Сетевая библиотекаСетевая библиотека
Heerser, Rivaal, Banneling Morgan Rice Over Kronen en Glorie #7 Morgan Rice komt wederom met wat een briljante nieuwe serie belooft te zijn. We worden verzwolgen door een fantasie over moed, eer, magie en geloof in je lotsbestemming. Morgan is er weer in geslaagd om sterke personages neer te zetten, voor wie we op elke pagina juichen… Aanbevolen voor de permanente bibliotheek van iedereen die houdt van een goed geschreven fantasy novel. Books and Movie Reviews, Roberto Mattos (over De Opkomst van de Draken) HEERSER, RIVAAL, BANNELING is book #7 in Morgan Rice’ bestverkopende epische fantasy serie OVER KRONEN EN GLORIE, die begint met SLAAF, KRIJGER, KONINGIN (Boek #1) . Nu Delos in puin ligt, zetten Ceres, Thanos en de anderen koers naar de laatste vrije uithoek in het Rijk: het eiland Haylon. Daar hopen ze zich met de laatste vrijheidsstrijders te verenigen, zodat ze het eiland kunnen versterken en een spectaculaire verdediging op kunnen zetten tegen de hordes uit Felldust. Spoedig beseft Ceres dat als ze een kans willen hebben om het eiland te verdedigen, ze meer nodig zal hebben dan gewone vaardigheden: ze zal de spreuk van de tovenaar moeten verbreken en de kracht van de Ouden moeten herwinnen. Om dit te bereiken moet ze alleen de rivier van bloed afvaren, naar de donkerste grot, een plek waar leven noch dood bestaat, en waar ze eerder dood dan levend uit zal komen. Ondertussen is de Eerste Steen Irrien vastberaden om Stephania als zijn slavin te houden en Delos te onderdrukken. Maar de andere Stenen van Felldust lijken andere plannen te hebben. HEERSER, RIVAAL, BANNELING vertelt een episch verhaal over tragische liefde, wraak, verraad, ambitie en lotsbestemming. Onvergetelijke personages en bloedstollende actie nemen ons mee naar een wereld die we nooit meer zullen vergeten, en die ons weer opnieuw verliefd laat worden op fantasy. Een fantasy vol actie, die ongetwijfeld fans van Morgan Rice’s voorgaande novels zal bekoren, evenals fans van werken zoals THE INHERITANCE CYCLE van Christopher Paolini… Fans van Young Adult fictie zullen dit meest recente werk van Rice verslinden en smeken om meer. The Wanderer, A Literary Journal (over De Opkomst van de Draken) Boek #8 in OVER KRONEN EN GLORIE zal binnenkort verschijnen! HEERSER, RIVAAL, BANNELING (OVER KRONEN EN GLORIE--BOEK 7) MORGAN RICE Morgan Rice Morgan Rice is de #1 bestverkopende en USA Today bestverkopende auteur van de epische fantasy serie DE TOVENAARSRING, die bestaat uit zeventien boeken; van de #1 bestverkopende serie DE VAMPIERVERSLAGEN, die bestaat uit twaalf boeken; van de #1 bestverkopende serie DE SURVIVAL TRILOGIE, een post-apocalyptische actiethriller bestaande uit drie boeken; van de epische fantasy serie KONINGEN EN TOVENAARS, die bestaat uit zes boeken; van de nieuwe epische fantasy serie OVER KRONEN EN GLORIE, die bestaat uit acht boeken; van de nieuwe epische fantasy serie EEN TROON VOOR ZUSTERS, die momenteel bestaat uit vijf boeken; en van de nieuwe science fiction serie DE INVASIE KRONIEKEN. Morgans boeken zijn verkrijgbaar in audio en print edities, en vertalingen van de boeken zijn verkrijgbaar in meer dan 25 talen. Morgan hoort graag van je, dus breng gerust een bezoekje aan www.morganricebooks.com (http://www.morganricebooks.com) om je in te schrijven voor de nieuwsbrief, een gratis boek te ontvangen, gratis giveaways te ontvangen, de gratis app te downloaden, op de hoogte te blijven van het laatste nieuws, en via Facebook en Twitter in contact te blijven! Geselecteerde bijvalsbetuigingen voor Morgan Rice “Als je dacht dat er geen reden meer was om te leven na het einde van DE TOVENAARSRING serie, dan had je het mis. Met DE OPKOMST VAN DE DRAKEN komt Morgan Rice wederom met wat een briljante nieuwe serie belooft te zijn. We worden verzwolgen door een fantasie over trollen en draken, moed, eer, magie en geloof in je lotsbestemming. Morgan is er weer in geslaagd om sterke personages neer te zetten, voor wie we op elke pagina juichen… Aanbevolen voor de permanente bibliotheek van iedereen die houdt van een goed geschreven fantasy novel.” --Books and Movie Reviews, Roberto Mattos “Een fantasy vol actie, die ongetwijfeld fans van Morgan Rice’s voorgaande novels zal bekoren, evenals fans van werken zoals THE INHERITANCE CYCLE van Christopher Paolini… Fans van Young Adult fictie zullen dit meest recente werk van Rice verslinden en smeken om meer.” --The Wanderer, A Literary Journal (over De Opkomst van de Draken) “Een fantasy waarbij elementen van mysterie en intriges in de verhaallijn zijn verweven. Een Zoektocht van Helden draait om moed en om het besef dat een levensdoel leidt tot groei, volwassenheid, en excellentie… Voor degenen die op zoek zijn naar stevige fantasy avonturen bieden de protagonisten en de actie een krachtige verzamelingen ontmoetingen die zich richten op Thors evolutie van een dromerig kind naar een jonge volwassene, met onmogelijke overlevingskansen… Het begin van een veelbelovende epische tienerserie.” --Midwest Book Review (D. Donovan, eBook Reviewer) “DE TOVENAARSRING heeft alle ingrediënten voor direct succes: samenzweringen, intriges, mysterie, dappere ridders en opbloeiende relaties, compleet met gebroken harten, bedrog en verraad. Het zal je urenlang boeien, en is geschikt voor alle leeftijden. Aanbevolen voor de permanente collectie van alle liefhebbers van fantasy.” --Books and Movie Reviews, Roberto Mattos “In dit met actie gevulde eerste boek uit de epische Tovenaarsring serie (die nu 14 boeken bevat), stelt Rice de lezers voor aan de 14-jarige Thorgrin “Thor” McLeod, die ervan droomt om zich aan te sluiten bij de krijgsmacht van de Zilveren, de elite ridders die de koning dienen… Rice schrijft goed en de premisse is intrigerend.” --Publishers Weekly Boeken door Morgan Rice DE INVASIE KRONIEKEN TRANSMISSIE (Boek #1) AANKOMST (Boek #2) DE WEG VAN STAAL ALLEEN DE WAARDIGE (Boek #1) EEN TROON VOOR ZUSTERS EEN TROON VOOR ZUSTERS (Boek #1) EEN HOF VOOR DIEVEN (Boek #2) EEN LIED VOOR WEZEN (Boek #3) OVER KRONEN EN GLORIE SLAAF, KRIJGER, KONINGIN (Boek #1) REBEL, GEVANGENE, PRINSES (Boek #2) RIDDER, ERFGENAAM, PRINS (Boek #3) OPSTANDELING, PION, KONING (Boek #4) SOLDAAT, BROEDER, TOVENAAR (Boek #5) HELD, VERRADER, DOCHTER (Boek #6) HEERSER, RIVAAL, BANNELING (Boek #7) OVERWINNAAR, VERLIEZER, ZOON (Boek #8) KONINGEN EN TOVENAARS DE OPKOMST VAN DE DRAKEN (Boek #1) DE OPKOMST VAN DE HELDHAFTIGE (Boek #2) DE ZWAARTE VAN EER (Boek #3) EEN SMIDSVUUR VAN MOED (Boek #4) EEN RIJK VAN SCHADUWEN (Boek#5) NACHT VAN DE DAPPEREN (Boek #6) DE TOVENAARSRING EEN ZOEKTOCHT VAN HELDEN (Boek #1) EEN MARS VAN KONINGEN (Boek #2) EEN LOT VAN DRAKEN (Boek #3) EEN SCHREEUW VAN EER (Boek #4) EEN GELOFTE VAN GLORIE (Boek #5) EEN AANVAL VAN MOED (Boek #6) EEN RITE VAN ZWAARDEN (Boek #7) EEN GIFT VAN WAPENS (Boek #8) EEN HEMEL VAN SPREUKEN (Boek #9) EEN ZEE VAN SCHILDEN (Boek #10) EEN BEWIND VAN STAAL (Boek #11) EEN LAND VAN VUUR (Boek #12) EEN HEERSCHAPPIJ VAN KONINGINNEN (Boek #13) EEN EED VAN BROEDERS (Boek #14) EEN DROOM VAN STERVELINGEN (Boek #15) EEN TOERNOOI VAN RIDDERS (Boek #16) DE GAVE VAN STRIJD (Boek #17) DE SURVIVAL TRILOGIE ARENA ÉÉN: SLAVENDRIJVERS (Boek #1) ARENA TWEE (Boek #2) ARENA DRIE (Boek #3) VAMPIER, GEVALLEN VOOR ZONSOPKOMST (Boek #1) DE VAMPIERVERSLAGEN VERANDERD (Boek #1) GELIEFD (Boek #2) VERRADEN (Boek #3) VOORBESTEMD (Boek #4) BEGEERD (Boek #5) VERLOOFD (Boek #6) GEZWOREN (Boek #7) GEVONDEN (Boek #8) Wil jij ook gratis boeken? Schrijf je in voor de e-mail lijst van Morgan Rice en ontvang 4 gratis boeken, 3 gratis kaarten, 1 gratis app, 1 gratis game, 1 gratis graphic novel, en exclusieve giveaways! Om je in te schrijven ga je naar: www.morganricebooks.com (http://www.morganricebooks.com) Copyright © 2017 door Morgan Rice. Alle rechten voorbehouden. Behalve zoals toegestaan onder de V.S. Copyright Act van 1976, mag geen enkel deel van deze publicatie worden gereproduceerd, gedistribueerd of overgedragen worden, in wat voor vorm dan ook, of worden opgeslagen in een database of zoeksysteem, zonder de voorafgaande toestemming van de auteur. Dit ebook is uitsluitend voor jou persoonlijk bedoeld. Dit ebook mag niet doorverkocht worden of weggeven worden aan andere mensen. Als je dit boek met iemand anders wil delen, schaf dan alsjeblieft een extra exemplaar aan voor elke ontvanger. Als je dit boek leest en je hebt het niet aangeschaft, of het is niet voor jouw gebruik aangeschaft, geef het dan terug en schaf je eigen exemplaar aan. Bedankt voor het respecteren van het harde werk van deze auteur. Dit is een werk van fictie. Namen, personages, bedrijven, organisaties, plaatsen, evenementen en incidenten zijn een product van de fantasie van de auteur of zijn fictief gebruikt. Enige overeenkomst met echte personen, levend of dood, is geheel toevallig. Omslagafbeelding Copyright Leafsomen, gebruikt onder licentie van istock.com. INHOUD HOOFDSTUK EEN (#u8786ec79-49a6-5043-a891-2c7a7db87f4b) HOOFDSTUK TWEE (#u6cad95da-2915-5809-8514-a60b5824b80a) HOOFDSTUK DRIE (#ub23554b4-a183-59c5-9b7c-d0d654e71e8f) HOOFDSTUK VIER (#u8bc59023-9d66-5f3a-a893-941060d9a8e6) HOOFDSTUK VIJF (#u40cb984b-d9c5-556e-948f-4d31289ded81) HOOFDSTUK ZES (#u010864ac-afc8-5e6f-9052-201464b4a840) HOOFDSTUK ZEVEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ACHT (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK NEGEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ELF (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TWAALF (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK DERTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VEERTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIJFTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZESTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZEVENTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ACHTTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK NEGENTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK EENENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TWEEËNTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK DRIEËNTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIERENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIJFENTWINTIG (#litres_trial_promo) Opgedragen ter nagedachtenis aan Rebekah Barrett. Een geweldige, liefdevolle ziel, wiens leven op deze aarde veel te kort was—en een ware vechter in haar eigen recht. Moge God je ziel vrede gunnen, en vrede voor Shania’s ziel en voor die van je fantastische moeder, Rhonda. HOOFDSTUK EEN Irrien genoot van vechten, van het gevoel dat hij kreeg bij de wetenschap dat hij sterker was dan zijn tegenstander—maar het aanschouwen van de nasleep van zijn overwinning was nog veel beter. Hij liep door de