Сетевая библиотекаСетевая библиотека
Een Lot Van Draken Morgan Rice De Tovenaarsring #3 DE TOVERNAARSRING heeft alle ingrediënten voor direct succes: samenzweringen, intriges, mysterie, dappere ridders en opbloeiende relaties, compleet met gebroken harten, bedrog en verraad. Het zal je urenlang boeien, en is geschikt voor alle leeftijden. Aanbevolen voor de permanente collectie van alle liefhebbers van fantasy. --Books and Movie Reviews, Roberto Mattos EEN LOT VAN DRAKEN (Boek #3 in de Tovenaarsring) neemt ons verder mee op Thors epische reis om een krijger te worden, terwijl hij over de Vuurzee naar het Eiland van de Mist reist. Het is een meedogenloze plek, en Thors krachten en vaardigheden ontwikkelen zich terwijl hij traint. Zijn vriendschappen versterken zich terwijl ze tegenslagen moeten doorstaan, erger dan ze zich hadden kunnen voorstellen. Maar wanneer ze het tegen onvoorstelbare monsters moeten opnemen, worden de Honderd al snel een strijd op leven en dood. Niet iedereen zal het overleven. Thor wordt geteisterd door zijn dromen en zijn mysterieuze ontmoetingen met Argon. Hij wil meer weten over wie hij is, wie zijn moeder is, en wat de bron van zijn krachten is. Wat is zijn lotsbestemming? In de Ring loopt ondertussen de situatie uit de hand. Kendrick wordt gevangen genomen en het is aan Gwendolyn om hem te redden, en de Ring te beschermen door haar broer Gareth van de troon te stoten. Samen met haar broer Godfrey zoekt ze naar aanwijzingen om de moordenaar van haar vader te vinden, en komen ze dichter tot elkaar. Maar Gwendolyn graaft te diep, en komt in een levensgevaarlijke situatie terecht. Gareth doet een poging om het Zwaard van het Lot op te tillen en leert wat het betekent om Koning te zijn. Hij wordt opgeslokt door zijn eigen machtsmisbruik. Hij regeert meedogenloos en wordt paranoïde. Terwijl men de moordenaar van de Koning steeds dichter op het spoor komt, dringen de McClouds dieper door in de Ring, en het Koninklijk Hof is in groot gevaar. Gwen verlangt naar Thors terugkomst, naar het moment dat ze weer samen zullen zijn. Maar met de machten die hen in de weg staan, is het nog maar de vraag of dat ooit zal gebeuren. Zal Thor de Honderd overleven? Zal het Koninklijk Hof ten val worden gebracht? Zal MacGils moordenaar gevonden worden? Zal Gwen Thor weer zien? En zal Thor eindelijk het geheim van zijn lotsbestemming te weten komen? EEN LOT VAN DRAKEN is een episch verhaal van vrienden en geliefden, rivalen en minnaars, ridders en draken, intriges en politieke machinaties, van volwassen worden, van gebroken harten, van bedrog, ambitie en verraad. Het is een verhaal van eer en moed, van lotsbestemming en tovenarij. Het is een fantasie die ons meeneemt naar een wereld die we nooit zullen vergeten, en die alle leeftijden zal aanspreken. Had vanaf het begin mijn aandacht en liet die niet los… Dit verhaal is een ongelofelijk avontuur in een hoog tempo, vanaf het begin vol actie. Het wordt nooit saai. --Paranormal Romance Guild {over Turned} Boordevol actie, romantiek, avontuur en spanning. Haal deze in huis en wordt opnieuw verliefd. --vampirebooksite. com (over Turned) E E N L O T V A N D R A K E N (Boek #3 in de Tovenaarsring) Morgan Rice Over Morgan Rice Morgan Rice is de #1 bestverkopende auteur van DE VAMPIER DAGBOEKEN, een tienerserie die inmiddels bestaat uit elf boeken; de #1 bestverkopende serie DE SURVIVAL TRILOGY, een postapocalyptische thriller bestaande uit twee boeken; en de #1 bestverkopende epische fantasy serie DE TOVENAARSRING, die inmiddels al uit dertien boeken bestaat. Morgans boeken zijn verkrijgbaar in audio en print edities, en vertalingen van de boeken zijn verkrijgbaar in het Duits, Frans, Italiaans, Spaans, Portugees, Japans, Chinees, Zweeds, Nederlands, Turks, Hongaars, Tsjechisch en Slowaaks (met meer talen in de planning). Morgan hoort graag van je, dus breng gerust een bezoekje aan www.morganricebooks.com (http://www.morganricebooks.com) om een gratis boek te ontvangen, gratis weggevertjes, de gratis app te downloaden, het laatste exclusieve nieuws te lezen en in contact te blijven via Facebook en Twitter! Geselecteerde bijvalsbetuigingen voor Morgan Rice “DE TOVERNAARSRING heeft alle ingrediënten voor direct succes: samenzweringen, intriges, mysterie, dappere ridders en opbloeiende relaties, compleet met gebroken harten, bedrog en verraad. Het zal je urenlang boeien, en is geschikt voor alle leeftijden. Aanbevolen voor de permanente collectie van alle liefhebbers van fantasy.” --Books and Movie Reviews, Roberto Mattos “Rice weet je vanaf het begin in het verhaal mee te slepen, en maakt gebruik van geweldige beschrijvende kwaliteiten die boven het schetsen van de setting uitstijgen… Goed geschreven en leest lekker snel weg.” --Black Lagoon Reviews (over Turned) “Een ideaal verhaal voor jonge lezers. Morgan Rice is erin geslaagd om een interessante twist aan het verhaal te geven… Verfrissend en uniek, heeft de klassieke elementen die je in veel paranormale Young Adult verhalen terugvindt. De serie gaat over een meisje… een heel bijzonder meisje! …Leest makkelijk weg maar in een zeer hoog tempo… Een aanrader voor iedereen die houdt van softe paranormale romances.” --The Romance Reviews (over Turned) “Had vanaf het begin mijn aandacht en liet die niet los… Dit verhaal is een ongelofelijk avontuur in een hoog tempo, vanaf het begin vol actie. Het wordt nooit saai.” --Paranormal Romance Guild {over Turned} “Boordevol actie, romantiek, avontuur en spanning. Haal deze in huis en wordt opnieuw verliefd.” --vampirebooksite.com (over Turned) “Een geweldig plot, en dit is echt zo’n boek dat je ‘s avonds niet kan wegleggen. Het einde was een cliffhanger die zo spectaculair was dat je onmiddellijk het volgende boek wil kopen, alleen om erachter te komen wat er gebeurd.” --The Dallas Examiner {over Loved} “Een boek dat zich kan meten met TWILIGHT en THE VAMPIRE DIARIES, één die je in één ruk uit wil lezen! Als je houdt van avontuur, liefde en vampieren dat is dit het boek voor jou!” --Vampirebooksite.com {over Turned} “Morgan Rice bewijst wederom een extreem getalenteerde verhalenverteller te zijn… Dit zou een breed publiek aanspreken, inclusief de jongere fans van het vampier/fantasy genre. Het eindigde met een onverwachte cliffhanger die je zal schokken.” --The Romance Reviews {over Loved} Boeken door Morgan Rice THE SORCERER’S RING (DE TOVENAARSRING) A QUEST OF HEROES (Book #1)--EEN ZOEKTOCHT VAN HELDEN (Boek #1) A MARCH OF KINGS (Book #2)--EEN MARS VAN KONINGEN (Boek #2) A FATE OF DRAGONS (Book #3)--EEN LOT VAN DRAKEN (Boek #3) A CRY OF HONOR (Book #4)--EEN CONFLICT VAN EER (Boek #4) A VOW OF GLORY (Book #5)--EEN GELOFTE VAN GLORIE (Boek #5) A CHARGE OF VALOR (Book #6)--EEN AANVAL VAN MOED (Boek #6) A RITE OF SWORDS (Book #7)--EEN RITE VAN ZWAARDEN (Boek #7) A GRANT OF ARMS (Book #8)--EEN GIFT VAN WAPENS (Boek #8) A SKY OF SPELLS (Book #9)--EEN HEMEL VAN SPREUKEN (Boek #9) A SEA OF SHIELDS (Book #10)--EEN ZEE VAN SCHILDEN (Boek #10) A REIGN OF STEEL (Book #11)--EEN BEWIND VAN STAAL (Boek #11) A LAND OF FIRE (Book #12)--EEN LAND VAN VUUR (Boek #12) A RULE OF QUEENS (Book #13)--EEN HEERSCHAPPIJ VAN KONINGINNEN (Boek #13) THE SURVIVAL TRILOGY-- DE SURVIVAL TRILOGIE ARENA ONE: SLAVERUNNERS (Book #1)-- ARENA EEN: SLAVERSUNNERS (Boek #1) ARENA TWO (Book #2)-- ARENA TWEE (Boek #2) THE VAMPIRE JOURNALS-- DE VAMPIER DAGBOEKEN TURNED (Book #1)-- VERANDERD (Boek #1) LOVED (Book #2)-- GELIEFD (Boek #2) BETRAYED (Book #3)-- VERRADEN (Boek #3) DESTINED (Book #4)-- VOORBESTEMD (Boek #4) DESIRED (Book #5)-- VERLANGD (Boek #5) BETROTHED (Book #6)-- VERLOOFD (Boek #6) VOWED (Book #7)-- BELOOFD (Boek #7) FOUND (Book #8)-- GEVONDEN (Boek #8) RESURRECTED (Book #9)-- HERREZEN (Boek #9) CRAVED (Book #10)-- BEGEERT (Boek #10) FATED (Book #11)--VERDOEMD (Boek #11) (http://www.amazon.com/Quest-Heroes-Book-Sorcerers-Ring/dp/B00F9VJRXG/ref=la_B004KYW5SW_1_13_title_0_main?s=books&ie=UTF8&qid=1379619328&sr=1-13) Luister (https://itunes.apple.com/us/audiobook/quest-heroes-book-1-in-sorcerers/id710447409) naar DE TOVENAARSRING serie als audioboek! Nu verkrijgbaar op: Amazon (http://www.amazon.com/Quest-Heroes-Book-Sorcerers-Ring/dp/B00F9VJRXG/ref=la_B004KYW5SW_1_13_title_0_main?s=books&ie=UTF8&qid=1379619328&sr=1-13) Audible (http://www.audible.com/pd/Sci-Fi-Fantasy/A-Quest-of-Heroes-Audiobook/B00F9DZV3Y/ref=sr_1_3?qid=1379619215&sr=1-3) iTunes (https://itunes.apple.com/us/audiobook/quest-heroes-book-1-in-sorcerers/id710447409) Copyright © 2013 door Morgan Rice Alle rechten voorbehouden. Behalve zoals toegestaan onder de V.S. Copyright Act van 1976, mag geen enkel deel van deze publicatie worden gereproduceerd, gedistribueerd of overgedragen worden, in wat voor vorm dan ook, of worden opgeslagen in een database of zoeksysteem, zonder de voorafgaande toestemming van de auteur. Dit ebook is uitsluitend voor jou persoonlijk bedoeld. Dit ebook mag niet doorverkocht worden of weggeven worden aan andere mensen. Als je dit boek met iemand anders wil delen, schaf dan alsjeblieft een extra exemplaar aan voor elke ontvanger. Als je dit boek leest en je hebt het niet aangeschaft, of het is niet voor jouw gebruik aangeschaft, geef het dan terug en schaf je eigen exemplaar aan. Bedankt voor het respecteren van het harde werk van deze auteur. Dit is een werk van fictie. Namen, personages, bedrijven, organisaties, plaatsen, evenementen en incidenten zijn een product van de fantasie van de auteur of zijn fictief gebruikt. Enige overeenkomst met echte personen, levend of dood, is geheel toevallig. Omslagafbeelding Copyright Bob Orsillo, gebruikt onder licentie van Shutterstock.com. INHOUD HOOFDSTUK ÉÉN HOOFDSTUK TWEE HOOFDSTUK DRIE HOOFDSTUK VIER HOOFDSTUK VIJF HOOFDSTUK ZES HOOFDSTUK ZEVEN HOOFDSTUK ACHT HOOFDSTUK NEGEN HOOFDSTUK TIEN HOOFDSTUK ELF HOOFDSTUK TWAALF HOOFDSTUK DERTIEN HOOFDSTUK VEERTIEN HOOFDSTUK VIJFTIEN HOOFDSTUK ZESTIEN HOOFDSTUK ZEVENTIEN HOOFDSTUK ACHTTIEN HOOFDSTUK NEGENTIEN HOOFDSTUK TWINTIG HOOFDSTUK EENENTWINTIG HOOFDSTUK TWEEËNTWINTIG HOOFDSTUK DRIEËNTWINTIG HOOFDSTUK VIERENTWINTIG HOOFDSTUK VIJFENTWINTIG HOOFDSTUK ZESENTWINTIG HOOFDSTUK ZEVENENTWINTIG HOOFDSTUK ACHTENTWINTIG HOOFDSTUK NEGENENTWINTIG HOOFDSTUK DERTIG HOOFDSTUK EENENDERTIG “Kom niet tussen de draak en zijn toorn.” —William Shakespeare King Lear HOOFDSTUK ÉÉN Koning McCloud raasde over de Hooglanden, de MacGil kant van de Ring in. Honderden van zijn mannen reden achter hem aan, terwijl zijn paard de heuvel af galoppeerde. Hij haalde uit, hief zijn zweep, en bracht deze met een harde klap neer op het achterste van zijn paard: zijn paard had geen aansporing nodig, maar hij wilde hem toch slaan. Hij hield ervan dieren pijn te doen. McCloud moest bijna kwijlen toen hij het uitzicht voor zich zag: een idyllisch MacGil dorpje, de mannen op het veld, ongewapend, de vrouwen thuis, bezig met het ophangen van de was, schaars gekleed in de zomerse hitte. De deuren van de huizen stonden open; de kippen scharrelden vrij rond; de ketels borrelden al met het avondeten. Hij dacht aan de schade die hij zou veroorzaken, de buit die hij zich eigen zou maken, de vrouwen die hij zou ruïneren—en hij glimlachte breed. Hij kon bijna het bloed proeven dat hij zou vergieten. Ze reden en reden, hun paarden donderden als onweer over het land, en eindelijk merkte iemand hen op: de dorpswacht, een zielig excuus van een soldaat, een tiener met een speer in zijn hand, draaide zich om toen hij hen hoorde naderen. McCloud zag het wit van zijn ogen, zag de angst en paniek op zijn gezicht; in dit slaperige stadje had deze jongen waarschijnlijk nog nooit van zijn leven een gevecht aanschouwd. Hij was hopeloos onvoorbereid. McCloud verspilde geen seconde: hij wilde de eerste moord, zoals hij altijd wilde in de strijd. Zijn mannen wisten dat. Hij sloeg zijn paard weer tot het gilde, versnelde en ging verder voor de anderen uit rijden. Hij hief de speer van zijn voorvaderen, een zwaar voorwerp van ijzer, haalde uit en wierp. Zijn worp was perfect, zoals altijd: de jongen had zich nog nauwelijks omgedraaid toen de speer zich dwars door zijn