklijke familie, de gouden kelk met wijn in zijn hand, deed Thanos zijn best om een glimlach op zijn gezicht te toveren—maar het lukte hem niet. Hij haatte het om hier te zijn. Hij haatte deze mensen, zijn familie. En hij haatte het dat hij koninklijke bijeenkomsten moest bijwonen—zeker de bijeenkomsten die na de Killings kwamen. Hij wist hoe de mensen leefden, hoe arm ze waren, en hij voelde hoe gevoelloos en onrechtvaardig al deze ophef en verwaandheid waren. Hij zou er alles voor over hebben om hier ver vandaan te zijn. Terwijl hij bij zijn neven Lucious en Varius en zijn nicht Aria stond, nam Thanos niet de moeite om deel te nemen aan hun zielige conversatie. In plaats daarvan keek hij naar de imperiale gasten die door de tuinen van het paleis slenterden, met hun toga’s en stola’s. Ze hadden neppe grijnzen op hun gezichten en spuwden niet-gemeende beleefdheden in het rond. Een paar van zijn neven gooiden voedsel naar elkaar terwijl ze over het keurig gemaaide gazon renden, tussen de tafels voor voedsel en wijn door. Anderen deden hun favoriete scenes van de Killings na, lachend en spottend met degenen die vandaag hun levens waren verloren. Honderden mensen, dacht Thanos, en er was er geen één eervol. “Volgende maand koop ik drie krijgsheren,” ze Lucious, de oudste, op een opschepperige toon. Hij depte wat zweetdruppeltjes van zijn voorhoofd met zijn zijden zakdoek. “Stefanus was nog niet eens de helft waard van wat ik voor hem heb betaald, en als hij niet al dood was, zou ik hem zelf neersteken voor het feit dat hij in de eerste ronde als een meisje vocht.” Aria en Varius lachten, maar Thanos vond zijn opmerking allesbehalve amusant. Of ze de Killings nu als een spel beschouwden of niet, ze zouden meer respect moeten hebben voor de dapperen en de overledenen. “Nou, heb je Brennius gezien?” vroeg Aria. Haar grote blauwe ogen werden groot. “Ik overwoog zelfs om hem te kopen, maar hij gaf me een verwaande blik toen ik bij zijn training kwam kijken. Kun je dat geloven?” voegde ze toe. Ze rolde met haar ogen en snoof. “En hij riekt als een stinkdier,” voegde Lucious toe. Iedereen lachte weer, behalve Thanos. “Geen van ons zou hem gekozen hebben,” zei Varius. “Hoewel hij het langer heeft volgehouden dan verwacht, had hij een verschrikkelijke vorm.” Thanos kon zichzelf niet langer in bedwang houden. “Brennius had de beste vorm van iedereen in de hele arena,” kwam hij tussenbeide. “Praat niet over de vechtkunst alsof je er iets van af weet.” De neven zwegen, en Aria’s ogen werden zo groot als schotels terwijl ze naar de grond staarde. Varius stak zijn borst vooruit en kruiste zijn armen. Hij liep dichter naar Thanos toe alsof hij hem wilde uitdagen, en de spanning in de lucht was voelbaar. “Nou, laat die zelfzuchtige krijgsheren lekker voor wat ze zijn,” zei Aria. Ze ging tussen hen in staan om de situatie te sussen. Ze gebaarde naar de jongens om dichterbij te komen, en fluisterde toen, “Ik heb een bizar gerucht gehoord. Een kleine bij vertelde me dat de koning wil dat er iemand van koninklijke afkomst mee doet aan de Killings.” De jongens zwegen en wisselden een ongemakkelijke blik uit. “Misschien,” zei Lucious. “Maar ik zal het niet zijn. Ik ben niet bereid mijn leven te riskeren voor een stom spelletje.” Thanos wist dat hij de meeste krijgsheren kon verslaan, maar het doden van een ander mens was niet iets dat hij wilde doen. “Je bent gewoon bang om dood te gaan,” zei Aria. “Dat ben ik niet,” kaatste Lucious terug. “Dat neem je terug!” Thanos’ geduld was op. Hij liep weg. Thanos zag zijn verre nicht Stephania rondslenteren alsof ze naar iemand op zoek was—waarschijnlijk naar hem. Een paar weken eerder had de Koningin gezegd dat hij voorbestemd was om met Stephania te trouwen, maar daar was Thanos het niet mee eens. Stephania was net zo verwend als de rest van zijn nichten en hij zou liever zijn naam, zijn erfenis en zelfs zijn zwaard opgeven als hij maar niet met haar hoefde te trouwen. Ze was prachtig om te zien, dat was waar—haar