Сетевая библиотекаСетевая библиотека
Een Heerschappij Van Koninginnen Morgan Rice De Tovenaarsring #13 DE TOVENAARSRING heeft alle ingrediënten voor direct succes: samenzweringen, intriges, mysterie, dappere ridders en opbloeiende relaties, compleet met gebroken harten, bedrog en verraad. Het zal je urenlang boeien, en is geschikt voor alle leeftijden. Aanbevolen voor de permanente collectie van alle liefhebbers van fantasy. Books and Movie Reviews, Roberto Mattos EEN HEERSCHAPPIJ VAN KONINGINNEN is Boek #13 in de Bestverkopende serie DE TOVENAARSRING, die begint met EEN ZOEKTOCHT VAN HELDEN (boek #1) . In EEN HEERSCHAPPIJ VAN KONINGINNEN zeilen Gwendolyn en de overblijfselen van haar natie in ballingschap de vijandige havens van het Rijk in. Ze worden door Sandara’s mensen ingenomen en proberen te herstellen en een nieuw thuis op de bouwen in de schaduwen van Volusia. Thor, die vastberaden is om Guwayne te redden, vervolgt samen met zijn broeders van de Krijgsmacht zijn zoektocht. Ze reizen af naar de enorme grotten die toegang bieden tot het Land van de Geesten, waar ze ondenkbare monsters en exotische landschappen tegenkomen. Op de Zuidelijke Eilanden offert Alistair zichzelf voor Erec op – maar een onverwachte wending kan hen misschien allebei redden. Darius riskeert alles om Loti, de liefde van zijn leven, te redden. Dat betekent wel dat hij in zijn eentje de confrontatie met het Rijk aan moet gaan. Maar zijn conflict met het Rijk, zo zal hij ondervinden, is nog maar net begonnen. Ondertussen gaat Volusia, na haar moord op Romulus, aan de slag om haar macht over het Rijk te verzekeren en de meedogenloze koningin te worden die ze voorbestemd is te zijn. Zullen Gwen en haar mensen het overleven? Zal Guwayne gevonden worden? Zullen Alistair en Erec het overleven? Zal Darius Loti redden? Zullen Thorgrin en zijn broeders het overleven? EEN HEERSCHAPPIJ VAN KONINGINNEN is een episch verhaal van vrienden en geliefden, rivalen en minnaars, ridders en draken, intriges en politieke machinaties, van volwassen worden, van gebroken harten, van bedrog, ambitie en verraad. Het is een verhaal van eer en moed, van lotsbestemming en tovenarij. Het is een fantasie die ons meeneemt naar een wereld die we nooit zullen vergeten, en die alle leeftijden zal aanspreken. Had vanaf het begin mijn aandacht en liet die niet los… Dit verhaal is een ongelofelijk avontuur in een hoog tempo, vanaf het begin vol actie. Het wordt nooit saai. Paranormal Romance Guild {over Turned} EEN HEERSCHAPPIJ VAN KONINGINNEN (BOEK #13 IN DE TOVENAARSRING) MORGAN RICE Over Morgan Rice Morgan Rice is de #1 bestverkopende en USA Today bestverkopende auteur van de epische fantasy serie DE TOVENAARSRING, die uit zeventien boeken bestaat; de #1 bestverkopende serie DE VAMPIER DAGBOEKEN, bestaande uit elf boeken; de #1 bestverkopende serie DE SURVIVAL TRILOGIE, een post-apocalyptische thriller bestaande uit twee boeken; en de nieuwe epische fantasy serie KONINGEN EN TOVERNAARS. Morgans boeken zijn verkrijgbaar in audio en print edities, en vertalingen zijn verkrijgbaar in meer dan 25 talen. VERANDERD (Boek #1 van de Vampierverslagen), ARENA ÉÉN (BOEK #1 van de Overlevingstrilogie), DE OPKOMST VAN DE DRAKEN (Boek #1van de Koningen En Tovenaars), en EEN ZOEKTOCHT VAN HELDEN (Boek #1 van De Tovenaarsring) zijn allemaal gratis te downloaden! Morgan hoort graag van je, dus breng gerust een bezoekje aan www.morganricebooks.com (http://www.morganricebooks.com) om je in te schrijven voor de nieuwsbrief, een gratis boek te ontvangen, gratis giveaways te ontvangen, de gratis app de downloaden, op de hoogte te blijven van het laatste nieuws, en via Facebook en Twitter in contact te blijven! Geselecteerde bijvalsbetuigingen voor Morgan Rice DE TOVENAARSRING heeft alle ingrediënten voor direct succes: samenzweringen, intriges, mysterie, dappere ridders en opbloeiende relaties, compleet met gebroken harten, bedrog en verraad. Het zal je urenlang boeien, en is geschikt voor alle leeftijden. Aanbevolen voor de permanente collectie van alle liefhebbers van fantasy.” --Books and Movie Reviews, Roberto Mattos “[Een] entertainende epische fantasy.” —Kirkus Reviews “Het begin van iets uitzonderlijks is aanwezig.” --San Francisco Book Review “Boordevol actie …. Rice' schrijven is solide en de premisse intrigerend.” --Publishers Weekly “Een levendige fantasy ….Slechts het begin van wat een epische tienerserie belooft te worden.” --Midwest Book Review Boeken door Morgan Rice KONINGEN EN TOVENAARS DE OPKOMST VAN DE DRAKEN (Boek #1) DE OPKOMST VAN DE HELDHAFTIGE (Boek #2) DE ZWAARTE VAN EER (Boek #3) EEN SMIDSVUUR VAN MOED (Boek #4) EEN RIJK VAN SCHADUWEN (Boek#5) NACHT VAN DE DAPPEREN (Boek #6) DE TOVENAARSRING EEN ZOEKTOCHT VAN HELDEN (Boek #1) EEN MARS VAN KONINGEN (Boek #2) EEN LOT VAN DRAKEN (Boek #3) EEN SCHREEUW VAN EER (Boek #4) EEN GELOFTE VAN GLORIE (Boek #5) EEN AANVAL VAN MOED (Boek #6) EEN RITE VAN ZWAARDEN (Boek #7) EEN GIFT VAN WAPENS (Boek #8) EEN HEMEL VAN SPREUKEN (Boek #9) EEN ZEE VAN SCHILDEN (Boek #10) EEN BEWIND VAN STAAL (Boek #11) EEN LAND VAN VUUR (Boek #12) EEN HEERSCHAPPIJ VAN KONINGINNEN (Boek #13) EEN EED VAN BROEDERS (Boek #14) EEN DROOM VAN STERVELINGEN (Boek #15) EEN STEEKSPEL VAN RIDDERS (Boek #16) HET GESCHENK VAN DE STRIJD (Boek #17) DE SURVIVAL TRILOGIE ARENA EEN: SLAVERSUNNERS (Boek #1) ARENA TWEE (Boek #2) DE VAMPIER DAGBOEKEN VERANDERD (Boek #1) GELIEFD (Boek #2) VERRADEN (Boek #3) VOORBESTEMD (Boek #4) BEGEERD (Boek #5) VERLOOFD (Boek #6) GEZWOREN (Boek #7) GEVONDEN (Boek #8) HERREZEN (Boek #9) VERLANGD (Boek #10) VOORBESCHIKT (Boek #11) Luister naar DE TOVENAARSRING serie in audioboek formaat! Copyright © 2014 door Morgan Rice Alle rechten voorbehouden. Behalve zoals toegestaan onder de V.S. Copyright Act van 1976, mag geen enkel deel van deze publicatie worden gereproduceerd, gedistribueerd of overgedragen worden, in wat voor vorm dan ook, of worden opgeslagen in een database of zoeksysteem, zonder de voorafgaande toestemming van de auteur. Dit ebook is uitsluitend voor jou persoonlijk bedoeld. Dit ebook mag niet doorverkocht worden of weggeven worden aan andere mensen. Als je dit boek met iemand anders wil delen, schaf dan alsjeblieft een extra exemplaar aan voor elke ontvanger. Als je dit boek leest en je hebt het niet aangeschaft, of het is niet voor jouw gebruik aangeschaft, geef het dan terug en schaf je eigen exemplaar aan. Bedankt voor het respecteren van het harde werk van deze auteur. Dit is een werk van fictie. Namen, personages, bedrijven, organisaties, plaatsen, evenementen en incidenten zijn een product van de fantasie van de auteur of zijn fictief gebruikt. Enige overeenkomst met echte personen, levend of dood, is geheel toevallig. Omslagafbeelding Copyright Slava Gerj, gebruikt onder licentie van Shutterstock.com INHOUD HOOFDSTUK EEN (#ufaad0294-8bab-53ac-a9e7-6ff836285b39) HOOFDSTUK TWEE (#u521d1a21-e993-5cde-aa76-de0223751f33) HOOFDSTUK DRIE (#u8068442c-c9dd-5ca0-ae38-959f9c86fcfe) HOOFDSTUK VIER (#u3af63b90-347e-58bb-aae4-8e654fac92d9) HOOFDSTUK VIJF (#ufbab0b96-2378-583a-a58f-8e2f87d55540) HOOFDSTUK ZES (#ub7c6b6c6-635e-5d37-b2a7-543cbeac080c) HOOFDSTUK ZEVEN (#u050f8976-3c4d-53aa-aee4-72f1a9730eec) HOOFDSTUK ACHT (#u6cdf6b5d-a92d-5504-a8ae-b80b5b1bdff9) HOOFDSTUK NEGEN (#u75b28501-b6df-57f2-9c28-908c8b255348) HOOFDSTUK TIEN (#u24bfd8a5-5422-53d4-bc56-f16b944723ae) HOOFDSTUK ELF (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TWAALF (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK DERTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VEERTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIJFTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZESTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZEVENTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ACHTTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK NEGENTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK EENENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TWEEËNTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK DRIEËNTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIERENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIJFENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZESENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZEVENENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ACHTENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK NEGENENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK DERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK EENENDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TWEEËNDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK DRIEËNDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIERENDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIJFENDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZESENDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZEVENENDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ACHTENDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK EEN Thorgrins hoofd beukte tegen de stenen aan terwijl hij in een vrije val langs de instortende berghelling naar beneden viel. Zijn wereld bleef maar draaien, en hij probeerde het te stoppen, probeerde zichzelf te oriënteren, maar het lukte niet. Vanuit zijn ooghoeken zag hij zijn broeders, die net als hij wanhopig naar wortels grepen, naar rotsen—wat dan ook—om hun val te vertragen. Thor besefte dat hij met elke seconde verder verwijderd raakte van de top van de vulkaan, van Guwayne. Hij dacht aan de wilden daarboven die op het punt stonden zijn baby te offeren, en hij brandde van woede. Hij klauwde schreeuwend naar de modder en probeerde wanhopig weer naar boven te komen. Maar er was weinig dat hij kon doen. Thor kon nauwelijks zien of ademhalen, laat staan zichzelf beschermen tegen het puin waar hij door werd geraakt. Het voelde alsof hij het gewicht van het hele universum op zijn schouders droeg. Het gebeurde allemaal zo snel, te snel voor Thor om te verwerken. Hij ving een glimp op van een veld vol puntige rotsen. Hij wist dat zodra ze die raakten, ze er allemaal geweest waren. Thor sloot zijn ogen en trachtte zich zijn training te herinneren, Argons raad, de woorden van zijn moeder. Hij probeerde de stilte in de storm te vinden zodat hij zijn kracht kon oproepen. Hij zag zijn leven aan zich voorbij flitsen. Was dit zijn laatste beproeving? Alstublieft, God, bad Thor, als u bestaat, red me. Laat me niet zo sterven. Laat me mijn kracht oproepen. Laat me mijn zoon redden. Thor had het gevoel dat hij op de proef werd gesteld, dat hij gedwongen werd om op zijn geloof te vertrouwen, om een sterker geloof op te roepen. Zijn moeder had al gezegd dat nu hij een krijger was, hij ook als een krijger op de proef zou worden gesteld. Terwijl Thor zijn ogen sloot, begon zijn wereld te vertragen. En tot zijn verbazing voelde hij ineens een kalmte, een gevoel van vrede in de storm. Hij voelde een hitte in zich opwellen. Het stroomde door zijn aderen, door zijn handen. Hij begon zich groter te voelen dan zijn lichaam. Thor voelde dat hij buiten zijn lichaam trad. Hij keek naar beneden en zag zichzelf langs de berghelling naar beneden storten. Op dat moment besefte hij dat hij niet zijn lichaam was. Hij was iets veel groters. Ineens zat hij weer in zijn lichaam, en hij hief zijn handen hoog boven zijn hoofd. Er begon een wit licht uit te stralen. Hij stuurde het licht en creëerde een bel om zichzelf en zijn broeders heen. Ineens stopte de modderstroom. De muur van puin kaatste van het schild af en raakte hen niet meer. Ze gleden door, maar nu veel langzamer, en ze kwamen tot stilstand op een smal plateau vlakbij de voet van de berg. Thor keek naar beneden en zag dat hij tot zijn knieën in water stond. Thor keek verbijsterd op. Hij zag de bevroren muur van modder die midden in de lucht hing, alsof die op ieder moment naar beneden kon vallen, vooralsnog tegengehouden door zijn bel van licht. Hij was stomverbaasd dat hij dat had gedaan. “Leven we nog?” riep O’Connor. Thor zag Reece, O’Connor, Conven, Matus, Elden en Indra overeind krabbelen. Ze hadden kneuzingen en blauwe plekken, maar ze leefden nog, en geen van hen was ernstig gewond. Ze wreven over hun gezichten, die bedekt waren met zwart zand. Ze zagen eruit alsof ze door een mijn waren gekropen. Thor kon zien hoe dankbaar ze waren dat ze kon leefden, en hij kon in hun ogen zien dat ze dat aan hem te danken hadden. Thor draaide zich om en keek op naar de top van de berg, en kon nog maar aan één ding denken: zijn zoon. “Hoe komen we weer naar—” begon Matus. Maar voor hij zijn zin kon afmaken, voelde Thor ineens hoe iets zich rond zijn enkels vouwde. Hij keek verschrikt naar beneden en zag een dik, slijmerig, gespierd wezen dat rond zijn enkels en schenen omhoog kroop. Het was een lang, paling-achtig wezen, met twee kleine koppen en lange tongen. Het keek naar hem op en vouwde zijn tentakels om hem heen. Zijn huid brandde rond Thors benen. Thors reflexen namen het over. Hij trok zijn zwaard en begon op het wezen in te hakken. De anderen, die ook werden aangevallen, volgden zijn voorbeeld. Thor probeerde voorzichtig te zijn zodat hij niet zijn eigen benen zou afhakken, en terwijl hij er eentje wist af te snijden, kwam het lichaam los en zakte de afschuwelijke pijn in zijn enkel. De paling gleed sissend