ruïnes van Delos. Hij zag de plunderingen en luisterde naar het geschreeuw van de zwakkeren terwijl zijn mannen moordden en stalen, verkrachtten en vernielden. Nieuwe slaven liepen geboeid in rijen richting de haven, terwijl er op één van de pleinen al een markt was opgezet voor geplunderde goederen en gevangen genomen boeren. Hij dwong zichzelf om de pijn in zijn schouder te negeren. Zijn mannen mochten niet denken dat hij zwak was. Een groot deel van de stad was nu verwoest, maar dat kon Irrien niet schelen. Wat kapot was kon gemaakt worden, zeker met voldoende slaven onder de zweep. De stad kon herbouwd worden in de vorm die hij wilde. Natuurlijk waren er ook anderen die de nodige eisen hadden. Krijgers, priesters en anderen volgden hem nu als haaien die bloed roken. Er waren vertegenwoordigers van de andere Stenen van Felldust, die kakelden over de rollen die hun meesters in de plunderingen zouden kunnen vervullen. Er waren kooplieden die de meest gunstige tarieven wilden bieden om Irriens geplunderde goederen terug naar het land van het stof te brengen. Irrien trachtte hen zoveel mogelijk te negeren, maar ze bleven maar komen. “Eerste Steen,” sprak een figuur. Hij droeg de gewaden van een priester, compleet met een riem die was gemaakt van vingerbotjes, en heilige symbolen die met zilverdraad met zijn baard waren vervlochten. Een amulet dat bezet was met bloedstenen vertelde Irrien dat hij één van de belangrijkste mensen van zijn stand was. “Wat is het dat je wil, heilige?” vroeg Irrien. Hij wreef afwezig over zijn schouder terwijl hij sprak, hopend dat niemand zou raden waarom hij dat deed. De priester spreidde zijn handen, die getatoeëerd waren met runen die dansten met elke beweging van zijn vingers. “Het gaat niet om wat ik wil, maar om wat de goden vragen. Zij hebben ons de overwinning geschonken. Het is niet meer dan gepast om hen met een fatsoenlijk offer te bedanken.” “Zeg je nu dat de overwinning niet te danken is aan de kracht van mijn leger?” wilde Irrien weten. Hij liet de dreiging in zijn stem sijpelen. Hij gebruikte de priesters wanneer het hem uitkwam, maar hij zou niet toelaten dat ze controle over hem kregen. “Zelfs de sterksten moeten de gunsten van de goden erkennen.” “Ik zal erover nadenken,” zei Irrien, wat vandaag al te vaak zijn antwoord was geweest. Eisen om aandacht, eisen om middelen. Een hele parade van mensen die een deel wilden van wat hij had veroverd. Het was de vloek van een machthebber, maar tegelijkertijd een symbool van zijn macht. Iedere sterke man die Irrien om een gunst vroeg, erkende dat hij niet simpelweg kon nemen wat hij wilde. Ze liepen terug naar het kasteel, en Irrien plande en berekende waar er reparaties nodig waren en waar er monumenten ter ere van zijn macht neergezet konden worden. In Felldust werd een standbeeld altijd gestolen of vernield voor het voltooid was. Hier zou het wellicht tot het einde der tijden blijven staan, als herinnering aan zijn overwinning. Hij had een hoop te doen als hij eenmaal genezen was. Hij bekeek de verdedigingswerken van het kasteel. Het was sterk; sterk genoeg om de wereld tegen te kunnen houden. Als iemand de poorten niet voor zijn mensen had geopend, hadden ze zijn leger ongetwijfeld buiten kunnen houden tot de onvermijdelijke conflicten in Felldust een einde aan de bezetting hadden gemaakt. Hij knipte met zijn vingers naar een bediende. “Ik wil dat alle tunnels onder het kasteel worden dichtgegooid. Het kan me niet schelen hoeveel slaven er sterven tijdens de werkzaamheden. Vervolgens wil ik dat de tunnels onder de stad worden aangepakt. Er mag geen rat meer doorheen kunnen. Ik wil niet dat mensen zonder mijn weten naar binnen en naar buiten kunnen glippen.” “Ja, Eerste Steen.” Hij vervolgde zijn weg het kasteel in. Bediendes waren al bezig om de vlaggen van Felldust naar binnen te brengen. Maar er waren ook een aantal mensen die de boodschap blijkbaar niet ontvangen hadden. Drie van zijn mannen rukten wandtapijten van de muren, trokken kostbare stenen uit de ogen van standbeelden, en propten hun zakken vol met spullen. Irrien beende naar hen toe en zag hen omkijken met de vererende blik die hij zo graag zag in zijn mannen. “Wat zijn jullie hier aan het doen?” vroeg hij. “We zetten het plunderen van de stad voort, Eerste Steen,” antwoordde één van hen. Hij was jonger dan de andere twee. Irrien had het vermoeden dat hij zich alleen bij de invasiemacht had aangesloten vanwege de belofte van avontuur. Dat hadden er zoveel gedaan. “En hebben je bevelhebbers je verteld om ook het kasteel te plunderen?” vroeg Irrien. “Is dit waar je heen moest?” De blikken in hun ogen vertelden hem alles dat hij moest weten. Hij had zijn mannen bevolen om de stad op systematische wijze te plunderen, maar dit was niet systematisch. Hij eiste discipline van zijn vechters, en dit was niet gedisciplineerd. “Je dacht dat je gewoon kon pakken wat je wilde,” zei Irrien. “Dat is hoe het in Felldust gaat!” protesteerde één van de mannen. “Ja,” stemde Irrien in. “De sterken nemen van de zwakken. Dat is waarom ik dit kasteel heb bezet. Nu probeer jij het van me af te pakken. Denk je dat ik zwak ben?” Hij had zijn grote zwaard niet meer, en zelfs als hij het wel had gehad dan deed zijn gewonde schouder deed nog steeds te veel pijn. Dus trok hij in plaats daarvan een lang mes tevoorschijn. Hij stak het bij de jongste van de drie door zijn kaak heen, omhoog, dwars door zijn schedel. Hij draaide om zijn as en beukte de tweede, die naar zijn eigen wapens graaide, tegen een muur. Irrien pareerde een zwaardaanval van de ander en sneed zijn keel moeiteloos door tijdens de terughaal. Hij duwde hem van zich af terwijl hij viel. Degene die hij een duw had gegeven stak zijn handen in de lucht. “Alstublieft, Steen Irrien. Het was een fout. We dachten niet na.” Irrien deed een stap naar voren en stak hem zonder een woord te zeggen neer. Hij bleef steken. Hij hield de zwakkeling omhoog zodat hij niet te snel zou vallen, en negeerde de pijn van zijn verwonding. Dit was niet zomaar een moord, het was een demonstratie. Toen hij de man eindelijk losliet, wendde Irrien zich tot de anderen. Hij spreidde zijn handen om hen duidelijk te maken dat het om een uitdaging ging. “Denkt iemand hier dat ik zo zwak ben dat je simpelweg dingen van me kunt eisen? Denkt iemand dat hij mij iets kan afnemen?” Ze zwegen, natuurlijk. Ze volgden hem stilletjes terwijl hij verder liep naar de troonzaal. Zijn troonzaal. De plek waar zijn prijs hem opwachtte. * Stephania kromp ineen toen Irrien de troonzaal betrad, en ze haatte zichzelf daarvoor. Ze knielde naast dezelfde troon waar zij niet al te lang geleden zelf op had gezeten, vastgeketend met gouden kettingen. Ze had eraan getrokken toen ze alleen was, maar ze hadden niet meegegeven. Irrien liep naar haar toe, en Stephania dwong zichzelf haar angst te onderdrukken. Hij had haar geslagen en vastgeketend, maar ze had een keus. Ze kon zich laten breken, of ze kon dit in haar voordeel gebruiken. Zelfs in deze situatie zou er nog een manier zijn. Vastgeketend zijn naast Irriens troon had tenslotte zo zijn voordelen. Het betekende dat hij van plan was om haar te houden. Het betekende dat zijn mannen haar zo nu en dan alleen lieten, wanneer ze Stephania’s dienstmeisjes meenamen voor hun eigen plezier. Het betekende dat ze nog steeds in het midden stond, ook al had ze dan geen controle over hen. Nog niet. Stephania keek toe hoe Irrien ging zitten. Ze bekeek zijn bewegingen, en beoordeelde hem op de manier waarop een jager de grond waarop zijn prooi leefde beoordeelde. Het was duidelijk dat hij haar wilde. Waarom zou hij haar anders hier houden in plaats van haar naar een slavenkuil te sturen? Daar kon Stephania iets mee. Hij dacht misschien dat ze van hem was, maar spoedig zou hij alles doen dat ze voorstelde. Ze zou de rol van de weifelende stoeipoes spelen, en daarna zou ze alles terugpakken waar ze voor had gewerkt. Ze wachtte en luisterde terwijl Irrien zich bekommerde om de zaken van de stad. Het betrof voornamelijk alledaagse zaken. Hoeveel ze hadden ingenomen. Hoeveel er nog over was. Hoeveel wachters er nodig waren om de muren te bewaken, en hoe de aanvoer van voedsel gecontroleerd zou worden. “We hebben een aanbod van een koopman om onze troepen te bevoorraden,” zei één van de hovelingen. “Een man die Grathir heet.” Stephania snoof, en Irrien keek op haar neer. “Heb je iets te zeggen, slaaf?” Ze slikte haar drang om hem af te snauwen door. “Alleen dat Grathir erom bekend staat ondermaatse goederen te leveren. Zijn voormalige zakenpartner staat echter klaar om zijn zaken over te nemen. Kies voor hem, en je krijgt wellicht de voorraden die je nodig hebt.” Irrien staarde haar aan. “En waarom vertel je me dit?” Stephania wist dat dit haar kans was, maar ze moest het voorzichtig aanpakken. “Ik wil je laten zien dat ik wel degelijk van nut kan zijn.” Hij gaf geen antwoord, maar wendde zich weer tot de anderen. “Ik zal erover nadenken. Wat is het volgende punt?” Het volgende punt, zo bleek, waren petities van de vertegenwoordigers van de andere stenen van Felldust. “De Tweede Steen zou graag willen weten wanneer u naar Felldust terugkeert,” zei een vertegenwoordiger. “Er zijn zaken die vereisen dat de Vijf Stenen samenkomen.” “Vierde Steen Vexa vereist meer ruimte voor haar contingent schepen. “Derde Steen Kas feliciteert u met onze gedeelde overwinning.” Stephania kende de namen van de andere Stenen van Felldust natuurlijk al. De sluwe Ulren, Kas Vorkbaard, Vexa, de enige vrouwelijke Steen, Borion de modegek. Secundaire namen vergeleken met Irrien, maar theoretisch gezien allemaal zijn gelijken. Alleen het feit dat ze hier nu niet waren, was wat Irrien zoveel macht gaf. Behalve namen herinnerde Stephania zich tevens hun interesses, hun zwakheden, hun verlangens. Ulren werd oud in Irriens schaduw, en zou de zetel van Eerste Steen hebben gehad als de krijgsheer die niet van zijn voorganger had afgenomen. Kas was voorzichtig, een heer met de kennis van de beste kooplieden, die alles berekende voor hij handelde. Vexa woonde in een huis buiten de stad, en volgens de geruchten was bij al haar bediendes de tong afgesneden zodat ze niet konden spreken over wat ze zagen. Borion was de zwakste, en zou zijn zetel waarschijnlijk spoedig aan de volgende uitdager verliezen. Terwijl ze nadacht over de situatie in Felldust, legde Stephania haar vingers zachtjes op Irriens arm. Ze bewoog ze voorzichtig, de aanraking nauwelijks voelbaar. Ze had al lang geleden geleerd hoe ze mannen moest verleiden, en had haar vaardigheden geperfectioneerd op vele handige minnaars. Ze had Thanos ook verleid, nietwaar? Hoeveel lastiger kon het zijn om Irrien te verleiden? Ze voelde het moment dat hij gespannen raakte. “Wat doe