Сетевая библиотекаСетевая библиотека
Opstandeling, Pion, Koning Morgan Rice Over Kronen en Glorie #4 Morgan Rice komt met wat wederom een briljante serie belooft te zijn, en sleurt ons mee in een fantasy over heldhaftigheid, eer, moed, magie en vertrouwen in je lotsbestemming. Morgan is er weer in geslaagd om sterke personages neer te zetten voor wie we op elke pagina willen juichen… Aanbevolen voor de permanente collectie van alle lezers die houden van een goedgeschreven fantasy. Books and Movie Reviews, Roberto Mattos (over Opkomst van de Draken) OPSTANDELING, PION, KONING is boek #4 in Morgan Rice’ bestverkopende epische fantasy serie OVER KRONEN EN GLORIE, die begint met SLAAF, KRIJGER, KONINGIN (Boek #1) . De 17-jarige Ceres, een beeldschoon, arm meisje uit de stad Delos, ontwaakt in gevangenschap. Haar leger is verwoest, haar mensen zijn gevangen genomen, en het verzet is in de kiem gesmoord. Op de één of andere manier moet ze het verraad achter zich laten en verder gaan. Zal haar volk ooit zegevieren?Denkend dat Ceres nog leeft, zeilt Thanos naar het Eiland der Gevangenen. Maar daar wacht hem een onaangename verrassing. Tijdens zijn gevaarlijke reis wordt hij gekweld door de gedachte aan Stephania en hun kind, en hij voelt zich verscheurd. Maar terwijl hij worstelt om naar Delos terug te keren en zijn liefdes te vinden, wordt hij wederom geconfronteerd met verraad. Dit keer zo erg dat zijn leven nooit meer hetzelfde zal zijn. Stephania is gekwetst, maar ze laat zich niet in een hoekje duwen. Ze richt de kracht van haar woede op degenen van wie ze het meest houdt – en haar verraad, het meest gevaarlijk van allemaal, zou wel eens hetgeen kunnen zijn dat het Rijk voorgoed omver zal werpen. OPSTANDELING, PION, KONING is een episch verhaal over een tragische liefde, wraak, verraad, ambitie en lotsbestemming. Onvergetelijke personages en bloedstollende actie sleuren ons mee in een wereld die ons altijd bij zal blijven, en onze liefde voor fantasy nieuw leven in blaast. Een fantasy vol actie die de fans van Morgan Rice' eerdere nobels zeker zal bekoren, evenals fans van werken als The Inheritance Cycle door Christopher Paolini.. Fans van Young Adult Fictie zullen dit nieuwste werk van Rice verslinden en smeken om meer. The Wanderer, A Literary Journal (over Opkomst van de Draken) Boek #5 in OVER KRONEN EN GLORIE is binnenkort verkrijgbaar! OPSTANDELING, PION, KONING (OVER KRONEN EN GLORIE--BOEK 4) MORGAN RICE Morgan Rice Morgan Rice is de #1 bestverkopende en USA Today bestverkopende auteur van de epische fantasy serie DE TOVENAARSRING, die bestaat uit zeventien boeken; van de #1 bestverkopende serie DE VAMPIERVERSLAGEN, die bestaat uit twaalf boeken; van de #1 bestverkopende serie DE SURVIVAL TRILOGIE, een post-apocalyptische actiethriller bestaande uit twee boeken; en van de epische fantasy serie KONINGEN EN TOVENAARS, die bestaat uit zes boeken; en van de nieuwe epische fantasy serie OVER KRONEN EN GLORIE. Morgans boeken zijn verkrijgbaar in audio en print edities, en vertalingen van de boeken zijn verkrijgbaar in meer dan 25 talen. Morgan hoort graag van je, dus breng gerust een bezoekje aan www.morganricebooks.com (http://www.morganricebooks.com) om je in te schrijven voor de nieuwsbrief, een gratis boek te ontvangen, gratis giveaways te ontvangen, de gratis app te downloaden, op de hoogte te blijven van het laatste nieuws, en via Facebook en Twitter in contact te blijven! Geselecteerde bijvalsbetuigingen voor Morgan Rice “Als je dacht dat er geen reden meer was om te leven na het einde van DE TOVENAARSRING serie, dan had je het mis. Met DE OPKOMST VAN DE DRAKEN komt Morgan Rice wederom met wat een briljante nieuwe serie belooft te zijn. We worden verzwolgen door een fantasie over trollen en draken, moed, eer, magie en geloof in je lotsbestemming. Morgan is er weer in geslaagd om sterke personages neer te