terug het water in. O’Connor morrelde met zijn boog. Hij vuurde op de palingen maar miste. Elden schreeuwde het uit terwijl hij door drie palingen tegelijk werd aangevallen. Thor stormde naar voren en sneed een paling van O’Connors been af, terwijl Indra naar voren stapte en naar Elden schreeuwde: “Niet bewegen!” Ze spande haar boog en vuurde drie pijlen achter elkaar af. Ze doodde de palingen met drie perfecte schoten, en schampte net Eldens huid. Hij keek geschokt naar haar op. “Ben je gestoord?” schreeuwde hij uit. “Ik had mijn been wel kunnen verliezen!” Indra glimlachte naar hem. “Maar je hebt hem nog, of niet?” antwoordde ze. Thor hoorde meer gespetter, en zag nog tientallen palingen uit het water omhoog komen. Hij besefte dat ze hier vandaan moesten komen. Thor voelde zich compleet uitgeput door het gebruiken van zijn krachten, en hij wist dat er niet veel meer in hem zat; hij was nog niet sterk genoeg, wist hij, om constant van zijn krachten gebruik te maken. Toch moest hij ze nog één keer aanspreken. Zou hij dat niet doen, dan zouden ze hier nooit uitkomen. Ze zouden sterven in deze plas vol palingen, en zijn zoon zou geen schijn van kans maken. Het zou al zijn kracht kosten, hij zou dagen lang zwak zijn, maar het kon hem niet schelen. Hij dacht aan Guwayne, die was overgeleverd aan de genade van die wilden, en hij wist dat hij alles zou doen. Terwijl een andere groep palingen op hen af begon te glibberen, sloot Thor zijn ogen. Hij hief zijn handen. “Uit naam van de enige ware God,” zei Thor hardop, “ik beveel de hemel om te splijten! Ik beveel de wolken om ons op te tillen!” Thor sprak de woorden in een diepe, duistere stem, niet langer bang om de Druïde die hij was te omarmen. Hij voelde zijn woorden vibreren in zijn borst, in de lucht. Hij voelde een enorme hitte in zijn borst, en wist ineens zeker dat er gehoor aan zou worden gegeven. Er volgde een luid gedonder, en Thor zag dat de lucht begon te veranderen. Het kleurde donker paars, en de wolken begonnen te wervelen. Er verscheen een rond gat, een opening in de hemel, en ineens schoot er een vuurrood licht naar beneden, gevolgd door een wolk in de vorm van een trechter, die recht op hen af kwam. Binnen enkele momenten werden door en de anderen meegesleurd in een tornado. Thor voelde het vocht van de zachte wolken om zich heen wervelen, voelde hoe hij in het licht werd gehuld, en hoe hij de lucht in werd getild. Hij voelde zich lichter dan ooit tevoren. Hij voelde zich één met het universum. Thor voelde hoe hij hoger en hoger rees, langs de berghelling, langs de modder, langs zijn bel, helemaal naar de top van de berg. Binnen enkele momenten had de wolk hen naar de top van de vulkaan gebracht en hen zachtjes laten landen. Toen verdampte hij, net zo snel als dat hij was verschenen. Thor stond daar met zijn broeders, en ze keken hem volslagen verbijsterd aan, alsof hij een god was. Maar Thor dacht niet aan hen; hij draaide zich om en bestudeerde het plateau. Hij dacht maar aan één ding: de drie wilden die voor hem stonden. En het kleine wiegje, zwevend boven de rand van de vulkaan. Thor gaf een schreeuw en stormde naar voren. De eerste wilde draaide zich verschrikt naar hem om. Thor aarzelde geen seconde en onthoofdde hem. De andere twee draaiden zich angstig naar hem om. Thor stak de één in het hart, haalde uit en stompte de ander met de achterkant van zijn zwaard in zijn gezicht, waardoor hij gillend over de rand van de vulkaan viel. Thor draaide zich om en griste snel het wiegje weg voor het kon vallen. Hij keek naar beneden, zijn hart bonzend van dankbaarheid dat hij hem op tijd had opgevangen, klaar om Guwayne eruit te tillen. Maar terwijl Thor in het wiegje keek, viel zijn wereld uiteen. Het was leeg. Alles om hem heen bevroor. Hij stond daar, verdoofd. Hij keek naar beneden en zag de vlammen hoog rijzen. En hij wist dat zijn zoon dood was. “NEE!” schreeuwde Thor. Thor liet zich op zijn knieën vallen en schreeuwde. Het was de primordiale schreeuw van een man die alles had verloren dat hij nog had. “GUWAYNE!” HOOFDSTUK TWEE Hoog boven het eiland dat midden in zee lag vloog een eenzame draak, een kleine draak, nog niet helemaal volgroeid. Zijn schreeuw was schril en doordringend, een voorbode van de draak die hij op een dag zou worden. Hij vloog triomfantelijk door de lucht, en zijn kleine schubben leken te pulseren, alsof hij met de minuut groter werd. In zijn klauwen dat hij iets waardevols, het meest waardevolle dat hij in zijn korte leven had gevoeld. De draak voelde de warmte tussen zijn klauwen en keek naar beneden om te controleren of alles goed was met zijn waardevolle bezit. Hij hoorde het huilen, hij voelde het wriggelen, en was gerustgesteld om te zien dat de baby in orde was. Guwayne, had de man geroepen. De draak hoorde zijn schreeuw nog door de bergen galmen. Hij was dolblij dat hij de baby op tijd had weten te redden, voor die mannen hem met hun dolken hadden kunnen doden. Hij had Guwayne op het laatste moment uit hun handen weten te grissen. Hij had zijn taak goed volbracht. De draak vloog hoger en hoger, de wolken in, allang uit het zicht van de mensen onder hem. Hij vloog door de mist over het eiland heen, over de vulkanen en bergen, steeds verder weg. Al snel vloog hij over de oceaan en liet hij het eiland achter zich. Voor hem strekten de zee en de lucht zich eindeloos uit. Er zou de komende miljoen kilometer niets zijn om de eentonigheid te verbreken. De draak wist precies waar hij heen ging. Hij zou dit kind, waarvan hij al meer hield dan hij kon zeggen, ergens heen brengen. Naar een heel speciale plek. HOOFDSTUK DRIE Volusia stond over Romulus heen gebogen en keek tevreden neer op zijn levenloze lichaam. Zijn warme bloed gutste over haar voeten heen, over haar tenen. Ze zwolg in het gevoel. Ze kon zich niet herinneren hoeveel mannen ze, ondanks haar jonge leeftijd, al had gedood. Ze onderschatten haar altijd, en ze vond niets heerlijker dan hen laten zien hoe wreed ze kon zijn. En nu had ze de Grote Romulus zelf gedood—zij, en niet één van haar mannen—de Grote Romulus, de man van legendes, de krijger die Andronicus had gedood en zijn plaats op de troon had ingenomen. De Opperbevelhebber van het Rijk. Volusia glimlachte verrukt. Daar lag hij dan, de hoogste machthebber, gereduceerd tot een plasje bloed dat over haar voeten heen liep. Allemaal door haar. Volusia voelde zich aangemoedigd. Ze voelde een vuur door haar aderen branden, een vuur dat alles wilde verwoesten. Ze voelde haar lotsbestemming naderen. Ze voelde dat haar tijd was gekomen. Ze wist, net zoals ze had geweten dat ze haar moeder zou vermoorden, dat ze op een dag over het Rijk zou heersen. “U heeft onze meester gedood!” klonk een trillende stem. “U heeft de Grote Romulus gedood!” Volusia keek op en zag Romulus’ commandant staan, die haar met schok en angst en ontzag aanstaarde. “U heeft het leven genomen,” zei hij moedeloos, “van de Man Die Niet Gedood Kan Worden.” Volusia staarde hem aan met een harde, koude blik in haar ogen. Achter hem zag ze honderden van Romulus’ mannen, gekleed in de beste wapenrustingen, vanaf het schip toekijken, wachtend om ze zien wat haar volgende stap zou zijn. Ze waren allemaal klaar om aan te vallen. Romulus’ commandant stond op de steiger, vergezeld door een tiental van zijn mannen die geduldig op zijn bevel wachtten. Achter Volusia, wist ze, stonden duizenden van haar eigen mannen. Romulus’ mannen waren in de minderheid, en ze waren omsingeld. Ze zaten vast. Dit was Volusia’s territorium, en dat wisten ze. Ze wisten dat een aanval, net als een poging tot ontsnappen, zinloos zou zijn. “Dit is geen daad die onbeantwoord kan blijven,” vervolgde de commandant. “Romulus heeft één miljoen trouwe mannen tot zijn beschikking in de Ring. Hij heeft nog een miljoen trouwe mannen in het zuiden, in de hoofdstad van het Rijk. Wanneer zij horen wat u heeft gedaan, zullen ze zich mobiliseren, en ze zullen u de oorlog verklaren. U mag dan de Grote Romulus gedood hebben, maar zijn mannen leven nog. En uw troepen kunnen het, ondanks het feit dat ze vandaag in de meerderheid zijn, niet opnemen tegen zijn miljoenen mannen. Ze zullen smachten naar wraak. En wraak zullen ze krijgen.” “Zullen ze dat?” zei Volusia glimlachend. Ze deed een stap naar hem toe. Ze voelde het mes in haar handpalm en stelde zich voor hoe ze zijn keel door zou snijden. Ze verlangde ernaar. De commandant keek naar het mes in haar hand, het mes dat Romulus had gedood, en hij slikte. Het was alsof hij haar gedachten las. Ze kon ware angst in zijn ogen zien. “Laat ons gaan,” zei hij tegen haar. “Laat mijn mannen gaan. Ze hebben u geen kwaad gedaan. Geef ons een schip gevuld met goud, en koop ons zwijgen. Ik zal onze mannen naar de hoofdstad brengen, en ik zal ze vertellen dat u onschuldig bent. Dat Romulus u probeerde aan te vallen. Ze zullen u met rust laten, en u kunt vredig in hier in het noorden blijven wonen. Zij zullen een nieuwe Opperbevelhebber van het Rijk zoeken.” Volusia glimlachte breed en keek hem geamuseerd aan. “Maar denk je niet dat je nu recht tegenover je nieuwe Opperbevelhebber staat?” vroeg ze. De commandant keek haar geschokt aan, en begon toen spottend te lachen. “U?” zei hij. “U bent maar een meisje, en u heeft slechts een paar duizend man tot uw beschikking. Denkt u nu echt dat u miljoenen mannen van Romulus kunt verpletteren, alleen omdat u één man hebt gedood? U mag nog blij zijn om levend weg te komen na wat u vandaag heeft gedaan. Ik biedt u een geschenk. Laat deze dwaze ideeën voor wat ze zijn, wees dankbaar en laat ons gaan, voor ik van gedachten verander.” “En als ik jullie niet wil laten gaan?” De commandant keek in haar ogen en slikte. “U kunt ons allemaal doden,” zei hij. “Dat is uw keus. Maar als u daarvoor kiest, dan tekent u uw doodvonnis, en dat van uw mensen. U zult verpletterd worden door het leger dat zal volgen.” “Hij spreekt de waarheid, mijn commandant,” fluisterde iemand in haar oor. Ze draaide zich om en zag dat Soku, haar bevelhebbende generaal, zich bij haar had gevoegd. Hij was een lange man met groene ogen, de kaken van een krijger, en kort, krullend rood haar. “Stuur ze naar het zuiden,” zei hij. “Geef hen het goud. U heeft Romulus gedood. Nu moet u een wapenstilstand onderhandelen. We hebben geen keus.” Volusia wendde zich weer tot Romulus’ commandant. Ze bestudeerde hem en nam haar tijd, genietend van het moment. “Ik zal doen wat u vraagt,” zei ze, “en u terug laten gaan naar de hoofdstad.” De commandant glimlachte tevreden en stond op het punt om te gaan toen Volusia een stap naar voren deed en toevoegde: “Maar niet om te verzwijgen wat ik heb gedaan,” zei ze. Hij stopte en keek haar verward aan. “Ik zal u laten teruggaan naar de hoofdstad om hen een boodschap te geven: dat ze weten dat ik de nieuwe Opperbevelhebber van het Rijk ben. Dat als ze nu voor mij knielen, ze zullen blijven leven.” De commandant keek haar ontzet aan. Toen schudde hij langzaam zijn hoofd en glimlachte. “U bent net zo gestoord als uw moeder,” zei hij. Toen draaide hij zich om en liep de lange loopbrug naar zijn schip op. “Laad het goud in het onderruim,” riep hij uit. Hij nam niet eens de moeite om zich naar haar om te draaien. Volusia draaide zich om naar haar commandant, die geduldig op haar bevel stond te wachten, en knikte kort naar hem. De commandant draaide zich onmiddellijk om en gebaarde naar zijn mannen. Toen volgde het geluid van tienduizenden pijlen die werden aangestoken en afgevuurd. De pijlen kleuren de hemel zwart en zeilden in een hoge boog van vlammen over de kust, waarna ze op Romulus’ schip terecht kwamen. Het gebeurde allemaal te snel voor zijn mannen om te reageren, en al snel stond het hele schip in vuur en vlam. De mannen probeerden de vlammen te doven en schreeuwden, hun commandant nog het hardst van allemaal. Maar het was zinloos. Volusia knikte weer, en het ene na het andere salvo van pijlen zeilde door de lucht op het brandende schip af. De mannen schreeuwden het uit terwijl ze werden doorboord; sommigen zakten op het dek in elkaar, anderen vielen overboord. Het was een bloedbad, en zonder overlevenden. Volusia stond daar en grijnsde. Ze keek tevreden toe hoe het schip vanaf de romp tot aan de mast toe afbrandde, tot er niets meer van over was dan een zwartgeblakerd skelet. Volusia’s mannen stopten met vuren, en alles werd weer stil. Ze stelden zich op en keken naar haar, geduldig wachtend op haar bevel. Volusia liep naar voren, trok haar zwaard, en hakte het dikke touw door dat het schip met de steigers verbond. Volusia tilde één van haar vergulde laarzen op, zette hem tegen de boeg, en duwde het schip van de kant. Volusia keek toe hoe het schip werd meegevoerd door de stroming, de stroming waarvan ze wist dat die het schip naar het zuiden zou brengen, naar het hart van de hoofdstad. Ze zouden allemaal het verbrande schip zien, de levenloze lichamen van Romulus’ mannen, de Volusiaanse pijlen, en ze zouden weten dat het van haar af kwam. Ze zouden weten dat de oorlog was begonnen. Volusia wendde zich tot Soku, die met wijd open mond naast haar stond. Ze glimlachte. “Dat,” zei ze, “is hoe ik onderhandel.” HOOFDSTUK VIER Gwendolyn knielde op het dek en klemde haar vingers om de reling heen. Haar knokkels werden wit. Ze wist net genoeg kracht op de brengen om zichzelf op te trekken en