je?” wilde hij weten. “Je lijkt erg gespannen door al dit gepraat,” zei Stephania. “Ik dacht dat ik kon helpen. Misschien kan ik je op… een andere manier helpen ontspannen?” Het belangrijkste was om niet te veel aan te dringen. Om te hinten en aan te bieden, maar nooit te direct te vragen. Stephania zette haar meest onschuldige blik om en keek naar Irrien op… om het uit te schreeuwen toen hij haar een nonchalante klap gaf. Woede laaide in haar op. Stephania’s trots vertelde haar dat ze een manier zou vinden om Irrien te laten boeten voor die klap, dat ze haar wraak zou krijgen. “Ah, daar is de echte Stephania,” zei Irrien. “Dacht je dat je me kon misleiden door te doen alsof je een nederige slavin bent? Denk je dat ik dom genoeg ben om te geloven dat ik je kan breken met één pak slaag?” Stephania werd overspoeld door angst. Het suizen van Irriens zweep zat nog vers in haar geheugen. Haar rug brandde nog van de herinneringen. Er was een tijd geweest waarin ze ervan had genoten om bediendes die het verdienden te straffen. Nu bracht de gedachte alleen maar pijn met zich mee. En toch, ze zou de pijn gebruiken als ze moest. “Nee, maar ik weet zeker dat je meer van plan bent,” zei Stephania. Ze probeerde deze keer niet onschuldig te lijken. “Je geniet ervan om te proberen me te breken, net zoveel als ik ervan geniet om met je te spelen. Is dat niet wat het zo leuk maakt?” Irrien sloeg haar weer. Stephania keek hem uitdagend aan. Het was duidelijk wat hij wilde. Ze zou doen wat ze moest doen om Irrien aan zich te binden. Zodra ze dat had gedaan, zou het niet uitmaken wat ze had moeten doorstaan. “Je denkt dat je speciaal bent, nietwaar?” zei Irrien. “Je bent slechts een slavin.” “Een slavin die je aan je troon hebt vastgeketend,” zei Stephania met een zwoele stem. “Een slavin die je duidelijk mee naar bed wilt nemen. Een slaaf die zoveel meer zou kunnen zijn. Een partner. Ik ken Delos als geen ander. Waarom geef je het niet gewoon toe?” Irrien ging staan. “Je hebt gelijk. Ik heb een fout gemaakt.” Hij reikte naar beneden, pakte haar kettingen en maakte haar los van de troon. Stephania werd overspoeld door een gevoel van triomf toen hij haar optilde. Zelfs als hij nu wreed tegen haar was, zelfs als hij haar gewoon naar zijn kamer zou sleuren en haar zou neergooien om haar als zijn eigendom te claimen, dan was het nog vooruitgang. Maar dat was niet waar hij haar heen bracht. Hij smeet Stephania tegen de koude marmeren vloer, en ze voelde het harde materiaal onder haar knieën terwijl ze vlak voor één van de figuren tot stilstand kwam. De schrik raakte haar erger dan de pijn. Hoe kon Irrien dat doen? Was ze niet alles dat hij kon wensen? Stephania keek op en zag een man in donkere gewaden, die haar met zichtbare minachting aankeek. “Ik heb de fout gemaakt om te denken dat je mijn tijd waard was,” zei Irrien. “Je wil een offer, priester? Neem haar. Snij de baby uit haar en offer het in mijn naam aan de goden. Ik laat geen piepend kreng in leven dat deze troon wil claimen. Als je klaar bent, gooi je wat er van haar over is naar de aaseters.” Stephania keek op naar de priester, en toen naar Irrien, nauwelijks in staat om de woorden uit haar mond te krijgen. Dit kon niet waar zijn. Het kon gewoon niet. Ze zou het niet toelaten. “Alsjeblieft,” zei ze. “Dit is belachelijk. Ik kan zoveel meer voor je doen dan dit!” Het leek hem niets te kunnen schelen. Ze werd overspoeld door paniek en de schok dat dit echt ging gebeuren. Ze gingen het echt doen. Nee. Nee, dat konden ze niet maken! Ze schreeuwde toen de priester haar armen vastgreep. Een ander pakte haar bij haar benen, en ze droegen haar worstelend tussen zich in. Irrien en de anderen volgden hen, maar op dat moment kon het Stephania niet schelen. Ze kon maar aan één ding denken: Ze gingen haar baby vermoorden. HOOFDSTUK TWEE Ceres kon nog steeds niet geloven dat ze waren ontsnapt. Ze lag op het dek van de kleine boot die ze hadden gestolen, en het was lastig te bevatten dat ze echt hier was, in plaats van in een vechtkuil onder het kasteel, wachtend op haar dood. Niet dat ze nu veilig waren. De pijl die over hen heen suisde maakte dat wel duidelijk. Ceres keek over de reling van de boot heen en probeerde te bedenken of er iets was dat ze kon doen. Boogschutters vuurden vanaf de kust, en de meeste pijlen raakten het water rondom de boot. Een paar raakten het hout, waar ze na bleven trillen en hun laatste energie verbruikten. “We moeten sneller,” zei Thanos naast haar. Hij rende naar één van de zeilen. “Help me deze omhoog te krijgen.” “Nog… niet,” klonk een schorre stem vanaf de andere kant van het dek. Akila lag daar, en Ceres vond dat hij er afschuwelijk uitzag. Ceres had het zwaard van de Eerste Steen slechts enkele minuten geleden uit zijn lichaam getrokken, en hij verloor veel bloed. Toch slaagde hij erin om zijn hoofd op te tillen en haar aan te kijken met een blik van urgentie die ze moeilijk kon negeren. “Nog niet,” herhaalde hij. “De schepen in de haven weten waar we zijn, en een zeil zal ons alleen maar een makkelijk doelwit maken. Gebruik de roeispanen.” Ceres knikte en trok Thanos naar waar de krijgsheren die ze hadden gered zaten te roeien. Het was lastig om een plekje te vinden tussen de zwaar gespierde mannen, maar ze wist zichzelf ertussen te proppen en gebruikte het laatste beetje kracht dat ze nog in zich had om hen te helpen. Ze voeren de schaduw van een verankerde sloep in, en de pijlen stopten. “We moeten slim zijn nu,” zei Ceres. “Ze kunnen ons niet doden als ze ons niet kunnen vinden.” Ze liet haar roeispaan even los, evenals de anderen. Ze lieten hun boot in de golfslag van het grotere schip drijven, waar ze vanaf de kust niet te zien waren. Het gaf haar de tijd om even bij Akila te kijken. Ceres kende hem nog niet zo lang, maar ze voelde zich schuldig vanwege wat er met hem gebeurd was. Hij had voor haar gevochten toen hij de verwonding had opgelopen die haar nu als een gapende mond in zijn zij leek aan te staren. Sartes en Leyana knielden naast hem en probeerden het bloeden te stelpen. Ceres was verrast door hoe goed ze dat deden. Ze bedacht dat de oorlog mensen dwong om vaardigheden te leren die ze anders nooit gehad zouden hebben. “Zal hij het halen?” vroeg Ceres aan haar broertje. Sartes keek naar haar op. Er zat bloed aan zijn handen. Leyana, die naast hem zat, zag lijkbleek van de inspanning. “Ik weet het niet,” zei Sartes. “Ik heb heel wat zwaardverwondingen gezien, en ik denk dat deze de belangrijke organen heeft gemist. Maar dat baseer ik alleen op het feit dat hij nog niet dood is.” “Je doet het goed,” zei Leyana, die Sartes’ hand even aanraakte. “Maar we kunnen slechts zoveel doen op een boot, en we hebben een echte genezeres nodig.” Ceres was blij dat Leyana er was. Van wat ze tot dusver van het meisje had gezien, leek ze heel goed bij haar broertje te passen. Ze deden in elk geval wat ze konden om Akila in leven te houden. “We brengen je naar een genezeres,” beloofde Ceres, hoewel ze op dat moment niet wist hoe ze die belofte kon waarmaken. “Hoe dan ook.” Thanos stond nu op de boeg van de boot. Ceres liep naar hem toe, hopend dat hij meer ideeën had dan zij over hoe ze hier vandaan moesten komen. De haven lag vol schepen, en de invasievloot leek op een soort drijvende stad. “In Felldust was het nog erger,” zei Thanos. “Dit is de hoofdvloot, maar er komen nog veel meer boten aan.” “Wachtend om het Rijk uit elkaar te trekken,” raadde Ceres. Ze wist niet wat ze daarvan moest denken. Ze had haar best gedaan om het Rijk ten val te brengen, maar dit… dit betekende slechts dat er nog meer mensen zouden lijden. Gewone mensen en aristocraten zouden door de aanvallers tot slaven worden gemaakt, als ze al niet meteen gedood zouden worden. Ze zouden Stephania inmiddels ook wel gevonden hebben. Ceres zou daar waarschijnlijk blij mee moeten zijn, maar ze voelde niet veel anders dan opluchting dat Stephania eindelijk uit hun leven was. “Heb je spijt dat je Stephania hebt achtergelaten?” vroeg Ceres aan Thanos. Hij legde een arm om haar heen. “Ik heb spijt dat het zo ver moest komen,” zei hij. “Maar na alles dat ze heeft gedaan… nee, ik heb er geen spijt van. Ze verdiende het, en meer.” Hij klonk alsof hij het meende, maar Ceres wist hoe gecompliceerd de zaken waren als het op Stephania aankwam. Desondanks was ze nu weg, waarschijnlijk dood. Ze waren vrij. Of dat zouden ze kunnen zijn, als ze levend de haven uit konden komen. Aan de andere kant van het dek zag ze haar vader knikken en wijzen. “Daar, zien jullie die schepen? Het ziet ernaar uit alsof ze vertrekken.” Zowaar, daar waren sloepen en koggen die de haven verlieten, geconcentreerd in een groep, alsof ze bang waren dat iemand hen alles zou afnemen als ze het niet deden. Gezien de mentaliteit van de mensen in Felldust hadden ze waarschijnlijk nog gelijk ook. “Wat zijn het?” vroeg Ceres. “Koopvaardijschepen?” “Sommige, denk ik,” antwoordde haar vader. “Gevuld met de buit van de verovering. Ik denk dat er ook een paar slavenhouders bij zitten.” Die gedachte vulde Ceres met afschuw. Dat er schepen waren die de mensen uit haar stad meenamen in boeien deed haar wensen dat de schepen met haar blote handen uit elkaar kon trekken. Maar dat kon ze niet. Ze waren maar met één boot. Ondanks haar woede kon Ceres de mogelijkheid zien die de schepen vertegenwoordigden. “Als we daar in de buurt kunnen komen, zal niemand twijfelen aan het feit dat we vertrekken,” zei ze. “Maar dan moeten we daar wel zien te komen,” merkte Thanos op, maar Ceres zag dat hij al bezig was een route te vinden. De schepen waren zo dicht op elkaar gepakt dat het meer was alsof ze hun boot door smalle kanalen moesten sturen, dan dat ze echt konden zeilen. Ze begonnen zich een weg door de clusters van boten te banen, gebruik makend van hun riemen, en deden hun best om geen aandacht te trekken. Nu ze uit het zicht waren van degenen die vanaf de kust naar hen gevuurd hadden, had niemand een reden om te denken dat ze hier niet hoorden. Ze konden zichzelf verliezen in de grote massa van de vloot uit Felldust, en het als dekmantel gebruiken. Zelfs als een deel van de vloot op hen joeg. Ceres tilde het zwaard dat ze uit Akila getrokken had op. Het was zo groot dat ze het nauwelijks kon optillen, maar als ze moesten vechten, zouden ze er spoedig achter komen hoe goed ze er mee om kon gaan. Misschien zou ze op een dag zelfs de kans krijgen om het aan zijn eigenaar terug te geven, met de punt door het hart van de Eerste Steen. Maar op dit moment konden ze zich heen gevecht veroorloven. Dan zouden de anderen erachter komen dat ze vreemdelingen waren, en dan zou elke boot in de haven achter hen aankomen. Dus Ceres wachtte. Ze voelde de spanning stijgen terwijl ze langs de verschillende