zetten, voor wie we op elke pagina juichen… Aanbevolen voor de permanente bibliotheek van iedereen die houdt van een goed geschreven fantasy novel.” --Books and Movie Reviews Roberto Mattos “Een fantasy vol actie, die ongetwijfeld fans van Morgan Rice’s voorgaande novels zal bekoren, evenals fans van werken zoals THE INHERITANCE CYCLE van Christopher Paolini… Fans van Young Adult fictie zullen dit meest recente werk van Rice verslinden en smeken om meer.” --The Wanderer, A Literary Journal (over De Opkomst van de Draken) “Een fantasy waarbij elementen van mysterie en intriges in de verhaallijn zijn verweven. Een Zoektocht van Helden draait om moed en om het besef dat een levensdoel leidt tot groei, volwassenheid, en excellentie… Voor degenen die op zoek zijn naar stevige fantasy avonturen bieden de protagonisten en de actie een krachtige verzamelingen ontmoetingen die zich richten op Thors evolutie van een dromerig kind naar een jonge volwassene, met onmogelijke overlevingskansen… Het begin van een veelbelovende epische tienerserie.” --Midwest Book Review (D. Donovan, eBook Reviewer) “DE TOVENAARSRING heeft alle ingrediënten voor direct succes: samenzweringen, intriges, mysterie, dappere ridders en opbloeiende relaties, compleet met gebroken harten, bedrog en verraad. Het zal je urenlang boeien, en is geschikt voor alle leeftijden. Aanbevolen voor de permanente collectie van alle liefhebbers van fantasy.” --Books and Movie Reviews, Roberto Mattos “In dit met actie gevulde eerste boek uit de epische Tovenaarsring serie (die nu 14 boeken bevat), stelt Rice de lezers voor aan de 14-jarige Thorgrin “Thor” McLeod, die ervan droomt om zich aan te sluiten bij de krijgsmacht van de Zilveren, de elite ridders die de koning dienen… Rice schrijft goed en de premisse is intrigerend.” --Publishers Weekly Boeken door Morgan Rice DE WEG VAN STAAL ALLEEN DE WAARDIGE (Boek #1) OVER KRONEN EN GLORIE SLAAF, KRIJGER, KONINGIN (Boek #1) REBEL, GEVANGENE, PRINSES (Boek #2) RIDDER, ERFGENAAM, PRINS (Boek #3) OPSTANDELING, PION, KONING (Boek #4) SOLDAAT, BROEDER, TOVENAAR (Boek #5) KONINGEN EN TOVENAARS DE OPKOMST VAN DE DRAKEN (Boek #1) DE OPKOMST VAN DE HELDHAFTIGE (Boek #2) DE ZWAARTE VAN EER (Boek #3) EEN SMIDSVUUR VAN MOED (Boek #4) EEN RIJK VAN SCHADUWEN (Boek#5) NACHT VAN DE DAPPEREN (Boek #6) DE TOVENAARSRING EEN ZOEKTOCHT VAN HELDEN (Boek #1) EEN MARS VAN KONINGEN (Boek #2) EEN LOT VAN DRAKEN (Boek #3) EEN SCHREEUW VAN EER (Boek #4) EEN GELOFTE VAN GLORIE (Boek #5) EEN AANVAL VAN MOED (Boek #6) EEN RITE VAN ZWAARDEN (Boek #7) EEN GIFT VAN WAPENS (Boek #8) EEN HEMEL VAN SPREUKEN (Boek #9) EEN ZEE VAN SCHILDEN (Boek #10) EEN BEWIND VAN STAAL (Boek #11) EEN LAND VAN VUUR (Boek #12) EEN HEERSCHAPPIJ VAN KONINGINNEN (Boek #13) EEN EED VAN BROEDERS (Boek #14) EEN DROOM VAN STERVELINGEN (Boek #15) EEN STEEKSPEL VAN RIDDERS (Boek #16) HET GESCHENK VAN DE STRIJD (Boek #17) DE SURVIVAL TRILOGIE ARENA EEN: SLAVERUNNERS (Boek #1) ARENA TWEE (Boek #2) ARENA DRIE (Boek #3) VAMPIER, GEVALLEN VOOR ZONSOPKOMST (Boek #1) DE VAMPIER DAGBOEKEN VERANDERD (Boek #1) GELIEFD (Boek #2) VERRADEN (Boek #3) VOORBESTEMD (Boek #4) VERLANGD (Boek #5) VERLOOFD (Boek #6) BELOOFD (Boek #7) GEVONDEN (Boek #8) HERREZEN (Boek #9) BEGEERT (Boek #10) VERDOEMD (Boek #11) GEOBSEDEERD (Boek#12) Luister naar DE TOVENAARSRING serie in audio boek formaat! Wil jij ook gratis boeken? Schrijf je in voor de e-mail lijst van Morgan Rice en ontvang 4 gratis boeken, 3 gratis kaarten, 1 gratis app, 1 gratis game, 1 gratis graphic novel, en exclusieve giveaways! Om je in te schrijven ga je naar: www.morganricebooks.com (http://www.morganricebooks.com) Copyright © 2016 door Morgan Rice. Alle rechten voorbehouden. Behalve zoals toegestaan onder de V.S. Copyright Act van 1976, mag geen enkel deel van deze publicatie worden gereproduceerd, gedistribueerd of overgedragen worden, in wat voor