naar de horizon te kijken. Haar hele lichaam trilde, zwak van de honger, en terwijl ze zichzelf optrok werd ze duizelig, licht in haar hoofd. Ze wist voldoende kracht bij elkaar te schrapen om zichzelf op te trekken en keek verwonderd naar het uitzicht voor haar. Gwendolyn kneep haar ogen samen en tuurde in de mist. Ze vroeg zich af of het echt was, of alleen een illusie. Daar, aan de horizon, strekte zich een eindeloze kustlijn uit. In het midden lag een druk centrum met een enorme haven. Twee enorme, glimmende pilaren die tot in de hemel leken te rijzen, omlijstten de stad die erachter lag. De pilaren en de stad waren gehuld in een geelgroene tint. De wolken bewogen snel hier, merkte Gwen. Ze wist niet of het kwam doordat de lucht zo anders was in dit deel van de wereld, of doordat ze steeds opnieuw het bewustzijn verloor. In de haven van de stad lagen duizend trotse, vergulde schepen, voorzien van de langste masten die ze ooit had gezien. Dit was de meest welvarende stad die ze ooit had aanschouwd. De stad was gebouwd op de kust en leek zich tot in de oneindigheid uit te strekken. Vergeleken met dit leek het Koninklijk Hof slechts een dorp. Gwen had niet geweten dat er zoveel gebouwen op één plek konden staan. Ze vroeg zich af wat voor soort mensen hier woonden. Het moest een groot volk zijn, besefte ze. Het volk van het Rijk. Gwen voelde een knoop in haar maag terwijl ze besefte dat de stroming hen meevoerde; spoedig zouden ze die grote haven in worden gezogen. Ze zouden omsingeld worden door die schepen en gevangen worden genomen, als ze al niet gedood zouden worden. Gwen dacht aan hoe wreed Andronicus was geweest, aan hoe wreed Romulus was geweest, en ze wist dat het typerend was voor het Rijk; misschien was het beter geweest als ze op zee waren gestorven. Gwen hoorde het geschuifel van voeten over het dek, en toen ze omkeek zag ze Sandara. Ze was bleek van de honger maar stond trots bij de reling en hield een groot gouden relikwie op, in de vorm van de hoorns van een stier, en draaide het zodat het de stralen van de zon opving. Gwen zag hoe het zonlicht keer op keer werd opgevangen en een ongewoon signaal naar de kust straalde. Sandara mikte niet naar de stad, maar naar het noorden, naar wat een geïsoleerd groepje bomen aan de kust leek te zijn. Gwens oogleden voelden zwaar en ze begon het bewustzijn weer te verliezen. Ze voelde hoe ze op het dek in elkaar zakte, en er flitsen beelden door haar hoofd heen. Ze wist niet meer wat echt was en wat er veroorzaakt werd door haar uitgehongerde onderbewustzijn. Gwen zag kano’s, tientallen kano’s. Ze kwamen uit de dichte jungle tevoorschijn en voeren richting hun schip. Ze ving een glimp van hen op terwijl ze dichterbij kwamen, en was verrast om geen enorme krijgers met hoorns en een rode huid te zien, maar een ander ras. Ze zag trotse, gespierde mannen en vrouwen, met een chocoladekleurige huid en felgele ogen, met meelevende, intelligente gezichten. Gwen zag Sandara naar hen kijken, en besefte dat dit Sandara’s mensen moesten zijn. Gwen hoorde een hol bonkend lawaai op het schip. Ze zag enterhaken, touwen. Ze voelde hoe haar schip van koers veranderde. Ze keek naar beneden en zag de kano’s hun boot leiden, in de tegenovergestelde richting van de stad van het Rijk. Langzaam begon het tot Gwen door te dringen dat Sandara’s mensen waren gekomen om hen te helpen. Om hun schip naar een andere haven te leiden, weg bij de haven van het Rijk. Gwen voelde hun schip scherp naar het noorden draaien, richting het dichtbegroeide oerwoud, richting een kleine, verborgen haven. Ze sloot haar ogen en werd overspoeld door opluchting. Toen ze haar ogen weer open deed merkte ze dat ze over de reling leunde. Overspoeld door uitputting voelde Gwendolyn dat ze te ver naar voren leunde en haar grip verloor; haar ogen werden groot van paniek toen ze besefte dat ze overboord zou vallen. Gwen greep naar de reling, maar het was te laat. Ze viel al. Gwen hart ging hevig tekeer; ze kon niet geloven dat ze, na alles wat ze had doorstaan, op deze manier zou sterven. Dat ze stilletjes in zee zou vallen terwijl ze zo dicht bij land waren. Terwijl ze zichzelf voelde vallen, hoorde Gwen ineens gegrom en voelde ze hoe sterke tanden zich in de achterkant van haar shirt vastbeten. Ze hoorde een zacht gejank terwijl ze aan haar shirt naar achteren werd getrokken, weg van de peilloze diepte, terug het dek op. Ze belandde met een doffe bons op het houten dek, veilig en wel. Ze keek op en zag Krohn over haar heen gebogen staan, en haar hart zwol van vreugde. Krohn leefde nog. Hij zag er veel magerder uit dan de laatste keer dat ze hem had gezien, uitgehongerd, en ze besefte dat ze hem in de chaos uit het oog was verloren. De laatste keer dat ze hem had gezien was toen hij gedurende een bijzonder heftige storm benedendeks was gekropen. Ze besefte nu dat hij zich daar ergens verborgen moest hebben en zichzelf moest hebben uitgehongerd zodat de anderen konden eten. Dat was typisch Krohn. Altijd zo onzelfzuchtig. Maar nu ze land naderden, was hij weer tevoorschijn gekomen. Krohn jankte en likte haar gezicht, en Gwen knuffelde hem met haar laatste beetje kracht. Ze ging weer liggen, en Krohn ging naast haar liggen. Hij legde zijn kop op haar borst en kroop tegen haar aan alsof zij de enige in de wereld was. * Gwendolyn voelde een zoete, koude vloeistof op haar lippen druppelen, op haar tong, langs haar wangen en in haar nek. Ze opende haar mond en dronk. Ze slikte gretig, en de sensatie deed haar uit haar dromen ontwaken. Gwen deed haar ogen open en dronk gulzig. Ze zag onbekende gezichten boven zich, en ze dronk en dronk tot ze begon te hoesten. Iemand trok haar overeind. Ze hoestte, en iemand klopte op haar rug. “Shhhh,” klonk een stem. “Rustig drinken.” Het was een vriendelijke stem, de stem van een genezer. Gwen keek om en zag een oude man wiens gezicht samenvouwde in talloze rimpels als hij glimlachte. Gwen zag tientallen onbekende gezichten, Sandara’s mensen, die haar stilletjes aanstaarden. Ze keken naar haar alsof ze een zonderling was. Gwendolyn, overmand door dorst en honger, strekte haar arm uit en greep als een gestoorde vrouw de zak vast. Ze spoot de zoete vloeistof in haar mond en beet op de tip alsof ze nooit meer de kans zou krijgen om te drinken. “Rustig nu,” sprak de oude man. “Anders wordt u ziek.” Gwen zag dat tientallen krijgers haar schip hadden betreden. Ze zag haar eigen mensen, de overlevenden uit de Ring, liggen of knielen of zitten. Elk van hen werd verzorgd door één van Sandara’s mensen, en kreeg een zak om uit te drinken. Ze kwamen allemaal terug van het randje van de dood. Ze zag ook Illepra, die bezig was met het voeden van de baby die Gwen op de Hoge Eilanden had gered. Gwen was opgelucht toen ze de baby hoorde huilen; ze had haar aan Illepra gegeven toen ze te zwak werd om haar vast te houden, en nu ze haar weer zag moest Gwen meteen aan Guwayne denken. Gwen was vastbesloten om dit meisje in leven te houden. Gwen begon zich steeds beter te voelen. Ze ging rechtop zitten en dronk meer van de vloeistof, en vroeg zich af wat er in zat. Haar hart vulde zich met dankbaarheid voor deze mensen. Ze hadden hun levens gered. Naast Gwen klonk gejank, en toen ze naar beneden keek zag ze Krohn, die nog steeds met zijn kop in haar schoot lag; ze gaf hem te drinken uit haar zak, en hij likte het dankbaar op. Ze streelde liefdevol over zijn hoofd; ze was hem wederom haar leven verschuldigd. En zoals altijd herinnerde hij haar aan Thor. Gwen keek op naar Sandara’s mensen, en wist niet hoe ze hen moest bedanken. “Jullie hebben ons gered,” zei ze. “We zijn jullie onze levens verschuldigd.” Gwen draaide zich om naar Sandara, die naar haar toe liep en naast haar knielde, en Sandara schudde haar hoofd. “Mijn volk gelooft niet in schulden,” zei ze. “Zij geloven dat het een eer is om iemand in nood te redden.” De menigte ging uiteen en Gwen zag een ernstig kijkende man verschijnen. Hij was een jaar of vijftig, met een gezette kaak en dunne lippen. Het leek erop dat hij hun leider was. Hij hurkte voor haar. Hij droeg een grote turquoise ketting van schelpen die schitterden in de zon. Hij boog zijn hoofd, zijn gele ogen gevuld met medeleven. “Mijn naam is Bokbu,” sprak hij in een diepe, autoritaire stem. “We hebben gehoor gegeven aan Sandara’s noodroep omdat ze één van ons is. We riskeren ons leven door u binnen te laten. Als het Rijk u bij ons ziet, zullen ze ons allemaal doden.” Bokbu ging staan, zijn handen op zijn heupen. Gwen liet zich door Sandara en de genezer omhoog helpen en keek hem aan. Bokbu bekeek haar mensen, de slechte staat van haar schip, en zuchtte. “Nu ze beter zijn, moeten ze gaan,” klonk een stem. Gwen draaide zich om en zag een gespierde krijger met een speer, zonder shirt, naar Bokbu toe lopen. Hij keek hem aan met een koude blik in zijn ogen. “Stuur deze vreemdelingen terug de zee op,” voegde hij toe. “Waarom zouden we bloed voor hen vergieten?” “Ik ben jouw bloed,” zei Sandara hardvochtig. Ze stapte naar voren. “En dat is precies waarom je deze mensen hier nooit heen had moeten brengen. Je brengt ons allemaal in gevaar,” beet hij. “Je bent een schande voor ons volk,” zei Sandara. “Ben je onze wetten van gastvrijheid vergeten?” “Het is een schande dat je hen hier hebt gebracht,” wierp hij terug. Bokbu hief zijn handen, en ze zwegen. Bokbu stond daar, uitdrukkingsloos, en leek diep na te denken. Gwen besefte dat ze zich in een benarde situatie bevonden. Terug de zee op gaan, wist ze, zou hun dood betekenen; maar ze wilde ook niet de mensen die haar hadden geholpen in gevaar brengen. “We hebben geen kwade bedoelingen,” zei Gwen tegen Bokbu. “Ik wil u niet in gevaar brengen. We kunnen nu vertrekken.” Bokbu schudde zijn hoofd. “Nee,” zei hij. Hij keek Gwen verwonderd aan. “Waarom heeft u uw mensen hierheen gebracht?” vroeg hij. Gwen zuchtte. “We zijn gevlucht voor een groot leger,” zei ze. “Ze hebben ons thuisland vernietigd. We zijn hierheen gekomen om een nieuw thuis te vinden.” “U bent naar de verkeerde plek gekomen,” zei de krijger. “Dit zal niet uw thuis worden.” “Stilte!” zei Bokbu tegen hem. Hij wierp hem een strenge blik toe, en de krijger zweeg. Bokbu wendde zich weer tot Gwendolyn en keek haar aan. “U bent een trotse, nobele vrouw,” zei hij. “Ik kan zien dat u een leider bent. U heeft uw mensen goed geleid. Als ik u terug de zee op laat gaan, zullen jullie ongetwijfeld sterven. Misschien niet vandaag, maar zeker binnen een paar dagen.” Gwendolyn keek hem onverzettelijk aan. “Dan zullen we sterven,” antwoordde ze. “Ik laat uw mensen niet sterven zodat wij kunnen leven.” Ze staarde hem ferm en uitdrukkingsloos aan, aangemoedigd door haar nobelheid en trots. Ze kon zien dat Bokbu haar met een nieuw respect bekeek. Er hing een gespannen stilte. “Ik kan zien dat het bloed van een krijger door uw aderen stroomt,” zei hij. “U blijft bij ons. Uw mensen zullen hier herstellen tot ze weer zijn aangesterkt. Hoe veel manen er ook voorbij gaan.” “Maar mijn chief—” begon de krijger. Bokbu draaide zich om en wierp hem een strenge blik toe. “Mijn besluit staat vast.” “Maar hun schip!” protesteerde hij. “Als het in onze haven blijft liggen, zal het Rijk het zien. We zullen sterven voor de maan verdwenen is!” De chief keek op naar de mast, naar het schip. Gwen keek om zich heen en zag dat ze diep een verborgen haven in waren gesleept, die was omgeven door een dicht oerwoud. Ze draaide zich om en zag de open zee liggen, en ze wist dat de man gelijk had. De chief keek haar aan en knikte. “U wilt uw mensen redden?” vroeg hij. Gwen knikte ferm terug. “Ja.” Hij knikte naar haar. “Leiders moeten lastige beslissingen nemen,” zei hij. “U ook. U wilt bij ons blijven, maar uw schip zou onze dood worden. We zullen uw mensen uitnodigen, maar uw schip kan niet blijven. U zult het moeten verbranden. Daarna zullen we u toelaten.” Gwendolyn stond daar, en haar hart zonk bij de gedachte. Ze keek naar haar schip, het schip dat hen naar de andere kant van de zee had gebracht, het schip dat haar mensen had gered. Haar hoofd tolde van de tegenstrijdige emoties. Dit schip was haar enige uitweg. Maar waar naartoe? Terug naar een eindeloze oceaan des doods? Haar mensen konden nauwelijks lopen; ze moesten herstellen. Ze hadden voedsel en onderdak nodig. En als het verbranden van haar schip de prijs voor hun leven was, dan het zij zo. Als ze zouden besluiten om weer de zee op te gaan, dan zouden ze een ander schip vinden, of een ander schip bouwen. Ze zouden doen wat ze moesten doen. Nu moesten ze overleven. Dat was het belangrijkste. Gwendolyn keek hem aan en knikte plechtig. “Het zij zo,” zei ze. Bokbu knikte en keek haar vol respect aan. Toen draaide hij zich om en schreeuwde een bevel. Zijn mannen kwamen in actie. Ze verspreidden zich over het schip en hielpen alle mensen uit de Ring overeind, waarna ze hen over de plank het strand op hielpen. Gwen keek toe hoe Godfrey, Kendrick, Brandt, Atme, Aberthol, Illepra, Sandara, en alle mensen waar ze zo van hield langs haar heen liepen. Ze stond daar en wachtte tot de laatste het schip had verlaten, tot zij, met Krohn aan haar voeten, de enige was die nog over was, op de chief na. Bokbu overhandigde een brandende fakkel aan één van zijn mannen, die het schip wilde aansteken. “Nee,” zei Gwen, die hem bij zijn pols vastpakte. Hij