vaartuigen voeren, langs de uitgebrande scheepsrompen, langs boten waar nog veel ergere dingen gaande waren. Ceres zag boten waar mensen als vee werden gebrandmerkt, één waar twee mannen tot de dood vochten terwijl zeelieden hen uitjoelden, één waar— “Ceres, kijk,” zei Thanos. Hij wees naar een schip vlakbij hen. Ceres keek, en zag slechts nog een voorbeeld van alle gruweldaden die zich om hen heen afspeelden. Een vreemd uitziende vrouw, wiens gezicht leek bedekt met as, was als een boegbeeld aan het voorsteven van een schip vastgebonden. Twee soldaten met zwepen sloegen haar om beurten. “We kunnen niets doen,” zei Ceres’ vader. “We kunnen het niet tegen al die soldaten opnemen.” Ceres begreep hem wel, maar toch vond ze het niet prettig om niets te doen terwijl er iemand werd gemarteld. “Maar dat is Jeva,” antwoordde Thanos. Hij ving Ceres’ verwarde blik op. “Zij heeft me naar de Bottenmensen geleid, die de vloot hebben aangevallen zodat ik de stad in kon komen. Het is mijn schuld dat dit nu gebeurt.” Dat deed Ceres pijn, want Thanos was alleen voor haar terug naar de stad gekomen. “Toch,” zei haar vader, “als we proberen te helpen zetten we allemaal ons leven op het spel.” Ceres hoorde wat hij zei, maar ze wilde toch helpen. Het leek er echter op dat Thanos haar al een stap voor was. “We moeten haar helpen,” zei Thanos. “Het spijt me.” Haar vader wilde hem vastgrijpen, maar Thanos was te snel. Hij dook het water in en begon naar het schip te zwemmen, de dreiging van de roofdieren in het water negerend. Ceres had een seconde om het gevaar te overwegen… en sprong toen achter hem aan. Het was lastig om te zwemmen met het grote zwaard, maar op dat moment kon ze het wapen goed gebruiken. Ze zwom door de koude golven, hopend dat de haaien al verzadigd waren van de strijd, en dat ze niet zou sterven door alle rotzooi die mensen overboord gooiden. Haar vingers sloten zich om de touwen van de verankerde sloep, en Ceres begon te klimmen. Het was moeilijk. De zijkant van het schip was glad, en omhoog klimmen zou al lastig genoeg geweest zijn als Ceres niet zo uitgeput was van de dagenlange martelingen die ze had moeten doorstaan. Op de één of andere manier slaagde ze er toch in om zichzelf het dek op te hijsen. Ze gooide het grote zwaard voor zich neer, zoals een duiker met een net met mosselen zou hebben gedaan. Ze krabbelde net op tijd overeind om een zeeman op zich af te zien rennen. Ceres griste haar zwaard met twee handen van het dek, stak en trok terug. Ze haalde rond in een grote boog en onthoofdde de zeeman, waarna ze direct op zoek ging naar de volgende tegenstander. Thanos worstelde met één van de zeelieden die de Bottenvrouw had gemarteld, dus Ceres schoot hem te hulp. Ze stak de zeeman in zijn rug, en Thanos gooide de stervende man naar de volgende die op hem afkwam. “Snij jij haar los,” zei Ceres. “Ik hou ze tegen.” Ze zwaaide met haar zwaard in het rond om de zeelieden tegen te houden, terwijl Thanos Jeva bevrijdde. Van dichtbij zag ze er nog aparter uit dan van veraf. Haar zachte, donkere huid was versierd met blauwe patronen die als slierten rook over haar geschoren hoofd kropen. Haar zijden kleding was gedecoreerd met stukken bot, en er vlamde opstandigheid in haar ogen. Ceres had geen tijd om te kijken hoe Thanos haar lossneed, want ze moest zich concentreren op de zeelieden. Eén van hen hakte met een bijl op haar in. Ceres stapte in de ruimte die door zijn uithaal werd gecreëerd, bewoog zich langs hem heen en zwaaide haar zwaard in een cirkel om de anderen naar achteren te drijven. Ze stak het door het been van een man en trapte hem tegen de onderkant van zijn kaak. “Ik heb haar,” zei Thanos, en toen Ceres een blik naar achteren wierp zag ze dat hij de Bottenvrouw inderdaad had bevrijd… en zij langs Ceres schoot om het mes van een gesneuvelde man van de grond te grissen. Ze bewoog zich als een wervelwind door de groep zeelieden heen, snijdend en moordend. Ceres wierp een blik op Thanos en ging toen met haar mee. Ze deed haar best om de vrouw die ze zouden moeten redden bij te houden. Ze zag Thanos een zwaardaanval pareren en terugslaan, maar Ceres had haar eigen aanvallen af te weren. Ze vochtend met zijn drieën en verwisselden van plek als de deelnemers aan een formeel bal waar er nooit een tekort aan danspartners leek te zijn. Het verschil was dat deze danspartners gewapend waren, en dat één misstap de dood kon betekenen. Ze vochtend hard, en Ceres gaf een uitdagende schreeuw toen ze haar aanvielen. Ze sneed en bewoog en sneed weer. Ze zag Thanos vechten met de eerlijke kracht van een edelman, en de Bottenvrouw die uithaalde in een waas van verdorven agressie. Toen verschenen de krijgsheren, en Ceres wist dat het tijd was om te gaan. “Het water in!” schreeuwde ze, en ze rende naar de reling. Ze dook en voelde haar lichaam weer verzwolgen worden door het ijskoude water. Ze zwom naar hun boot en hees zichzelf op de rand. Haar vader trok haar aan boord, waarna ze de anderen hielp. “Wat bezielde je?” vroeg haar vader toen ze het dek bereikten. “Ik vond dat ik niet machteloos kon toekijken,” antwoordde Thanos. Ceres wilde iets zeggen, maar ze wist dat het deel was van wat Thanos maakte tot wie hij was. Het was één van de redenen dat ze zoveel om hem gaf. “Onbezonnen,” zei de Bottenvrouw met een glimlach. “Volkomen onbezonnen. Dank jullie wel.” Ceres keek om zich heen. Alle boten die vlakbij lagen waren gealarmeerd, en ze zag heel wat zeelieden hun wapens grijpen. Een pijl raakte het water naast hen, en toen nog één. “Roeien!” riep ze naar de krijgsheren. Maar waar konden ze heen? Ze zag de anderen schepen al in beweging komen om hen te onderscheppen. Spoedig zou er geen uitweg meer zijn. Het was het soort situatie waarin ze haar krachten gebruikt zou hebben. Maar die had ze niet meer. Alsjeblieft, Moeder, smeekte ze in de stilte van haar geest, je hebt me al eerder geholpen. Help me nu. Ze voelde haar moeders aanwezigheid, ergens aan de rand van haar bewustzijn, vergankelijk en kalmerend. Ze kon de aandacht van haar moeder voelen, haar moeder die door haar heen keek en probeerde uit te vinden wat haar was overkomen. “Wat hebben ze met je gedaan?” fluisterde haar moeders stem. “Dit is het werk van de tovenaar.” “Alsjeblieft,” zei Ceres. “Ik hoef mijn krachten niet voorgoed terug, maar ik heb nu hulp nodig.” In de stilte die volgde werd het dek tussen Ceres’ voeten geraakt door een pijl. Die was veel te dichtbij gekomen. “Ik kan wat er is gebeurd niet ongedaan maken,” zei haar moeder. “Maar ik kan je deze ene keer wel een ander geschenk geven. Het zal echter slechts eenmalig zijn. Ik denk niet dat je lichaam nog meer kan verdragen.” Het kon Ceres niet schelen, zolang ze maar konden ontsnappen. De boten kwamen al dichterbij. Ze hadden dit nodig. “Raak het water aan, Ceres, en vergeef me, want dit zal pijn doen.” Daar twijfelde Ceres niet aan. Ze legde haar hand op de golven, en voelde de natheid tegen haar huid klotsen. Ze zette zich schrap… …en ze moest haar tanden op elkaar zetten om niet te schreeuwen. Er stroomde iets door haar heen, en stroomde het wateroppervlak op, en toen rees het op, de lucht in. Het leek alsof iemand een sluier over hen heen had getrokken. Door de sluier heen kon Ceres boogschutters en krijgers zien, die geschokt voor zich uit staarden. Ze hoorden verbaast geschreeuw, maar de geluiden leken ineens gedempt. “Ze klagen dat ze ons niet kunnen zien,” zei Jeva. “Ze zeggen dat het donkere magie is.” Ze keek Ceres vol bewondering aan. “Het lijkt erop dat je alles bent dat Thanos heeft gezegd.” Daar was Ceres niet zo zeker van. Dit vasthouden deed meer pijn dan ze kon bevatten. Ze wist niet hoe lang ze het vol zou kunnen houden. “Roeien,” zei ze. “Roeien, voor het verdwijnt!” HOOFDSTUK DRIE Irrien stond in het kasteel, in de tempel met hoge plafonds, en keek onbewogen toe terwijl de priesters Stephania voorbereidden op de opoffering. Hij staarde koelbloedig uit zijn ogen, terwijl zij druk in de weer waren. Ze bonden haar op het altaar vast terwijl zij schreeuwde en worstelde. Normaal gesproken had Irrien geen tijd voor dergelijke zaken. De priesters waren een stel bloedlustige dwazen die leken te denken dat het sussen van de dood het kon voorkomen. Alsof iemand de dood kon ontlopen behalve door de kracht van zijn wapen. Smeken werkte niet. Niet naar de goden, en ook niet naar hem, zoals Delos’ kortstondige machthebber zou ondervinden. “Alsjeblieft, Irrien, ik doe alles dat je wilt! Wil je dat ik voor je kniel? Alsjeblieft!” Irrien stond als een standbeeld en negeerde haar, op dezelfde manier dat hij de pijn van zijn verwonding negeerde. Om hem heen keken aristocraten en krijgers toe. Het had wel degelijk zin om hen dit te laten aanschouwen, net zoals het zin had om de priesters tevreden te stellen. Hun gunsten waren ook een bron van zijn macht, en Irrien was niet zo dom om dat te negeren. “Verlang je dan niet naar me?” smeekte Stephania. “Ik dacht dat je me als je speeltje wilde.” Irrien kon Stephania’s charmes echter ook niet negeren. Dat was deel van het probleem. Toen ze haar hand op zijn arm had gelegd, had hij iets gevoeld dat verder ging dat de gebruikelijke opwinding en verlangens die hij voelde wanneer hij met mooie slaven was. Dat zou hij niet toelaten. Dat kon hij niet toelaten. Niemand kon macht over hem hebben, zelfs niet wanneer het gevoel van diep kwam. Hij bekeek de menigte. Er waren meer dan genoeg mooie vrouwen aanwezig, waaronder Stephania’s voormalige dienstmeisjes, knielend in hun boeien. Sommigen van hen huilden bij de aanblik van wat er met hun voormalige meesteres gebeurde. Hij zou spoedig afleiding met hen vinden. Maar eerst moest hij zich ontdoen van de dreiging die Stephania vormde, met haar vermogen om hem iets te laten voelen. De hoogste priester kwam naar voren, de gouden en zilveren draden in zijn baard rinkelend terwijl hij liep. “Alles is klaar, mijn heer,” zei hij. “We zullen de baby uit de buik van de moeder snijden, en het op het altaar offeren zoals gebruikelijk is.” “En je goden zullen dit waarderen?” vroeg Irrien. Als de priester de spottende toon in zijn stem had opgemerkt, dan liet hij dat in ieder geval niet merken. “Jazeker, Eerste Steen. Ze zullen het erg waarderen.” Irrien knikte. “Dan zal het gebeuren op de manier waarop je het voorstelde. Maar ik zal degene zijn die het kind vermoord.” “U, Eerste Steen?” vroeg de priester. Hij klonk verrast. “Maar waarom?” Omdat het zijn overwinning was, niet die van de priester. Omdat Irrien degene was die zich een weg door de stad had gevochten, terwijl deze priesters waarschijnlijk veilig op de schepen hadden gezeten. Omdat hij degene was die een verwonding had opgelopen. Omdat Irrien zijn eigen moorden pleegde, in plaats het over te laten aan zijn