vorm dan ook, of worden opgeslagen in een database of zoeksysteem, zonder de voorafgaande toestemming van de auteur. Dit ebook is uitsluitend voor jou persoonlijk bedoeld. Dit ebook mag niet doorverkocht worden of weggeven worden aan andere mensen. Als je dit boek met iemand anders wil delen, schaf dan alsjeblieft een extra exemplaar aan voor elke ontvanger. Als je dit boek leest en je hebt het niet aangeschaft, of het is niet voor jouw gebruik aangeschaft, geef het dan terug en schaf je eigen exemplaar aan. Bedankt voor het respecteren van het harde werk van deze auteur. Dit is een werk van fictie. Namen, personages, bedrijven, organisaties, plaatsen, evenementen en incidenten zijn een product van de fantasie van de auteur of zijn fictief gebruikt. Enige overeenkomst met echte personen, levend of dood, is geheel toevallig. Omslagafbeelding Copyright Ivan Bliznetsov, gebruikt onder licentie van istock.com. INHOUD HOOFDSTUK EEN (#uc25e560b-3f3b-59cd-8928-e1a0e3ddffc3) HOOFDSTUK TWEE (#u4c22b8df-79b7-50ac-891b-78cd656b831a) HOOFDSTUK DRIE (#u310d3285-54a9-5fd7-b6ee-274fff9f1189) HOOFDSTUK VIER (#ub65d6f99-cc35-5bac-bdf3-f88491e696f1) HOOFDSTUK VIJF (#uac9ce998-7f41-5dd0-ad50-509ee07645e2) HOOFDSTUK ZES (#u8dca6c21-9533-5c2b-a1df-bd7edb222af7) HOOFDSTUK ZEVEN (#u2c5214f8-4444-5076-84d0-36acdce6e721) HOOFDSTUK ACHT (#u1918796e-20c3-540f-852b-aecda3722038) HOOFDSTUK NEGEN (#ubbcb77d3-aaef-56ce-b3a2-46fce7ecc603) HOOFDSTUK TIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ELF (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TWAALF (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK DERTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VEERTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIJFTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZESTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZEVENTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ACHTTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK NEGENTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK EENENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TWEEËNTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK DRIEËNTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIERENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIJFENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZESENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZEVENENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ACHTENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK NEGENENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK DERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK EENENDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK EEN Thanos voelde een knoop in zijn maag terwijl het schip over de zee schommelde en de stroming hem steeds verder en verder van huis bracht. Er was al dagen geen land in zicht geweest. Hij stond op de boeg van de boot, uitkijkend over het water, wachtend op het moment dat hij eindelijk iets zou spotten. Alleen de gedachte aan waar hij naar toe ging, naar wie hij toe ging, weerhield hem ervan de kapitein te bevelen het schip om te laten keren. Ceres. Ze was daar ergens, en hij zou haar vinden. “Je weet zeker dat je dit wil?” vroeg de kapitein, die naast hem kwam staan. “Niemand wil naar het Eiland der Gevangenen.” Wat kon Thanos daarop zeggen? Dat hij het niet zeker wist? Dat hij zich een beetje voelde zoals de boot, voortgestuwd door de roeispanen, ondanks de wind die haar de andere kant op probeerde te duwen? Maar de drang om Ceres te vinden overtrof al het andere. Het dreef Thanos, en het vooruitzicht dat hij haar zou vinden vulde hem met opwinding. Hij was er zo zeker van geweest dat ze dood was, dat hij haar nooit meer zou zien. Toen hij had gehoord dat ze misschien nog leefde, was hij overspoeld door opluchting. Hij had het gevoel gehad alsof hij zou instorten. Toch kon hij niet