keek haar verrast aan. “Een leider moet haar eigen schip vernietigen,” zei ze. Gwen pakte de zware, brandende fakkel voorzichtig van hem over. Ze draaide zich om, veegde een traan weg, en hield de vlam bij een canvas zeil dat op het dek lag. Gwen stond daar en keek toe hoe het zeil vlam vatte, hoe de vlammen zich steeds sneller over het schip verspreidden. De hitte was overweldigend. Ze liet de fakkel vallen en draaide zich om, Krohn en Bokbu op haar hielen. Ze liep de plank over, het strand op, naar haar nieuwe thuis, de enige plek die ze nog hadden. Terwijl ze naar het vreemde oerwoud keek en de vreemde geluiden van onbekende vogels en dieren hoorde, kon Gwen zich alleen maar afvragen: Konden ze hier hun thuis vinden? HOOFDSTUK VIJF Alistair knielde op de stenen, haar knieën trillend van de kou, en zag het eerste licht van de eerste zon over de Zuidelijke Eilanden vallen. Het hulde de bergen en de valleien in een zachte gloed. Haar handen, die geboeid waren aan de houten stokken, trilden hevig. Ze zat op handen en knieën, haar nek rustend op de plek waar zoveel anderen voor haar hun nek hadden neergelegd. Ze keek naar beneden en zag het bloed, de inkepingen in het cederhout waar de messen waren neergekomen. Terwijl haar huid het raakte, kon ze de tragische energie van het hout voelen. Ze voelde de laatste momenten, de laatste emoties van alle vermoordde mensen die hier voor haar hadden gelegen. Haar hart kromp samen van ellende. Alistair keek trots op naar de opkomende zon, en had het onwerkelijke gevoel dit haar laatste zonsopkomst zou zijn. Ze koesterde het, meer dan ze ooit had gedaan. Het was een frisse ochtend, en er waaide een zacht briesje. De Zuidelijke Eilanden waren nog mooier dan ooit. Het was de meest schitterende plek die ze ooit had gezien; bomen bloeiden in oranje en rode en roze en paarse tinten, en hingen vol vruchten. Het was een vruchtbare plek. Paarse ochtendvogels en grote, oranje bijen waren al druk in de weer, en de snoof de zoete geur van bloemen op. De mist glinsterde in het licht en gaf alles een magisch gevoel. Ze had nog nooit eerder zo’n band gevoeld met een plek; het was een land, wist ze, waar ze met plezier voor eeuwig had kunnen blijven wonen. Alistair hoorde het geschuifel van laarzen over de stenen, en ze zag Bowyer naderen. Hij boog zich over haar heen, zijn grote laarzen schrapend over de stenen. Hij had een enorme dubbele bijl in zijn hand, die losjes langs zijn zij hing, en hij keek fronsend op haar neer. Achter hem zag Alistair honderden Zuidelijke Eilanders in een cirkel om haar heen staan, allemaal mannen die trouw aan hem waren. Ze stonden een goede twintig meter bij haar vandaan, en creëerden een open plek voor haar en Bowyer. Niemand wilde te dicht in de buurt zijn wanneer het bloed werd vergoten. Bowyer hield de bijl met jeukende vingers vast. Hij verlangde er duidelijk naar om de klus te klaren. Zo kon in zijn ogen zien hoe graag hij Koning wilde zijn. Alistair haalde geruststelling uit slechts één ding: hoe onrechtvaardig dit ook was, haar offer zou Erec laten leven. Dat betekende meer voor haar dan haar eigen leven. Bowyer leunde naar voren en fluisterde naar haar, zacht genoeg zodat niemand anders het kon horen: “Ik kan je verzekeren dat je genadeslag een snelle zal zijn,” zei hij. Ze voelde zijn muffe adem in haar nek. “En die van Erec ook.” Alistair keek hem verward aan. Hij glimlachte naar haar, een kleine glimlach die alleen voor haar was gereserveerd, een glimlach die niemand anders kon zien. “Dat klopt,” fluisterde hij. “Het zal niet vandaag gebeuren; het zal wellicht de komende manen niet gebeuren. Maar op een dag, wanneer hij het het minst verwacht, zal je man mijn mes in zijn rug aantreffen. Dat wilde ik je nog vertellen, voor ik je naar de hel stuur.” Bowyer deed twee stappen naar achteren, klemde zijn vingers stevig om de schacht van de bijl, en kraakte zijn nek, klaar om haar te doden. Alistairs hart ging hevig tekeer terwijl ze daar knielde en het tot haar doordrong hoe kwaadaardig deze man was. Hij was niet alleen ambitieus, maar ook een lafaard en een leugenaar. “Laat haar gaan!” beval een stem die zich door de stille ochtend boorde. Alistair draaide haar hoofd voor zover ze kon en was geschokt en dankbaar toen ze Erecs moeder en zus zag staan, met een woeste blik in hun ogen. “Ze is onschuldig!” riep Erecs moeder uit. “Je mag haar niet doden!” “Je wil een vrouw doden!?” riep Dauphine uit. “Ze is een vreemdeling. Laat haar gaan. Stuur haar terug naar haar land. Ze hoeft niet bij onze affaires betrokken te worden.” Bowyer draaide zich naar hen om en bulderde: “Ze is een vreemdeling die onze Koningin wilde worden. Om onze voormalige Koning te vermoorden.” “Je bent een leugenaar!” riep Erecs moeder. “Je wilde niet uit de fontein van waarheid drinken!” Bowyer liet zijn blik over de menigte glijden. “Is er iemand die het waagt mij uit te dagen?” schreeuwde hij uitdagend. Alistair keek hoopvol naar de mensen; maar één voor één lieten de dappere krijgers, de meesten van Bowyers stam, hun hoofd zakken. Geen van hen leek bereid om de confrontatie met hem aan te gaan. “Ik ben jullie kampioen,” bulderde Bowyer. “Ik heb alle tegenstanders verslagen tijdens het toernooi. Er is hier niemand die me kan verslaan. Niemand. Als er wel iemand is, dan daag ik hem uit nu naar voren te stappen.” “Niemand, behalve Erec!” riep Dauphine uit. Bowyer draaide zich om en keek haar dreigend aan. “En waar is hij nu? Stervende. Wij Zuidelijke Eilanders verdienen beter dan een invalide als Koning. Ik ben je Koning. Ik ben de eerstvolgende kampioen. Volgens de wetten van dit land. Zoals mijn vaders vader Koning was voor Erecs vader.” Erecs moeder en Dauphine stormden naar voren om hem tegen te houden; maar ze werden door zijn mannen vastgegrepen en naar achteren getrokken. Alistair zag Erecs broer, Strom, met zijn polsen achter zijn rug vastgebonden; ook hij verzette zich, maar kon niet losbreken. “Hier zal je voor boeten, Bowyer!” riep Strom uit. Maar Bowyer negeerde hem. In plaats daarvan draaide hij zich om naar Alistair, en ze kon aan zijn ogen zien dat hij vastbesloten was om verder te gaan. Haar tijd was gekomen. “Tijd is gevaarlijk als verraad aan jouw kant staat,” zei Alistair tegen hem. Hij keek fronsend op haar neer; ze had duidelijk een gevoelige snaar geraakt. “En die woorden zullen je laatste zijn,” zei hij. Bowyer tilde de bijl ineens hoog boven zijn hoofd. Alistair sloot haar ogen. Ze wist dat ze over een seconde niet meer in deze wereld zou zijn. Met haar ogen gesloten voelde Alistair de tijd vertragen. Beelden flitsen aan haar voorbij. Ze zag de eerste keer dat ze Erec had ontmoet, in de Ring, in het kasteel van de Hertog, waar ze als dienstmeisje had gewerkt. Het was liefde op het eerste gezicht geweest. Ze voelde haar liefde voor hem, een liefde die ze vandaag nog steeds voor hem voelde. Het brandde in haar. Ze zag haar broer, Thorgrin, en om de één of andere reden zag ze hem niet in de Ring, in het Koninklijk Hof, maar in een ver land, op zee, verbannen uit de Ring. En ze zag haar moeder. Ze zag haar op de rand van een klif staan, voor haar kasteel, hoog boven de zee, voor een loopbrug. Ze zag hoe haar moeder haar armen uitstrekte en liefdevol naar haar glimlachte. “Mijn dochter,” zei ze. “Moeder,” zei Alistair, “ik kom naar u toe.” Maar tot haar verrassing schudde haar moeder langzaam haar hoofd. “Het is je tijd nog niet,” zei ze. “Je leven op deze aarde is nog niet voltooid. Je hebt nog een grote lotsbestemming voor je.” “Maar hoe, Moeder?” vroeg ze. “Hoe kan ik overleven?” “Je bent groter dan deze aarde,” antwoordde haar moeder. “Dat mes, dat metaal des doods, is van deze aarde. Je boeien zijn van deze aarde. Dat zijn aardse beperkingen. Maar het zijn alleen beperkingen als jij gelooft dat ze dat zijn. Jij bent een ziel en licht en energie. Dat is waar je kracht ligt. Jij staat erboven. Je laat jezelf tegenhouden door fysieke belemmeringen. Jouw probleem is niet je kracht; het is je vertrouwen. Vertrouwen in jezelf. Hoe sterk is je geloof?” Terwijl Alistair daar knielde, trillend, haar ogen gesloten, galmde haar moeders vraag door haar hoofd. Hoe sterk is je geloof? Alistair liet zich gaan. Ze vergat haar boeien, en leverde zich over aan haar geloof. Ze begon haar geloof in de fysieke belemmeringen van de wereld los te laten, en verschoof het naar de opperste kracht, de enige kracht die boven al het andere in de wereld uit steeg. Een kracht die deze wereld had gecreëerd. Een kracht die dit alles had gecreëerd. Dat was de kracht waar ze mee in lijn moest komen. Een fractie van een seconde later voelde Alistair een plotselinge warmte door haar lichaam stromen. Het voelde alsof ze in brand stond. Ze was onoverwinnelijk, groter dan alles. Ze voelde vlammen uit haar handpalmen komen, ze voelde haar geest zoemen en zwermen. Ze voelde een enorme hitte in haar voorhoofd, tussen haar ogen. Ze voelde dat ze sterker was dan alles, sterker dan haar boeien, sterker dan alle materiele dingen. Alistair deed haar ogen open, en terwijl de tijd weer begon te versnellen, keek ze op. Ze zag Bowyer de bijl op haar af brengen, een dreigende blik in zijn ogen. In één beweging draaide Alistair zich om. Ze tilde haar armen op en deze keer braken haar boeien alsof het twijgjes waren. Bliksemsnel stond ze op, richtte haar handpalm op Bowyer, en terwijl zijn bijl naar beneden kwam, gebeurde er iets ongelofelijks: de bijl loste op in het niets. Hij veranderde in as en stof en viel in een hoopje voor haar voeten. Bowyer zwaaide naar beneden, maar hij had niets meer in zijn hand. Hij struikelde en viel op zijn knieën. Alistairs aandacht werd getrokken door het zwaard van een soldaat, aan de andere kant van de open plek. Ze strekte haar andere hand uit en beval het zwaard naar haar toe te komen; op dat moment kwam het zwaard uit de schede omhoog en vloog door de lucht, recht in haar uitgestrekte hand. Alistair greep het zwaard vast, draaide om haar as, tilde het hoog op en bracht het neer op Bowyers nek. De menigte snakte naar adem bij het geluid van staal dat zich door vlees boorde. Bowyer werd onthoofd en zakte levenloos op de grond. Hij lag daar, dood, op precies dezelfde plek als waar hij Alistair enkele seconden eerder had willen doden. Er kwam een schreeuw uit de menigte, en Alistair zag Dauphine losbreken uit de greep van de soldaat. Toen griste ze zijn dolk van zijn riem en sneed ze zijn keel door. In dezelfde beweging draaide ze om haar as en sneed ze Stroms touwen door. Strom reikte onmiddellijk naar achteren, greep een zwaard van de riem van een soldaat, en doodde drie van Bowyers mannen voor ze zelf maar konden reageren. Nu Bowyer dood was, ontstond er een moment van twijfeling. De menigte wist duidelijk niet wat ze moesten doen. Er rees geschreeuw op. Zijn dood was een aanmoediging voor degenen die tegen hun wil voor hem hadden gevochten. Ze keken opnieuw naar hun alliantie, zeker nu tientallen van Erecs trouwe mannen door de rangen braken en naar Strom toe renden om met hem tegen Bowyers mannen te vechten. Al snel bleek dat Erecs mannen in het voordeel waren. Er werden allianties gevormd; Bowyers mannen werden overrompeld en vluchtten over het plateau naar de rotsachtige berghelling. Strom en zijn mannen joegen hen op. Alistair stond daar, het zwaard nog steeds in haar hand, en keek toe hoe er een grote strijd ontstond. Geschreeuw en hoorns echoden door de heuvels, en het hele eiland leek bij elkaar te komen voor het gevecht. Het geluid van kletterende wapenrustingen en de doodskreten van mannen vulden de ochtend, en Alistair wist dat er een burgeroorlog was uitgebroken. Alistair hield haar zwaard omhoog, glinsterend in de zon, en wist dat ze was gered door de gratie van God. Ze voelde zich herboren, machtiger dan ooit tevoren. Haar lotsbestemming riep haar. Ze zwol van optimisme. Bowyers mannen zouden gedood worden, wist ze. Het recht zou geschieden. Erec zou herstellen. Ze zouden trouwen. En spoedig zou zij Koningin van de Zuidelijke Eilanden zijn. HOOFDSTUK ZES Darius rende over het zandpad dat zijn dorp uit leidde en volgde de voetsporen richting Volusia, vastberaden om Loti te redden en de mannen die haar hadden meegenomen te vermoorden. Hij rende met een zwaard in zijn hand—een echt zwaard, gemaakt van echt metaal—het was de eerste keer in zijn leven dat hij echt metaal in zijn handen had. Dat alleen, wist hij, zou genoeg zijn om hem en zijn hele dorp te vermoorden. Staal was taboe—zelfs zijn vader en zijn vaders vader vreesden het bezit ervan—en Darius wist dat hij een grens had overschreden en dat er geen weg terug was. Maar het kon Darius niet meer schelen. Er was teveel onrechtvaardigheid geweest. Nu Loti weg was, was haar terughalen het enige waar hij nog aan kon denken. Hij had nauwelijks de kans gehad om haar te leren kennen, en toch had hij het gevoel alsof zij zijn hele leven was. Hij kon haar niet loslaten en zichzelf nog steeds als een man beschouwen. Hij was een jongen, wist hij, maar hij werd een man. En het waren deze beslissingen, besefte hij, deze lastige beslissingen die niemand anders bereid was te nemen, die iemand tot een man maakten. Darius stormde over de weg. Het zweet liep in zijn ogen en hij hijgde. Eén man om de confrontatie aan te gaan met een leger, met een stad. Er was geen alternatief. Hij