rug heen boorde en hem tegen een boom pinde. Bloed gutste uit zijn rug, en het was genoeg om McClouds dag goed te maken. McCloud slaakte een kort gilletje van plezier terwijl ze verder galoppeerden, over het rijke land van de McGils, door gele maïskolven die zwaaiden in de wind, richting de poort van het dorp. De dag was bijna te mooi voor alle vernieling die zij op het punt stonden te veroorzaken. Ze raasden door de onbeschermde poort van het dorp. Het was dom om deze plek, aan de buitenrand van de Ring, zo dicht bij de Hooglanden, onbewaakt te laten. Ze hadden beter moeten weten, dacht McCloud minachtend. Hij zwaaide met zijn bijl en haalde het houten naambord van het dorp neer. Hij zou het spoedig een andere naam geven. Zijn mannen raasden door het dorp, en overal om hem heen barstten mensen in gegil uit. De vrouwen, de kinderen, de oude mannen, en wie er dan ook thuis was op deze godvergeten plek. Er waren zo’n honderd ongelukkige zielen, en McCloud was vastberaden ze stuk voor stuk te laten boeten. Hij hief zijn bijl over zijn hoofd en concentreerde zich op een vrouw, die, met haar rug naar hem toe, een poging deed om in veiligheid te komen. Het mocht niet zo zijn. McClouds bijl raakte haar in de achterkant van haar kuit, zoals hij had gewild, en ze ging met een schreeuw tegen de vlakte. Hij wilde haar niet doden: hij wilde haar slechts verminken. Tenslotte wilde hij haar levend, voor het plezier dat hij na afloop met haar zou hebben. Hij had een goede keuze gemaakt: een vrouw met lang, ongetemd blond haar en smalle heupen, nauwelijks ouder dan achttien. Zij zou de zijne zijn. Wellicht zou hij haar doden zodra hij klaar met haar was. Of misschien ook niet; misschien zou hij haar gewoon als zijn slaaf houden. Hij schreeuwde van genot terwijl hij naar haar toe reed en van zijn paard af sprong. Hij landde op haar en sloeg haar tegen de grond. Ze rolden in het zand, hij voelde de impact van de grond, en hij glimlachte terwijl hij genoot van het gevoel. Eindelijk had het leven weer betekenis. HOOFDSTUK TWEE Kendrick stond in het oog van de storm. Hij stond in de Wapenzaal, geflankeerd door tientallen van zijn broeders, allen geharde leden van de Zilveren, en hij keek kalm naar Darloc, de commandant van de Koninklijke wacht, die op een wel heel ongelukkige missie was gestuurd. Wat dacht Darloc wel niet? Dacht hij nu echt dat hij de Wapenzaal in kon lopen en proberen om, ten aanzien van al zijn strijdbroeders, Kendrick te arresteren, de meest geliefde van de Koninklijke familie? Dacht hij nu echt dat de anderen dat zouden toelaten? Hij had de loyaliteit van de Zilveren aan Kendrick ernstig onderschat. Zelfs als Darloc legitieme redenen had gehad voor zijn arrestatie—en dat was zeker niet het geval—betwijfelde Kendrick ten zeerste dat zijn broeders zouden toestaan dat hij werd meegenomen. Ze waren loyaal voor het leven, en loyaal tot de dood. Dat was waar de Zilveren in geloofden. Hij zou op dezelfde manier hebben gereageerd als één van zijn broeders bedreigd zou worden. Ze hadden ten slotte hun hele levens samen getraind, samen gevochten. Kendrick voelde de spanning die in de zware stilte hing, terwijl de Zilveren hun wapens trokken tegen het tiental Koninklijke wachters. Ze schoven zenuwachtig heen en weer, en leken zich met de seconde ongemakkelijker te voelen. Ze moesten geweten hebben dat het uit zou lopen in een slachtpartij, zou één van hen trachten zijn zwaard te grijpen—en wijselijk deed geen van hen een poging. Ze stonden daar, en wachtten op bevelen van hun commandant, Darloc. Darloc slikte. Hij zag er erg nerveus uit. Hij besefte dat het hopeloos was. “Het lijkt erop dat je niet genoeg mannen hebt meegenomen,” antwoordde Kendrick kalm, terwijl hij glimlachte. “Een dozijn van de Koninklijke Wachters tegen honderd van de Zilveren. Het is een verloren zaak.” Darloc zag er bleek uit. Hij schraapte zijn keel. “Mijn heer, we dienen allen hetzelfde koninkrijk. Ik wens niet met u te vechten. U heeft gelijk: dit is een gevecht dat we niet zouden winnen. Als u dat wenst, zullen we vertrekken en terugkeren naar de Koning. “Maar u weet dat Gareth slechts meer mannen naar u toe zou sturen. Andere mannen. En u weet waar dit toe zou leiden. U zult hen wellicht allemaal doden—maar wilt u echt het bloed van uw broeders aan uw handen hebben? Wilt u echt een burgeroorlog starten? Uw mannen zouden hun leven voor u riskeren. Ze zouden iedereen doden. Maar is dat eerlijk tegenover hen?” Kendrick staarde hem aan en dacht na. Darloc had wel een punt. Hij wilde niet dat zijn mannen vanwege hem zouden moeten lijden. Hij voelde een overweldigend verlangen hen tegen elk bloedvergieten te beschermen, ongeacht wat dit voor hem betekende. En hoe afschuwelijk zijn broer Gareth ook was, hoe slecht hij ook regeerde, Kendrick wilde geen burgeroorlog—niet vanwege hem. Er waren andere manieren; een directe confrontatie, zo had hij geleerd, was niet altijd het meest effectief. Kendrick reikte zijn hand uit en liet het zwaard van zijn vriend Atme langzaam zakken. Hij draaide zich om en wendde zich tot de andere Zilveren. Hij was overweldigd met dankbaarheid voor het feit dat ze het voor hen opnamen. “Mijn broeders van de Zilveren,” sprak hij, “ik ben vereerd door jullie verdediging, en ik kan jullie verzekeren dat het niet voor niets is. Jullie kennen me, ik had niets te maken met de dood van mijn vader, onze voormalige koning. En wanneer ik zijn ware moordenaar vindt, die ik naar aanleiding van deze bevelen al gevonden denk te hebben, zal ik de eerste zijn om wraak te nemen. Ik ben vals beschuldigd. Maar ik wens niet degene te zijn die een burgeroorlog start. Dus ik smeek jullie, laat jullie wapens zakken. Ik zal vrijwillig meegaan, want een lid van de Ring mag nooit tegen een ander vechten. Wanneer het recht geschied, zal de waarheid boven water komen—en zal ik bij jullie terug komen.” De groep Zilveren liet langzaam, met tegenzin, hun wapens zakken. Kendrick wendde zich weer tot Darloc. Hij liep met Daroc naar de deur, omgeven door de Wachters van de Koning. Kendrick liep trots in het midden. Darloc deed geen poging hem te boeien—wellicht uit respect, of uit angst, want Darloc wist dat hij onschuldig was. Kendrick zou zichzelf naar zijn nieuwe gevangenis leiden. Maar hij zou niet zo makkelijk opgeven. Hij zou hoe dan ook zijn naam zuiveren en uit de kerkers komen—en de moordenaar van zijn vader doden. Zelfs als het zijn eigen broer was. HOOFDSTUK DRIE Gwendolyn stond in de kamer van het kasteel, haar broer Godfrey naast haar, en staarde naar Steffen. Hij bewoog zenuwachtig heen en weer, friemelend met zijn handen. Hij was een vreemde vogel—niet alleen omdat hij mismaakt was, zijn rug verdraaid en gebogen, maar ook omdat hij gevuld leek te zijn met een nerveuze energie. Zijn ogen schoten constant heen en weer, en zijn handen grepen elkaar vast alsof hij getergd werd door schuld. Hij verplaatste zijn gewicht van de ene voet op de andere, en neuriede in zichzelf. Al die jaren hier beneden, dacht Gwen, al die jaren van isolatie hadden hem duidelijk van de wereld vervreemd. Gwen wachtte in spanning tot hij eindelijk iets zou opbiechten, en zou onthullen wat er met haar vader was gebeurd. Maar de seconden veranderden in minuten, en terwijl de zweetdruppels over Steffens voorhoofd liepen, en hij steeds heviger heen en weer leek te bewegen, kwam er niets uit. Er hing een dikke, zware stilte, die slechts door het geluid van zijn geneurie werd doorbroken. Het zweet begon Gwen zelf ook uit te breken. De brandende vuren in de kuilen waren te dichtbij op deze hete zomerdag. Ze wilde er van af zijn, hier weggaan—en nooit meer terug komen. Ze staarde Steffen onderzoekend aan, trachtte zijn uitdrukking te ontcijferen, in een poging erachter te komen wat er door zijn hoofd ging. Hij had beloofd hen iets te vertellen, maar nu zweeg hij. Terwijl ze hem bekeek, leek het erop dat hij zijn twijfels had. Hij was overduidelijk bang; hij had iets te verbergen. Eindelijk schraapte Steffen zijn keel. “Er viel iets door de schacht die nacht, ik geef het toe,” begon hij. Hij weigerde hen aan te kijken, en hield zijn ogen op de vloer. “Maar ik weet niet zeker wat het was. Het was van metaal. We namen de kamerpot mee die nacht, en ik hoorde iets in de rivier vallen. Iets anders. Dus,” zei hij, terwijl hij handenwringend zijn keel een aantal keer schraapte, “ziet u, wat het ook was, het is verdwenen in de rivier.” “Weet je het zeker?” wilde Godfrey weten. Steffen knikte hevig. Gwen en Godfrey wisselden een blik. “Heb je het kunnen zien?” drong Godfrey aan. Steffen schudde zijn hoofd. “Maar je had het over een dolk. Hoe weet je dat het een dolk was als je het niet hebt gezien?” vroeg Gwen. Ze wist zeker dat hij loog; ze wist alleen niet waarom. Steffen schraapte zijn keel. “Dat zei ik omdat ik aannam dat het een dolk was,” antwoordde hij. “Het was klein en van metaal. Wat had het anders kunnen zijn?” “Maar heb je op de bodem van de pot gekeken?” vroeg Godfrey. “Nadat je hem geleegd had? Misschien ligt het nog wel op de bodem van de pot.” Steffen schudde zijn hoofd. “Ik heb al gekeken,” zei hij. “Dat doe ik altijd. Er was niets. Leeg. wat het ook was, het is weg. Ik zag het wegdrijven.” “Als het metaal was, hoe dreef het dan?” vroeg Gwen. Steffen schraapte zijn keel en haalde zijn schouders op. “De rivier is mysterieus,” antwoordde hij. “De stroming is sterk.” Gwen wisselde een sceptische blik met Godfrey, en kon aan zijn gezichtsuitdrukking zien dat hij Steffen ook niet geloofde. Gwen begon ongeduldig te worden. Maar ze was ook verbijsterd. Slechts enkele minuten geleden had Steffen beloofd dat hij hen alles zou vertellen. Maar het leek erop alsof hij plotseling van gedachten was veranderd. Gwen deed een stap dichterbij en fronste. Ze voelde dat deze man iets te verbergen had. Ze zetten haar strengste gezicht op, en voelde de kracht van haar vader door zich heen stromen. Ze was vastberaden om erachter te komen wat hij wist—zeker als het haar zou helpen haar vaders moordenaar te vinden. “Je liegt,” zei ze. Haar stem was koud als staal, en de kracht die erin lag veraste haar. “Weet je wat de straf is voor het liegen tegen een lid van de Koninklijke familie?” Steffen wrong in zijn handen, wierp een vluchtige blik op haar, en wendde toen snel weer zijn blik af. “Het spijt me,” zei hij. “Het spijt me. Alstublieft, dat is alles wat ik weet.” “Je vroeg ons of we je zouden sparen als je ons zou vertellen wat je wist,” zei ze. “Maar je hebt ons niets vertelt. Waarom zou je die vraag stellen als je ons niets te vertellen had?” Steffen likte zijn lippen en staarde naar de grond. “Ik… Ik… um,” begon hij, en stopte. Hij schraapte zijn keel. “Ik was bang… dat ik in de problemen zou komen voor het niet rapporteren van het feit dat er een object door de schacht was gevallen. Dat is alles. Het spijt me. Ik weet niet wat het was. Het is weg.” Gwen vernauwde haar ogen en staarde hem aan, en probeerde uit te vinden hoe dit vreemde karakter in elkaar zat. “Wat is er precies met je meester gebeurd?” vroeg ze. Ze zou hem niet zomaar vrijuit laten gaan. “Ze zeggen dat hij vermist wordt. En dat jij daar iets mee te maken hebt.” Steffen schudde zijn hoofd. “Hij is weggegaan,” antwoordde Steffen. “Dat is alles wat ik weet. Het spijt me. Ik weet niets dat jullie kan helpen.” Plotseling klonk er een luid geluid van de andere kant van de kamer. Ze draaiden zich om en zagen afval uit de schacht stromen, en met een plons in de grote kamerpot vallen. Steffen draaide zich om en rende de kamer door. Hij haastte zich naar de pot. Hij stond ernaast en keek toe hoe de pot zich vulde met afval uit de bovengelegen kamers. Gwen draaide zich om en keek naar Godfrey, die haar aanstaarde. Hij had een even verbijsterde uitdrukking op zijn gezicht. “Wat hij ook probeert te verbergen,” zei ze, “hij geeft niet op.” “We zouden hem gevangen kunnen laten nemen,” zei Godfrey. “Dat zal hem wellicht laten praten.” Gwen schudde haar hoofd. “Ik denk het niet. Niet deze. Hij is overduidelijk ontzettend bang. Ik denk dat het iets te maken heeft met zijn meester. Hij zit duidelijk in tweestrijd, en