minderen. Maar dat zei hij niet. Hij was deze mensen geen verklaringen schuldig. “Omdat ik daarvoor kies,” zei hij. “Heb je daar bezwaar tegen?” “Nee, Eerste Steen, geen bezwaar.” Irrien genoot van de angst in zijn stem, niet vanwege de angst zelf, maar omdat het een herinnering aan zijn macht was. Dat was wat dit alles was. Het was net zo goed een verklaring van zijn overwinning als dankbaarheid aan de goden die toekeken. Het was een manier om deze stad te claimen en zich tegelijkertijd te ontdoen van een kind dat misschien zou proberen om zijn troon op te eisen als het oud genoeg was. Omdat het een herinnering aan zijn macht was, keek hij toe terwijl de priesters aan hun slachtpartij begonnen. Ze stonden en knielden in nette rijen; de krijgers, de slaven, de kooplieden, en zij die claimden blauw bloed te hebben. Hij zag hun angst, hun gehuil, hun afkeer. Achter hem begonnen de priesters te zingen. Ze zongen in eeuwenoude talen die volgens hen door de goden zelf geschonken waren. Irrien wierp een blik over zijn schouder en zag de hoogste priester een mes boven Stephania’s blote buik houden, klaar om te snijden terwijl zij vocht om weg te komen. Irrien richtte zijn aandacht weer op degenen die toekeken. Dit ging om hen, niet om Stephania. Hij zag hun afschuw toen Stephania’s gesmeek in geschreeuw veranderde. Hij bestudeerde hun reacties, wie er onder de indruk waren, wie er bang waren, wie hem met een stille haat in de ogen aankeken, en wie van het spektakel leken te genieten. Hij zag één van de dienstmeisjes flauwvallen bij het aanzicht van wat er zich achter hem afspeelde, en nam zich voor om haar te straffen. Een ander meisje huilde zo hard dat een ander haar moest vasthouden. Irrien had ondervonden dat het bestuderen van zij die hem dienden, hem meer over hen vertelde dan welke verklaring van loyaliteit dan ook. Stilletjes maakte hij een mentale aantekening van de slaven die nog niet volledig gebroken waren, en de aristocraten die met te veel jaloezie naar hem keken. Een wijs man liet zijn wantrouwen nooit los, zelfs niet wanneer hij al had gewonnen. Stephania’s geschreeuw werd even scherper, en zwol aan tot een crescendo dat perfect getimed leek met het gezang van de priesters. Toen veranderde het in gejammer. Irrien betwijfelde dat ze dit zou overleven. Op dat moment kon het hem niet schelen. Ze vervulde haar doel door de wereld te laten zien dat hij hier de macht had. Al het andere was onnodig. Bijna onelegant. Toen werd het gehuil van de mooiste edelvrouw van Delos vergezeld door het gehuil van haar baby. Irrien liep naar het altaar en spreidde zijn armen om de aandacht van de aanwezigen te trekken. “We kwamen hier, en het Rijk was zwak, dus we bezetten het. Ik bezette het. De zwakkeren zullen dienen of sterven, en ik bepaal welke van de twee het word.” Hij draaide zich om naar het altaar waar Stephania lag. Haar jurk was aan flarden gescheurd, en ze lag nu in net zoveel bloed en nageboorte als in zijde of fluweel. Ze ademde nog, maar haar ademhaling was onregelmatig, en de wond was niet het soort wond dat een zwak meisje als zij zou overleven. Irrien ving de aandacht van de priesters op, en knikte naar Stephania’s uitgeputte lichaam. “Ruim dat op.” Ze haastten zich om te gehoorzamen en droegen haar weg, terwijl één van de priesters hem het kind overhandigde alsof het het mooiste geschenk ter wereld was. Irrien staarde ernaar. Het was vreemd dat zo’n klein, kwetsbaar wezen een dreiging kon zijn voor iemand als hij, maar Irrien was niet een man die dwaze risico’s nam. Op een dag zou deze jongen opgroeien tot een man, en Irrien had gezien wat er kon gebeuren wanneer een man het gevoel had dat hij niet had gekregen wat hem toebehoorde. Hij had er al heel wat moeten doden. Hij legde het kind op het altaar en wendde zich tot de toeschouwers terwijl hij een mes trok. “Kijk, allemaal,” beval hij. “Kijk en vergeet niet wat hier gebeurt. De andere Stenen zijn hier niet om deze overwinning te claimen. Ik wel.” Hij draaide zich weer om naar het altaar, en op dat moment wist hij dat er iets mis was. Er stond een figuur, een jong uitziende man met een spierwitte huid, licht haar, en amberkleurige ogen die Irrien aan de ogen van een kat deden denken. Hij droeg gewaden, maar deze waren licht in plaats van donker, zoals die van de priesters. Hij liet zijn vinger zonder zichtbare afschuw, eerder geïnteresseerd, over het bebloede altaar glijden. “Ah, Vrouwe Stephania,” sprak hij in een stem die gelijkmatig, plezierig en vrijwel zeker een leugen was. “Ik bood haar de kans om mijn leerling te worden. Ze had mijn aanbod moeten accepteren.” “Wie ben je?” vroeg Irrien. Hij verschoof de greep op het mes dat hij vasthield, van een greep die bedoeld was om naar beneden te steken naar één die bedoeld was om te vechten. “Hoe durf je mijn overwinning te verstoren?” De andere man spreidde zijn handen. “Het was niet mijn bedoeling iets te verstoren, Eerste Steen, maar je stond op het punt om iets te vernietigen dat van mij is.” “Iets…” Irrien voelde een steek van verbazing toen hij besefte wat de vreemdeling bedoelde. “Nee, jij bent niet de vader van dit kind. Dat is een prins van hier.” “Dat heb ik nooit beweerd,” zei de andere man. “Maar het kind is mij beloofd als betaling, en ik ben hier om die betaling te innen.” Irrien voelde zijn woede opwellen, en hij verstevigde zijn grip op het mes. Hij draaide zich om zodat hij het bevel kon geven om deze dwaas te laten oppakken, maar toen drong het tot hem door dat de andere aanwezigen niet meer bewogen. Ze stonden erbij alsof ze in trance waren. “Ik geloof dat ik je moet feliciteren, Eerste Steen,” zei de vreemdeling. “Ik merk dat de meeste mannen die claimen dat ze machtig zijn vrij beïnvloedbaar zijn, maar jij hebt mijn… kleine inspanning niet eens opgemerkt.” Irrien draaide zich weer naar hem om. Hij had Stephania’s kind nu in zijn armen, en wiegde het met een verrassend echt-lijkende zorgzaamheid. “Wie ben je?” wilde Irrien weten. “Vertel het me zodat ik het op je grafsteen kan zetten.” De andere man keek niet naar hem op. “Hij heeft de ogen van zijn moeder, vind je niet? Gezien wie zijn ouders zijn, weet ik zeker dat hij zal opgroeien tot een sterke, knappe man. Ik zal hem natuurlijk trainen. Hij zal een zeer vaardige killer worden.” Irrien gromde. “Wie ben je? Wat ben je?” Dit keer keek de andere man wel naar hem op, en in zijn ogen zag hij vuur en hitte. “Er zijn mensen die me Daskalos noemen,” zei hij. “Maar er zijn ook mensen die me vele andere dingen noemen. Tovenaar, natuurlijk. Moordenaar van de Ouden. Wever van schaduwen. Op dit moment ben ik een man die een schuld komt innen. Laat me dat doen en ik zal in vrede vertrekken.” “De moeder van dit kind is mijn slavin,” zei Irrien. “Het kind is niet van haar om weg te geven.” Hij hoorde de andere man lachen. “Dat is heel belangrijk voor je, nietwaar?” zei Daskalos. “Je moet winnen, want je moet de sterkste zijn. Misschien is dat de les die ik je kan leren, Irrien: er is altijd iemand die sterker is.” Irrien had genoeg van deze dwaas, tovenaar of niet. Hij had zat mannen en vrouwen ontmoet die hadden geclaimd magie te kunnen beheersen. Sommigen van hen hadden zelfs dingen gedaan die Irrien niet had kunnen verklaren. Maar het had hen niet sterker gemaakt dan hij. Wanneer je geconfronteerd werd met magie, was het het beste om als eerste aan te vallen, en hard. Hij dook naar voren en boorde zijn mes door de borst van de jonge man. Daskalos keek naar beneden, en stapte toen doodkalm opzij, alsof Irrien slechts zijn gewaden had geschampt. “Vrouwe Stephania probeerde ook zoiets toen ik voorstelde om haar kind te nemen,” zei Daskalos met een hint van vermaak in zijn stem. “Ik zal je vertellen wat ik tegen haar zei: er staat een prijs op als je mij aanvalt. Misschien zal ik de jongen hem zelfs wel laten innen.” Irrien viel weer aan, en mikte deze keer op de keel van de man in een poging hem de mond te snoeren. Hij struikelde langs het altaar. De tovenaar stond er niet meer. Irrien knipperde met zijn ogen en keek om zich heen. Hij was nergens te bekennen. “Nee!” bulderde Irrien. “Ik maak je af. Ik jaag je op!” “Eerste Steen?” zei één van de priesters. “Is alles in orde?” Irrien sloeg hen met zijn andere hand, en de man ging tegen de grond. Hij hoorde de anderen naar adem snakken. Blijkbaar waren ze weer bevrijd van de spreuk die de tovenaar had gebruikt om hen te controleren. “Heer Irrien,” zei de hoogste priester. “Ik moet bezwaar maken. Het slaan van een priester is het inviteren van de toorn van de goden.” “De toorn van de goden?” herhaalde Irrien. Hij rechtte zijn rug, maar de oude dwaas was blijkbaar zo verstrikt in zijn zelfgenoegzaamheid dat hij het niet merkte. “Het is niet wijs daarmee te spotten, Eerste Steen,” zei de man. “En waar is het offer?” “Weg,” zei Irrien. Vanuit zijn ooghoek zag hij een aantal mensen nerveus heen en weer schuiven. Zij leken de gevaarlijke aard van zijn woede in elk geval te erkennen. De priester leek te geobsedeerd om het op te merken. “De goden moeten bedankt worden voor deze overwinning, anders bestaat het gevaar dat dit de laatste geweest zal zijn. U mag dan de machtigste man zijn, maar de goden—” Irrien trok de man dicht naar zich toe toen hij hem neerstak. De tovenaar had hem zwak laten lijken. Hij kon de priester niet toestaan hetzelfde te doen. Irrien liet de oude man op het altaar zakken, bijna op dezelfde plek als waar Stephania had gelegen. “Ik heb deze overwinning omdat ik hem zelf heb gerealiseerd,” zei Irrien. “Is er hier iemand die denkt dat hij sterker is dan ik? Denken jullie dat jullie goden jullie de kracht geven om me af te nemen wat van mij is? Denken jullie dat?” Hij keek hen zwijgend en uitdagend aan. Hij ontmoette hun blikken en zag wie er wegkeek, hoe snel, en hoe bang ze eruitzagen wanneer ze het deden. Hij koos één van de andere priesters uit, jonger dan de dode was geweest. “Jij, wat is je naam?” “Antillion, Eerste Steen.” Irrien kon de angst in zijn stem horen. Mooi. Een man moest goed beseffen wie hem zijn leven kon afnemen. “Jij bent nu de hoogste priester in Delos. Je legt verantwoording af aan mij. Heb je dat begrepen?” De jonge man boog. “Ja, Eerste Steen. Wat kan ik voor u doen?” Irrien keek om zich heen terwijl hij zichzelf kalmeerde. Zijn temperament kon anderen intimideren, maar een temperament dat hij niet onder controle had was een zwakte. Het leidde tot tweestrijd, en kon degenen die het als stupiditeit zagen aanmoedigen. “Ruim dat op zoals je met het eerste offer hebt gedaan,” antwoordde Irrien terwijl hij naar de dode priester wees. “Later zoek je me op in de koninklijke vertrekken.” Hij liep naar de knielende slaven en koos twee van Stephania’s voormalige dienstmeisjes uit. Ze hadden veel van de schoonheid