ontkennen dat er ook gedachten aan Stephania door zijn hoofd spookten. Ze deden hem achteromkijken en zelfs, heel even, denken aan terug gaan. Ze was tenslotte zijn echtgenote, en hij had haar in de steek gelaten. Ze was in verwachting van zijn kind, en hij was bij haar weggelopen. Hij had haar achtergelaten op de steigers. Wat voor man deed dat nu? “Ze heeft geprobeerd me te vermoorden,” herinnerde Thanos zichzelf. “Wat zei je?” vroeg de kapitein, en Thanos besefte dat hij het hardop had gezegd. “Niets,” zei Thanos. Hij zuchtte. “De waarheid is dat ik het niet weet. Ik ben naar iemand op zoek, en het Eiland der Gevangenen is de enige plek waar ze zou kunnen zijn.” Hij wist dat Ceres’ schip onderweg naar het eiland was gezonken. Als ze het had overleefd, dan lag het voor de hand dat ze daar heen had gered, of niet? Dat zou ook verklaren waarom Thanos sindsdien niets meer van haar had vernomen. Als ze in staat was geweest om naar hem terug te komen, moest Thanos geloven dat ze dat wel gedaan zou hebben. “Lijkt me een vreselijk groot risico om te nemen voor iets dat je niet weet,” zei de kapitein. “Ze is het waard,” verzekerde Thanos hem. “Ze moet wel heel speciaal zijn als ze beter is dan Vrouwe Stephania,” zei de smokkelaar met een blik die zorgde dat Thanos hem een stomp wilde verkopen. “Je hebt het wel over mijn echtgenote,” zei Thanos, en zelfs hij moest het overduidelijke probleem met die uitspraak toegeven. Hij kon haar niet verdedigen als hij degene was die haar had achtergelaten, en zij degene was die het bevel tot zijn dood had gegeven. Waarschijnlijk verdiende ze alles wat ze over haar zeiden. Als hij zichzelf daar nu maar van kon overtuigen. Als zijn gedachten aan Ceres nu maar niet steeds werden doorboord door gedachten aan Stephania, zoals ze met hem was geweest tijdens de feesten, zoals ze was geweest op stille momenten, zoals ze er de ochtend na hun huwelijksnacht uit had gezien… “Weet je zeker dat je me veilig op het Eiland der Gevangenen kunt krijgen?” vroeg Thanos. Hij was er nog nooit geweest, maar het hele eiland was gebouwd als een goed-bewaakte vesting, onontkoombaar voor degenen die er werden heen gebracht. “Oh, dat is makkelijk zat,” verzekerde de kapitein hem. “We gaan er zo nu en dan langs. De cipiers verkopen een aantal van de gevangenen die ze tot slaven hebben gemaakt. Ze binden ze aan de palen op de kust, zodat we ze kunnen zien als we in de buurt zijn.” Thanos had al een tijdje geleden besloten dat hij deze man haatte. Hij liet het echter niet merken, want op dit moment was de smokkelaar zijn enige kans om naar het eiland te komen en Ceres te vinden. “Ik wil liever geen wachters tegenkomen,” merkte hij op. De andere man haalde zijn schouders op. “Dat is makkelijk. Als we in de buurt zijn laten we je in een kleine boot zakken, en gaan we door alsof het een normaal bezoek is. Dan wachten we voor de kust tot je terug bent. Maar niet lang. Als we te lang wachten, denken ze misschien dat we iets verdachts aan het doen zijn.” Thanos twijfelde er niet aan dat de smokkelaar hem achter zou laten als zijn schip in gevaar was. Alleen het vooruitzicht op winst had hem zo ver gebracht. Een man als hij zou liefde niet begrijpen. Voor hem was het waarschijnlijk iets dat je per uur kon huren bij de havens. Maar hij had Thanos al ver gebracht. Dat was het belangrijkste. “Je moet wel beseffen dat zelfs als je deze vrouw op het Eiland der Gevangenen kunt vinden,” zei de kapitein, “ze misschien niet degene is die je je herinnert.” “Ceres zal altijd Ceres zijn,” benadrukte Thanos. Hij hoorde de andere man snuiven. “Dat kun je wel zeggen, maar je weet niet wat er daar allemaal gebeurt. Van sommige van gevangenen die ze ons als slaven verkopen is nauwelijks nog wat over. Ze kunnen niets voor zichzelf doen tenzij we hen dat opdragen.” “En daar heb jij zeker geen problemen mee,” beet Thanos. “Je bent niet zo dol