ik denk niet dat het iets te maken heeft met vaders dood. Ik denk dat hij iets weet dat ons zou kunnen helpen—maar ik heb het gevoel dat het geen zin heeft als we hem in een hoek drijven.” “Dus wat zullen we doen?” vroeg Godfrey. Gwen stond daar, nadenkend. Ze herinnerde zich een vriendin van haar, toen ze jong was, die ooit eens was betrapt op liegen. Ze herinnerde zich dat haar ouders haar op alle mogelijke manieren hadden getracht te dwingen de waarheid te vertellen, maar ze had niets willen zeggen. Pas vier weken later, toen iedereen haar eindelijk met rust had gelaten, was ze vrijwillig naar voren gekomen en had ze alles opgebiecht. Gwen voelde dezelfde energie bij Steffen, dat het niet zou werken om hem in een hoek te drijven, dat hij ruimte nodig had om zelf naar voren te komen. “Laten we hem tijd geven,” zei ze. “Laten we elders zoeken. Laten we kijken wat we uit kunnen vinden, en bij hem terug komen wanneer we meer hebben. Ik denk dat hij wel zal praten. Hij is alleen nog niet klaar.” Gwen draaide zich om en bekeek hem, aan de andere kant van de kamer, terwijl hij het afval bestudeerde dat de ketel vulde. Ze wist zeker dat hij hen naar haar vaders moordenaar zou leiden. Ze wist alleen nog niet hoe. Ze vroeg zich af wat voor geheimen er in zijn hoofd ronddwaalden. Hij was een erg vreemde jongen, dacht Gwen. Erg vreemd. HOOFDSTUK VIER Thor snakte naar adem terwijl het water over zijn ogen, neus en mond liep, en om hem heen neergoot. Nadat hij over de boot was gegleden, was hij erin geslaagd om de houten reling vast te grijpen, en hij klampte zich er aan vast terwijl het meedogenloze water trachtte zijn greep te verzwakken. Elke spier in zijn lichaam trilde, en hij wist niet hoe lang hij het nog vol zou kunnen houden. Om hem heen deden zijn broeders hetzelfde. Ze hielden zich krampachtig vast aan wat ze dan ook konden vinden, terwijl het water probeerde hen van de boot te spoelen. Op de één of andere manier wisten ze vol te houden. Het geluid was oorverdovend, en hij kon niet verder dan enkele meters voor zich kijken. Ondanks de zomerse dag was de regen koud, en het water deed een huivering over zijn lichaam heen lopen. Kolk stond met zijn handen op zijn heupen, schijnbaar onverstoord door de regenmuur, en blafte naar hen. “TERUG NAAR JE PLEK!” schreeuwde hij. “ROEIEN!” Kolk ging zelf ook zitten en begon te roeien, en binnen enkele momenten glibberden en kropen de jongens over het dek, terug naar de banken. Thors hart bonsde terwijl hij de reling losliet, en worstelde om het dek over te komen. Krohn, die in zijn shirt zat, jankte, en Thor gleed uit en viel hard op het dek. Hij kroop de rest van de weg, en wist uiteindelijk zijn plek te bereiken. “BIND JEZELF VAST!” schreeuwde Kolk. Thor keek naar beneden en zag de touwen onder zijn bank liggen. Nu wist hij waar ze voor bedoeld waren: hij reikte naar beneden en bond één van de touwen om zijn pols. Hij ketende zichzelf aan de bank vast. Het werkte. Hij gleed niet meer weg. En nu was hij in staat om te roeien. Om hem heen begonnen de jongens weer te roeien, Reece voor hem, en Thor voelde hoe de boot begon te bewegen. Na enkele minuten zag hij dat het lichter werd in de verte. Terwijl hij roeide en roeide, voelde hij zijn huid branden van de vreemde regen. Elke spier in zijn lichaam leek het uit te schreeuwen. Eindelijk begon het geluid van de regen te vervagen, en Thor voelde steeds minder water op zijn hoofd vallen. Enkele momenten later verscheen er een zonnige hemel boven hen. Thor keek geschokt om zich heen: het was ineens helemaal droog en zonnig. Het was het meest vreemde dat hij ooit had ervaren: de helft van de boot lag onder een schijnende zon, terwijl de andere helft onder de stromende regen lag. Eindelijk lag de gehele boot onder een heldere blauwe en gele hemel. De warme zon scheen op hen neer. Het was stil nu. De regenmuur verdween achter hen aan de horizon, en zijn strijdbroeders keken elkaar stomverbaasd aan. Het was alsof ze door een gordijn waren gevaren, een andere wereld in. “RUST!” riep Kolk. De jongens lieten hun roeispanen vallen, kreunend en snakkend naar adem. Thor deed hetzelfde. Hij voelde elke spier in zijn lichaam branden en was dankbaar dat ze even konden rusten. Hij liet zich voorover vallen, snakkend naar adem, en probeerde zijn pijnlijke spieren te ontspannen. De boot gleed kalm door de nieuwe wateren. Eindelijk wist Thor zichzelf bijeen te schrapen. Hij stond op en keek om zich heen. Hij keek neer op het water, en zag dat het van kleur was veranderd: het was nu een licht, gloeiend rood. Ze bevonden zich op een andere zee. “De Zee van Draken,” zei Reece, naast hem, die ook verwonderlijk op het water neerkeek. “Ze zeggen dat het water rood is door het bloed van alle slachtoffers.” Thor staarde in de diepte. Het water borrelde, en in de verte zag hij vreemde beesten die eventjes omhoog kwamen, om vervolgens weer onder te duiken. Geen van hen bleef lang genoeg boven om goed te kunnen bekijken, maar hij wilde zijn geluk niet op de proef stellen door dichterbij te komen. Thor keek gedesoriënteerd om zich heen en probeerde alles in zich op te nemen. Alles hier, aan deze kant van de regenmuur, leek alles zo vreemd, zo anders. Er hing een lichte rode mist in de lucht, die laag over het water hing. Hij tuurde naar de horizon en zag enkele kleine eilandjes liggen, als stapstenen aan de horizon. Er stak een sterk briesje op en Kolk blafte: “HIJS DE ZEILEN!” Thor en de andere jongens kwamen in actie. Ze grepen de touwen en hezen ze omhoog om de wind op te vangen. Al snel voelde hij hoe de wind hen voortbewoog. Thor voelde de boot sneller bewegen dat ooit, en ze voeren richting de eilanden. De boot schommelde op grote, rollende golven, die uit het niets leken te ontstaan, en zachtjes op en neer deinden. Thor liep naar de boeg, leunde tegen de reling en keek uit over de zee. Reece en O’Connor kwamen naast hem staan. Ze stonden zij aan zij, en Thor zag de eilanden snel dichterbij komen. De jongens stonden een tijdje zwijgend naast elkaar, en Thor genoot van het zachte briesje terwijl hij voelde hoe zijn lichaam zich langzaam begon te ontspannen. Toen realiseerde hij zich dat ze op een specifiek eiland afvoeren. Het werd groter, en Thor voelde een rilling toen hij besefte dat dit hun bestemming was. “Het Eiland van de Mist,” zei Reece vol ontzag. Verwonderd bestudeerde Thor het eiland. Het begon nu vorm te krijgen—het was rotsachtig en ruig, dor, en het strekte zich enkele mijlen in elke richting uit, lang en smal, in de vorm van een hoefijzer. Grote golven klotsten tegen de kust, en hij kon ze zelfs vanaf hier horen bulderen. Het schuim spoot alle kanten op terwijl de golven tegen de enorme rotsen aan sloegen. Achter de rotsen lag een smalle strook land, en daarachter een enorme klif die hoog de lucht in reikte. Thor zag niet hoe hun schip veilig aan zou kunnen meren. Wat de plek er nog vreemder uit deed zien, was de rode mist die over het hele eiland leek te hangen, als dauw die glom in de zon. Het gaf een onheilspellend gevoel. Thor voelde dat er iets onmenselijks was aan deze plek. “Ze zeggen dat het eiland al miljoenen jaren oud is,” zei O’Connor. “Het is ouder dan de Ring. Ouder zelfs dan het Rijk.” “Het behoort toe aan de draken,” voegde Elden toe, die naast Reece ging staan. Terwijl Thor toekeek, zag hij hoe de tweede zon plotseling zakte; binnen enkele momenten werd het van zonnig en licht naar bijna zonsondergang. De lucht kleurde rood en paars. Hij kon het niet geloven; hij had de zon nog nooit zo snel onder zien gaan. Hij vroeg zich af wat er nog meer anders zou zijn in dit deel van de wereld. “Woont er een draak op dit eiland?” vroeg Thor. Elden schudde zijn hoofd. “Nee. Ze zeggen dat er één vlakbij woont. Dat de rode mist ontstaat door zijn adem. Hij brengt de nacht door op een nabijgelegen eiland, en de wind draagt zijn adem en bedekt het eiland overdag.” Plotseling hoorde Thor een geluid; eerst klonk het als een zacht gerommel, als onweer, lang en luid genoeg om de boot te doen schommelen. Krohn, die nog steeds in zijn shirt zat, trok zijn kop naar beneden en jankte. Ze draaiden zich allemaal om. Thor keek uit over de zee; ergens aan de horizon meende hij de vage omtrek te zien van vlammen die aan de zonsondergang likten, en toen verdwenen in zwarte rook, als een kleine uitgebarsten vulkaan. “De Draak,” zei Reece. “We bevinden ons nu in zijn territorium.” Thor slikte. “Maar hoe kunnen we hier dan veilig zijn?” vroeg O’Connor. “Je bent nergens veilig,” klonk een stem. Thor draaide zich om en zag Kolk achter hen staan, zijn handen op zijn heupen, over hun schouders naar de horizon starend. “Dat is het punt van de Honderd, om elke dag geconfronteerd te worden met het risico om te sterven. Dit is geen oefening. De draak is dichtbij, en er is niets dat hem ervan kan weerhouden om aan te vallen. Dat zal hij waarschijnlijk niet doen, want hij bewaakt zijn schat op zijn eigen eiland, en draken laten hun schat liever niet onbewaakt achter. Maar je zult zijn gebrul horen, en ‘s nachts zul je zijn vlammen zien. En als we hem kwaad maken, wie weet wat er dan zou kunnen gebeuren.” Thor hoorde weer een laag gerommel, en zag wederom vlammen aan de horizon. Hij keek toe hoe ze dichter en dichter bij het eiland kwamen, en zag hoe de golven tegen de rotsen aan sloegen. Hij keek op naar de steile kliffen, een rotsachtige muur, en vroeg zich af hoe ze ooit naar de top moesten komen, naar het vlakke, droge land. “Maar ik zie nergens een plek voor een schip om aan te meren,” zei Thor. “Dat zou te makkelijk zijn geweest,” antwoordde Kolk. “Maar hoe komen we dan op het eiland?” vroeg O’Connor. Kolk keek naar beneden, en er verscheen een kwaadaardige grijns op zijn gezicht. “Zwemmend,” zei hij. Eventjes vroeg Thor zich af of hij een grapje maakte; maar toen hij de uitdrukking op zijn gezicht zag, wist hij dat dat niet het geval was. “Zwemmend?” herhaalde Reece verbijsterd. “Die wateren zitten vol met beesten!” zei Elden. “Oh, dat is nog wel het minste waar je je druk om hoeft te maken,” vervolgde Kolk. “Die stromingen zijn verraderlijk; die draaikolken trekken je zo naar beneden; die golven zullen je tegen die scherpe rotsen gooien; het water is heet; en als je het tot voorbij de rotsen haalt, zul je een manier moeten vinden om de kliffen te beklimmen en het droge land te bereiken. Als de zeewezens je niet eerst te pakken krijgen. Welkom bij je nieuwe thuis.” Thor stond daar met de anderen bij de reling, en keek neer op de schuimende zee. Het water klotste onder hem als een levend wezen, en de stroming leek met de seconde sterker te worden. De boot schommelde, en hij moest moeite doen om zijn balans te houden. Beneden hem raasde het water, een fel rood dat het bloed van de hel zelf leek te bevatten. En het ergste was nog, besefte Thor terwijl hij goed keek, was dat er elke paar meter een zeemonster op dook, boven de oppervlakte kwam, zijn lange tanden liet zien, en weer in de diepte verdween. Hun schip liet het anker zakken. Ze waren ver van de kust, en Thor slikte. Hij keek op naar de rotsen aan de voet van het eiland, en vroeg zich af hoe ze er in vredesnaam moesten komen. Het geluid van de golven leek elke seconde luider te worden, en ze moesten schreeuwen om zichzelf verstaanbaar te maken. Hij zag hoe een aantal kleine roeiboten het water in werden gelaten, en vervolgens door de commandanten ver van het schip werden gelegd. Ze zouden het hen niet makkelijk maken; ze zouden moeten zwemmen om hen te bereiken. De gedachte alleen al deed Thors maag omdraaien. “SPRING!” schreeuwde Kolk. Voor het eerst voelde Thor zich bang. Hij vroeg zich af of dat hem een minder lid van de Krijgsmacht maakte, een mindere krijger. Hij wist dat krijgers altijd onbevreesd moesten zijn, maar hij moest toegeven dat hij nu angst voelde. Hij haatte het, en hij wilde dat het niet zo was. Toch was het zo. Maar terwijl Thor om zich heen keek en de doodsbange gezichten van de andere jongens zag, voelde hij zich beter. Om hem heen stonden jongens dicht bij de reling, verstijfd van angst, neerkijkend op het water. Eén jongen was zo bang dat hij