van hun voormalige meesteres, met een gepaste angst in hun ogen. Hij liet hen staan. “Later,” zei Irrien. Impulsief duwde hij één van de meisjes richting de priester. “Ik wil niet dat men denkt dat ik de goden niet respecteer. Maar ik laat me niets vertellen. Neem deze en offer haar. Ik neem aan dat dat hen zal plezieren?” De priester boog diep. “Wat u pleziert, Eerste Steen, zal de goden ook plezieren.” Dat was een goed antwoord. Het was bijna goed genoeg om Irriens woede te sussen. Zijn hand sloot zich om de onderarm van de andere vrouw. Ze leek in shock door het besef dat ze zojuist aan de dood was ontsnapt. De ander schreeuwde het uit toen ze haar naar het altaar sleurden. Daar gaf Irrien niets om. Hij gaf ook niets om de slavin die hij met zich meesleurde terwijl hij de ruimte verliet. De zwakkeren deden er niet toe. Wat er wel toe deed was het feit dat een tovenaar zich met zijn zaken bemoeide. Irrien wist niet wat dat betekende, en het ergerde hem dat hij niet kon zien wat de intenties van deze Daskalos waren. Pas toen hij bij de koninklijke vertrekken kwam, had hij zichzelf ervan overtuigd dat het niet belangrijk was. Wie kon er nu vat krijgen op zij die met magie speelden? Wat belangrijk was, was het feit dat Irrien plannen had met het Rijk, en dat die plannen tot dusver zeer voorspoedig verliepen. En het zou nog beter worden, hoewel hij wel een vervelende nasmaak in zijn mond had. Wat wilde die tovenaar met de jongen? Wat bedoelde hij met dat hij hem in een wapen wilde veranderen? Op de één of andere manier deed alleen al de gedachte aan hem Irrien huiveren, en dat haatte hij. Irrien had altijd geclaimd voor niemand bang te zijn, maar die Daskalos… Hij was heel bang voor hem. HOOFDSTUK VIER Thanos wist dat hij naar de horizon zou moeten kijken. Maar op dat moment kon hij alleen maar naar Ceres kijken, overspoeld door gevoelens van trots, liefde en verbazing. Ze stond op het voorsteven van hun kleine boot en liet haar hand door het water glijden terwijl ze de haven uitvoeren, het open water op. Om hen heen glinsterde de lucht, en de onzichtbare nevel die om hen heen hing leek het licht te verdraaien. Op een dag, wist Thanos, zou hij met haar trouwen. “Ik denk dat dit wel genoeg is,” zei Thanos zachtjes tegen haar. Hij kon aan haar gezicht zien hoeveel inspanning het haar kostte. De kracht vergde veel van haar. “Nog… een beetje… verder.” Thanos legde een hand op haar schouder. Ergens achter zich hoorde hij Jeva naar adem snakken, alsof de Bottenvrouw verwachtte dat hij door de kracht naar achteren geslingerd zou worden. Thanos wist echter dat Ceres dat hem nooit aan zou doen. “We zijn veilig,” zei hij. “Er is niemand achter ons.” Hij zag Ceres zich omdraaien en verrast opkijken toen ze zag dat ze nu in het diepe water voeren. Had het zoveel concentratie gevergd om de nevel vast te houden? Hoe dan ook, er was nu niemand meer achter hen. De oceaan was leeg. Ceres haalde haar hand uit het water en wankelde even. Thanos ving haar op en hield haar staande. Na alles dat ze doorstaan had, was hij verbijsterd dat ze zoveel kracht had getoond. hij wilde er voor haar zijn. Niet af en toe, maar altijd. “Ik ben in orde,” zei Ceres. “Je bent veel meer dan dat,” verzekerde Thanos haar. “Je bent geweldig.” Geweldiger dan hij ooit had kunnen bevatten. Het was niet alleen dat Ceres mooi en slim en sterk was. Het was niet alleen dat ze machtig was, of dat ze het welzijn van anderen consistent voor dat van zichzelf plaatste. Het was dat alles, maar het was nog meer. Zij was de vrouw van wie hij hield, en na alles dat er in de stad was gebeurd, was zij de enige vrouw van wie hij hield. Thanos dacht na over wat dat betekende. Ze konden samen zijn nu. Ze zouden samen zijn. Ze keek naar hem op en kuste hem. Het was een voorzichtig moment, vol tederheid. Thanos betrapte zichzelf erop dat hij wenste dat die kus zijn hele leven kon vullen, en dat hij zich nergens anders meer druk over hoefde te maken. “Je hebt mij gekozen,” zei Ceres. Ze raakte zijn gezicht aan toen ze hem losliet. “Ik zal altijd voor jou kiezen,” zei Thanos. “En ik zal er altijd voor je zijn.” Ceres glimlachte, maar Thanos zag ook een onzekere blik in haar ogen. Dat kon hij haar niet kwalijk nemen, maar tegelijkertijd wenste hij dat die er niet was. Hij wenste dat hij die onzekerheid weg kon nemen, en dat alles goed was tussen hen. Hij stond op het punt om haar om meer te vragen, maar hij wist het wanneer hij niet moest aandringen. “Ik kies ook voor jou,” verzekerde Ceres hem, maar ze liet hem los. “Ik moet met mijn broertje en vader praten.” Ze liep naar waar Berin met Sartes en Leyana stond. Een gelukkig uitziend gezin. Een deel van Thanos wenste dat hij simpelweg bij hen kon gaan staan, zodat hij er ook bij kon horen. Hij wilde deel uitmaken van Ceres leven, en hij vermoedde dat zij dat ook wilde, maar Thanos wist dat het ook tijd zou kosten voor alles weer goed was tussen hen. Dat was de reden dat hij niet achter haar aan ging. Dus Thanos bleef staan waar hij stond, en dacht na over de andere inzittenden. Het waren er heel wat voor zo’n kleine boot. De drie krijgsheren die Ceres had gered roeiden het meest, hoewel ze nu ze de haven uitwaren spoedig het zeil zouden kunnen hijsen. Akila lag op zijn zij, terwijl één van de voormalige dienstplichtigen die Sartes had bevrijd druk op de wond uitoefende. Jeva liep naar hem toe. “Je bent een idioot als je haar laat gaan,” zei Jeva. “Een idioot?” antwoordde Thanos. “Is dat hoe je iemand bedankt die je net heeft gered?” Hij zag de Bottenvrouw haar schouders ophalen. “Je bent ook een idioot dat je dat hebt gedaan. Je eigen leven op het spel zetten voor een ander is dom.” Thanos hield zijn hoofd schuin. Hij wist niet of hij haar ooit zou kunnen begrijpen. Maar, dacht hij terwijl hij een blik op Ceres wierp, dat was niet alleen op Jeva van toepassing. “Je leven op het spel zetten is wat je doet voor je vrienden,” zei Thanos. Jeva schudde haar hoofd. “Ik zou mijn eigen leven niet in gevaar brengen voor jou. Als het jouw tijd is om je bij de geesten van je voorouders te voegen, dan is het je tijd. Het is zelfs een eer.” Thanos wist niet wat hij daarvan moest maken. Was ze serieus? Zo ja, dan leek het een beetje ondankbaar, gezien het risico dat hij en Ceres hadden genomen om haar te redden. “Als ik had geweten dat het zo’n eer was om het boegbeeld van één van de schepen van de Eerste Steen te zijn, had ik je daar wel laten hangen,” zei Thanos. Jeva keek hem licht fronsend aan. Nu was het haar beurt om te achterhalen of hij serieus was of niet. “Je maakt een grapje,” zei ze, “maar je had me achter moeten laten. Zoals ik al zei, alleen een dwaas riskeert zijn leven voor anderen.” Die filosofie was te wreed voor Thanos. “Nou,” zei hij. “Ik ben in ieder geval blij dat je nog leeft.” Jeva leek even na te denken. “Ik ook. Wat vreemd is. De doden zullen niet blij met me zijn. Misschien heb ik nog meer te doen. Ik zal met je meegaan tot ik weet wat dat is.” Ze zei het alsof het iets was dat vast stond, iets waar Thanos niets over te zeggen had. Hij vroeg zich af hoe het moest zijn om te leven met de zekerheid dat de doden de leiding hadden. “Is het niet vreemd?” vroeg hij haar. “Wat is vreemd?” antwoordde Jeva. “Je leven leiden in de veronderstelling dat de doden alle beslissingen nemen.” Ze schudde haar hoofd. “Niet allemaal. Maar ze weten meer dan wij. Ze zijn met meer dan wij. Als zij spreken, moeten we luisteren. Kijk naar jezelf.” Thanos fronste. Hij was niet één van de Bottenmensen die zich liet commanderen door degenen die met de doden spraken. “Ik?” “Zou je in deze situatie hebben gezeten zonder de beslissingen die je ouders en de ouders van je ouders hebben gemaakt?” vroeg Jeva. “Je bent een prins. Al je macht rust op de doden.” Ze had een punt, maar Thanos wist niet of dat hetzelfde was. “Ik bepaal wat ik doe voor de levenden, niet voor de doden,” zei hij. Jeva lachte alsof het een bijzonder goede grap was, en kneep haar ogen toen samen. “Oh, je bedoelt het serieus. Wij hebben ook mensen die dat zeggen. Het zijn voornamelijk gestoorden. Maar ja, deze wereld is gestoord, dus wie ben ik om hen te veroordelen? Waar gaan we nu heen?” Thanos had daar geen antwoord op. “Ik weet het niet,” gaf hij toe. “Mijn vader vertelde me waar ik meer te weten kon komen over mijn echte moeder, en daarna zei de voormalige koningin dat ze ergens anders was.” “Nou,” zei Jeva. “We moeten gaan. Nieuws van de doden mag niet genegeerd worden. We zouden ook terug kunnen gaan naar het land van mijn volk. Ze zullen ons verwelkomen na wat er met de vloot is gebeurd.” Ze leek niet ontmoedigt door het vooruitzicht dat ze haar mensen over alle doden moest vertellen. Ze leek ook van tijd tot tijd even naar Ceres te kijken, met een blik van bewondering in haar ogen. “Ze is alles dat je zei dat ze is. Wat er ook tussen jullie in staat, los het op.” Ze deed het zo simpel klinken, alsof het zo eenvoudig was als het alleen maar uitspreken. Thanos betwijfelde dat iets ooit zo simpel kon zijn. “Ik probeer het.” “Doe beter je best,” zei ze. Dat wilde Thanos ook. Hij wilde naar Ceres toe gaan en haar zijn liefde verklaren. Bovenal wilde hij haar vragen om de zijne te worden. Het leek alsof ze daar al eeuwen op wachtten. Jeva wuifde hem weg. “Ga, ga naar haar toe.” Thanos wist niet of hij het leuk vond om zo weggestuurd te worden, maar hij moest toegeven dat Jeva gelijk had als het aankwam op Ceres. Hij liep naar haar en de anderen toe, en zag dat ze een ernstige blik in haar ogen had. Haar vader draaide zich naar hem om en pakte Thanos’ hand even vast. “Het is goed om je weer te zien, jongen,” zei hij. “Als jij er niet was geweest hadden we het waarschijnlijk heel moeilijk gekregen.” “Jullie zouden wel een uitweg gevonden hebben,” zei Thanos. “Nu moeten we onze weg vinden,” antwoordde Berin. “Het lijkt erop dat iedereen hier ergens anders heen wil.” Thanos zag Ceres knikken. “De krijgsheren vinden dat we naar de vrije woestijn moeten gaan om huurlingen te worden,” zei ze. “Sartes heeft het erover dat hij terug wil naar het platteland van het Rijk. Ik denk erover om terug te gaan naar het Eiland van de Mist.” “Jeva had het erover dat ze wel terug wil naar haar volk,” zei Thanos. “En jij?” vroeg Ceres. Hij dacht erover om haar te vertellen over het land van de wolkenbergen, over zijn moeder, en zijn kans om haar te vinden. Hij dacht dat hij overal wel kon wonen, zolang het maar met Ceres was. Maar toen keek hij naar Akila. “Ik ga waar jij gaat,” zei hij, “maar ik denk niet dat Akila een lange reis zal overleven.” “Dat denk ik ook niet,” zei Ceres. Thanos kende haar goed genoeg om te weten dat ze al had besloten waar ze heen ging. Thanos was verrast dat ze niet al de leiding had genomen. Hij kon echter