haren goud, haar huid melkwit, haar lippen bloedrood—maar als hij haar nog één keer moest aanhoren over hoe oneerlijk het leven wel niet was, dan zou hij wellicht zijn oren afsnijden. Hij haastte zich langs de rand van de tuin richting de rozenstruiken en deed zijn best om oogcontact met de gasten te vermijden. Maar net toen hij de hoek om ging, verscheen Stephania voor hem. Haar bruine ogen lichtten op. “Goedenavond, Thanos,” zei ze met een sprankelende glimlach die de meeste jongens zou laten kwijlen. Allemaal eigenlijk, behalve Thanos. “Jij ook een goedenavond,” zei Thanos, en hij liep in een boogje om haar heen. Ze tilde haar stola op en ging als een vervelende mug achter hem aan. “Vind je het niet ongelofelijk oneerlijk dat—” begon ze. “Ik heb het druk,” beet Thanos. Zijn toon klonk harder dan zijn bedoeling was, en ze schrok. Hij draaide zich naar haar om. “Het spijt me… Ik ben gewoon moe van al die feestjes.” “Misschien wil je met me door de tuinen wandelen?” vroeg Stephania. Haar rechter wenkbrauw rees omhoog terwijl ze dichterbij kwam. Dat was wel het laatste dat hij wilde. “Luister,” zei hij, “ik weet dat de koningin en je moeder ervan overtuigd zijn dat wij op de één of andere manier bij elkaar horen, maar—” “Thanos!” hoorde hij achter zich. Thanos draaide zich om en zag de boodschapper van de koning. “De koning verzoekt dat u hem onmiddellijk opzoekt in het paviljoen,” zei hij. “En u ook, mijn vrouwe.” “Mag ik vragen waarom?” vroeg Thanos. “Er is veel te bespreken,” zei de boodschapper. Aangezien hij nog geen gewone conversaties met de koning had gehad, vroeg Thanos zich af wat dat te betekenen had. “Natuurlijk,” zei Thanos. Tot zijn grote teleurstelling haakte een stralende Stephania haar arm in de zijne. Samen volgden ze de boodschapper naar het paviljoen. Toen Thanos zag dat er een aantal adviseurs van de koning en zelfs de kroonprins op banken en stoelen zaten, vond hij het vreemd dat hij ook was uitgenodigd. Hij zou nauwelijks iets toe te voegen hebben aan hun conversatie, aangezien zijn meningen over hoe het Rijk geregeerd moest worden erg verschilden van die van iedereen die hier aanwezig was. Het beste dat hij kon doen, dacht hij bij zichzelf, was zijn mond dicht houden. “Wat zijn jullie een mooi stel,” zei de koningin met een warme glimlach toen ze binnenkwamen. Thanos drukte zijn lippen op elkaar en bood Stephania aan om naast hem te gaan zitten. Zodra iedereen had plaatsgenomen, stond de koning op en werd iedereen stil. Zijn oom droeg een toga op knielengte, maar terwijl de anderen wit, rood en blauw droegen, was die van hem paars, een kleur die alleen voor de koning bestemd was. Rond zijn kalende slapen droeg hij een gouden krans, en zijn wangen en ogen hingen, ondanks het feit dat hij glimlachte. “Het volk wordt opstandig,” zei hij langzaam. Zijn stem klonk ernstig. Met de autoriteit van een koning liet hij zijn blik over de gezichten glijden. “Het is hoog tijd dat we hen herinneren aan wie er koning is, en strengere regels invoeren. Vanaf vandaag zal ik de tienden op eigendommen en voedsel verdubbelen.” Er rees een verrast gemompel op, gevolgd door goedkeurend geknik. “Een uitstekende keus, uwe hoogheid,” zei één van zijn adviseurs. Thanos kon zijn oren niet geloven. De belastingen van het volk verdubbelen? Omdat hij zich met het gewone volk mengde, wist hij dat de belastingen al veel hoger waren dan wat de meeste burgers zich konden veroorloven. Hij had moeders gezien die rouwden om het verlies van hun kinderen, die van de honger waren gestorven. Gisteren nog had hij voedsel aangeboden aan een dakloos, vierjarig meisje, bij wie alle botten onder haar huid zichtbaar waren. Thanos moest zijn blik afwenden, of hij zou zich moeten uitspreken. “En tot slot,” zei de koning, “van nu af aan zal, om de ondergrondse revolutie die zich aan het vormen is te bestrijden, de eerstgeboren zoon in elke familie in dienst van het leger van de koning treden.” De één na de ander prees de koning voor zijn wijze