moest Loti vinden en haar terughalen, of hij zou sterven terwijl hij het probeerde. Hij wist dat als hij zou falen—maar ook als het hem zou lukken—er ernstige gevolgen zouden zijn voor zijn dorp, zijn familie, zijn volk. Als hij daar nu over na zou denken, zou hij misschien zelfs omdraaien. Maar hij werd gedreven door iets dat sterker was dan zijn eigen zelfbehoud en dat van zijn familie en zijn mensen. Hij werd gedreven door een verlangen naar rechtvaardigheid. Naar vrijheid. Door een verlangen om zijn onderdrukker te verslaan en vrij te zijn, al was het maar voor even. Als het dan niet voor hem zelf was, dan wel voor Loti. Voor haar vrijheid. Darius werd gedreven door passie, niet door logische gedachten. Het ging om de liefde van zijn leven, en hij had al teveel geleden onder het regime van het Rijk. Wat de consequenties ook zouden zijn, het kon hem niets meer schelen. Hij moest hen laten zien dat er een man was, zelfs al was het maar één man, zelfs al was het maar een jongen, die hun behandeling niet tolereerde. Darius rende en rende. Hij baande zich een weg langs de bekende velden, het Volusiaanse territorium in. Hij wist dat als hij hier gevonden zou worden, zo dicht bij Volusia, het zijn dood zou betekenen. Hij volgde de sporen en verdubbelde zijn snelheid. Hij zag de afdrukken van de zerta’s dicht bij elkaar liggen, en wist dat ze langzaam bewogen. Als hij maar snel genoeg rende, wist hij, dan kon hij ze inhalen. Snakkend naar adem bereikte Darius de top van een heuvel, en eindelijk zag hij in de verte waar hij naar op zoek was: daar, misschien honderd meter verderop, stond Loti. Ze had een dikke ijzeren boei om haar nek waar een lange ketting aan vast zat, een goede zes meter lang, die was vastgebonden aan het harnas van een zerta. Op de rug van de zerta reed de slavenmeester van het Rijk, degene die haar had meegenomen, en aan zijn zijde liepen nog twee soldaten van het Rijk, gekleed in de dikke zwarte en gouden wapenrusting van het Rijk, glinsterend in de zon. Ze waren bijna twee keer zo groot als Darius. Het waren formidabele krijgers, mannen met de beste wapens en zerta’s tot hun beschikking. Darius wist dat er een leger van slaven voor nodig was om deze mannen te verslaan. Maar Darius liet zich niet weerhouden door zijn angst. Het enige dat hem op de been hield was de kracht van zijn geest en zijn woeste vastberadenheid, en hij wist dat hij een manier moest vinden om te zorgen dat dat genoeg zou zijn. Darius rende en rende en naderde de nietsvermoedende karavaan van achteren. Al snel had hij hen ingehaald. Hij naderde Loti van achteren, hief zijn zwaard, en terwijl ze zich verschrikt naar hem omdraaide hakte hij de ketting die haar aan de zerta verbond door. Loti gaf een gil en sprong geschrokken naar achteren terwijl Darius haar bevrijdde en het distinctieve geluid van metaal door de lucht sneed. Loti stond daar, vrij, de boei nog steeds om haar nek, de ketting bungelend voor haar borst. Darius draaide zich om en zag dezelfde verbijsterde blik op het gezicht van de slavenmeester, die vanaf de zerta op hem neerkeek. De soldaten die naast hem liepen hielden halt, stomverbaasd bij het zien van Darius. Darius stond daar met trillende armen tussen de mannen en Loti in en hield zijn stalen zwaard voor zich uit. Hij was vastberaden om geen angst te laten zien. “Ze is niet van jullie,” riep Darius met trillende stem. “Ze is een vrije vrouw. We zijn allemaal vrij!” De soldaten keken op naar de slavenmeester. “Jongen,” riep hij naar Darius, “je hebt zojuist de grootste fout van je leven gemaakt.” Hij knikte naar zijn soldaten, en zij trokken hun zwaarden en vielen Darius aan. Darius bleef staan en hield zijn zwaard met trillende handen vast. Hij voelde zijn voorouders op zich neerkijken. Hij voelde alle slaven die ooit waren gedood op zich neerkijken. Hij voelde hun steun. En hij voelde een enorme hitte in zich opwellen. Darius voelde dat zijn verborgen kracht diep van binnen zat, en dat het geroepen wilde worden. Maar hij liet het niet toe. Hij wilde man tegen man de confrontatie met hen aan gaan. Hij wilde hen verslaan zoals elke man zou doen, en zijn training gebruiken. Hij wilde winnen als een man, vechten als een man met echte metalen wapens, en hen op hun eigen terrein verslaan. Hij was altijd al sneller geweest dan de ouder jongens met hun lange houten zwaarden en gespierde lichamen, zelfs sneller dan jongens die twee keer zo groot waren als hij. Hij zette zich schrap. “Loti!” riep hij uit zonder zich om te draaien. “REN! Ga terug naar het dorp!” “NEE!” riep ze terug. Darius wist dat hij iets moest doen; hij kon daar niet blijven staan en wachten tot ze bij hem waren. Hij wist dat hij hen moest verrassen, dat hij iets moest doen dat ze niet zouden verwachten. Ineens viel Darius aan. Hij koos één van de twee soldaten en stormde recht op hem af. Ze troffen elkaar in het midden van de open plek, en Darius gaf een luide strijdkreet. De soldaat haalde met zijn zwaard uit naar Darius’ hoofd, maar Darius tilde zijn zwaard op en blokkeerde de aanval. De vonken spatten er van af. Het was de eerste impact van metaal tegen metaal die Darius ooit had gevoeld. Het mes was zwaarder dan hij had gedacht, de aanval van de soldaat sterker, en hij voelde een hevige vibratie. Zijn hele arm trilde, en het ging door zijn elleboog heen, door zijn schouder. Het overrompelde hem. De soldaat zwaaide snel rond in een poging Darius in zijn zij te raken, en Darius draaide om zijn as en blokkeerde. Dit voelde niet als sparren met zijn broeders; Darius voelde dat hij langzamer bewoog dan anders, omdat het zwaard zo zwaar was. Hij moest er nog aan wennen. Het voelde alsof de andere soldaat twee keer zo snel bewoog als hij. De soldaat haalde weer uit, en Darius besefte dat hij niet al zijn aanvallen kon blijven blokkeren; hij moest zijn andere vaardigheden aanspreken. Darius stapte opzij en ontweek de aanval in plaats van hem de blokkeren, en gooide toen zijn elleboog in de keel van de soldaat. Hij raakte hem perfect. De man kokhalsde en struikelde naar achteren. Hij klapte voorover en greep naar zijn keel. Darius beukte hem met de achterkant van zijn zwaard tegen zijn ontblote rug, waardoor de soldaat met zijn gezicht naar beneden op de grond viel. Op dat moment viel de andere soldaat aan. Darius draaide om zijn as, hief zijn zwaard en blokkeerde een krachtige aanval naar zijn gezicht. Maar de soldaat bleef aanvallen, en hij dreef Darius terug en tegen de grond. Darius voelde hoe zijn ribbenkast werd samengeperst terwijl de soldaat in een grote stofwolk boven op hem belandde. De soldaat liet zijn zwaard vallen en probeerde Darius’ ogen uit te steken met zijn vingers. Darius greep zijn polsen vast en hield zijn handen met trillende handen tegen, maar hij was niet sterk genoeg. Hij wist dat hij snel iets moest doen. Darius tilde een knie op en draaide, waardoor hij erin slaagde om de man op zijn zij te krijgen. In dezelfde beweging reikte Darius naar beneden en haalde de lange dolk uit de riem van de man—tilde hem hoog op en dreef hem, terwijl ze over de grond rolden, in de borst van de man. De soldaat schreeuwde het uit. Darius lag daar boven op hem, en zag hem sterven. Hij lag daar, verstijfd, geschokt. Het was de eerste keer dat hij een man had gedood. Het was een onwerkelijke ervaring. Hij voelde zich overwinnend en verdrietig tegelijk. Darius werd opgeschrikt door een schreeuw, en toen hij zich omdraaide zag hij de andere soldaat, degene die hij bewusteloos had geslagen, op hem af stormen. Hij hief zijn zwaard en haalde uit naar Darius’ hoofd. Darius wachtte en concentreerde zich, en dook op het laatste moment weg; de soldaat struikelde langs hem heen. Darius reikte naar beneden en trok de dolk uit de borst van de dode man. Hij draaide om zijn as, en terwijl de soldaat omdraaide en weer aanviel, leunde Darius op zijn knieën en wierp hij de dolk. Hij keek toe hoe het mes door de lucht zeilde en zich uiteindelijk in het hart van de soldaat boorde, dwars door zijn wapenrusting heen. Het staal van het Rijk, ongeëvenaard, tegen hen zelf gebruikt. Misschien, dacht Darius, hadden ze hun wapens wat minder scherp moeten maken. De soldaat zakte met uitpuilende ogen op zijn knieën en viel opzij, dood. Darius hoorde een luide kreet achter zich en sprong overeind. Hij zag de slavenmeester van zijn zerta springen. Hij trok zijn zwaard en stormde met een luide schreeuw op Darius af. “Nu zal ik je zelf moeten doden,” zei hij. “Maar ik zal je niet alleen doden. Ik zal jou en je familie en je hele dorp langzaam martelen!” Hij viel Darius aan. Deze slavenmeester van het Rijk was duidelijk een betere soldaat dan de anderen, langer en breder, met betere wapens. Hij was een geharde krijger, de beste krijger waar Darius ooit tegen had gevochten. Darius moest toegeven dat hij angst voelde voor deze formidabele tegenstander—maar hij weigerde het te laten zien. Hij was vastbesloten om door zijn angst heen te vechten en zich niet te laten intimideren. Hij was niet meer dan een man, zei Darius tegen zichzelf. En alle mannen konden vallen. Alle mannen kunnen vallen. Darius hief zijn zwaard met beide handen terwijl de slavenmeester op hem afstormde. Hij zwaaide hem rond, en hij flitste in het licht. Darius bewoog en blokkeerde; de man haalde weer uit. Links en rechts, links en rechts. De soldaat viel aan en Darius blokkeerde, het luide gekletter van metaal in zijn oren. De vonken vlogen alle kanten op. De man dreef hem naar achteren, steeds verder en verder, en het kostte Darius al zijn kracht om de aanvallen te blokkeren. De man was sterk en snel, en Darius had de grootste moeite om in leven te blijven. Darius blokkeerde één aanval net iets te langzaam, en hij schreeuwde het uit van de pijn toen de slavenmeester een opening vond en zijn biceps openhaalde. Het was een oppervlakkige wond, maar wel een pijnlijke. Darius voelde het bloed, zijn eerste wond in de strijd, en hij was verbijsterd. Het was een fout. De slavenmeester maakte gebruik van zijn twijfeling, en gaf hem een klap in zijn gezicht met zijn handschoen. Darius voelde een hevige pijn in zijn wang en kaak toen het metaal zijn gezicht ontmoette, en terwijl de klap hem een paar meter naar achteren deed struikelen, maakte Darius een mentale notitie om tijdens de strijd nooit meer naar een wond te kijken. Terwijl Darius het bloed op zijn lippen proefde, werd hij overspoeld door een enorme woede. De slavenmeester, die weer op hem af stormde, was groot en sterk. Maar deze keer, met de pijn in zijn wang en zijn bloed op zijn tong, liet Darius daar zich niet door intimideren. De eerste aanvallen van het gevecht waren geschied, en Darius besefte dat hoe pijnlijk zijn verwondingen ook waren, ze niet ernstig waren. Hij stond nog steeds, hij ademde nog, hij leefde nog. En dat betekende dat hij nog steeds kon vechten. Hij kon aanvallen incasseren, en hij kon doorgaan. Gewond raken was niet zo erg als hij had gevreesd. Hij mocht dan kleiner zijn, minder ervaren, maar het begon tot hem door te dringen dat zijn vaardigheden net zo scherp waren als die van ieder ander—en ze konden net zo dodelijk zijn. Darius gaf een luide kreet en dook naar voren. Deze keer omarmde hij de strijd in plaats van hem te ontwijken. Hij was niet langer bang om gewond te raken. Darius hief zijn zwaard met een schreeuw en haalde uit naar zijn tegenstander. De man blokkeerde zijn aanval, maar Darius gaf niet op. Hij bleef aanvallen en wist de slavenmeester, ondanks zijn formaat en kracht, naar achteren te drijven. Darius vocht voor zijn leven, voor Loti, voor zijn mensen, zijn strijdbroeders. Hij vocht sneller dan hij ooit had gedaan en liet zich niet langer vertragen door het gewicht van het staal. Eindelijk vond hij een opening. De slavenmeester schreeuwde het uit van de pijn toen Darius hem in zijn zij raakte. Hij draaide zich om en keek Darius eerst verrast aan. Toen verscheen er een wraakzuchtige in zijn ogen. Hij krijste als een gewond dier en viel Darius aan. De slavenmeester gooide zijn zwaard neer, stormde naar voren, en omhelsde Darius als een beer. Hij tilde Darius van de grond af en drukte hem zo hard tegen zich aan dat Darius zijn zwaard liet vallen. Het gebeurde allemaal zo snel en het was zo’n onverwachte actie dat Darius niet op tijd kon reageren. Hij had verwacht dat zijn tegenstander zijn zwaard zou gebruiken, niet zijn vuisten. Darius, die kreunend boven de grond bungelde, had het gevoel dat alle botten in zijn lichaam zouden breken. Hij schreeuwde het uit van de pijn. De slavenmeester kneep nog harder, zo hard dat Darius zeker wist dat hij zou sterven. Toen leunde hij naar achteren en beukte zijn voorhoofd tegen Darius’ neus aan. Darius voelde het bloed eruit gutsen. Er schoot een afschuwelijke pijn door zijn gezicht en ogen. Het stak en verblindde hem. Het was een actie die hij niet had zien aankomen, en terwijl de slavenmeester naar achteren leunde om hem nog een kopstoot te geven, wist Darius zeker dat hij gedood zou worden. Het geluid van kettingen sneed door de lucht, en ineens puilden de ogen van de slavenmeester uit hun kassen. Hij verloste zijn greep op Darius. Darius keek snakkend naar adem op, verward, en vroeg zich af waarom hij had los gelaten. Toen zag hij Loti. Ze stond achter de slavenmeester en wikkelde haar ketting om zijn nek heen. Toen begon ze met al haar