op me, of wel?” vroeg de kapitein. Thanos negeerde zijn vraag en staarde naar de zee. Ze wisten allebei wat het antwoord was, en op dat moment had hij wel wat anders aan zijn hoofd. Hij moest een manier bedenken om Ceres te vinden, wat dat ook— “Is dat land?” vroeg hij wijzend. Eerst was het niets meer dan een stipje aan de horizon, vaag, omgeven door wolken en kolkende golven. Terwijl ze dichterbij kwamen voelde Thanos een broeierige angst in zich opwellen. Het eiland rees op in een serie van grijze granieten spikes, als de tanden van één of ander enorm beest. Op het hoogstgelegen punt van het eiland lag een vesting, met een vuurtoren die constant brandde, als waarschuwing voor iedereen die langskwam. Aan één kant van het eiland kon Thanos bomen zien, maar voor de rest was het kaal en dor. Terwijl ze dichterbij voeren kon hij ramen in de rotswanden van het eiland zien, alsof het hele eiland was uitgehold om de gevangenis groter te maken. Hij zag zwarte stranden die een scherp contrast vormden met de gebleekte witte botten die er lagen. Thanos hoorde geschreeuw, en trok bleek weg toen hij besefte dat hij niet wist of het zeevogels of mensen waren. Thanos duwde zijn kleine boot het strand op, ineenkrimpend bij de aanblik van de boeien die net onder de vloedlijn dreven. Zijn verbeelding vertelde hem onmiddellijk waar ze voor waren: het martelen of executeren van gevangenen met behulp van de opkomende golven. Een hoopje achtergelaten botten op de kust vertelden hun eigen verhaal. De kapitein van de smokkelboot draaide zich naar hem om en glimlachte. “Welkom op het Eiland der Gevangenen.” HOOFDSTUK TWEE De wereld voelde troosteloos voor Stephania, zonder Thanos. Het voelde kil, ondanks de warmte van de zon. Leeg, ondanks de drukte rond het kasteel. Ze staarde uit haar raam naar de stad, en ze zou alles graag tot de grond toe afbranden. Het betekende allemaal niets. Het enige dat ze kon doen was bij de ramen van haar kamers zitten, overspoeld door het gevoel dat iemand haar hart uit haar borstkas had gerukt. Misschien zou dat ook wel gebeuren. Ze had tenslotte alles voor Thanos geriskeerd. Wat was precies de straf voor het helpen van een verrader? Stephania wist wat het antwoord was, want het was hetzelfde als voor alle andere vergrijpen in het Rijk: wat de koning zou besluiten. Ze twijfelde er niet aan dat hij haar hiervoor zou laten doden. Eén van haar dienstmeisjes bood haar een kalmerende kruiden tonic aan. Stephania negeerde het, zelfs toen het meisje het op een klein stenen tafeltje naast haar neerzette. “Mijn vrouwe,” zei het meisje. “Een aantal van de anderen… ze vragen zich af… moeten we geen voorbereidingen treffen om de stad te verlaten?” “Om de stad te verlaten,” zei Stephania. Ze kon horen hoe vlak en dom haar eigen stem klonk. “Het is alleen… zijn we niet in gevaar? Na alles dat er gebeurd is, na alles dat u ons liet doen… om Thanos te helpen.” “Thanos!” Zijn naam deed haar uit haar verdoofde toestand opschrikken en ontketende een golf van woede. Stephania greep het kruidendrankje van de tafel. “Waag het niet zijn naam te noemen, dom kind! Eruit. Eruit!” Stephania smeet de beker met het stomende brouwsel naar haar toe. Het dienstmeisje dook weg, wat haar ergerde, maar het geluid van de brekende beker compenseerde dat. De bruine vloeistof droop over de muur. Stephania negeerde het. “Niemand mag me storen!” riep ze het meisje na. “Of ik laat je villen.” Stephania moest alleen zijn met haar gedachten, ondanks het feit dat het zulke duistere gedachten waren dat ze zichzelf het liefst van het balkon wilde gooien om er een einde aan te maken. Thanos was weg. Na alles dat ze had gedaan, na alles waar ze voor had gewerkt, was Thanos weg. Voor hem had ze nooit in liefde gelooft; ze was ervan overtuigd geweest dat het een zwakte was die je alleen maar kwetsbaar maakte voor pijn. Maar met hem had het het risico waard