besluit. Uiteindelijk voelde Thanos dat de koning zich tot hem wendde. “Thanos,” sprak de koning. “Je hebt nog niets gezegd. Spreek!” Er viel een stilte in het paviljoen terwijl alle ogen zich op Thanos vestigden. Hij ging staan. Hij wist dat hij iets moest zeggen, voor het uitgehongerde meisje, voor de rouwende moeders, voor degenen zonder stem wiens levens er niet toe leken te doen. Hij moest hen vertegenwoordigen, want als hij het niet deed, dan deed niemand het. “Strengere regels zullen het verzet niet ten gronde richten,” zei hij terwijl zijn hart hevig tekeer ging. “Het zal ze alleen maar aanmoedigen. De burgers bang maken en hen hun vrijheid ontzeggen zal niets doen behalve hen dwingen om zich tegen ons te verzetten en zich aan te sluiten bij het verzet.” Een paar mensen lachten, terwijl anderen onderling met elkaar praatten. Stephania pakte zijn hand vast en probeerde hem tot zwijgen te brengen, maar hij rukte zich los. “Een goede koning gebruikt liefde, net als angst, om zijn onderdanen te regeren,” zei Thanos. De koning wierp de koningin een ongemakkelijke blik toe. Hij ging staan en liep naar Thanos toe. “Thanos, je bent een dappere jongen dat je je zo uitspreekt,” zei hij terwijl hij een hand op zijn schouder legde. “Maar was je broertje niet in koele bloede vermoord door die zelfde mensen, zij die zichzelf regeerden, zoals je zegt? Thanos liep rood aan. Hoe durfde zijn oom de dood van zijn broer zo spottend aan te halen? Thanos was jarenlang huilend in slaap gevallen terwijl hij rouwde om het verlies van zijn broer. “Zij die mijn broertje hebben vermoord hadden niet genoeg te eten,” zei Thanos. “Een wanhopig man neemt wanhopige maatregelen.” “Trek je de wijsheid van de koning in twijfel?” vroeg de koningin. Thanos kon niet geloven dat niemand anders hier tegen in ging. Zagen ze dan niet hoe onrechtvaardig dit was? Beseften ze dan niet dat deze nieuwe wetten het vuur van het verzet zouden aanwakkeren? “U zult de mensen geen seconde kunnen laten geloven dat u iets anders wilt dan hen laten lijden en er zelf van profiteren,” zei Thanos. Er rees een geluid van afkeuring op in de groep. “Je spreekt harde woorden, neef,” zei de koning terwijl hij hem in zijn ogen keek. “Ik zou bijna geloven dat je van plan bent om je bij het verzet aan te sluiten.” “Of misschien heeft hij dat al gedaan?” zei de koningin met opgetrokken wenkbrauwen. “Dat ben ik niet,” blafte Thanos. Het werd steeds heter in het paviljoen en Thanos besefte dat als hij niet voorzichtig was, hij wellicht van verraad beschuldigd zou worden—een misdaad die werd bestraft door de dood, zonder proces. Stephania stond op en nam Thanos’ hand in de hare—maar, geërgerd door haar timing, rukte hij zijn hand los. Stephania’s gezicht betrok, en ze keek naar beneden. “Misschien zul je over een tijdje de zwakke punten van je overtuigingen zien,” zei de koning tegen Thanos. “Voor nu blijft de wet in stand, en wordt hij onmiddellijk geïmplementeerd.” “Goed,” zei de koningin met een plotselinge glimlach. “Nu kunnen we verder met het tweede punt op de agenda. Thanos, als een jonge man van negentien, hebben wij, je imperiale vorsten, een vrouw voor je gekozen. We hebben besloten dat jij en Stephania gaan trouwen.” Thanos wierp een blik op Stephania, wiens ogen nat waren van de tranen. Ze had een bezorgde blik op haar gezicht. Hij voelde zich ontzet. Hoe konden ze dit van hem eisen? “Ik kan niet met haar trouwen,” fluisterde Thanos. Hij voelde een knoop in zijn maag. Er rees gemompel op, en de koningin sprong zo snel overeind dat haar stoel achterover viel. “Thanos!” schreeuwde ze, met gebalde vuisten. “Hoe durf je de koning te tarten? Je zal met Stephania trouwen of je nu wil of niet.” Thanos keek naar Stephania, terwijl bij haar de tranen over haar wangen liepen. “Denk je soms dat je te goed voor me bent?” vroeg ze met een trillende onderlip. Hij deed een stap naar haar toe om haar te troosten, maar voor hij bij haar was rende ze de het paviljoen al uit, met haar handen voor haar gezicht. De