trilde. Het was de jongen van de schilden, degene die bang was geweest, die rondjes had moeten rennen. Kolk moest het gevoeld hebben, want hij liep naar hem toe. Kolk leek onaangedaan terwijl de wind zijn haar naar achteren blies. Hij grijnsde en leek klaar om de natuur zelf te overwinnen. Hij keek dreigend neer op de jongen. “SPRING!” schreeuwde Kolk. “Nee!” antwoordde de jongen. “Ik kan niet! Ik doe het niet! Ik kan niet zwemmen! Neem me mee terug naar huis!” Kolk liep naar de jongen toe, greep hem bij de achterkant van zijn shirt, en tilde hem van de grond. “Dan zul je leren om te zwemmen!” snauwde Kolk, en toen, tot ongeloof van Thor, wierp hij de jongen over de reling. De jongen vloog door de lucht, schreeuwend, en kwam met een plons in het water terecht. Hij dreef naar de oppervlakte en snakte naar adem. “HELP!” schreeuwde hij. “Wat is de eerste wet van de Krijgsmacht?” schreeuwde Kolk naar de andere jongens op het schip, de jongen in het water negerend. Thor was zich vaag bewust van het correcte antwoord, maar was te veel afgeleid door het aangezicht van de jongen die aan het verdrinken was. “Om je broeders van de Krijgsmacht in nood te helpen!” schreeuwde Elden uit. “En heeft hij hulp nodig?” riep Kolk, wijzend naar de jongen. De jongen hief zijn armen terwijl hij keer op keer kopje onder ging, en de andere jongens stonden op het dek, starend, te bang om het water in te duiken. Op dat moment knapte er iets in Thor. Terwijl hij zich concentreerde op de verdrinkende jongen, leek de rest te vervagen. Thor dacht niet langer aan zichzelf. Het feit dat hij kon sterven kwam niet eens bij hem op. De zee, de monsters, de stroming… het viel allemaal in het niet. Het enige waar hij aan kon denken was dat hij iemand moest redden. Thor stapte op de brede, eikenhouten reling, ging door zijn knieën, en sprong zonder na te denken de lucht in. Hij dook met recht op het rode, kolkende water af. HOOFDSTUK VIJF Gareth zat op zijn vaders troon in de Grote Hal, en wreef zijn handen over de gladde, houten armleuningen. Hij keek uit over duizenden van zijn onderdanen, die opeengepakt in de kamer stonden. Mensen waren uit alle hoeken van de Ring toegestroomd om dit bijzondere moment mee te maken, om te zien of hij het Zwaard van het Lot zou kunnen optillen. Om te zien of hij de Uitverkorene was. De mensen hadden al sinds zijn vader nog jong was niet meer de kans gehad om het Zwaard van het Lot te zien—en niemand leek het te willen missen. De spanning hing als een wolk in de lucht. Gareth zelf was verdoofd door de anticipatie. Terwijl hij toekeek hoe steeds meer mensen de kamer in stroomden, begon hij zich af te vragen of zijn vaders adviseurs gelijk hadden gehad, of het inderdaad een slecht idee was geweest om de heffing in de Grote Hal te houden en deze open te stellen voor het publiek. Ze hadden aangedrongen om het in de kleine Kamer van het Zwaard te doen; ze hadden geredeneerd dat als hij dan faalde, er in ieder geval weinig mensen zouden zijn om het te zien. Maar Gareth vertrouwde zijn vaders mensen niet; hij voelde zich zelfverzekerd over zijn lotsbestemming, en hij wilde dat het hele koninkrijk getuige zou zijn van zijn prestatie, zodat ze konden zien dat hij de Uitverkorene was. Hij wilde dat het moment werd vastgelegd. Het moment dat zijn lotsbestemming zou arriveren. Gareth had met veel flair de kamer betreden, vergezeld door zijn adviseurs. Hij droeg zijn kroon en mantel en had zijn scepter vast—hij wilde dat ze allemaal zagen dat hij, en niet zijn vader, de ware Koning was, de ware MacGil. Zoals hij had verwacht, had het niet lang geduurd voordat hij echt het gevoel had dat dit zijn kasteel was, dat deze mensen zijn onderdanen waren. Hij wilde nu dat zijn mensen het zouden voelen, dat zijn macht voor iedereen zichtbaar was. Na vandaag zouden ze zeker weten dat hij hun enige ware koning was. Maar nu Gareth daar zat, alleen op de troon, wist hij het ineens niet zo zeker meer. Hij staarde naar de lege ijzeren staven in het midden van de kamer waar het zwaard op zou worden geplaatst, die werden verlicht door een straal zonlicht die door het plafond viel. Het gewicht van wat hij op het punt stond te doen drong tot hem door; het was een onomkeerbare stap, en hij kon niet meer terug. Wat als hij faalde? Hij probeerde de gedachte uit zijn hoofd te verdringen. Aan de andere kant van de kamer opende de enorme deur zich met een luid gekraak. Het werd ineens muisstil in de kamer. Een tiental van de sterkste handen in het hof marcheerde naar binnen. Ze hielden het zwaard tussen zich in, gebukt onder het gewicht. Er stonden zes mannen aan elke kant. Ze liepen langzaam, stap voor stap, en droegen het zwaard naar zijn rustplaats. Gareths hartslag versnelde terwijl hij toekeek hoe het zwaard dichterbij kwam. Eventjes verloor hij zijn vertrouwen—als deze twaalf mannen, groter dan hij ooit had gezien, het zwaard al nauwelijks konden vast houden, wat voor kans had hij dan? Maar hij trachtte de gedachte uit zijn hoofd te zetten—het was tenslotte het Zwaard van het Lot, en het ging niet om kracht. Hij dwong zichzelf zich te herinneren aan het feit dat het zijn lotsbestemming was om hier te zijn, om de eerstgeborene te zijn van de MacGils, om Koning te zijn. Hij speurde de menigte af, op zoek naar Argon; om de één of andere reden had hij een plotseling, intens verlangen om zijn raad te vragen. Dit was de tijd dat hij hem het meest nodig had. Om de één of andere reden kon hij niemand anders bedenken. Maar Argon was natuurlijk nergens te bekennen. Eindelijk bereikten de twaalf mannen het midden van de kamer. Ze droegen het zwaard naar de zonnestraal, en legden het neer op de ijzeren staven. Het landde met een weergalmend gekletter, en het geluid sneed door de kamer. Iedereen zweeg. De menigte ging instinctief uiteen, om ruimte te maken voor Gareth. Gareth stond langzaam op van zijn troon. Hij zwolg in het moment en genoot van alle aandacht. Hij kon alle ogen op hem voelen. Hij wist dat er nooit meer een moment als dit zou komen, wanneer het gehele koninkrijk naar hem keek, zo intens, al zijn bewegingen analyserend. Hij had dit moment al zo vaak in zijn hoofd zien spelen sinds hij een kind was, en nu was het dan eindelijk zo ver. Hij wilde dat het langzaam ging. Hij liep de trap van de troon af, en koesterde elke stap die hij nam. Hij liep over het rode tapijt, voelend hoe zacht het was onder zijn voeten, dichter en dichter naar de zonnestraal, naar het zwaard. Terwijl hij liep, voelde het alsof hij droomde. Het leek of hij buiten zichzelf trad. Een deel van hem voelde alsof hij al vele malen over dit tapijt had gelopen. In zijn dromen had hij het zwaard al een miljoen keer opgetild. Het zorgde dat hij er zeker van was dat hij voorbestemd was het op te tillen, dat hij naar zijn lotsbestemming liep. In gedachten zag hij al voor zich hoe het zou gaan: hij zou vastberaden naar voren stappen, met één hand naar voren reiken, en terwijl zijn onderdanen naar voren leunden, zou hij het met een dramatische zwaai boven zijn hoofd heffen. Ze zouden allemaal naar adem snakken en op hun gezicht vallen en verklaren dat hij de Uitverkorene was, de belangrijkste MacGil koning die ooit had geregeerd, degene die voorbestemd was voor eeuwig te regeren. Ze zouden wenen van vreugde. Ze zouden van angst in elkaar duiken. Ze zouden God bedanken dat zij dit moment mochten meemaken. Ze zouden hem vereren als een god. Gareth naderde het zwaard. Hij was er nu slechts enkele stappen van verwijderd, en hij voelde hoe hij trilde van binnen. Terwijl hij de zonnestraal binnenstapte was hij, ondanks het feit dat hij het zwaard al vele malen had aanschouwd, verbijsterd door hoe mooi het was. Hij was er nog nooit zo dichtbij geweest, en het veraste hem. Het was intens. Het had een lang, glimmend lemmet, gemaakt van een materiaal dat niemand kende, en het meest sierlijke gevest dat hij ooit had gezien, gebonden met een fijne, zijdeachtige doek, bekleed met allerlei juwelen en getooid met een valk. Hij nam nog een stap dichterbij en voelde de krachtige energie die van het zwaard af kwam. Het leek te pulseren. Hij kon nauwelijks ademen. Nog even en het zou in zijn hand liggen. Hoog boven zijn hoofd. Glimmend in het zonlicht, en iedereen zou het zien. Hij, Gareth, de Geweldige. Gareth strekte zijn arm en legde zijn rechterhand op het handvat. Langzaam sloot hij zijn vingers erom heen. Hij voelde elke juweel, alle contouren. Hij was geëlektrificeerd. Er ging een intense energie door zijn handpalm, door zijn arm, door zijn hele lichaam. Hij had nog nooit zoiets gevoeld. Dit was zijn moment. Dit was het moment. Gareth wilde geen risico nemen: hij sloot tevens zijn andere hand om het handvat. Hij sloot zijn ogen, zijn ademhaling oppervlakkig. Als het de goden pleziert, sta me dan toe dit zwaard op te tillen. Geef me een teken. Laat me zien dat ik Koning ben. Laat me zien dat ik voorbestemd ben om te heersen. Gareth bad in stilte, wachten op een antwoord, op een teken, op het perfecte moment. Maar de seconden gingen voorbij, een volle tien seconden. Het hele koninkrijk keek toe, en hij hoorde niets. Toen, plotseling, zag hij het gezicht van zijn vader dat dreigend op hem neerkeek. Gareth opende zijn ogen in afschuw, en trachtte het beeld uit zijn gedachten te krijgen. Zijn hart bonsde, en hij had het gevoel dat het een slecht voorteken was. Het was nu of nooit. Gareth leunde naar voren en probeerde, met al zijn macht, het zwaard op te tillen. Hij gaf alles dat hij had, tot zijn hele lichaam trilde, stuiptrekkend bijna. Het zwaard gaf niet mee. Het was alsof hij probeerde de hele planeet op te tillen. Gareth probeerde het harder, harder, en harder. Uiteindelijk was hij zichtbaar aan het grommen. Enkele momenten laten stortte hij ineen. Het zwaard had geen centimeter bewogen. Terwijl hij de grond raakte, snakte iedereen naar adem. Meerdere van zijn adviseurs haastten zich naar hem toe om te kijken of hij in orde was, en hij duwde hen gewelddadig aan de kant. Beschaamd krabbelde hij overeind en stond hij op. Vernederd keek Gareth om zich heen, om te zien hoe zijn onderdanen hem nu zouden zien. Ze hadden zich al omgedraaid en schuifelden de ruimte uit. Gareth zag de teleurstelling op hun gezichten. In hun ogen was hij slechts de zoveelste die gefaald had. Hij was niet de voorbestemde en uitverkoren MacGil. Hij was niets. Slechts een prins die zich de troon had toegeëigend. Gareth brandde van schaamte. Hij had zich nog nooit zo eenzaam gevoeld als op dat moment. Alles dat hij zich had voorgesteld, al sinds hij een kind was, was een leugen geweest. Een waanbeeld. Hij had geloofd in zijn eigen fabel. En het verscheurde hem. HOOFDSTUK ZES Gareth ijsbeerde door zijn kamer. Zijn hoofd tolde. Hij was verbijsterd door zijn eigen falen om het zwaard op te tillen, en probeerde de gevolgen te verwerken. Hij voelde zich verdoofd. Hij kon nauwelijks geloven dat hij zo stom was geweest om te proberen het zwaard op te tillen, het Zwaard van het Lot, het zwaard dat geen MacGil ooit op had kunnen tillen. Waarom had hij gedacht dat hij beter zou zijn dan zijn voorvaderen? Waarom had hij aangenomen dat hij anders zou zijn? Hij had het moeten weten. Hij had voorzichtig moeten zijn, hij had zichzelf nooit moeten overschatten. Hij had simpelweg tevreden moeten zijn met het feit dat hij zijn vaders troon had. Waarom had hij meer gewild? Nu wisten al zijn onderdanen dat hij niet de Uitverkorene was; nu zou zijn heerschappij hierdoor getekend zijn; nu zouden ze misschien meer reden hebben om hem te verdenken voor de dood van zijn vader. Hij zag nu al dat iedereen met andere ogen naar hem keek, alsof hij een geest was, alsof ze zichzelf al voor aan het bereiden waren op de volgende koning. Wat nog erger was, Gareth voelde zich voor het eerst in zijn leven onzeker over zichzelf. Hij had zijn hele leven zijn lotsbestemming duidelijk voor ogen gehad. Hij had zeker geweten dat hij voorbestemd was om zijn vader op te volgen, te heersen en het zwaard op te tillen. Zijn zelfverzekerdheid had een behoorlijke deuk opgelopen. Hij wist niets meer zeker. Maar wat hij het ergste vond, was dat