geleken. Nu bleek dat ze toch gelijk had gehad. Liefde maakte het alleen maar makkelijker voor het leven om je pijn te doen. Stephania hoorde het geluid van de deur die openging, en ze draaide zich met een ruk om, zoekend naar iets anders om te gooien. “Ik zei dat ik niet gestoord wilde worden!” beet ze, voor ze zag wie het was. “Dat is niet erg dankbaar,” zei Lucious terwijl hij binnenliep, “nadat ik je hier zo zorgvuldig heen heb laten escorteren om je veiligheid te waarborgen.” Lucious was gekleed als een prins uit één of ander verhalen boek, in wit fluweel bewerkt met gouden designs en edelstenen. Hij droeg zijn dolk aan zijn riem, maar hij had zijn gouden wapenrusting en zwaard verwijdert. Zelfs zijn haar zag er schoon uit, ontdaan van alle smet uit de stad. Stephania vond dat hij er eerder uitzag als een man die klaar was om serenades onder haar raam te zingen, dan om de verdediging van de stad te organiseren. “Geëscorteerd,” zei Stephania met een strakke glimlach. “Zo kun je het ook noemen.” “Ik heb ervoor gezorgd dat je je veilig over de door oorlog verscheurde straten van onze stad kon begeven,” zei Lucious, “mijn mannen hebben erop toegezien dat je niet het slachtoffer werd van de rebellen, of gekidnapt werd door die moordlustige man van je. Wist je dat hij ontsnapt is?” Stephania fronste. Wat voor spelletje speelde Lucious? “Natuurlijk weet ik dat,” beet Stephania. Ze ging staan, want ze vond het niet prettig als Lucious zo boven haar uit torende. “Ik was erbij.” Ze zag Lucious met spottende verbazing een wenkbrauw fronzen. “Waarom Stephania, geef je toe dat je een rol hebt gespeeld bij de ontsnapping van je echtgenoot? Want niets van het bewijs wijst daarop.” Stephania leek hem argwanend aan. “Wat heb je gedaan?” “Ik heb niets gedaan,” zei Lucious, die hier duidelijk veel te veel van genoot. “Sterker nog, ik ben ijverig op zoek geweest om de waarheid boven water te halen. Zeer ijverig.” In Lucious’ geval betekende dat dat hij mensen had gemarteld. Stephania had geen bezwaar tegen wreedheid, maar ze haalde er zeker niet zoveel plezier uit als hij. Ze zuchtte. “Hou op met spelletjes spelen, Lucious. Wat heb je gedaan?” Lucious haalde zijn schouders op. “Ik heb erop toegezien dat de dingen verlopen zoals ik wil,” zei hij. “Wanneer ik mijn vader spreek, zal ik hem vertellen dat Thanos onderweg naar buiten een aantal wachters heeft gedood, terwijl een ander heeft toegegeven dat hij hem heeft geholpen omdat hij met de rebellen sympathiseerde. Helaas heeft hij niet lang genoeg geleefd om zijn verhaal nogmaals te kunnen vertellen. Een zwak hart.” Lucious had er duidelijk voor gezorgd dat niemand die Stephania daar had gezien, het overleefd had. Hoewel Stephania walgde van zijn onverschilligheid, was een deel van haar ook al aan het uitvogelen wat dat voor haar betekende in de context van al het andere. “Helaas lijkt het erop dat één van je dienstmeisjes ook in het plot verwikkeld was,” zei Lucious. “Thanos heeft haar verleid, naar het schijnt.” Stephania werd overspoeld door woede. “Het zijn mijn dienstmeisjes!” Het was niet alleen de gedachte dat de vrouwen die haar zo trouw hadden gediend iets was aangedaan, hoewel dat al erg genoeg was. Het was de gedachte dat Lucious het lef had om iemand die overduidelijk van haar was kwaad te doen. Het was niet alleen de gedachte dat één van haar dienstmeisjes iets was overkomen, het was de belediging ervan! “En dat was het punt,” zei Lucious. “Te veel mensen hadden haar voor jou aan het werk gezien. En toen ik het meisje haar leven bood in ruil voor alles dat ze wist, was ze zeer behulpzaam.” Stephania keek weg. “Waarom doe je dit allemaal, Lucious? Je had me met Thanos mee kunnen laten gaan.” “Thanos verdiende je niet,” zei Lucious. “Hij verdiende het in elk geval niet om gelukkig te zijn.” “En waarom heb je mijn rol in zijn ontsnapping verborgen?” vroeg Stephania. “Je