macht aan de ketting te trekken. Darius struikelde naar achteren en probeerde weer op adem te komen. Hij zag de slavenmeester een paar meter naar achteren struikelen, waarna hij over zijn schouder reikte, Loti vastgreep en haar over zijn hoofd gooide. Loti belandde met een schreeuw op haar rug, op de harde grond. De slavenmeester liep naar voren, tilde zijn been op en Darius zag dat hij op het punt stond haar gezicht te verpletteren. De slavenmeester stond een goede drie meter bij hem vandaan, de ver voor Darius om hem op tijd te bereiken. “NEE!” schreeuwde Darius. Darius dacht snel na: hij bukte zich, greep zijn zwaard, stapte naar voren, en wierp hem. Het zwaard vloog door de lucht, en Darius stond aan de grond genageld en keek toe hoe de punt de wapenrusting van de slavenmeester doorboorde, en dwars door zijn hart ging. Zijn ogen puilden uit en Darius zag hem struikelen en op zijn knieën vallen, en toen op zijn gezicht. Loti krabbelde snel overeind, en Darius rende naar haar toe. Hij legde een geruststellende hand over haar schouder, dankbaar, zo opgelucht dat ze in orde was. Ineens sneed er een scherp gefluit door de lucht; Darius draaide zich om en zag de slavenmeester, die op de grond lag, zijn hand naar zijn mond brengen en een laatste keer fluiten, voor hij stierf. De stilte werd verbrijzeld door een afschuwelijk gebrul. De grond beefde. Darius keek om en werd overspoeld door angst toen hij de zerta recht op hen af zag denderden. Het dier stormde woedend op hen af en bracht zijn scherpe hoorns naar beneden. Darius en Loti wisselden een blik uit, wetend dat ze geen kant op konden. Binnen enkele momenten, wist Darius, zouden ze er geweest zijn. Darius keek om zich heen en dacht snel na. Naast hen zag hij de steile berghelling, die was bezaaid met stenen en rotsen. Darius strekte zijn arm uit en drapeerde zijn andere arm om Loti heen en trok haar dicht tegen zich aan. Darius wilde liever niet zijn kracht gebruiken, maar hij wist dat hij nu geen keus had als hij wilde blijven leven. Darius voelde een ongelofelijke hitte door zich heen stromen, een kracht die hij nauwelijks kon bedwingen, en hij zag een licht uit zijn open handpalm schieten, de steile helling op. Er volgde een gerommel, eerst geleidelijk, toen steeds luider en luider, en Darius zag dat er rotsen van de berghelling naar beneden kwamen rollen. De zerta werd bedolven onder een lawine van rotsen, vlak voordat hij hen bereikte. Er ontstond een enorme stofwolk, een luid kabaal, en toen werd alles stil. Darius stond daar, en er was niets dan de stilte en het stof, wervelend in de zon. Hij kon nauwelijks bevatten wat hij zojuist had gedaan. Hij draaide zich om en zag Loti hem met angst in haar ogen aankijken, en hij wist dat alles was veranderd. Zijn geheim was nu geen geheim meer. En nu was er geen weg terug. HOOFDSTUK ZEVEN Thor zat rechtop op de rand van hun kleine boot, zijn benen gekruist, zijn handen rustend op zijn dijen, met zijn rug naar de anderen toe. Hij staarde naar de koude, wrede zee. Zijn ogen waren rood van het huilen, en hij wilde niet dat de anderen hem zou zouden zien. Zijn tranen waren al lang geleden opgedroogd, maar zijn ogen waren nog gezwollen terwijl hij naar de zee staarde en zich verbijsterde over de mysteries van het leven. Hoe kon hem een zoon geschonken zijn, alleen om hem weer ontnomen te worden? Hoe kon iemand waar hij zo veel van hield verdwijnen, weggehaald worden zonder waarschuwing en zonder een kans om terug te keren? Het leven, dacht Thor, was te meedogenloos, te wreed. Waar was de gerechtigheid? Waarom kon zijn zoon niet naar hem teruggebracht worden? Thor zou alles geven—alles—hij zou door het vuur lopen, een miljoen keer sterven—om Guwayne terug te krijgen. Thor sloot zijn ogen en schudde zijn hoofd terwijl hij het beeld van de brandende vulkaan, het lege wiegje en de vlammen uit zijn gedachten probeerde te zetten. Hij probeerde niet te denken aan het idee dat zijn zoon zo’n pijnlijke dood was gestorven. Zijn hart brandde van woede, maar bovenal van verdriet. En van schaamte. Hij schaamde zich voor het feit dat hij zijn kleine jongen niet eerder had gevonden. Thor voelde een knoop in zijn maag terwijl hij zich voorstelde hoe hij Gwendolyn het nieuws zou vertellen. Ze zou hem nooit meer in de ogen kijken. En ze zou nooit meer dezelfde zijn. Het was alsof Thorgins hele leven hem ontnomen was. Hij wist niet hoe hij zijn leven weer kon oppakken, hoe hij zichzelf bij elkaar kon schrapen. Hoe kon iemand nu een ander doel in het leven vinden? Thor hoorde voetstappen en voelde de aanwezigheid van iemand naast zich terwijl het dek kraakte. Hij keek om en was verrast toen hij Conven naast zich zag plaatsnemen. Hij staarde naar de zee. Thor had het gevoel alsof hij al eeuwen niet met Conven had gepraat, niet sinds de dood van zijn tweelingbroer. Hij verwelkomde hem. Terwijl Thor hem bekeek en het verdriet in zijn ogen zag, kreeg hij voor het eerst het gevoel dat hij het begreep. Hij begreep het echt. Conven zei niets. Dat hoefde ook niet. Zijn aanwezigheid was genoeg. Hij zat naast hem en deelde zijn sympathie, broeders in de rouw. Ze zaten een lange tijd in stilte. Er was niets te horen behalve het geluid van de wind en de golven die zachtjes tegen de boot aan klotsten. Hun kleine boot dreef op de eindeloze zee, hun zoektocht om Guwayne te vinden en te redden van hen afgenomen. Uiteindelijk sprak Conven: “Er gaat geen dag voorbij dat ik niet aan Conval denk,” zei hij op sombere toon. Ze zwegen een lange tijd. Thor wilde antwoorden, maar de woorden bleven in zijn keel steken. Uiteindelijk voegde Conven toe: “Ik rouw voor jou voor Guwayne. Ik zou hem graag hebben zien opgroeien tot een geweldige krijger, net als zijn vader. Ik weet dat hij dat geworden zou zijn. Het leven kan tragisch en wreed zijn. Het kan ons iets geven, alleen om het weer weg te nemen. Ik wou dat ik je kon vertellen dat ik mijn verdriet te boven ben—maar dat is niet zo.” Thor keek hem aan, en Convens wrede eerlijkheid gaf hem op de één of andere manier een gevoel van vrede. “Wat houdt je op de been?” vroeg Thor. Conven staarde een lange tijd naar het water, en zuchtte toen. “Ik denk dat dat is wat Conval gewild zou hebben,” zei hij. “Hij zou gewild hebben dat ik bleef leven. Dus ik ga door. Ik doe het voor hem. Niet voor mezelf. Soms leven we een leven voor anderen. Soms geven we niet genoeg om onszelf om voor onszelf te leven, dus leven we voor hen. Maar ik begin te beseffen dat dat soms genoeg moet zijn.” Thor dacht aan Guwayne, nu dood, en hij vroeg zich af wat zijn zoon gewild zou hebben. Natuurlijk zou hij gewild hebben dat Thor bleef leven, dat hij voor zijn moeder, Gwendolyn, zou zorgen. Thor wist dat. Maar het was lastig te bevatten. Conven schraapte zijn keel. “We leven voor onze ouders,” zei hij. “Voor onze broers en zussen. Voor onze vrouwen en zoons en dochters. We leven voor anderen. En soms, wanneer het leven zo hard voor je is geweest dat je voor jezelf niet meer wil door gaan, moet dat genoeg zijn.” “Daar ben ik het niet mee eens,” klonk een stem. Thor keek om en zag Matus naar hen toe lopen, die bij hen ging zitten. Matus keek uit over de zee, een ernstige, trotse blik in zijn ogen. “Ik geloof dat er nog iets anders is waar we voor leven,” voegde hij toe. “En wat is dat?” vroeg Conven. “Geloof.” Matus zuchtte. “Mijn mensen, van de Hoge Eilanden, zij bidden tot de vier goden van de rotskusten. Ze bidden tot de goden van het water en de wind en de lucht en de rotsen. Die goden hebben mijn gebeden nooit verhoord. Ik bid tot de god van de Ring.” Thor keek hem verrast aan. “Ik heb nooit iemand van de Hoge Eilanden gekend die het geloof van de Ring deelde,” zei Conven. Matus knikte. “Ik ben anders dan mijn mensen,” zei hij. “Dat ben ik altijd al geweest. Ik wilde bij de kloosterorde gaan toen ik jong was, maar mijn vader wilde er niets van weten. Hij stond erop dat ik ging vechten, net als mijn broers.” Hij zuchtte. “Ik geloof dat we leven voor ons geloof, niet voor anderen,” voegde hij toe. “Dat is wat ons op de been houdt. Als ons geloof sterk genoeg is, echt sterk genoeg, dan kan er alles gebeuren. Zelfs een wonder.” “En zou het mijn zoon naar me terug kunnen brengen?” vroeg Thor. Matus knikte naar hem, onwrikbaar, en Thor zag de zekerheid in zijn ogen. “Ja,” antwoorde Matus vlak. “Alles.” “Je liegt,” zei Conven verontwaardigd. “Je geeft hem valse hoop.” “Dat doe ik niet,” kaatste Matus terug. “Zeg je dat geloof mijn dode broer bij me terug kan brengen,” vroeg Conven kwaad. Matus zuchtte. “Ik zeg dat alle tragedie een geschenk is,” zei hij. “Een geschenk?” vroeg Thor vol afschuw. “Zeg je dat het verlies van mijn zoon een geschenk is?” Matus knikte zelfverzekerd naar hem. “Je hebt een geschenk gekregen, hoe tragisch dat ook klinkt. Je kunt niet weten wat het is. Misschien duurt het nog heel lang voor je erachter komt. Maar op een zag zal je het weten.” Thor draaide zich om en staarde verward naar het water. Was dit allemaal een beproeving? vroeg hij zich af. Was het één van de beproevingen waar zijn moeder het over had gehad? Kon geloof alleen zijn zoon terugbrengen? Hij wilde het geloven. Hij wilde het echt. Maar hij wist niet of zijn geloof sterk genoeg was. Toen zijn moeder het over beproevingen had gehad, had Thor zeker geweten dat hij alles aan kon dat op zijn weg zou komen; maar nu, nu hij zich zo voelde, wist hij niet of hij sterk genoeg was om door te gaan. De boot schommelde op de golven, en ineens keerde het tij. Thor voelde hun kleine boot draaien en van koers veranderen. Hij schrok op uit zijn gedachten en wierp een blik over zijn schouder, terwijl hij zich afvroeg wat er aan de hand was. Reece, Elden, Indra en O’Connor roeiden met een verwarde blik in hun ogen. Hun kleine zeil wapperde wild in de wind. “Het Noordelijk Getij,” zei Matus. Hij ging staan, zette zijn handen op zijn heupen en bestudeerde het water. Hij schudde zijn hoofd. “Dat is niet best.” “Wat is er aan de hand?” vroeg Indra. “We kunnen de boot niet meer onder controle houden.” “Ze komen soms langs bij de Hoge Eilanden,” legde Matus uit. “Ik heb ze zelf nooit gezien, maar ik heb erover gehoord, zeker zo ver naar het noorden. Het is een muistroom. Zodra je erin komt te zitten, neemt het je mee waar het wil. Het maakt niet uit hoe hard je roeit of stuurt.” Thor keek naar beneden en zag het water onder hen twee keer zo snel voorbij razen. Hij keek voor zich uit en zag dat ze een nieuwe, lege horizon tegemoet voeren. Paarse en witte wolken bekleedden de lucht, schitterend en onheilspellend tegelijk. “Maar we varen nu naar het oosten,” zei Reece, “en we moeten naar het westen. Al onze mensen zijn in het westen. Het Rijk is in het westen.” Matus haalde zijn schouders op. “We gaan naar waar het tij ons brengt.” Thor keek verwonderd en gefrustreerd voor zich uit. Hij besefte dat hij elk moment verder bij Gwendolyn, verder van hun mensen vandaan werd gebracht. “En waar stopt het?” vroeg O’Connor. Matius haalde zijn schouders op. “Ik ken alleen de Hoge Eilanden,” zei hij. “Ik ben nog nooit zo ver naar het noorden geweest. Ik weet niets over wat er voorbij de Hoge Eilanden ligt.” “Het eindigt wel,” zei Reece ineens op duistere toon. Iedereen draaide zich naar hem om. Reece keek hen ernstig aan. “Ik heb geleerd over de getijden, toen ik nog jong was. In het eeuwenoude boek van Koningen hadden we kaarten van de hele wereld. Het Noordelijk Getij leidt naar de oostelijke rand van de wereld.” “De oostelijke rand?” zei Elden. Er klonk bezorgdheid in zijn stem. “Dan zouden we dus aan de andere kant van de wereld terechtkomen.” Reece haalde zijn schouders op. “De boeken waren eeuwen oud, en ik was nog jong. Het enige dat ik me nog echt kan herinneren is dat het getij een portaal naar het Land van de Doden was.” Thor keek Reece verwonderd aan. “Oude wijven verhalen en sprookjes,” zei O’Connor. “Er is geen portaal naar het Land van Doden. Het is eeuwen geleden afgesloten, voor onze vaders voet op de aarde zetten.” Reece haalde zijn schouders op, en ze zwegen. Iedereen staarde weer naar het water. Thor keek naar de snelle stroming, en vroeg zich af: Waar in de wereld werden ze heen gebracht? * Thor zat alleen op de rand van de boot en staarde naar het water, zoals hij al uren had gedaan. koude spetters spatten in zijn gezicht, maar hij voelde het nauwelijks. Thor wilde iets doen, zeilen hijsen, roeien—wat dan ook—maar er was niets dat ze nu konden doen. Het Noordelijk Getij zou hen brengen naar waar het wilde, en ze konden alleen maar machteloos toekijken hoe hun boot door de stroming werd meegevoerd. Ze waren aan het lot overgeleverd. Terwijl Thor daar zat en zich afvroeg waar de zee zou eindigen, voelde hij hoe hij het niets in dreef, gevoelloos door de kou en de wind, verdwalend in de eentonigheid van de diepe stilte die over hen heen hing. De zeevogels die eerst nog boven hen hadden gecirkeld waren al lang geleden verdwenen, en terwijl de hemel steeds donkerder en donkerder werd, kreeg Thor het gevoel dat ze het niets in zeilden, naar het einde van de wereld. Pas uren later, toen het laatste licht van de dag over hen heen viel, zat Thor ineens iets aan de horizon. Eerst wist hij zeker dat het een illusie was; maar toen de stroming sterker begon te worden, werd de vorm duidelijker. Het was echt. Voor het eerst in uren ging Thor rechtop