hij het beeld van zijn vaders gezicht maar voor zich bleef zien. Was dat zijn wraak? “Bravo,” klonk een langzame, sardonische stem. Gareth draaide zich met een ruk om, geschokt dat er nog iemand bij hem in zijn kamer was. Hij herkende de stem meteen; het was een stem waar hij door de jaren heen heel bekend mee was geworden, een stem die hij was gaan haten. Het was de stem van zijn vrouw. Helena. Daar stond ze, in een hoek van de kamer, hem observerend terwijl ze haar opium pijp rookte. Ze inhaleerde diep, hield de rook binnen, en liet die toen langzaam ontsnappen. Haar ogen waren rood, en hij kon zien dat ze al te lang had gerookt. “Wat doe je hier?” vroeg hij. “Dit is mijn bruidskamer,” antwoordde ze. “Ik kan hier alles doen wat ik wil. Ik ben je vrouw en je koningin. Vergeet dat niet. Ik heers net zo goed over dit koninkrijk als jij. En na je debacle vandaag, zou ik de term heersen erg losjes gebruiken.” Gareths gezicht brandde rood. Helena had altijd een manier om hem op de laagste plek te raken, altijd op het verkeerde moment. Hij verachtte haar meer dan alle vrouwen in zijn leven. Hij kon nauwelijks bevatten dat hij had ingestemd met haar te trouwen. “Is dat zo?” spoog Gareth. Hij draaide zich om en liep ziedend op haar af. “Je vergeet dat ik Koning ben, jij hoer, en ik zou je gevangen kunnen zetten, net als iedereen in mijn koninkrijk, of je nu mijn vrouw bent of niet.” Ze lachte hem uit en snoof spottend. “En dan?” beet ze. “Gaan je nieuwe onderdanen dan aan je seksualiteit twijfelen? Nee, dat betwijfel ik ten zeerste. Niet in de listige wereld van Gareth. Niet in het hoofd van de man die meer dan wie dan ook geeft om wat andere mensen van hem denken.” Gareth stopte voor haar, en besefte dat ze dwars door hem heen keek. Het irriteerde hem tot op het bot. Hij begreep haar dreigement en besefte dat met haar in discussie gaan hem geen goed zou doen. Dus stond hij daar, zwijgend, wachtend, zijn vuisten gebald. “Wat wil je?” zei hij langzaam, terwijl hij zichzelf ervan trachtte te weerhouden iets stoms te doen. “Je komt niet naar me toe tenzij je iets van me wilt.” Ze lachte spottend. “Ik neem wat ik wil. Ik ben niet gekomen om je om iets te vragen, maar om je iets te vertellen: je hele koninkrijk heeft zojuist gadegeslagen hoe je faalde het zwaard op te tillen. Waar laat dat ons?” “Hoe bedoel je, ons?” vroeg hij, terwijl hij zich afvroeg waar ze heen wilde. “Je mensen weten nu wat ik altijd heb geweten: dat je een mislukkeling bent. Dat je niet de Uitverkorene bent. Gefeliciteerd. Nu is het ten minste officieel.” Hij keek haar dreigend aan. “Mijn vader faalde het zwaard op te tillen. Dat heeft hem er niet van weerhouden om effectief als Koning te regeren.” “Maar het beïnvloedde zijn heerschap,” beet ze. “Ieder moment.” “Als je zo ontevreden bent met mijn onvermogen,” zei Gareth woedend, “waarom rot je dat niet gewoon op? Verlaat me! Laat ons bespottelijke huwelijk achter je. Ik ben nu Koning. Ik heb je niet meer nodig.” “Ik ben blij dat je dat ter sprake brengt,” zei ze, “want dat is precies waarom ik hier ben gekomen. Ik wil dat je ons huwelijk officieel beëindigd. Ik wil scheiden. Er is een man waar ik van hou. Een echte man. Eén van je ridders. Hij is een krijger. We zijn verliefd, het is echte liefde. Ik heb nog nooit zoiets gehad. Ik wil scheiden, zodat ik deze affaire niet meer geheim hoef te houden. Ik wil onze liefde kenbaar maken. En ik wil met hem trouwen.” Gareth staarde haar aan, geschokt. Hij voelde zich hol van binnen, alsof iemand zojuist een dolk door zijn borst had geduwd. Waarom moest Helena juist nu opduiken? Waarom uitgerekend nu? Het was teveel voor hem. Het voelde alsof de hele wereld hem trapte terwijl hij op de grond lag. Ondanks alles besefte Gareth zich verast dat hij diepe gevoelens had voor Helena, want toen hij haar woorden hoorde, toen zij hem vroeg om te scheiden, deed het iets met hem. Het deed hem verdriet. Ondanks alles deed het hem beseffen dat hij niet van haar wilde scheiden. Als het van hem kwam, was het nog tot daar aan toe; maar als het van haar kwam, was het iets anders. Hij wilde niet dat ze haar zin zou krijgen, niet zo gemakkelijk. Bovenal vroeg hij zich af hoe een scheiding zijn koningschap zou beïnvloeden. Een gescheiden Koning zou wellicht teveel vragen doen rijzen. En ondanks alles besefte hij dat hij jaloers was op deze ridder. En hij verachtte het dat ze zijn gebrek aan mannelijkheid inwreef. Hij wilde wraak. Op hen beiden. “Geen sprake van,” beet hij. “Je bent aan mij verbonden. Voor altijd mijn vrouw. Ik zal je nooit vrijlaten. En als ik ooit deze ridder tegenkom met wie je vreemd gaat, zal ik hem laten martelen en executeren.” “Ik ben niet je vrouw!” snauwde Helena terug. “Je bent niet mijn man. Je bent geen man. Onze verbintenis is niet heilig. Dat is het nooit geweest. Het was een gearrangeerd partnerschap om macht. En ik walg ervan—dat heb ik altijd al gedaan. En het heeft mijn enige kans verpest om echt getrouwd te zijn.” Ze hijgde, en werd steeds furieuzer. “Je geeft me mijn scheiding, of ik zal het hele koninkrijk vertellen wat voor man je bent. Jouw keus.” Met die woorden draaide Helena zich om. Ze marcheerde de kamer uit, door de open deur, en nam niet eens de moeite om hem achter haar te sluiten. Gareth stond alleen in de stenen kamer, luisterend naar de echo’s van haar voetstappen. Hij voelde een rilling over zijn lichaam lopen die hij niet van zich af kon schudden. Was er dan niets meer waar hij zich aan vast kon houden? Terwijl Gareth daar stond, trillend, naar de open deur kijkend, was hij verast toen hij zag dat er iemand anders binnen kwam lopen. Hij had nauwelijks tijd gehad om zijn conversatie met Helena tot zich door te laten dringen, om haar dreigementen te verwerken, en nu liep er een ander bekend gezicht binnen. Firth. Zijn gewoonlijke huppeltje was weg en hij kwam de kamer binnen met een schuldige blik in zijn ogen. “Gareth?” vroeg hij. Hij klonk onzeker. Firth staarde met grote ogen naar hem, en Gareth kon zien hoe erg hij het vond. Hij moest het erg vinden, dacht Gareth. Het was tenslotte Firth geweest die hem ertoe had aangezet om het zwaard op te tillen, die hem uiteindelijk had overtuigd, die hem had laten denken dat hij meer was dan hij was. Zonder Firths gefluister, wie weet wat er dan was gebeurd? Misschien had Gareth dan wel nooit getracht het zwaard op te tillen. Gareth draaide zich ziedend naar hem om. Eindelijk had hij iemand om al zijn woede op te richten. Firth was ten slotte degene geweest die zijn vader had vermoord. Het was Firth, deze stomme staljongen, die hem in deze situatie had gebracht. Nu was hij slechts de zoveelste falende opvolger in de MacGil familie. “Ik haat je,” zei Gareth ziedend. “Hoe zit het nu met je beloften? Hoe zit het met je vertrouwen dat ik het zwaard zou kunnen optillen?” Firth slikte. Hij zag er erg nerveus uit. Hij was sprakeloos. Hij had overduidelijk niets te zeggen. “Het spijt me, mijn Heer,” zei hij. “Ik had het mis.” “Je had een heleboel dingen mis,” beet Gareth. Inderdaad, hoe langer Gareth erover nadacht, hoe meer bij besefte hoe vaak Firth het bij het verkeerde eind had gehad. Sterker nog, als Firth er niet was geweest, dan zou zijn vader nu nog leven—en zou Gareth nu niet in deze rotsituatie zitten. Het gewicht van het koningschap zou niet op zijn schouders rusten, en niets zou misgaan. Gareth verlangde terug naar de simpele dagen, toen hij nog geen Koning was, toen zijn vader nog leefde. Hij voelde een plotseling verlangen om die terug te halen, die dagen. Maar dat kon hij niet. En dat was Firth zijn schuld. “Wat doe je hier?” drong Gareth aan. Firth schraapte zijn keel. Hij was overduidelijk nerveus. “Ik heb… geruchten gehoord… bedienden fluisteren. Uw broer en zuster stellen vragen. Ze zijn gezien in de personeelsvertrekken. Ze zochten in de afvalschacht naar het moordwapen. De dolk die ik gebruikt heb om uw vader te doden.” Gareths lichaam werd ijskoud. Hij verstijfde van angst en schok. Kon deze dag mogelijk nog slechter worden? Hij schraapte zijn keel. “En wat hebben ze gevonden?” vroeg hij. Zijn keel was droog, en zijn woorden waren nauwelijks hoorbaar. Firth schudde zijn hoofd. “Dat weet ik niet, mijn Heer. Het enige dat ik weet is dat ze iets vermoeden.” Gareth voelde een verse haat voor Firth, een haat waarvan hij niet had gedacht dat hij die ooit zou kunnen voelen. Als hij niet zo’n idioot was geweest, als hij het wapen op de juiste manier had doen verdwijnen, dan hadden ze nu niet in deze situatie gezeten. Firth had ervoor gezorgd dat hij nu kwetsbaar was. “Ik zeg dit maar één keer,” zei Gareth, die dicht bij Firth ging staan. Hij keek hem doordringend aan, met de meest dreigende blik die hij had. “Ik wil je gezicht nooit meer zien. Begrijp je me? Ga hier weg, en kom nooit meer terug. Ik zal je laten overplaatsen. En als je ooit nog waagt een voet binnen deze kasteelmuren te zetten, vertrouw er dan maar op dat ik je laat arresteren. “OPROTTEN!” schreeuwde Gareth. Firth, wiens ogen zwollen met tranen, draaide zich om en vloog de kamer uit. Zijn voetstappen klonken nog lang na. Gareths gedachten gingen weer naar het zwaard, naar zijn gefaalde poging. Hij kon het niet helpen, maar hij voelde zich alsof hij door zijn poging alles erger had gemaakt voor zichzelf. Hij voelde zich alsof hij zichzelf net van een klif had afgeduwd, en dat hij vanaf nu alleen maar verder naar beneden kon vallen. Hij stond in de galmende stilte, in zijn vaders kamer, trillend, terwijl hij zich afvroeg wat hij in vredesnaam in beweging had gezet. Hij had zich nooit zo alleen gevoeld, zo onzeker. Was dit wat het betekende om koning te zijn? * Gareth haastte zich over de stenen werveltrap omhoog, en baande zich een weg naar de bovenste borstweringen van het kasteel. Hij had frisse lucht nodig. Hij had tijd en ruimte nodig om na te denken. Hij had een uitkijkpunt nodig over zijn koninkrijk, een kans om zijn hof te zien, zijn mensen, en zich te herinneren dat het allemaal van hem was. Dat hij, ondanks de huiveringwekkende gebeurtenissen van die dag, nog steeds koning was. Gareth had zijn wachters weg gestuurd en rende alleen de trap op, hijgend. Hij stopte halverwege, boog voorover en trachtte op adem te komen. Tranen stroomden over zijn wangen. Hij bleef het gezicht van zijn vader voor zich zien, dat hem keer op keer minachtend aankeek. “Ik haat je!” schreeuwde hij. Hij had durven zweren dat hij een spottend gelach hoorde. Zijn vaders gelach. Gareth moest weg. Hij draaide zich om en vervolgde zijn klim, tot hij uiteindelijk de top bereikte. Hij barstte door de deur naar buiten, de frisse zomerlucht in. Hij snakte naar adem, zwelgend in de zonneschijn, genietend van het warme briesje op zijn gezicht. Hij deed zijn mantel af, zijn vaders mantel, en gooide hem op de grond. Het was te heet—en hij wilde hem niet langer dragen. Hij haastte zich naar de rand van de borstwering en greep de stenen muur vast, nog steeds een beetje buiten adem, en keek neer op zijn hof. Hij zag de ogenschijnlijk oneindige menigte die het kasteel uit druppelde. Ze verlieten de ceremonie. Zijn ceremonie. Hij kon bijna hun teleurstelling voelen. Ze zagen er zo klein uit. Hij verwonderde zich over het feit dat ze allemaal onder zijn controle waren. Maar voor hoe lang? “Het koningschap is een vreemd concept,” klonk een eeuwenoude stem. Gareth draaide zich om en zag tot zijn verassing Argon staan, enkele meters bij hem vandaan. Hij droeg een wit gewaad, zijn staf in zijn hand. Hij staarde hem aan, en er speelde een glimlachje om zijn lippen—maar zijn ogen glimlachten niet. Ze gloeiden, en staarden dwars door hem heen. Gareth werd er nerveus van. Die ogen zagen teveel. Er waren zoveel dingen die Gareth tegen Argon had willen zeggen, die hij hem had willen vragen. Maar nu hij had gefaald het zwaard op te tillen, kon hij zich geen van die dingen herinneren. “Waarom zei je niets?” smeekte Gareth. Er klonk wanhoop in zijn stem. “Je had me moeten vertellen dat ik niet voorbestemd was het zwaard op te tillen. Je had me de schaamte kunnen besparen.” “En waarom zou ik dat doen?” vroeg Argon. Gareth fronste. “Je