had kunnen toekijken hoe ze me zouden executeren.” “Daar heb ik wel over nagedacht,” gaf Lucious toe. “Of in ieder geval, ik dacht erover om de koning om je te vragen toen we het hem vertelden. Maar de kans dat hij je direct zou laten executeren was simpelweg te groot, en dat konden we niet laten gebeuren.” Alleen Lucious zou zo openlijk over iets dergelijks spreken, of hij dacht dat Stephania iets was waar hij zijn vader gewoon om kon vragen, als één of andere kostbare prul. Alleen de gedachte al haalde het bloed onder Stephania’s nagels vandaan. “Maar toen bedacht ik me,” zei Lucious, “dat ik veel te veel geniet van het spelletje dat zich tussen ons afspeelt. Het is toch niet de manier waarop ik je wil. Ik wil dat je mijn gelijke bent, mijn partner. Echt van mij.” Stephania liep het balkon op om de frisse lucht in te ademen. Lucious rook naar duur rozenwater en parfums die duidelijk ontworpen waren om zijn kwade bloed te verhullen. “Wat wil je zeggen?” vroeg Stephania, hoewel ze al een aardig idee had van wat Lucious van haar wilde. Ze wist bijna alles dat er te weten viel over de anderen in het hof, inclusief Lucious’ voorkeuren. Maar misschien was ze niet grondig genoeg geweest. Ze had niet beseft dat Lucious zijn weg in haar netwerk van informanten en spionnen had gevonden. Ze had ook niets geweten over waar Thanos mee bezig was geweest tot het te laat was. Maar ze kon de twee niet met elkaar vergelijken. Lucious had absoluut geen moralen of grenzen, en zocht actief naar nieuwe manieren om anderen pijn te doen. Thanos was sterk en principieel, liefdevol en beschermend. Maar hij was degene die haar had verlaten. Hij had haar in de steek gelaten, wetend wat er daarna zou kunnen gebeuren. Lucious reikte naar haar hand en pakte die vast in een greep die veel zachtaardiger was dan hij normaal gesproken kon opbrengen. Desondanks moest Stephania zich verzetten tegen de drang om ineen te krimpen toen hij haar hand naar zijn lippen bracht en de binnenkant van haar pols kuste, op de plek waar haar slagader liep. “Lucious,” zei Stephania terwijl ze haar hand wegtrok, “ik ben een getrouwde vrouw.” “Dat is zelden een obstakel voor mij geweest,” merkte Lucious op. “En laten we eerlijk zijn, Stephania, dat is het voor jou ook niet.” Stephania’s woede laaide weer op. “Je weet niets van me.” “Ik weet alles van je,” zei Lucious. “En hoe meer ik zie, hoe meer ik ervan overtuigd bent dat jij en ik perfect zijn voor elkaar.” Stephania liep weg, maar Lucious volgde. Natuurlijk deed hij had. Hij was niet een man die gewend was aan afwijzing. “Denk erover na, Stephania,” zei Lucious. “Ik dacht dat je een leeghoofd was, maar toen hoorde ik over het spinnenweb dat je in Delos hebt geweven. Weet je wat ik toen voelde?” “Woede om het feit dat je vernederd was?” suggereerde Stephania. “Voorzichtig,” zei Lucious. “Je wil me niet kwaad maken. Nee, ik voelde bewondering. Voorheen dacht ik dat je misschien goed genoeg was om een nacht of twee mee te slapen. Nu denk ik dat je misschien iemand bent die echt begrijpt hoe de wereld in elkaar steekt.” Oh, Stephania begreep het, beter dan iemand als Lucious ooit kon weten. Hij had zijn status om hem te beschermen tegen alles waar het leven hem ook mee zou confronteren. Stephania had alleen haar intelligentie. “En je besloot dat we het perfecte koppel zouden zijn,” zei Stephania. “Vertel dan eens, wat was je van plan om te doen aan mijn huwelijk met Thanos?” “Daar valt wat aan te doen,” zei Lucious, alsof het zo simpel was als even met zijn vingers knippen. “Na wat hij heeft gedaan dacht ik dat je wel blij zou zijn om van die verbintenis bevrijd te zijn.” Het zou beter zijn om het de priesters te laten doen, omdat Stephania anders het risico liep bezoedeld te worden door Thanos’ misdaden. Ze zou altijd de vrouw zijn die getrouwd was met een verrader, zelfs al had Lucious gezorgd dat niemand haar ooit