zitten. Toen ging hij staan. Hij stond daar, de boot schommelend onder zijn voeten, zijn handen op zijn heupen. “Is het echt?” klonk een stem. Thor keek om en zag Reece naar hem toe lopen. Elden, Indra en de rest voegden zich bij hen en staarden verwonderd in de verte. “Een eiland?” vroeg O’Connor zich hardop af. “Het ziet eruit als een grot,” zei Matus. Terwijl ze naderden, kon Thor de omtrek onderscheiden, en hij zag dat het inderdaad een grot was. Het was een enorme grot, een uitstulping van rotsen die uit de zee omhoog rees, hier, ten midden van een wrede, eindeloze oceaan, tientallen meters hoog, de opening gevormd in een grote welving. Het zag eruit als een gigantische mond, klaar om de wereld te verzwelgen. En de stroming voerde hen boot er recht op af. Thor staarde er verwonderd naar, en hij wist dat het slechts één ding kon zijn: de ingang naar het Land van de Doden. HOOFDSTUK ACHT Darius liep langzaam over het zandpad, Loti aan zijn zijde, en de spanning van hun stilte was te snijden. Geen van beiden had een woord gezegd sinds hun confrontatie met de slavenmeester en zijn mannen. Er wervelden een miljoen gedachten door Darius’ hoofd terwijl hij naast haar liep en haar terug naar hun dorp vergezelde. Darius wilde een arm om haar heen leggen en haar vertellen hoe dankbaar hij was dat ze nog leefde, dat ze hem had gered net zoals hij haar had gered, hoe vastbesloten hij was om haar nooit meer uit het oog te verliezen. Hij wilde vreugde en opluchting in haar ogen zien, hij wilde haar horen zeggen hoeveel het voor haar betekende dat hij zijn leven voor haar geriskeerd had—of in elk geval dat ze blij was hem te zien. Maar er hing een diepe, ongemakkelijke stilte, en Loti zei niets. Ze wilde hem niet eens aankijken. Ze had geen woord tegen hem gezegd sinds hij de lawine had veroorzaakt, had zijn blik vermeden. Darius hart ging hevig tekeer terwijl hij zich afvroeg wat ze dacht. Ze had gezien hoe hij zijn kracht had gebruikt, ze had de lawine gezien. Ze had hem een angstige blik toegeworpen, en sindsdien niet meer naar hem gekeken. Misschien, dacht Darius, had hij volgens haar het heilige taboe op het gebruiken van magie gebroken, hetgeen waar de mensen meer op neerkeken dan op wat dan ook. Misschien was ze bang voor hem; of erger, misschien hield ze niet meer van hem. Misschien zag ze hem wel als een freak. Darius voelde zijn hart breken terwijl ze langzaam terug liepen naar het dorp, en hij vroeg zich af waar het allemaal goed voor was geweest. Hij had zijn leven geriskeerd om een meisje te redden dat niet meer van hem hield. Hij zou er alles voor over hebben om haar gedachten te kunnen lezen, alles. Maar ze wilde niet eens praten. Was ze nog in shock? Darius wilde iets tegen haar zeggen, iets om de stilte te verbreken. Maar hij wist niet waar hij moest beginnen. Hij had gedacht dat hij haar kende, maar nu wist hij dat niet zo zeker meer. Een deel van hem was verontwaardigd, te trots om zijn mond open te doen na haar reactie. Maar een ander deel van hem schaamde zich. Hij wist wat zijn mensen vonden van het gebruik van magie. Was zijn magie echt zo verschrikkelijk? Zelfs als hij haar leven had gered? Zou ze het de anderen vertellen? Als de dorpelingen erachter kwamen, wist hij, zouden ze hem zeker verbannen. Ze liepen en liepen, en uiteindelijk kon Darius het niet meer verdragen; hij moest iets zeggen. “Ik weet zeker dat je familie blij zal zijn als je weer veilig terug bent,” zei Darius. Tot zijn teleurstelling maakte Loti niet van de gelegenheid gebruik om hem aan te kijken; ze bleef uitdrukkingsloos voor zich uit staren. Zwijgend liepen ze verder. Eindelijk, na een lange stilte, schudde ze haar hoofd. “Misschien,” zei ze. “Maar ik denk dat ze vooral bezorgd zullen zijn. Ons hele dorp zal bezorgd zijn.” “Wat bedoel je?” vroeg Darius. “Je hebt een slavenmeester gedood. Wij hebben een slavenmeester gedood. Het hele Rijk zal naar ons op zoek gaan. Ze zullen ons dorp verwoesten. Onze mensen doden. We hebben een afschuwelijke, zelfzuchtige daad verricht.” “Afschuwelijke daad? Ik heb je leven gered!” zei Darius verbitterd. Ze haalde haar schouders op. “Mijn leven is niet meer waard van de levens van al onze mensen.” Darius was ziedend. Hij wist niet wat hij moest zeggen. Hij begon te beseffen dat Loti een moeilijk meisje was, lastig te begrijpen. Ze was geïndoctrineerd met de stugge gedachten van haar ouders, van hun volk. “Dus je haat me,” zei hij. “Je haat me omdat ik je gered heb.” Ze weigerde hem aan te kijken en liep verder. “Ik heb jou ook gered,” antwoordde ze trots. “Weet je dat niet meer?” Darius liep rood aan; hij begreep haar niet. Ze was te trots. “Ik haat je niet,” voegde ze uiteindelijk toe. “Maar ik heb gezien hoe je het hebt gedaan. Ik heb gezien wat je hebt gedaan.” Darius trilde van binnen. Hij was gekwetst door haar woorden. Ze klonken als een beschuldiging. Het was niet eerlijk, zeker niet omdat hij net haar leven had gered. “En waarom is dat zo afschuwelijk?” vroeg hij. “Wat voor kracht het ook was die ik gebruikt heb?” Loti gaf geen antwoord. “Ik ben wie ik ben,” zei Darius. “Ik ben zo geboren. Ik heb er niet om gevraagd. Ik begrijp het zelf ook niet helemaal. Ik weet niet wanneer het komt of wanneer het verdwijnt. Ik weet niet of ik ooit nog in staat zal zijn om het te gebruiken. Ik wilde het niet gebruiken. Het was alsof… het mij gebruikte.” Loti bleef naar beneden kijken. Ze gaf geen antwoord en ze bleef zijn blik ontwijken, en Darius voelde spijt. Had hij een fout gemaakt door haar te redden? Moest hij zich schamen voor wie hij was? “Zou je liever dood zijn dan dat ik had gebruikt…wat het ook is dat ik heb gebruikt?” vroeg Darius. Loti gaf geen antwoord, en Darius begon steeds meer spijt te krijgen. “Praat er met niemand over,” zei ze. “We moeten nooit praten over wat er vandaag is gebeurd. We zullen allebei verbannen worden.” Ze gingen een bocht om en hun dorp kwam in het zicht. Ze liepen over de hoofdweg en werden gespot door dorpelingen, die begonnen te juichen. Er ontstond commotie terwijl honderden opgewonden dorpelingen zich om Loti en Darius heen verzamelden. Loti’s moeder, vergezeld door haar vader en twee van haar broers, lange mannen met brede schouders, kort haar en trotse kaken, braken door de menigte heen. Ze keken op Darius neer. Naast hen stond Loti’s derde broer. Hij was kleiner dan de anderen en liep mank. “Mijn liefde,” zei Loti’s moeder. Ze stormde door de menigte heen en omhelsde haar dochter stevig. Darius bleef onzeker op de achtergrond. “Wat is er met je gebeurd?” wilde haar moeder weten. “Ik dacht dat het Rijk je had meegenomen. Hoe ben je ontsnapt?” De dorpelingen werden stil, en alle ogen richtten zich op Darius. Hij stond daar, niet wetend wat hij moest zeggen. Hij had het gevoel dat dit een moment van vreugde moest zijn, een moment waarop hij trots kon zijn op wat hij had gedaan, een moment waarop hij als een held onthaald zou moeten worden. Tenslotte was hij de enige die het lef had gehad om achter Loti aan te gaan. Maar het was een moment van verwarring voor hem. En misschien zelfs van schaamte. Loti keek hem veelbetekenend aan, alsof ze hem wilde waarschuwen hun geheim niet te onthullen. “Er is niets gebeurd, Moeder,” zei Loti. “Het Rijk is van gedachten veranderd. Ze hebben me laten gaan.” “Je laten gaan?” herhaalde ze verbijsterd. Loti knikte. “Ze hebben me hier ver vandaan vrijgelaten. Ik verdwaalde in de bossen, en Darius heeft me gevonden. Hij heeft me teruggebracht.” De dorpelingen keken sceptisch van Darius naar Loti. Darius voelde dat ze hen niet geloofden. “En wat is dat op je gezicht?” vroeg haar vader. Hij liep naar voren en wreef met zijn duim over haar gezicht. Hij draaide haar hoofd om het beter te kunnen bekijken. Darius keek en zag een grote blauwe plek. Loti keek onzeker naar haar vader op. “Ik…ben gestruikeld,” zei ze. “Over een boomwortel. Zoals ik al zei, ik ben in orde,” hield ze vol. Alle ogen richtten zich op Darius, en Bokbu, de chief, liep naar voren. “Darius, is dit waar?” vroeg hij op sombere toon. “Je hebt haar vredig thuisgebracht? Je hebt geen confrontatie met het Rijk gehad?” Darius stond daar. Zijn hart ging tekeer en hij voelde honderden ogen naar hem staren. Hij wist dat als hij over hun confrontatie zou vertellen, als hij hen zou vertellen wat hij had gedaan, ze allemaal voor de vergelding zouden vrezen. En hij zou niet kunnen verklaren hoe hij hen had gedood zonder over zijn magie te spreken. Hij zou verbannen worden, en Loti ook—en hij wilde geen paniek zaaien. Darius wilde niet liegen. Maar hij wist niet wat hij anders moest doen. Dus Darius knikte slechts zwijgend naar de dorpsoudsten. Laat ze dat maar interpreteren zoals ze willen, dacht hij. Langzaam verscheen er opluchting in de ogen van de mensen. Ze draaiden zich naar Loti om. Toen deed één van haar broers een stap naar voren en legde een arm om haar heen. “Ze is veilig!” riep hij uit. “Dat is het enige dat er toe doet!” Er rees een luid gejuich op. De spanning was gebroken, en Loti werd omhelsd door haar familie en de anderen. Darius stond daar en keek toe. Hij kreeg een paar halfslachtige schouderklopjes terwijl Loti door haar familie het dorp in werd geleid. Hij keek haar na, wachtend, hopend dat ze zich zou omdraaien om naar hem te kijken. Al was het maar één keer. Maar zijn hart brak terwijl hij haar in de menigte zag verdwijnen, zonder ook maar één keer achterom te kijken. HOOFDSTUK NEGEN Volusia stond trots op haar in de zon glinsterende gouden vaartuig, terwijl ze langzaam over de waterwegen van Volusia voer, haar armen uitgestrekt, zwelgend in de vleierij van haar mensen. Ze stroomden met duizenden tegelijk naar de rand van de waterwegen, zwermden door de straten en stegen en schreeuwden haar naam. Terwijl ze over de smalle waterwegen dreef die door de stad kronkelden, kon Volusia haar mensen bijna aanraken. Ze riepen haar naam en schreeuwden vleiend naar haar terwijl ze gescheurde stukjes van perkamentrollen in alle kleuren omhoog gooiden. Ze glinsterden in het licht terwijl ze op haar neer regenden. Het was hun manier om een terugkerende heldin te verwelkomen. “Lang leve Volusia! Lang leve Volusia!” klonk het in koor. Het echode door de stegen terwijl ze de massa passeerde. De waterwegen voeren haar dwars door haar magnifieke stad, langs de met goud versierde straten en gebouwen. Volusia leunde naar achteren en nam alles in zich op, dolblij dat ze Romulus had verslagen, dat ze de Opperbevelhebber van het Rijk had afgeslacht en zijn contingent van soldaten had vermoord. Haar mensen waren één met haar, en ze voelden zich aangemoedigd als zij zich aangemoedigd voelde. Ze had zich nog nooit zo sterk gevoeld—niet sinds de dag dat ze haar moeder had vermoord. Volusia keek op naar haar geweldige stad, naar de twee torenhoge pilaren, goud en groen glimmend in de zon; ze bekeek de eindeloze eeuwenoude gebouwen, gebouwd ten tijde van haar voorouders, honderden jaren oud, versleten. De glimmende, onberispelijke straten waren gevuld met duizenden mensen en er stonden soldaten op elke hoek. De waterwegen baanden zich in perfecte hoeken een weg door de stad en verbonden alles met elkaar. Er waren smalle loopbruggen waar paarden met gouden koetsen overheen liepen, mensen gekleed in hun beste zijde en juwelen. Vandaag was uitgeroepen tot een feestdag, en alle mensen waren naar buiten gekomen om haar te begroeten en haar naam te roepen op deze heilige dag. Ze was meer dan een leider voor hen—ze was een godin. Het was zelfs nog veelbelovender dat deze dag samenviel met een festival, de Dag van Lichten, de dag waarop ze bogen voor de zeven goden van de zon. Als leider van de stad was Volusia altijd degene die de festiviteiten initieerde, en terwijl ze door de stad voer brandden er twee immens grote gouden fakkels achter haar, feller dan de dag, klaar om de Grote Fontein te ontsteken. Alle mensen haastten zich over de straten om haar te volgen, de boot achterna; ze wist dat ze haar de hele weg zouden vergezellen, tot aan het midden van de zes cirkels van de stad, waar ze van boord zou gaan en ter ere van de feestdag en de offers de fonteinen zou aansteken. Het was een glorieuze dag voor haar stad en haar mensen, een dag om de veertien goden te prijzen, de goden waarvan men geloofde dat ze de veertien ingangen van de stad tegen indringers beschermden. Haar mensen baden tot de goden, en ook vandaag was er, net als op alle dagen, veel om dankbaar voor te zijn. Dit jaar was er een verrassing voor haar volk: Volusia had een vijftiende god toegevoegd. Het was voor het eerst in eeuwen, voor het eerst sinds de oprichting van de stad, dat er een god bijkwam. En die god was zij zelf. Volusia had een torenhoog gouden standbeeld van zichzelf laten bouwen, in het midden van de zeven cirkels, en ze had deze dag laten uitroepen tot haar naamdag, haar feestdag. Zodra het bekend zou worden gemaakt, zouden al haar mensen zien dat zij, Volusia, meer was dan haar moeder, meer dan een leider, meer dan een sterveling. Ze was een godin die het verdiende om elke dag aanbeden te worden. Ze zouden bidden en voor haar buigen, net als voor de andere goden—en deden ze dat niet, dan zou hun bloed vloeien. Volusia glimlachte terwijl haar boot haar naar het stadscentrum bracht. Ze kon nauwelijks wachten om hun gezichten te zien, om hen haar te zien aanbidden