bent geen ware raadsheer van de Koning,” zei hij. “Je gaf mijn vader oprechte raad. Maar mij niet.” “Misschien verdiende hij die oprechte raad,” antwoordde Argon. Gareth werd steeds kwader. Hij haatte deze man. En hij gaf hem de schuld. “Ik wil je niet om me heen hebben,” zei Gareth. “Ik weet niet waarom mijn vader je heeft ingehuurd, maar ik wil je niet in het Koninklijk Hof.” Argon lachte. Het was een schel, angstaanjagend geluid. “Je vader heeft me niet ingehuurd, dwaze jongen,” zei hij. “En zijn vader voor hem ook niet. Ik was voorbestemd om hier te zijn. Sterker nog, je zou kunnen zeggen dat ik hen heb ingehuurd.” Argon deed plotseling een stap naar voren, en het leek alsof hij recht in Gareths ziel staarde. “Kan hetzelfde van jou worden gezegd?” vroeg Argon. “Ben jij voorbestemd om hier te zijn?” Zijn woorden raakten Gareth diep, en deden hem huiveren. Het was precies hetgeen dat Gareth zichzelf ook had afgevraagd. Gareth vroeg zich af of het een dreigement was. “Hij die heerst door bloed zal regeren door bloed,” verkondigde Argon, en met die woorden draaide hij zich om, en begon weg te lopen. “Wacht!” schreeuwde Gareth. Hij wilde niet langer dat Argon wegging. Hij had antwoorden nodig. “Wat bedoel je daarmee?” Gareth had het gevoel dat Argon hem een boodschap gaf, dat hij niet lang zou heersen. Hij moest weten of dat was wat hij bedoelde. Gareth rende achter hem aan, maar toen hij hem naderde, verdween Argon. Gareth draaide zich om, keek om zich heen, maar zag niets. Het enige dat hij hoorde was een schel gelach. “Argon!” schreeuwde Gareth. Hij draaide zich weer om, keek omhoog naar de hemel, liet zich om zijn knieën vallen en gooide zijn hoofd achterover. “ARGON!” HOOFDSTUK ZEVEN Erec liep naast de Hertog, Brandt en de entourage van de Hertog door de slingerende straatjes van Savaria, naar het huis van het dienstmeisje. Erec had erop gestaan haar direct te ontmoeten, en de Hertog wilde hem persoonlijk naar haar toe brengen. En waar de Hertog ging, volgde iedereen. Erec verwonderde zich over de groeiende entourage, en hij was beschaamd toen hij zich realiseerde dat hij bij het meisje zou arriveren met tientallen mensen achter zich. Sinds hij haar voor het eerst had gezien, had Erec aan weinig anders kunnen denken. Wie was dit meisje, vroeg hij zich af, dat meisje dat zo nobel leek, en toch als dienstmeisje in het hof van de Hertog werkte? Waarom was ze zo haastig gevlucht? Waarom was zij, in al die jaren, met alle Koninklijke vrouwen die hij had ontmoet, het enige meisje dat zijn hart had weten te veroveren? Zelf de zoon van een koning, was Erec zijn hele leven al omgeven geweest door royalty, en hij kon andere royalty van mijlenver herkennen—en hij voelde vanaf het moment dat hij haar had gezien dat ze van veel hogere komaf was dan ze deed voorkomen. Hij brandde van nieuwsgierigheid, wilde weten wie ze was, waar ze vandaan kwam, wat ze hier deed. Hij had nog een kans nodig om haar te zien, om erachter te komen of hij het zich had ingebeeld, of dat hij nog steeds hetzelfde voelde. “Mijn mensen vertellen me dat ze in de buitenwijken van de stad woont,” legde de Hertog uit. Terwijl ze door de straten liepen, openden mensen aan alle kanten hun luiken en keken naar hen, verwonderd over de aanwezigheid van de Hertog en zijn entourage in de burgerlijke straten. “Blijkbaar is ze het dienstmeisje van een herbergier. Niemand weet wat haar afkomst is, of waar ze vandaan komt. Het enige dat ze weten is dat ze op een dag in onze stad arriveerde, en voor de herbergier is gaan werken. Haar verleden, zo lijkt het, is een mysterie.” Ze gingen een andere zijstraat in. De keien onder hun voeten werden ruwer, en de huizen stonden steeds dichter op elkaar. De Hertog schraapte zijn keel. “Ik heb haar aangenomen als dienstmeisje voor speciale gelegenheden. Ze is stil, terughoudend. Niemand weet veel van haar af. Erec,” zei de Hertog, die zich tot Erec wendde en een hand op zijn pols legde, “weet je dit zeker? Deze vrouw, wie ze ook is, is slechts een burger. Je hebt elke vrouw in het koninkrijk aan je voeten.” Erec keek hem aan met een intense blik in zijn ogen. “Ik moet dit meisje weer zien. Het kan me niet schelen wie ze is.” De Hertog schudde afkeurend zijn hoofd, en ze vervolgden hun weg, de straten door, door smalle, kronkelende steegjes. Deze buurt van Savaria werd gaandeweg duisterder, de straten gevuld met troep, kippen en rondstruinende wilde honden. Ze passeerden taverne na taverne, het geschreeuw van klanten galmend door de straten. Dronken types strompelden voor hen uit, en terwijl de zon onderging, werden de fakkels in de straten ontstoken. “Uit de weg voor de Hertog!” schreeuwde zijn wachter, die naar voren snelde en een aantal dronkenlappen uit de weg duwde. Onsmakelijke types gingen aan de kant en keken vol verwondering toe hoe de Hertog hen, met Erec naast zich, passeerde. Eindelijk arriveerden ze bij een kleine, bescheiden herberg, gemaakt van stucwerk, met een schuin, leien dak. Het zag eruit alsof er ruimte was voor misschien vijftig klanten, en er waren een paar gastenkamers boven. De voordeur hing scheef, er was een raam gebroken, en de lamp boven de entree flikkerde. Het geluid van dronken mensen kwam uit de ramen. Hoe kan zo’n meisje op een plek als deze werken? vroeg Erec zich ontzet af terwijl hij het geschreeuw hoorde. Zijn hart brak bij de gedachte aan hoeveel onwaardigheid zij zou moeten doorstaan op een dergelijke plek. Het is niet eerlijk, dacht hij. Hij voelde zich vastberaden om haar te redden. “Je hebt echt de slechtst mogelijke plek uit gezocht om een bruid te kiezen,” zei de Hertog tegen Erec. Brandt wendde zich ook tot hem. “Laatste kans, mijn vriend,” zei Brandt. “Er wacht daar een kasteel vol Koninklijke vrouwen op je.” Maar Erec schudde vastberaden zijn hoofd. “Open de deur,” beval hij. Eén van de mannen van de Hertog haastte zich naar voren en trok de deur open. De stank van verrot bier kwam naar buiten. Binnen zaten dronken mannen over de bar gebogen, aan houten tafels. Ze schreeuwden luidruchtig, lachten, juichten. Erec zag meteen dat het allemaal ruwe types waren, met te grote bierbuiken, ongeschoren wangen en ongewassen kleren. Geen van hen waren krijgers. Erec deed een paar stappen naar binnen en speurde de herberg af, op zoek naar het meisje. Hij kon zich nauwelijks voorstellen dat een vrouw als zij op een plek als deze kon werken. Hij vroeg zich af of ze misschien bij de verkeerde herberg waren. “Excuseert u mij, meneer, ik ben op zoek naar een vrouw,” zei Erec tegen de grote, brede man naast hem. Hij was ongeschoren en had een grote bierbuik. “Is dat zo?” riep de man spottend. “Nou, je bent bij de verkeerde plek. Dit is geen bordeel. Er is er wel één aan de overkant—en ik hoor dat de vrouwen er goed en stevig zijn!” De man begon te lachen, veel te luid, en een aantal van zijn maten deden met hem mee. “Ik zoek geen bordeel,” antwoordde Erec, die het helemaal niet grappig vond, “maar een specifieke vrouw, één die hier werkt.” “Je bedoeld zeker de dienstmeid van de herbergier,” riep een andere grote, dronken man. “Ze is waarschijnlijk achter de vloeren aan het schrobben. Jammer—ik wou dat ze hier zat, op mijn schoot!” De mannen barstten in lachen uit, overweldigd door hun eigen grappen, en Erec werd rood bij de gedachte. Hij schaamde zich voor haar. Dat zij zulke types moest bedienen—de onwaardigheid was te veel voor hem. “En jij bent?” klonk een stem. Er kwam een man naar voren. Hij was breder dan de anderen, met een donkere baard en donkere ogen, een diepe frons en brede kaken. Hij werd vergezeld door meerdere louche figuren. Hij was meer spieren dan vet, en hij kwam dreigend op Erec af, overduidelijk territoriaal. “Probeer je mijn dienstmeid te stelen?” wilde hij weten. “Eruit met jou!” Hij strekte zijn hand uit om Erec vast te pakken. Maar Erec, gehard door jaren van training, de beste ridder van het koninkrijk, had reflexen die de verbeelding van deze man te boven gingen. Op het moment dat zijn handen Erec raakten, kwam hij in actie. Hij greep zijn pols in een klem, draaide de man razendsnel om zijn as, greep hem bij de achterkant van zijn shirt en duwde hem de kamer door. De grote man vloog als een kanonskogel door de herberg, en hij nam meerdere mannen met zich mee, die als bowlingkegels tegen de grond gingen. De hele kamer werd stil, en alle mannen stopten waar ze mee bezig waren. “VECHTEN! VECHTEN!” begonnen ze te schreeuwen. De herbergier krabbelde versuft overeind en kwam met een schreeuw weer op Erec af. Dit keer wachtte Erec niet af. Hij deed een stap naar voren, richting zijn aanvaller, hief zijn arm, en bracht zijn elleboog recht in het gezicht van zijn man. Zijn neus brak. De herbergier struikelde naar achteren en zakte toen op de grond in elkaar. Erec liep naar hem toe, pakte hem op, en hief hem, ondanks zijn grootte, hoog boven zijn hoofd. Hij deed een paar stappen naar voren en gooide de man, en hij vloog door de lucht en nam de halve kamer met zich mee. Alle mannen zwegen, en begonnen zich te realiseren dat er een speciaal iemand in hun aanwezigheid was. De barman echter, kwam ineens recht op Erec af, een glazen fles boven zijn hoofd geheven. Erec zag hem aankomen en had zijn hand al op zijn zwaard—maar voor Erec hem kon trekken, stapte zijn vriend Brandt naar voren, haalde een dolk uit zijn riem, en richtte de punt op de keel van de barman. De barman rende er recht in en stopte abrupt, het mes net op het punt zijn huid te doorboren. Hij stond daar, zijn ogen wijd open gesperd, zwetend, verstijfd, met de fles nog in zijn handen. Het werd zo stil in de ruimte dat je een speld kon horen vallen. “Laat vallen,” beval Brandt. De barman deed wat hij zei, en de fles viel op de grond kapot. Erec trok zijn zwaard met een weergalmend geluid van metaal, en liep naar de herbergier, die kreunend op de grond lag. Hij richtte de punt van zijn zwaard op zijn keel. “Ik zeg dit maar één keer,” verkondigde Erec. “Stuur al het gespuis hier weg. Nu. Ik wil de dame spreken. Alleen.” “De Hertog!” riep iemand. De hele kamer draaide zich om en eindelijk herkenden ze de Hertog, die bij de ingang stond, geflankeerd door zijn mannen. Gehaast namen ze hun petten af en bogen ze eerbiedig hun hoofden. “Als de kamer niet leeg is tegen de tijd dat ik uitgepraat ben,” verkondigde de Hertog,” zal elk van jullie onmiddellijk gearresteerd worden.” De kamer brak uit in een chaos terwijl alle mannen die binnen zaten zich verspreidden, langs de Hertog renden en de deur uit barstten, hun lege bierflessen achterlatend. “Wegwezen met jou,” zei Brandt tegen de barman. Hij liet zijn dolk zakken, greep hem bij zijn haar en schoof hem de deur uit. De kamer, die enkele momenten geleden nog zo chaotisch was geweest, was nu leeg, op Erec, Brandt, de Hertog en een tiental van zijn mannen na. Ze sloten de deur met de klap achter zich. Erec wendde zich tot de herbergier, die op de grond zat, nog steeds versuft, en het bloed van zijn neus veegde. Erec greep hem bij zijn shirt, tilde hem met beide handen op, en zette hem neer op één van de lege banken. “Je hebt mijn zaken verpest voor de rest van de avond,” jammerde de herbergier. “Hier zul je voor boeten.” De Hertog deed een slap naar voren en gaf hem een klap in zijn gezicht. “Ik kan je laten executeren voor het feit dat je deze man trachtte aan te raken,” dreigde hij. “Weet je niet wie dit is? Dit is Erec, de beste ridder van de koning, de kampioen van de Zilveren. Als hij dat wenst, kan hij je zelf doden, hier en nu.” De herbergier keek op naar Erec, en voor het eerst verscheen er oprechte angst op zijn gezicht. Hij zat te trillen op zijn plek. “Ik had geen idee. U had uzelf niet voorgesteld.” “Waar is ze?” vroeg Erec ongeduldig. “Ze is achter, de keuken aan het schrobben. Wat wilt u met haar? Heeft ze iets van u gestolen? Ze is slechts een dienstmeid.” Erec trok zijn dolk en hield hem tegen de keel van de man aan. “Noem haar nog één keer een ‘dienstmeid,’” waarschuwde Erec, “en ik verzeker je dat ik je keel zal doorsnijden. Begrijp je me?” vroeg hij terwijl hij het mes tegen de huid van de man aan hield. De ogen van de man vulden