koning ging staan, duidelijk boos. “Wijs haar af, jongen,” zei hij, zijn stem ineens kil en hard, donderend door de het paviljoen, “en het wordt de kerker voor jou.” HOOFDSTUK VIJF Ceres rende door de straten tot ze voelde dat haar benen haar niet langer konden dragen, tot haar longen zo hard brandden dat ze dacht dat ze zouden barsten, en tot ze zeker wist dat de slavendrijver haar nooit zou vinden. Uiteindelijk stortte ze in op de grond in een achterafsteegje, tussen afval en ratten. Ze sloeg haar armen om haar benen heen en de tranen stroomden over haar verhitte wangen. Nu haar vader weg was en haar moeder haar wilde verkopen, had ze niemand meer. Als ze op straat bleef en in de steegjes sliep, zou ze uiteindelijk sterven van de honger of doodvriezen als de winter kwam. Misschien zou dat wel het beste zijn. Ze bleef daar urenlang zitten huilen, haar ogen opgezwollen, haar geest vertroebeld door wanhoop. Waar moest ze nu heen? Hoe moest ze geld verdienen om te overleven? De zon stond al laag aan de hemel toen ze uiteindelijk besloot om terug naar huis te gaan, de schuur in te sluipen, de paar zwaarden mee te nemen die er nog lagen, en ze aan het paleis te verkopen. Ze verwachtten haar vandaag toch al. Op die manier zou ze ten minste voor een paar dagen geld hebben, tot ze een beter plan had bedacht. Ze zou ook het zwaard meenemen dat haar vader haar had gegeven, en ze onder de vloerplanken had verstopt. Maar dat zou ze niet verkopen, nee. Ze zou haar vaders geschenk niet opgeven tot ze de dood in de ogen keek. Ze rende naar huis, op haar hoede voor bekende gezichten of de wagen van de slavendrijver. Toen ze de laatste heuvel bereikte sloop ze achter de rij huizen het veld in, haar schoenen knarsend over de uitgedroogde aarde, haar ogen op zoek naar haar moeder. Ze voelde een steek van schuldgevoel toen ze zich herinnerde hoe ze haar moeder had geslagen. Ze had haar nooit pijn willen doen, zelfs niet na hoe wreed haar moeder was geweest. Zelfs niet nu haar hart gebroken en niet meer te lijmen was. Ze kwam bij de achterkant van hun schuur en tuurde door een spleet in de muur. Ze zag dat de schuur verlaten was, stapte de schemerige ruimte in en verzamelde de zwaarden. Maar net toen ze op het punt stond om de vloerplank op te tillen waar ze het zwaard had verborgen, hoorde ze stemmen buiten. Toen ze opstond en door een klein gat in de muur tuurde, zag ze tot haar afschuw haar moeder en Sartes naar de schuur toe lopen. Haar moeder had een blauw oog en een blauwe plek op haar wang. Nu ze zag dat haar moeder levend en wel was, deed de wetenschap dat zij verantwoordelijk was voor die blauwe plek Ceres bijna glimlachen. Terwijl ze dacht aan hoe haar moeder haar had willen verkopen, welde de woede weer in haar op. “Als ik je erop betrap dat je voedsel voor Ceres mee naar buiten smokkelt, krijg je er van langs, begrijp je me?” beet haar moeder terwijl zij en Sartes langs haar grootmoeders boom liepen. Toen Sartes geen antwoord gaf, sloeg haar moeder hem in zijn gezicht. “Begrijp je me, jongen?” zei ze. “Ja,” zei Sartes. Hij keek naar beneden, een traan in zijn oog. “En als je haar ooit ziet, breng haar dan thuis zodat ik haar een afranseling kan geven die ze nooit meer vergeet.” Ze begonnen weer naar de schuur te lopen, en Ceres’ hart begon hevig te kloppen. Ze greep de zwaarden en schoot zo snel en stil als ze kon naar de achterdeur. Net toen ze naar buiten ging zwaaide de voordeur open, en ze leunde tegen de buitenmuur en luisterde. De wonden van de klauwen van de omnicat prikten in haar rug. “Wie is daar?” zei haar moeder. Ceres hield haar adem in en kneep haar ogen dicht. “Ik weet dat je daar bent,” zei haar moeder, en ze wachtte. “Sartes, controleer de achterdeur. Hij staat open.” Конец ознакомительного фрагмента. Текст предоставлен ООО «ЛитРес». Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/pages/biblio_book/?art=43694839&lfrom=334617187) на ЛитРес. Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.
СКАЧАТЬ БЕСПЛАТНО