wel raden waarom. De laatste keer dat ze de leiding had gehad, had ze Delos verloren. Eerst aan Stephania, en toen aan Felldust. “Het is goed,” zei Thanos, die haar arm aanraakte. “Ik vertrouw je. Ik ga waar jij gaat.” Hij had het vermoeden dat hij niet de enige zou zijn. Ceres’ familie zou met haar mee gaan, en de krijgsheren hadden hun trouw aan haar gezworen, ondanks wat ze zeiden over elders het avontuur opzoeken. Wat betreft Jeva… wel, Thanos kende de vrouw niet goed genoeg om te weten wat zij zou doen, maar ze konden haar altijd ergens afzetten als ze dat wilde. “We kunnen de smokkelboot die je naar Delos heeft gebracht niet inhalen,” zei Ceres. “Zelfs als we wisten waar ze was, kan deze kleine boot niet snel genoeg varen. En als we proberen om te ver te gaan… ik denk dat Akila dat niet zal halen.” Thanos knikte. Hij had de wond gezien die de Eerste Steen hun vriend had toegebracht. Akila had tot dusver overleefd op pure wilskracht, maar hij had een echte genezer nodig, en snel. “Waarheen dan?” vroeg Thanos. Ceres keek hem aan, en toen naar de anderen. Ze leek bijna bang om te zeggen wat ze wilde zeggen. “Er is maar één plek waar we heen kunnen,” zei Ceres. Ze verhief haar stem zodat iedereen op de boot haar kon horen. “We moeten naar Haylon.” Haar vader en broertje begonnen meteen hun hoofd te schudden. Zelfs de krijgsheren leken niet al te gelukkig. “Haylon zal niet veilig zijn,” zei Berin. “Nu Delos gevallen is, zal het een doelwit zijn.” “Dan moeten we hen helpen om het eiland te verdedigen,” zei Ceres. “Misschien zullen er deze keer geen mensen zijn die het onder ons vandaan proberen te trekken.” Dat was een goed punt. Er waren meerdere redenen waarom Delos gevallen was: het formaat van de vloot uit Felldust, de mensen die niet waren gebleven om te vechten, het gebrek aan stabiliteit tijdens Stephania’s coup. Misschien zou het op Haylon anders zijn. “Ze hebben hun vloot niet,” merkte Thanos op. “Ik heb de meesten overgehaald om Delos te helpen.” Hij werd overspoeld door schuldgevoelens. Als hij Akila niet had overgehaald om te helpen, zouden zoveel goede mensen nu niet dood zijn, en zou Haylon de middelen hebben gehad om zichzelf te verdedigen. Zijn vriend zou nu niet gewond op het dek van hun boot hebben gelegen, wachtend op hulp. “We… hebben er zelf voor gekozen om te komen,” bracht Akila uit. “Als ze geen vloot hebben, is dat des te meer reden voor ons om ze te helpen,” zei Ceres. “Denk eens na. Het is de enige vriendelijke plek die in de buurt ligt. Ze hebben het Rijk tegengehouden, Felldust durfde toen niet aan te vallen. Ze hebben ons nodig. En Akila ook. We gaan naar Haylon.” Thanos kon er niets tegenin brengen. Bovendien kon hij zien dat de anderen overtuigd waren. Daar was Ceres altijd al goed in geweest. Het was haar naam geweest, niet de zijne, die de Bottenmensen overtuigd had om te helpen. Zij was degene geweest die de mannen van Heer West had overtuigd, en de rebellen. Ze wist hem elke keer opnieuw te verbazen. Thanos zou gaan waar zij heen wilde, naar Haylon en verder. Hij kon altijd nog op zoek gaan naar zijn afkomst. Ceres was nu belangrijk; Ceres, en overleven in de chaos die Felldust zou veroorzaken als ze zich voorbij Delos verspreidden. Hij had het op de steigers in Port Leeward gehoord: dit zou geen snelle inval zijn. “We hebben één probleem als we naar Haylon willen,” merkte Sartes op. “Om daar te komen moeten we door de vloot van Felldust heen. Dat is in de richting waar ze vandaan kwamen, toch? En ik denk niet dat de schepen nog in de haven van Delos liggen.” “Dat klopt,” zei Thanos, denkend aan wat hij in Felldust had gezien. Er hadden hele flottieljes gelegen die nog niet naar het Rijk waren vertrokken; de schepen van de andere Stenen die hadden afgewacht om te zien wat er zou gebeuren, of nog bezig waren met het inladen van voorraden zodat ze zich bij de plunderingen konden aansluiten. Als ze zouden proberen om met hun kleine boot via de rechtstreekse route naar Haylon te varen, zouden ze veel risico lopen. Het zou een kwestie van geluk zijn of ze vijanden zouden tegenkomen onderweg, en Thanos betwijfelde of Ceres haar verdwijntruc nog een keer zou kunnen doen. “We moeten eromheen,” zei hij. “We varen langs de kust tot we hun route voorbij zijn, en benaderen Haylon dan vanaf de andere kant.” Hij kon zien dat de anderen daar niet blij mee waren, en Thanos had het vermoeden dat dat niet alleen kwam door de extra tijd die het zou kosten. Hij wist wat die route betekende. Jeva was de enige die het uitsprak. “Die route zou ons door de Monsterpassage brengen,” zei ze. “Dan kunnen we nog beter het risico nemen met Felldust.” Thanos schudde zijn hoofd. “Ze zullen ons opjagen als ze ons zien. Op deze manier hebben we tenminste een kans om ongezien op Haylon te komen.” “We hebben ook een kans om opgegeten te worden,” merkte de Bottenvrouw op. Thanos haalde zijn schouders op. Hij kon niets beters bedenken. Ze hadden geen tijd om ergens anders heen te gaan, en er was geen betere weg. Ze konden of dit riskeren, of hier blijven zitten tot Akila stierf. En Thanos zou zijn vriend niet zomaar laten vallen. Ceres leek hetzelfde idee te hebben. “De Monsterpassage dus. Laten we het zeil hijsen!” HOOFDSTUK VIJF Ulren, de Tweede Steen, benaderde de vijfzijdige toren met de kalme vastberadenheid van een man die alles van tevoren had uitgedacht. Het stof wervelde in een eindeloze dans om hem heen, en zorgde dat hij wilde hoesten of zijn mond bedekken. Ulren deed geen van beide. Dit was een moment waarop hij sterk moest overkomen. Er stonden wachters bij de deuren, zoals altijd het geval was. Ze werden ogenschijnlijk door alle vijf de Stenen ingehuurd, maar in werkelijkheid waren het Irriens mannen. Dat was de reden dat ze altijd hun speren kruisten, alsof ze iedere mindere Steen aan hun plaats wilden herinneren. “Wie gaat daar?” riep één van hen. Ulren glimlachte. “De nieuwe Eerste Steen van Felldust.” Hij had een moment om te genieten van de geschokte blik in hun ogen, voor zijn mannen uit het stof verschenen en hun kruisbogen spanden. Hij had niet de hoeveelheid wapens die Irrien had, of de sluwe spionnen van Vexa, de rijkdom van Kas of de adellijke vrienden van Borion, maar hij had van alles genoeg. En nu had hij eindelijk het lef om er gebruik van te maken. Hij genoot van de aanblik van de pijlen die zich door de borstkassen van de wachters boorden, de mannen die hem zo vaak hadden tegengehouden. Het was kinderachtig, maar dit was een moment om aan kinderachtigheid toe te geven. Dit was het moment waarop hij alles kon doen wat hij wilde. Hij opende de deur met zijn sleutel en stapte het licht van de toren binnen. Wat zei het over de stad dat de met lampenrook gevulde lucht binnen beter was dan de buitenlucht? En toch, vandaag leek zelfs die zoet. “Wees snel,” zei hij tegen de mannen en vrouwen die volgden. “Sla snel toe.” Ze verspreidden zich, de glans van hun wapens dof in het schemerige licht. Toen er wachters uit één van de gangen kwamen, vielen ze geruisloos aan. Ulren stopte niet om naar het bloedvergieten te kijken. Dat was nu allemaal niet belangrijk. Hij beklom de ogenschijnlijk eindeloze trap die naar de bovenste kamer leidde. Hij had dit nu al zo vaak gedaan, maar elke keer weer met de verwachting dat hij daar zou arriveren als een mindere, een tweede of een derde of een mindere, in een stad waar de Eerste van Vijf de enige belangrijke persoon was. Dat was, in de ogen van Ulren, de wrede grap van deze stad. Iedereen vocht om bij de eerste vijf te horen, die samen zouden moeten werken. Maar iedereen wist dat de Eerste Steen de sterkste was. Ulren werkte al zo lang aan zijn plan om Eerste te worden dat hij zich niet kon herinneren dat hij ooit iets anders had gewild. Hij was voorzichtig geweest, ondanks het feit dat dit altijd al van hem had moeten zijn. Hij had zijn macht opgebouwd door te beginnen met het grondgebied van zijn familie, wat hij geleidelijk aan had uitgebreid. Hij had zich om zijn middelen bekommerd zoals een tuinman voor een plant zorgde. Hij was zo geduldig geweest, zo ontzettend geduldig. Hij had bijna de plaats van de Eerste Steen bemachtigd. En toen was Irrien verschenen, en moest hij weer een beroep doen op zijn geduld. De moorden waren doorgegaan terwijl hij de ladder had beklommen. Bediendes in de kleuren van de Eerste Steen waren door zijn mannen vermoord. Zonder aarzeling, zonder spijt. Felldust was een land waar zelfs de meest onschuldig uitziende slaaf een dolk onder zijn kleren verborgen kon hebben, in de hoop hogerop de komen. Er verscheen een soldaat uit de schaduw, en Ulren worstelde met hem, zoekend naar invloed. De man was sterk, hoewel dat misschien gewoon een kwestie was van zijn leeftijd die hem tegenwerkte. Ulren had de afgelopen tijd gemerkt dat zijn lichaam pijn begon te doen als hij bezig was met zijn training, en de slavenmeisjes die ooit gewillig naar hem toe waren gekomen moesten nu hun blikken van afkeer en ontzetting verbergen. Er waren dagen dat hij een kamer in liep en zich nauwelijks kon herinneren waarom hij de moeite had genomen. Maar hij was zijn sluwheid nog niet kwijt. Hij draaide mee met de kracht van de aanloop van de andere man, haakte zijn voet achter het been van zijn aanvaller, en duwde met al zijn kracht. De soldaat struikelde en viel toen van de wenteltrap. Ulren liet het aan zijn krijgers over om met hem af te rekenen. Het was voldoende dat hij niet zwak overkwam nu. “Alles is gereed in de rest van de stad?” vroeg hij aan Travlen, de priester die zijn positie had opgegeven om met hem mee te lopen. “Ja, mijn heer. Uw krijgers rekenen op dit moment met de laatste van Irriens mensen af die nog in de stad zijn. Veel van zijn handelsondernemingen hebben aangegeven zich bij u aan te willen sluiten. En wat betreft degenen die dat niet hebben gedaan, er is mij verteld dat de slachtpartijen genoeg waren om de goden zelf te behagen.” Ulren knikte. “Dat is mooi. Accepteer iedereen die wenst zich bij ons aan te sluiten, en kijk dan wie degenen die de leiding over hen hebben kan vervangen. Ik heb geen tijd voor verraders.” “Ja, mijn heer.” “Goden,” zei Ulren, “komt er ooit een einde aan deze trappen?” Een ander zou hebben overwogen om het hart van de macht van Felldust te verhuizen zodra hij de controle had, maar Ulren wist wel beter. In een land als dit was traditie heel belangrijk om de macht te behouden. Ze bereikten de bovenste verdieping, waar bediendes en slaven bezig waren met het snijden van fruit en het dragen van water, wachtend op de bevelen van de andere Stenen. Ulren bleef staan terwijl zijn krijgers zich verspreidden. “Zijn er hier slaven of bediendes van de Eerste Steen?” wilde hij weten. Er kwamen er een aantal naar voren. Wat moesten ze anders? Irrien had hen