zich met tranen, en hij knikte langzaam. “Breng haar hier, en snel een beetje,” beval Erec. Hij trok de man overeind en gaf hem een duw, richting de achterdeur. De herbergier verdween naar achteren. Er klonk het geluid van rammelende potten, gesmoord geschreeuw, en enkele momenten later ging de deur open en verschenen er een aantal vrouwen. Ze waren gekleed in vodden en schorten, besmeurd met keukenvet. Er waren drie oudere vrouwen, rond een jaar of zestig, en Erec vroeg zich even af of de herbergier wel wist over wie hij het had. Op dat moment kwam ze naar buiten—en Erecs hart sloeg een slag over. Hij kon nauwelijks ademen. Daar was ze. Ze droeg een schort, was besmeurd met vetvlekken en hield haar hoofd naar beneden, te beschaamd om op te kijken. Haar haar was bijeengebonden, omwikkelt met een doek, en haar wagen waren bedekt met een laag vuil—en toch was Erec smoorverliefd. Haar huid was zo jong, zo perfect. Ze had hoge jukbeenderen, een kleine neus die bedekt was met sproeten, en volle lippen. Ze had een breed, vorstelijk voorhoofd, en haar blonde haar stak uit van onder de doek die ze om haar hoofd had gebonden. Ze keek naar hem op, heel even maar, en haar grote, prachtige amandel groene ogen veranderden naar een helder kristalblauw, en toen weer terug. Hij stond als verstijfd. Tot zijn verbazing besefte hij dat hij nu nog meer betoverd was door haar dan de eerste keer. Achter haar kwam de herbergier weer door de deur, scheldend, nog steeds bloed van zijn neus vegend. Het meisje liep schoorvoetend naar voren, omgeven door de oudere vrouwen, en boog toen ze dichter bij Erec kwam. Erec stond op, alsmede de entourage van de Hertog. “Mijn heer,” zei ze, en haar zachte, lieve stem vulde Erecs hart. “Vertel me alstublieft wat ik heb gedaan om u te beledigen. Ik weet niet wat het is, maar ik verontschuldig mij voor wat het ook is dat ik heb gedaan om de aanwezigheid van de Hertog te rechtvaardigen.” Erec glimlachte. Haar woorden, haar taal, het geluid van haar stem—het zorgde dat hij zich hersteld voelde. Hij wilde dat ze nooit zou stoppen met spreken. Erec strekte zijn hand uit en raakte haar kin aan met zijn hand. Hij tilde haar kin op tot haar vriendelijke ogen de zijne ontmoetten. Zijn hart ging tekeer terwijl hij in haar ogen keek. Het was alsof hij verdwaalde in een zee van blauw. “Mijn dame, u heeft niets verkeerds gedaan. Ik denk niet dat u ooit in staat zou zijn om te beledigen. Ik kom hier niet uit woede—maar uit liefde. Vanaf het moment dat ik u heb aanschouwd, heb ik aan weinig anders meer kunnen denken.” Het meisje keek verbouwereerd, en keek onmiddellijk naar de grond. Ze draaide nerveus met haar handen, overweldigd. Ze was dit duidelijk niet gewend. “Alstublieft, mijn dame, vertel mij. Wat is uw naam?” “Alistair,” antwoordde ze nederig. “Alistair,” herhaalde Erec. Hij was overweldigd. Het was de mooiste naam die hij ooit had gehoord. “Maar ik snap niet wat u eraan heeft om mijn naam te kennen,” voegde ze zachtjes toe, terwijl ze naar de grond bleef staren. “U bent een Heer. En ik ben slechts een dienstmeisje.” “Ze is mijn dienstmeisje, om precies te zijn,” zei de herbergier op een nare toon. “Ze is van mij. Ze heeft jaren geleden een contract getekend. Zeven jaar is wat ze heeft beloofd. In ruil geef ik haar eten en onderdak. Je neemt deze niet van me af. Ze is van mij. Heeft u dat begrepen?” Erec voelde een diepe haat voor de herbergier, dieper dan hij ooit gevoeld had. Hij had de neiging om zijn zwaard te trekken en hem door zijn hart te boren. Maar hoezeer de man dat ook verdiende, Erec wilde niet de wet van de Koning breken. Tenslotte reflecteerden zijn acties op de koning. “De Wet van de Koning is de Wet van de Koning,” zei Erec vastberaden tegen de man. “Ik ben niet van plan die te breken. Morgen begint het toernooi. En ik ben, net als elke man, gerechtigd om een bruid te kiezen. Laat het hier en nu duidelijk zijn dat ik Alistair kies.” Iedereen in de kamer snakte naar adem. “Tenminste,” voegde Erec toe, “als zij daarmee akkoord gaat.” Erec keek naar Alistair, zijn hart bonzend, terwijl ze haar gezicht naar de vloer gericht hield. Hij kon zien dat ze bloosde. “Stemt u hiermee in, mijn dame?” vroeg hij. Iedereen zweeg. “Mijn Heer,” zei ze zachtjes, “u weet niets van wie ik ben, waar ik vandaan kom, of waarom ik hier ben. En ik ben bang dat ik u deze dingen niet kan vertellen.” Erec staarde haar verward aan. “Waarom kunt u me dat niet vertellen?” “Ik heb het niemand vertelt sinds ik hier ben aangekomen. Ik heb een belofte gedaan.” “Maar waarom?” drong hij aan. Alistair zweeg en hield haar blik op de grond gericht. “Het is waar,” zei één van de andere dienstmeiden. “Deze heeft ons nooit vertelt wie ze is. Of waarom ze hier is. Ze weigert. We proberen het al jaren.” Erec was ernstig verward—maar dat maakte haar alleen maar mysterieuzer. “Als ik niet kan veranderen wie u bent, dan zal ik dat niet,” zei Erec. “Ik respecteer uw belofte. Maar dat verandert niets aan mijn affectie voor u. Mijn dame, wie u ook bent, als ik dit toernooi win, zal ik u als mijn prijs kiezen. U, uit alle vrouwen in dit koninkrijk. Ik vraag u nogmaals: stemt u hiermee in?” Alistair hield haar ogen op de grond gericht, en terwijl Erec naar haar keek, zag hij tranen over haar wangen lopen. Plotseling draaide ze zich en om ze vluchtte de kamer uit, terwijl ze de deur achter zich dicht sloeg. Erec stond daar, met de anderen, in de verbijsterde stilte. Hij wist nauwelijks hoe hij haar antwoord moest interpreteren. “Zie je, je verspilt je tijd, en de mijne,” zei de herbergier. “Ze zei nee. Wegwezen.” Erec fronste. “Ze heeft geen nee gezegd,” kwam Brandt tussenbeide. “Ze heeft niet geantwoord.” “Ze heeft het recht om haar tijd te nemen,” verdedigde Erec haar. “Het is tenslotte veel om over na te denken. Ze kent mij ook niet.” Erec stond daar, en dacht na over wat hij moest doen. “Ik zal hier vanavond blijven,” kondigde Erec uiteindelijk aan. “Je zult me hier een kamer geven, in dezelfde gang als de hare. Morgenochtend, voor het toernooi begint, zal ik het haar weer vragen. Als ze toestemt, en als ik win, zal ze mijn bruid zijn. Als dat het geval is, zal ik haar uit haar dienstverband kopen, en zal ze hier met mij weggaan.” De herbergier wilde Erec duidelijk niet onder zijn dak hebben, maar hij durfde niets te zeggen; dus hij draaide zich om en stormde de kamer uit. “Weet je zeker dat je hier wil blijven?” vroeg de Hertog. “Kom met ons mee terug naar het kasteel.” Erec knikte en keek hem ernstig aan. “Ik ben in mijn hele leven nog nooit zo zeker van iets geweest.” HOOFDSTUK ACHT Thor zweefde door de lucht en dook de kolkende wateren van de Vuurzee in. Hij dook naar beneden, en was verbijsterd toen hij voelde dat het water heet was. Onder de oppervlakte opende Thor eventjes zijn ogen—en wenste meteen dat hij dat niet had gedaan. Hij ving een glimp op van allerlei vreemde en lelijke wezens, klein en groot, met opmerkelijke en groteske gezichten. Deze oceaan krioelde van de beesten. Hij bad dat ze hem niet zouden aanvallen voor hij veilig de kust had bereikt. Snakkend naar adem kwam hij boven, en hij keek onmiddellijk om zich heen, op zoek naar de verdrinkende jongen. Hij zag hem, en net op tijd: hij zonk naar beneden, en over een paar seconden zou hij niet meer boven komen. Thor zwom naar hem toe, greep hem van achteren vast, en begon met hem te zwemmen, terwijl hij zorgde dat ze beiden hun hoofden boven water hielden. Thor hoorde een gejank, en toen hij zich omdraaide zag hij tot zijn verassing Krohn: die moest achter hem aan het water in gesprongen zijn. Het luipaard zwom jankend naar hem toe. Thor voelde zich verschrikkelijk dat Krohn dit moest doorstaan—maar hij had zijn handen vol en hij kon niets doen. Thor deed zijn best om niet om zich heen te kijken, naar de kolkende rode wateren, naar de vreemde wezens die steeds bovenkwamen en vervolgens weer onder de oppervlakte verdwenen. Een lelijk uitziend wezen, paars, met vier armen en twee hoofden, kwam vlakbij hem boven, siste naar hem, en dook weer onder. Thor draaide zich om en zag de roeiboot, nauwelijks twintig meter verderop, en begon driftig te zwemmen met zijn ene arm en zijn benen, terwijl hij met zijn andere arm de jongen meetrok. De jongen schreeuwde en verzette zich, en Thor vreesde dat hij hem met zich mee onder water zou sleuren. “Hou je stil!” schreeuwde Thor, hopend dat de jongen zou luisteren. Eindelijk werd hij rustiger. Thor was even opgelucht—tot hij een plons hoorde. Hij draaide zijn hoofd de andere kant op: recht naast hem dook er een ander beest op, klein, met een geel hoofd en vier tentakels. Het had een vierkant hoofd, en het kwam grommend op hem af. Het zag eruit als een ratelslang in de zee, behalve dan dat het hoofd te vierkant was. Thor zette zich schrap terwijl het dichterbij kwam, voorbereid om gebeten te worden—maar toen deed het plotseling zijn mond open en spoot het zeewater naar hem toe. Thor knipperde het water uit zijn ogen. Het beest bleef in rondjes om hen heen zwemmen, en Thor trachtte sneller te zwemmen in een poging eraan te ontkomen. De boot kwam al dichterbij, toen er ineens een ander beest aan de andere kant opdook. Het was lang, smal en oranje van kleur, met twee klauwen bij zijn mond en tientallen kleine benen. Het had ook een lange staart, die alle kanten op sloeg. Het zag eruit als een kreeft, en bewoog zich als een waterinsect over de oppervlakte, op Thor af. Op het laatste moment draaide het zich opzij en sloeg het met zijn staart. De staart raakte Thors arm en hij schreeuwde het uit van pijn. Het beest haalde keer op keer uit. Thor wilde dat hij zijn zwaard kon trekken en het kon aanvallen, maar hij had maar één hand vrij, en die had hij nodig om te zwemmen. Krohn, die naast hem zwom, snauwde onbevreesd naar het beest, een geluid dat de haren op Thors rug overeind liet staan. Het beest leek bang geworden en verdween weer onder water. Thor slaakte een zucht van opluchting—tot het beest ineens aan zijn andere kant opdook, en weer naar hem uithaalde. Krohn joeg weer achter het beest aan, in een poging het te pakken te krijgen. Hij beet naar hem, maar bleef missen. Thor realiseerde zich dat de enige manier om uit deze situatie te komen, was zorgen dat ze de zee uit kwamen. Hij zwom voor zijn leven. Na wat aanvoelde als een eeuwigheid bereikte hij eindelijk de roeiboot, die hevig schommelde in de golven. Twee leden van de Krijgsmacht, oudere jongens die nooit met Thor en zijn vrienden spraken, wachtten hen op. Ze bogen naar voren en staken hun handen uit. Thor hielp eerst de jongen, en duwde hem omhoog, de boot op. De oudere jongens grepen de jongen bij zijn armen en trokken hem verder omhoog. Toen pakte Thor Krohn bij zijn middel, en tilde ook hem de boot op. Krohn glibberde over het natte dek van de houten boot, drijfnat en trillend. Toen sprong hij terug overeind, draaide zich om, en rende terug naar de rand, op zoek naar Thor. Hij keek neer op het water en jankte. Thor strekte zijn hand uit en greep de hand van één van de jongens. Hij probeerde zich net de boot op te hijsen, toen hij plotseling voelde hoe iets sterks, iets gespierds, zich om zijn enkel en dijbeen wikkelde. Hij draaide zich om en keek naar beneden, en zijn hart sloeg een slag over toen hij een limoengroen, octopus-achtig wezen zag, dat een tentakel om zijn been wikkelde. Thor schreeuwde het uit van de pijn terwijl hij voelde hoe de stekels zijn vlees doorboorden. Met zijn vrije hand reikte hij naar zijn riem, trok er een korte dolk uit, leunde naar voren en haalde uit naar het beest. Maar de tentakel was zo dik, de dolk kwam er niet eens doorheen. Het maakte het beest alleen maar kwader. Plotseling verscheen de kop van het beest boven water—groen, zonder ogen, met twee kaken op zijn lange nek, de ene boven de ander—en liet rijen vol met vlijmscherpe tanden zien. Thor voelde hoe de bloedtoevoer naar zijn been werd afgekneld, en wist dat hij snel moest handelen. Ondanks de inspanningen van de oudere jongen om hem vast te houden, gleden Thors handen weg, en hij zonk weer terug het water in. Krohn jankte en jankte. De haren op zijn rug