net als de andere veertien goden. Ze wisten het nog niet, maar op een dag zou ze alle andere goden vernietigen, één voor één, tot alleen zij nog over was. Opgewonden wierp Volusia een blik over haar schouder. Ze zag een eindeloze reeks voertuigen volgen, beladen met levende stieren en geiten en rammen, luidruchtig in de zon, allemaal ter voorbereiding van de offerande voor de goden. Ze zou de grootste en beste voor haar eigen standbeeld slachten. Eindelijk bereikte Volusia’s boot de open waterweg naar de zeven gouden cirkels, de ene nog breder dan de ander, brede gouden pleinen die werden verdeeld door ringen van water. Haar boot voer langzaam door de cirkels, steeds dichter naar het midden. Ze passeerde elk van de veertien goden, haar hart bonzend van opwinding. Elke god torende hoog boven haar uit, elk standbeeld glimmend goud, zes meter hoog. In het midden van dit alles, op het plein dat altijd leeg werd gehouden voor offers en congregaties, stond nu een nieuw gebouwd gouden voetstuk, met daar boven op een vijftien meter hoge structuur, bedekt door een wit zijden doek. Volusia glimlachte: alleen zij wist wat er onder dat doek zat. Ze bereikten het middelste plein. Volusia ging van boord, en haar bediendes haastten zich naar voren om haar naar beneden te helpen. Ze keek toe hoe er een ander voertuig naar voren werd gebracht, en de grootste stier die ze ooit had gezien werd uitgeladen. Hij werd door een tiental van haar mannen naar haar toe geleid. Elk van hen hield een dik touw in zijn handen en leidde het beest voorzichtig naar voren. Deze stier was bijzonder, afkomstig uit de Lage Provincies: zes meter hoog, met een felrode huid. Hij was het toonbeeld van kracht. Hij was ook gevuld met woede. Hij verzette zich, maar de mannen hielden hem op zijn plek terwijl ze hem naar haar standbeeld brachten. Volusia hoorde het geluid van een zwaard dat werd getrokken. Ze draaide zich om en zag Aksan, haar persoonlijke huurmoordenaar, naast haar staan en het ceremoniële zwaard voor zich uit houden. Aksan was de meest loyale man die ze ooit had ontmoet, bereid om iedereen te doden met niet meer dan een knikje van haar. Ze mocht hem ook omdat hij sadistisch was, en hij had haar respect al vele malen verdiend. Hij was ook één van de weinigen die ze dicht bij zich toe liet. Aksan staarde haar aan. Hij had een verzonken, door de pokken getekend gezicht, zijn hoorns zichtbaar achter zijn dikke, krullende haar. Volusia strekte haar arm en nam het lange, gouden ceremoniële zwaard van hem aan. Het mes was twee meter lang, en ze hield het heft met beide handen vast. Er viel een stilte over haar mensen terwijl ze het zwaard hoog hief, en het met al haar kracht op de nek van de stier af bracht. Het mes, zo scherp als maar kon en zo dun als perkament, ging er dwars door heen en Volusia grijnsde bij het bevredigende geluid van het zwaard dat zich door het vlees heen boorde. Ze voelde hoe het zwaard er helemaal door heen ging en voelde het hete bloed in haar gezicht spatten. Het gutste uit te wond en er ontstond een enorme plas bloed rond haar voeten. De stier struikelde, onthoofd, en viel voor het voetstuk van haar nog steeds bedekte standbeeld. Het bloed spatte over de zijden doek en bevlekte het, en haar mensen begonnen te juichen. “Een goed voorteken, mijn vrouwe,” zei Aksan terwijl hij naar haar toe leunde. De ceremonie was begonnen. Overal om haar heen werd op trompetten geblazen, en er werden honderden dieren naar voren gebracht. Haar officiers begonnen met het slachten. Het zou een lange dag worden met slachten en verkrachten en voedsel schransen en wijn drinken—en dan zouden ze het nog een dag herhalen, en dan nog een dag. Volusia zou ervoor zorgen dat ze erbij kon zijn. Ze zou wat mannen en wijn voor zichzelf nemen, en ze zou hun kelen doorsnijden als offer aan haar idolen. Ze keek uit naar een lange dag van sadisme en beestachtigheid. Maar eerst moest ze nog iets doen. De menigte werd stil terwijl Volusia het voetstuk onderaan haar standbeeld betrad en zich omdraaide naar haar mensen. Aan haar andere kant stond Koolian, één van haar andere vertrouwde adviseurs, een duistere tovenaar gekleed in een zwarte mantel en kap, met lichtgevende groene ogen en een gezicht vol wratten. Hij was degene die haar had geholpen bij de moord van haar moeder. Het was Koolian die haar had geadviseerd om dit standbeeld van haarzelf te bouwen. De mensen staarden naar haar, en het was zo stil dat je een speld kon horen vallen. Ze wachtte, genietend van het drama van het moment. “Geweldige mensen van Volusia!” bulderde ze. “Ik presenteer jullie het standbeeld van jullie nieuwste en meest geweldige god!” Met verve trok Volusia het zijden doek omlaag, en de menigte snakte naar adem. “Jullie nieuwe godin, de vijftiende godin, Volusia!” bulderde Koolian naar de mensen. De mensen fluisterden vol ontzag en keken verwonderd naar het standbeeld op. Volusia keek op naar het glimmende gouden standbeeld, twee keer zo hoog als de andere standbeelden, een perfect model van haar. Ze wachtte nerveus om te zien hoe haar mensen zouden reageren. Het was eeuwen geleden sinds iemand een nieuwe god had geïntroduceerd, en ze gokte dat hun liefde voor haar net zo sterk was als het moest zijn. Ze moesten niet alleen van haar houden; ze moesten haar aanbidden. Tot haar grote bevrediging lieten haar mensen zich als één vallen en bogen ze diep om haar te aanbidden. “Volusia,” zongen ze. “Volusia. Volusia.” Volusia stond daar, haar armen wijd. Ze haalde diep adem, en liet alles over zich heen komen. Het was genoeg lof om elke sterveling te bevredigen. Elke leider. Elke god. Maar het was nog steeds niet genoeg voor haar. * Volusia liep door de brede, gewelfde entree naar haar kasteel, langs marmeren zuilen van dertig meter hoog, langs perfect rechtop staande wachters, soldaten van het Rijk, bewapend met gouden speren, door de hallen opgesteld zover als het oog reikte. Ze liep langzaam, de gouden hakken van haar laarzen klikkend op de vloer. Ze werd vergezeld door Koolian, haar tovenaar, Aksan, haar moordenaar, en Soku, de commandant van haar leger. “Mijn vrouwe, als ik heel even met u zou kunnen praten,” zei Soku. Hij probeerde al de hele dag met haar te praten, en ze had hem genegeerd. Ze was niet geïnteresseerd in zijn angsten, in zijn fixatie op de realiteit. Ze had haar eigen realiteit, en ze zou hem aanspreken wanneer het haar uitkwam. Volusia liep verder tot ze de entree naar een andere hal bereikte, deze bezaaid met lange stroken van smaragdgroene kralen. Onmiddellijk haastten zich een paar soldaten naar voren die de stroken opzij trokken om een doorgang voor haar te creëren. Terwijl ze naar binnen liep, begon al het gezang en gejuich van de heilige ceremonies buiten te vervagen. Ze had een lange dag gehad van slachten en drinken en verkrachten en eten, en Volusia wilde wat tijd voor zichzelf. Ze zou zich opladen, en vervolgens teruggaan voor de tweede ronde. Volusia ging de deftige kamers binnen, duister en zwaar, verlicht door slechts enkele fakkels. De ruimte werd nog het meest verlicht door de enkele schacht van groen licht die naar beneden viel door de oculus hoog boven in het dertig meter hoge plafond, recht op een enkel object in het midden van de kamer. De smaragdgroene speer. Volusia liep er vol ontzag naar toe. De speer lag daar, zoals hij daar al eeuwen had gelegen, recht in het licht. De smaragdgroene schacht en smaragdgroene speerpunt glinsterden in het licht, en de punt wees recht naar de hemel, alsof ze de goden uitdaagde. Het was altijd al een heilig object voor haar mensen geweest, een object waarvan ze geloofden dat het de hele stad in stand hield. Ze stond ervoor en zag de stofjes wervelen in het groene licht. “Mijn vrouwe,” zei Soku zachtjes, zijn stem echoënd in de stilte. “Mag ik spreken?” Volusia stond een lange tijd met haar rug naar hem toe en bestudeerde de speer. Ze bewonderde het vakmanschap, zoals ze elke dag van haar leven deed. Toen was ze eindelijk klaar om de woorden van haar adviseur aan te horen. “Dat mag,” zei ze. “Mijn vrouwe,” zei hij, “u heeft de heerser van het Rijk gedood. Het nieuws heeft zich ongetwijfeld al verspreid. Er zullen al legers onderweg zijn naar Volusia. Enorme legers, groter dan we aan kunnen. We moeten ons voorbereiden. Wat is uw strategie?” “Strategie?” vroeg Volusia geïrriteerd. Ze keek hem nog steeds niet aan. “Hoe wilt u de vrede onderhandelen?” drong hij aan. “Hoe wilt u zich overgeven?” Ze draaide zich om en keek hem aan met een koude blik in haar ogen. “Er zal geen vrede zijn,” zei ze. “Tot ik hun overgave en hun eed van trouw aan mij accepteer.” Hij keek haar aan, angst in zijn ogen. “Maar mijn vrouwe, ze zijn met honderd tegen één in de meerderheid,” zei hij. “We kunnen ons nooit tegen hen verdedigen.” Ze draaide zich weer om naar de speer, en hij stapte wanhopig naar voren. “Mijn Keizerin,” drong hij aan. “U heeft een opmerkelijke overwinning behaald in het toe-eigenen van uw moeders troon. Zij was niet door iedereen geliefd, en u wel. Ze aanbidden u. Geen van hen zal eerlijk tegen u spreken. Maar ik wel. U omgeeft uzelf met mensen die u vertellen wat u wilt horen. Mensen die u vrezen. Maar ik zal u de waarheid vertellen, de realiteit van onze situatie. Het Rijk zal ons omsingelen. En we zullen verpletterd worden. Er zal niets overblijven van ons, van onze stad. U moet actie ondernemen. U moet een wapenstilstand onderhandelen. Betalen wat ze maar willen. Voor ze ons allemaal doden.” Volusia glimlachte terwijl ze de speer bestudeerde. “Weet je wat ze zeiden over mijn moeder?” vroeg ze. Soku stond daar en keek haar botweg aan. Hij schudde zijn hoofd. “Ze zeiden dat ze de Uitverkorene was. Ze zeiden dat ze nooit verslagen zou worden. Ze zeiden dat ze nooit zou sterven. Weet je waarom? Omdat in zes eeuwen tijd, niemand deze speer kon optillen. En toen kwam zij, en ze tilde hem met één hand op. En ze gebruikte hem om haar vader te doden en zijn troon in te nemen.” Volusia draaide zich naar hem om, en haar ogen lichtten op. “Ze zeiden dat de speer slechts één keer gehanteerd kon worden. Door de Uitverkorene. Ze zeiden dat mijn moeder duizend eeuwen zou leven, dat de troon van Volusia voor eeuwig van haar zou zijn. En weet je wat er gebeurde? Ik tilde de speer zelf op—en ik gebruikte hem om mijn moeder te doden.” Ze haalde diep adem. “Wat zegt dat u, Heer Commandant?” Hij keek haar verward aan en schudde zijn hoofd. “We kunnen leven in de schaduw van de legendes van anderen,” zei Volusia, “of we kunnen onze eigen legendes creëren.” Ze leunde naar voren en keek hem dreigend aan. “Als ik het hele Rijk heb vernietigd,” zei ze, “als iedereen in dit universum voor me buigt, als er geen levende ziel meer is die mijn naam niet kent en schreeuwt en huilt, dan zul je weten dat ik de enige en de enige ware leider ben—en dat ik de enige en de enige ware god ben. Ik ben de Uitverkorene. Omdat ik mezelf heb gekozen.” HOOFDSTUK TIEN Gwendolyn liep door het dorp, vergezeld door haar broers Kendrick en Godfrey en door Sandara, Aberthol, Brandt en Atme. Ze werd gevolgd door honderden van haar mensen terwijl ze werden verwelkomd. Ze werden geleid door Bokbu, de chief, en Gwen liep naast hem, gevuld met dankbaarheid. Zijn mensen hadden hen geaccepteerd, hadden hen een veilige haven geboden, en de chief had dit gedaan op eigen risico, tegen de wil van sommige van mijn mensen in. Hij had hen allemaal gered en hen teruggebracht uit de dood. Gwen wist niet wat ze anders hadden moeten doen. Zonder hen zouden ze nu waarschijnlijk dood op zee zijn. Gwen werd ook overspoeld door dankbaarheid voor Sandara, die voor hen bij haar mensen had gepleit, en die zo slim was geweest om hen allemaal hier heen te brengen. Gwen keek om zich heen terwijl de dorpelingen zich om hen heen verzamelden en hen bekeken alsof ze rariteiten waren. Ze voelde zich als een tentoongesteld dier. Gwen zag de kleine, pittoreske kleien huisjes, en ze zag een trots volk, een natie van krijgers met vriendelijke ogen. Ze hadden duidelijk nog nooit mensen als Gwen en haar volk gezien. En hoewel ze nieuwsgierig waren, waren ze ook gereserveerd. Gwen kon het hen niet kwalijk nemen. Een leven van slavernij had hen voorzichtig gemaakt. Gwen merkte op dat er overal vreugdevuren werden aangestoken. “Waarom al die vuren?” vroeg ze. “U arriveert op een veelbelovende dag,” zei Bokbu. “Het is ons festival van de doden. Een heilige nacht voor ons, die slechts één keer in een zonnecyclus plaats vindt. We steken vuren aan om de goden van de dood te eren, en men zegt dat de goden ons deze nacht zullen bezoeken en ons zullen vertellen wat er gaat komen.” “Men zegt ook dat onze redder op deze zag zal arriveren,” viel iemand bij. Gwendolyn keek op en zag een oudere man van een jaar of zeventig, lang, dun, met sombere ogen, naar hen toe lopen. Hij droeg een lange gele staf en had een gele mantel aan. “Mag ik u voorstellen aan Kalo,” zei Bokbu. “Ons orakel.” Gwen knikte, en hij knikte uitdrukkingsloos terug. “Uw dorp is schitterend,” merkte Gwen op. “Ik kan hier de familieliefde zien.” Конец ознакомительного фрагмента. Текст предоставлен ООО «ЛитРес». Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/pages/biblio_book/?art=43694599&lfrom=334617187) на ЛитРес. Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.
КУПИТЬ И СКАЧАТЬ ЗА: 399.00 руб.