hier achter gelaten. Misschien wilde hij dat ze wachtten tot hij terug was. Misschien gaf hij simpelweg niets om hen. Irrien bestudeerde de mannen en vrouwen die voor hem stonden. Hij wist dat Irrien genoten zou hebben van de angst op hun gezichten. Hij had genoeg tijd met de Eerste Steen doorgebracht om precies te weten wat voor soort man zijn rivaal was. Ulren kon het niet schelen. “Vanaf dit moment zijn jullie allemaal mijn slaven. Mijn mannen zullen vaststellen wie van jullie het waard zijn om te houden, en wie aan de tempels geschonken zullen worden als offers.” “Maar ik ben een vrij man,” klaagde één van de bediendes. Ulren deed een stap naar voren en stak hem neer met een getand mes, omhoog door het sternum en toen door zijn rug naar buiten. “Een vrij man die de verkeerde kant heeft gekozen. Is er nog iemand die dood wil?” Ze knielden voor hem. Ulren negeerde hen en liep naar de grote dubbele deuren die de hoofdingang van de raadszaal vormden. Er waren nog andere ingangen, één voor elk van de Stenen. Dat was bedoeld om hun onafhankelijkheid te tonen. Het gaf hen in ieder geval een uitweg om te vluchten als het daartoe kwam. Hij dacht echter niet dat ze hiervoor zouden vluchten. Niet als hij het goed aanpakte. Ulren gebaarde naar zijn mensen om te wachten. Er waren verschillende manieren waarop je deze dingen kon doen. Dat was iets dat Irrien, als barbaar van het stof, nooit begrepen had. Het was één van de voordelen die de Tweede Steen over de Eerste had, en hij was van plan om er alles uit te halen. Hij stak zijn hand uit, en één van zijn bediendes overhandigde hem zijn donkere gewaden. Ulren trok ze aan en liet de kap omlaag terwijl hij naar de deuren liep. Hij had het bebloede zwaard nog in zijn hand. Het was beter om duidelijk te zijn over wat dit was. Hij liep naar één van de hoge ramen en keek uit over de stad. Het stof maakte het lastig om iets te kunnen zien, maar hij kon zich wel voorstellen wat er beneden gaande was. Er zouden krijgers door de straten rennen, die degenen die Irrien had achtergelaten opjoegen. Ze zouden gevolgd worden door schreeuwers die de verandering verkondigden. Criminelen zouden de kooplieden vertellen aan wie ze nu hun belastingen schuldig waren. De stad veranderde onder al dat stof, en Ulren had ervoor gezorgd dat het veranderde zoals hij het wilde. Toch was hij voorzichtig. Hij was al eerder klaar geweest om de zetel van de Eerste Steen over te nemen. Hij had de sterkste huurlingen ingeschakeld en een voorraad aan geheimen aangelegd, om vervolgens de troon aan een nieuwkomer te verliezen voor hij in actie kon komen. Wie was destijds de Eerste Steen geweest? Maxim? Thessa? Hij kon het zich niet herinneren, de stad was in die tijd zo vaak van machthebber veranderd. Het enige dat ertoe deed was het feit dat Irrien was verschenen en had genomen wat van hem had kunnen zijn. Ulren had overleefd door het te accepteren. Nu was de Eerste Steen te ver gegaan, en was het tijd om meer te doen. Hij liep de ruimte in waar de Vijf Stenen hun beslissingen namen. De anderen waren er al, zoals hij had gehoopt. Kas streek zorgelijk door zijn vorkbaard. Vexa las een rapport door. Borion had de bravoure van een man die wist dat er problemen waren. “Wat is dit?” vroeg hij. Ulren verspilde geen tijd aan beleefdheden. “Ik heb besloten Irrien uit te dagen.” Hij bekeek de reacties van de anderen. Kas bleef door zijn baard strijken. Vexa fronste een wenkbrauw. Borion reageerde nog het meest, maar dat had Ulren al verwacht. Hoe vaak had hij Irrien al gewaarschuwd over uitdagers? Hoe vaak had hij geholpen met zijn gokschulden? “Irrien is niet hier om uit te dagen,” merkte Borion op. Alsof daar geen precedent voor was. Dacht hij dat Ulren niet getuige was geweest van elke permutatie van de raad? “Dat maakt het al een stuk makkelijker, nietwaar?” zei Ulren. Hij liep naar voren om plaats te nemen in Irriens zetel. Tot zijn verrassing versperde Borion hem de weg. De man trok een dun zwaard. “En jij denkt dat je jezelf tot Eerste Steen kunt benoemen?” zei hij. “Een oude man die zich niet eens kan herinneren wanneer hij zijn positie heeft verkregen? Die de plek van Tweede Steen voornamelijk heeft behouden omdat Irrien geen ordeverstoring wil?” Ulren liep naar een open gedeelte. Hij deed zijn formele gewaad uit en wikkelde het losjes om zijn arm. “Denk je dat dat de reden is dat ik er nog steeds zit?” zei hij. “Wil je me echt op de proef stellen, jongen?” “Dat wil ik al jaren, maar Irrien zei steeds dat ik het niet moest doen,” zei Borion. Hij bracht zijn zwaard in de aanvalshouding. Ulren glimlachte. “Dit is je laatste kans om hier levend weg te komen,” zei Ulren, hoewel die kans in werkelijkheid al was verkeken op het moment dat de andere man zijn zwaard had getrokken. “Zoals je ziet zijn Kas en Vexa slim genoeg om dit niet te proberen. Leg je wapen weg en ga zitten. Je zou zelfs een zetel hoger kunnen komen.” “Waarom zou ik één zetel hoger willen als ik een oude man kan vermoorden en er drie hoger kan?” repliceerde Borion. Hij dook naar voren, en Ulren moest toegeven dat de jongen snel was. Ulren was in zijn jonge jaren waarschijnlijk sneller geweest, maar dat was inmiddels lang geleden. Hij had echter voldoende tijd gehad om zijn vaardigheden te ontwikkelen, en een man die afstanden goed kon inschatten hoefde niet snel te zijn. Hij gebruikte zijn tot een bal gepropte mantel om Borions zwaard te verstrikken. “Is dat alles dat je hebt, oude man?” wilde de Vijfde Steen weten. “Trucjes?” Ulren begon te lachen, en viel midden in zijn lachbui aan. Borion was snel genoeg om naar achteren te springen, maar kon niet voorkomen dat Ulrens zwaard langs zijn borst schraapte. “Trucjes kun je beter niet onderschatten, jongen,” zei Ulren. “Een man doet alles om te overleven.” Hij deed een stap naar achteren en wachtte. Borion stormde halsoverkop op hem af. Natuurlijk deed hij dat. Jongeren reageerden en bewogen in lijn met hun emoties. Ze dachten niet na. Of in elk geval niet voldoende. Borion probeerde sluw te zijn, en gebruikte schijnbewegingen die Ulren al honderd keer had gezien. Dat was het risico van jong zijn: je dacht dat je dingen had uitgevonden, dingen waar al vele mannen mee vermoord waren. Ulren deed een stap opzij en gooide zijn mantel over de jonge man heen toen hij aanviel. Borion graaide naar de stof in een poging de mantel van zich af te trekken, en op dat moment sloeg Ulren zijn slag. Hij pakte Borions arm vast zodat hij zijn zwaard niet kon gebruiken, en begon te steken. Hij deed het methodisch, consistent, met het geduld dat hij gedurende jaren van vechten had opgebouwd. Ulren zag het bloed door zijn mantel sijpelen, maar hij stopte niet tot de andere man viel. Hij had mannen van de meest ernstige verwondingen terug zien komen. Hij zou geen risico nemen. Hij stond daar, hijgend. Het was al erg genoeg geweest om die trappen te beklimmen. Moorden zorgde ervoor dat het voelde alsof zijn longen zouden barsten van de inspanning, maar Ulren liet het niet merken. Hij liep naar Irriens zetel en ging erachter staan. “Heeft één van jullie bezwaar?” vroeg hij aan Kas en Vexa. “Alleen vanwege de rotzooi,” zei Kas. “Maar daar hebben we slaven voor, volgens mij.” “Heil de Eerste Steen,” zei Vexa. Ze klonk niet bijster enthousiast. Het was een triomfantelijk moment. Bovenal was het het moment waar Ulren jarenlang naartoe had gewerkt. Nu het dan eindelijk zover was, voelde het vreemd om daadwerkelijk in de granieten zetel van de Eerste Steen te gaan zitten. “Ik heb me Irriens belangen al toegeëigend,” zei Ulren. Hij gebaarde naar waar Borion lag. “Maar voel je vrij om die van de jongen te nemen.” Dat zouden ze doen. Daar twijfelde Ulren niet aan. Dat was tenslotte hoe deze stad in elkaar zat. “En we hebben natuurlijk nieuwe Vierde en Vijfde Stenen nodig,” zei Ulren. Dat had hun teken moeten zijn om een plaats op te schuiven. Maar dat deden ze niet. Ze bleven zitten in de zetels waar ze voor hadden gevochten, en de zetel van de Tweede Steen bleef leeg. Ulren wist niet of hem dat wel beviel, ondanks het feit dat hij wel begrip had voor de angst die erachter zat. Ze schoven niet op, maar dat was een teken dat ze deze situatie niet als afgehandeld beschouwden, en dat ze het niet eens waren met de nieuwe orde. Ze bleven zitten zoals hij was blijven zitten toen Irrien de macht had gegrepen. En ze gedroegen zich alsof dit allesbehalve voorbij was. HOOFDSTUK ZES Stephania ontwaakte in een ondraaglijke pijn. Het hele universum leek zichzelf in een bal van pijn in haar buik gepropt te hebben. Het voelde alsof ze aan stukken gescheurd was… maar ja, ze was dan ook opengesneden. Die gedachte was genoeg om het haar weer te doen uitschreeuwen, en deze keer waren er geen priesters of krijgers om haar ellende aan te horen, alleen de open lucht boven haar, zichtbaar door haar waas van tranen. Ze hadden haar naar buiten gesleept en haar achtergelaten om te sterven. Het kostte haar al haar kracht om haar hoofd op te tillen en om zich heen te kijken. Ze wenste meteen dat ze het niet gedaan had. Ze was omgeven door afval, zover het oog reikte. Er lag gebroken keramiek, dierenbotten, glas en meer. Al het puin van het stadsleven strekte zich uit in een ogenschijnlijk eindeloos landschap van wanhoop. Op dat moment drong de stank tot haar door, ranzig en overweldigend. Ze rook ook de geur van dood, en toen zag Stephania de lichamen, achtergelaten alsof het niets was. In de verte dacht ze brandstapels te zien, maar ze betwijfelde of het de elegante brandstapels waren die ze gewend was. Dit waren waarschijnlijk gewoon kuilen, wachtend op meer lichamen om te verzwelgen. Stephania wist nu waar ze was. Ze lag op de vuilnisbelt voorbij de stad, waar alle afvalbakken werden geleegd, en waar de armste van de armste mensen speurden naar wat ze ook maar konden vinden. Normaal gesproken eindigden hier alleen lichamen van mensen die zich geen graf konden veroorloven, of criminelen. Stephania liet haar hoofd weer op de grond zakken, en ze wist niet hoeveel tijd er verstreek terwijl de lucht boven haar hoofd golfde. Alleen haar wilskracht weerhield haar ervan om toe te geven aan de duisternis die haar dreigde te verzwelgen. Ze dwong zichzelf om haar hoofd weer op te tillen en de pijn te negeren. Er bewogen figuren over de afvalbergen. Ze droegen gescheurde kleren en hun gezichten waren besmeurd met vuil. Veel van hen waren nauwelijks meer dan kinderen, hun voeten in vodden gewikkeld om zichzelf tegen scherpe randen te beschermen. Конец ознакомительного фрагмента. Текст предоставлен ООО «ЛитРес». Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/pages/biblio_book/?art=43694831&lfrom=334617187) на ЛитРес. Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.
КУПИТЬ И СКАЧАТЬ ЗА: 199.00 руб.