stonden recht overeind, en hij zag eruit alsof hij klaar was om weer het water in te springen. Maar zelfs Krohn moest gevoeld hebben dat het nutteloos was om het beest aan te vallen. Eén van de oudere jongens schreeuwde: “DUIKEN!” Thor deed zijn hoofd omlaag terwijl de jongen een speer wierp. De speer suisde door de lucht maar miste, en raakte het water. Het beest was te smal en te snel. Plotseling sprong Krohn van de boot, terug het water in, en landde met zijn kaken open en zijn scherpe klauwen ontbloot op de nek van het beest. Hij beet zich vast en weigerde los te laten, terwijl het beest hevig heen en weer zwaaide. Maar het was een verloren strijd: de huid van het beest was te sterk, en hij was te gespierd. Het beest schudde Krohn alle kanten op en wist hem uiteindelijk van zich af te schudden: Krohn suisde door de lucht en kwam met een plons in het water terecht. Intussen verstevigde het beest zijn greep op Thors been; Thor voelde hoe hij zuurstof verloor. De tentakels brandden, het voelde alsof zijn been op het punt stond van zijn lichaam gerukt te worden. In een laatste wanhopige poging liet Thor de hand van de jongen los en in dezelfde beweging rekte hij naar het zwaard aan zijn middel. Maar hij kon het niet op tijd pakken; hij verloor zijn evenwicht en viel met zijn gezicht naar voren in het water. Thor voelde hoe hij werd weggesleurd, verder weg van de boot. Het beest sleurde hem weer mee de zee op. Hij werd achteruit getrokken, en terwijl hij hulpeloos zijn armen uitstrekte, zag hij de roeiboot voor zich verdwijnen. Voor hij het wist voelde hij dat hij naar beneden werd getrokken, onder de oppervlakte van het water, diep de Vuurzee in. HOOFDSTUK NEGEN Gwendolyn rende over de open weide. Haar vader, Koning MacGil, rende naast haar. Ze was jong, tien misschien, en haar vader was ook jonger. Zijn baard was kort, nog zonder de grijze haren die hij later in zijn leven zou krijgen, en zijn huid was vrij van rimpels, jeugdig, glanzend. Hij was gelukkig, zorgeloos, en lachte terwijl hij haar hand vasthield en met haar door de velden rende. Dit was de vader die ze zich herinnerde, de vader die ze kende. Hij tilde haar op en gooide haar over zijn schouder, draaide haar in het rond. Ze lachte luider en luider, en giechelde hysterisch. Ze voelde zich zo veilig in zijn armen, en ze wilden dat deze tijd samen nooit meer zou eindigen. Maar toen haar vader haar weer neerzette, gebeurde er iets vreemds. Plotseling veranderde de dag van een zonnige middag naar schemering. Toen Gwens voeten de grond raakten, stond ze niet langer in de bloemen van de weide, maar in de modder, die tot aan haar enkels kwam. Haar vader lag op zijn rug in de modder, een meter bij haar vandaan—hij was nu ouder, veel ouder, te oud—en hij zat vast. Een stukje verderop lag zijn glanzende kroon in de modder. “Gwendolyn,” hijgde hij. “Mijn dochter. Help me.” Hij tilde wanhopig een hand op uit de modder en strekte hem naar haar uit. Ze werd overweldigd door de drang om hem te helpen, en probeerde hem te bereiken, om zijn hand te pakken. Maar haar voeten wilden niet. Ze keek omlaag en zag de modder om haar voeten heen opdrogen. Ze wriemelde en wriemelde in een poging om vrij te breken. Gwen knipperde met haar ogen en stond ineens op de vestingmuren van het kasteel, neerkijkend op het Koninklijk Hof. Er was iets mis: terwijl ze naar beneden keek, zag ze niet de gewoonlijke pracht en festiviteiten, maar een uitgestrekt kerkhof. Waar zich ooit het geweldige Koninklijk Hof had bevonden, lagen nu verse graven, zo ver als het oog kon kijken. Ze hoorde een geschuifel van voeten, en haar hart sloeg een slag over terwijl ze zich omdraaide en een huurling met een zwarte mantel en kap op zich af zag komen. Hij sprintte naar haar toe en trok zijn kap af. Hij onthulde een grotesk gezicht. Hij miste een oog, en er liep een dik, rafelig litteken over zijn oogkas. Hij gromde en hief een glinsterende dolk, met een glanzend rood handvat. Hij was te snel, en ze kon niet op tijd reageren. Ze zetten zichzelf schrap, wetend dat ze gedood zou worden, terwijl hij met volle kracht de dolk omlaag bracht. Plotseling stopte de dolk, slechts centimeters van haar gezicht verwijderd, en ze opende haar ogen. Daar stond haar vader, een lijk, en hij had de pols van de man vast. Hij kneep in de pols van de man tot zijn hand eraf viel, gooide de man over zijn schouder en wierp hem van de muur af. Gwen luisterde naar zijn geschreeuw terwijl hij naar beneden stortte. Haar vader draaide zich om en staarde naar haar; toen greep hij haar met zijn rottende handen bij haar schouders, een ernstige uitdrukking op zijn gezicht. “Het is hier niet veilig voor je,” waarschuwde hij. “Het is niet veilig!” schreeuwde hij. Zijn vingers groeven zich veel te diep in haar schouders, en ze schreeuwde het uit. Schreeuwend werd ze wakker. Ze zat rechtop in bed, en keek in paniek haar kamer rond, op zoek naar een aanvaller. Maar er was niets dan stilte—de zware stilte die vooraf ging aan de zonsopgang. Zwetend en hijgend sprong ze uit bed, gekleed in haar nachtjapon, en liep haar kamer door. Ze haastte zich naar een klein, stenen bassin en plensde water in haar gezicht. Ze leunde tegen de muur, voelde de koude stenen onder haar blote voeten op de nu al hete zomerochtend, en probeerde tot zichzelf te komen. De droom had te echt gevoeld. Ze voelde dat het meer was dan een droom—een echte waarschuwing van haar vader, een boodschap. Ze voelde een enorme drang om het Koninklijk Hof te verlaten, nu meteen, en nooit meer terug te keren. Maar ze wist dat dat iets was dat ze niet kon doen. Ze moest tot zichzelf komen, haar hoofd erbij houden. Maar elke keer dat ze met haar ogen knipperde zag ze haar vaders gezicht en voelde ze zijn waarschuwing. Ze moest iets doen om de droom van zich af te schudden. Gwen keek naar buiten. Ze zag de eerste zon opkomen, en ze dacht aan de enige plek die haar zou helpen om weer kalm te worden: de Koningsrivier. Ja, ze moest gaan. * Gwendolyn liet zichzelf keer op keer in het ijskoude water zakken. Ze hield haar neus dicht en ging met haar hoofd onder water. Ze zat in de kleine, natuurlijke stenen poel, die verstopt lag in de hoger gelegen bronnen. Ze had deze plek gevonden toen ze nog jong was. Ze hield haar adem in terwijl ze onder water zat en bleef even hangen. Ze voelde de koude stroming door haar haren gaan, over haar hoofdhuid, en voelde hoe het water haar naakte lichaam reinigde. Ze had deze afgelegen plek gevonden, verstopt ten midden van een groep bomen, hoog op de berg, een klein plateau waar de stroming van de rivier vertraagde en een diepe, rustige poel creëerde. Boven haar stroomde de rivier naar binnen en beneden haar stroomde hij weer verder—en toch was de stroming, hier op het plateau, heel zwak. De poel was diep, de rotsen glad, en de plek was zo goed verstopt dat ze zorgeloos naakt kon zonnebaden. Ze kwam hier bijna elke ochtend tijdens de zomer, wanneer de zon opkwam, om haar gedachten op een rijtje te zetten. Zeker op dagen als deze, wanneer ze geplaagd werd door haar dromen, zoals wel vaker het geval was, was deze plek haar enige toevlucht. Gwen kon er niet achter komen of het slechts een droom was geweest, of dat het meer was. Hoe moest ze weten wanneer een droom een boodschap was, een voorteken? Hoe kon ze weten of haar gedachten slechts spelletjes met haar speelden, of dat ze een kans kreeg om actie te ondernemen? Gwendolyn kwam boven om adem te halen. Ze snoof de warme ochtendlucht op en hoorde vogels in de bomen om haar heen zingen. Ze leunde achterover tegen de stenen, haar lichaam tot aan haar nek in het water, en dacht na. Ze plensde water in haar gezicht en liet haar handen door haar lange, aardbeiblonde haar glijden. Ze keek neer op het kristallen oppervlak van het water, dat de hemel reflecteerde, en de tweede zon, die al begon op te komen. Ze zag de bomen die over het water hingen, en haar eigen gezicht. Haar amandelvormige ogen, gloeiend blauw, staarden naar haar vanuit haar gerimpelde weerspiegeling in het water. Ze zag iets in haar ogen dat haar herinnerde aan haar vader. Ze keek weg, en dacht weer aan haar droom. Ze wist dat het gevaarlijk voor haar was om in het Koninklijk Hof te blijven. Met haar vaders moord, met alle spionnen, alle plots—en zeker nu Gareth koning was. Haar broer was onvoorspelbaar. Wraakzuchtig. Paranoïde. En heel, heel jaloers. Hij zag iedereen als een bedreiging—vooral haar. Er kon van alles gebeuren. Ze wist dat ze hier niet veilig was. Dat was niemand. Maar ze was niet iemand die zomaar vluchtte voor haar problemen. Ze moest weten wie haar vaders moordenaar was, en als het Gareth was, dan kon ze niet weggaan tot het recht zou zegevieren. Ze wist dat haar vaders geest niet zou rusten tot dat wie hem dat ook gedood had gepakt was. Rechtvaardigheid was hetgeen waar hij zijn hele leven lang naar had gestreefd, en hij, van al zijn mensen, verdiende het om het te krijgen. Gwen dacht weer aan de ontmoeting met Steffen. Ze wist zeker dat Steffen iets achterhield, en ze vroeg zich af wat het kon zijn. Een deel van haar dacht dat hij vanzelf wel zou gaan praten. Maar wat als dat niet het geval was? Ze moest haar vaders moordenaar vinden—maar ze wist niet waar ze verder nog moest zoeken. Gwendolyn stond op uit het water en klom naakt op de kant, rillend in de ochtendlucht, en liep naar een dikke boom. Ze reikte omhoog om haar handdoek van een tak te pakken, zoals ze altijd deed. Maar terwijl ze ernaar reikte, ontdekte ze geschokt dat haar handdoek er niet meer hing. Daar stond ze, naakt, nat, verward. Ze wist zeker dat ze hem daar had opgehangen, zoals ze altijd deed. Terwijl ze rillend en verbijsterd probeerde te begrijpen wat er gebeurd was, voelde ze plotseling iets achter zich bewegen. Ze besefte dat er een man achter haar stond. Het gebeurde te snel. Binnen enkele seconden stond de man, die gekleed was in een zwarte mantel en kap, net als in haar droom, achter haar. Hij greep haar van achteren beet, reikte een benige hand omhoog en bedekte haar mond. Haar schreeuwen werden gesmoord. Met zijn andere hand greep hij haar bij haar middel en trok haar naar zich toe. Ze schopte in de lucht, probeerde te schreeuwen, tot hij haar neerzette. Hij hield haar nog steeds stevig vast. Ze probeerde los te breken, maar hij was te sterk. Ineens zag Gwen dat hij een dolk met een glanzend rood handvat vasthield—dezelfde als uit haar droom. Het was dus toch een waarschuwing geweest. Ze voelde hoe hij het mes tegen haar keel zette, en hij hield haar zo stevig vast dat als ze bewoog, het mes haar keel zou doorboren. De tranen stroomden over haar wangen terwijl ze worstelde om adem te halen. Ze was zo kwaad op zichzelf. Ze was zo dom geweest. Ze had waakzamer moeten zijn. “Herken je mijn gezicht?” vroeg hij. Hij leunde naar voren en ze voelde zijn afschuwelijke, hete adem op haar wang. Haar hart sloeg een slag over—het was hetzelfde gezicht uit haar droom, de man met het missende oog en het litteken. “Ja,” antwoordde ze. Haar stem trilde. Het was een gezicht dat ze maar al te goed kende. Ze wist zijn naam niet, maar ze wist dat hij een handhaver was. Een type uit de lagere klasse, één van de mensen die al sinds Gareth een kind was geweest om hem heen had gehangen. Hij was Gareths boodschapper. Gareth stuurde hem naar iedereen die hij bang wilde maken—of wilde martelen, of doden. “Je bent de hond van mijn broer,” siste ze uitdagend naar hem. Hij glimlachte, en ze zag dat hij meerdere tanden miste. “Ik ben zijn boodschapper,” zei hij. “En mijn boodschappen komen met een speciaal wapen om te zorgen dat je ze je goed herinnert. Zijn boodschap aan jou is dat je moet stoppen met vragen stellen. Kijk maar goed naar dit wapen, want als ik klaar met je ben, zal het litteken dat ik op dat mooie gezichtje van je achterlaat zorgen dat je het nooit meer zult vergeten.” Конец ознакомительного фрагмента. Текст предоставлен ООО «ЛитРес». Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/pages/biblio_book/?art=43694631&lfrom=334617187) на ЛитРес. Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.
КУПИТЬ И СКАЧАТЬ ЗА: 199.00 руб.