aan de misdaden kon verbinden. “Of, als je dat niet wil,” zei Lucious, “weet ik zeker dat het niet heel lastig zal zijn om zijn ondergang te verzekeren. Tenslotte ben je daar al eerder bijna in geslaagd. Ongeacht waar hij heen is gegaan, er kan een huurling geregeld worden. Je zou kunnen rouwen voor een… gepaste periode. Ik weet zeker dat zwart je goed zou staan. Je ziet er zo mooi uit in al het andere.” Er was iets in Lucious’ blik dat Stephania een ongemakkelijk gevoel gaf, alsof hij probeerde te raden hoe ze eruitzag zonder kleding aan. Ze keek hem recht in zijn ogen en probeerde haar toon zakelijk te houden. “En dan?” wilde ze weten. “En dan trouw je met een prins die beter geschikt is voor je,” zei Lucious. “Denk aan alles dat we samen zouden kunnen doen, met de dingen die jij weet, en de dingen die ik kan doen. We zouden samen over het Rijk kunnen heersen, en het verzet zou ons nooit kunnen raken. Je moet toegeven, we zouden een mooi stel zijn.” Stephania lachte. Ze kon het niet helpen. “Nee, Lucious. Dat zouden we niet, want ik voel niets voor je behalve minachting. Je bent tuig. Bovendien ben jij de reden dat ik alles heb verloren. Waarom zou ik overwegen om met jou te trouwen?” Ze zag Lucious’ gezicht hard worden. “Ik zou je kunnen dwingen,” merkte Lucious op. “Ik zou je kunnen laten doen wat ik wil. Denk je dat ik niet alsnog zou kunnen vertellen dat je Thanos hebt geholpen te ontsnappen? Misschien heb ik dat dienstmeisje van je wel gehouden, als verzekering.” “Proberen om me tot trouwen te dwingen?” zei Stephania. Wat voor man deed dat nu? Lucious spreidde zijn handen. “Je bent niet zo heel anders dan ik, Stephania. Je speelt het spelletje. Je wil niet door een dwaas verleid worden met bloemen en juwelen. Trouwens, je zou wel leren om van me te houden. Of je het nu zou willen of niet.” Hij reikte weer naar haar, en Stephania legde haar hand tegen zijn borst. “Raak me aan en je komt deze kamer niet levend uit.” “Wil je soms dat ik ze vertel dat je Thanos hebt helpen ontsnappen?” vroeg hij. “Je vergeet je eigen rol in de situatie,” zei Stephania. “Tenslotte wist je ervan. Hoe zou de koning reageren als ik hem dat vertel?” Ze verwachtte woede van Lucious, misschien zelfs geweld. Maar in plaats daarvan zag ze hem glimlachen. “Ik wist wel dat je perfect voor me was,” zei hij. “Zelfs in jouw situatie weet je nog een manier te vinden om terug te vechten, en mooi ook. Als we samen zijn is er niets dat we niet kunnen doen. Maar het zal tijd kosten voor je dat beseft, dat weet ik. Je hebt veel meegemaakt.” Hij klonk precies zoals een bezorgde minnaar zou moeten klinken, en dat zorgde alleen maar dat Stephania hem nog meer wantrouwde. “Neem de tijd om na te denken over alles dat ik heb gezegd,” zei Lucious. “Denk over wat een huwelijk met mij jou zou kunnen bieden. Zeker vergeleken met het getrouwd zijn met een verrader. Je houdt misschien nog niet van me, maar mensen als wij nemen geen beslissingen die op dergelijke flauwekul zijn gebaseerd. We nemen beslissingen omdat we superieur zijn, en we herkennen onze gelijken als we hen zien.” Stephania leek in niets op Lucious, maar ze hield wijselijk haar mond. Ze wilde hem alleen weg hebben. “In de tussentijd,” zei Lucious toen ze geen antwoord gaf, “heb ik iets voor je. Dat dienstmeisje van je zei dat je het misschien nodig zou hebben. Ze heeft me van alles over je verteld toen ze om haar leven smeekte.” Hij haalde een flesje uit de buidel aan zijn riem en zette het op het kleine tafeltje bij het raam. “Ze vertelde me over de reden dat je van het bloedmaan festival wegging,” zei Lucious. “Over je zwangerschap. Ik kan natuurlijk nooit iets vertellen over Thanos’ kind. Drink dit, en er zullen geen problemen zijn. Op wat voor manier dan ook.” Stephania wilde het flesje naar hem toe smijten. Ze pakte het op en draaide zich om, maar hij was al vertrokken. Ze wilde het weggooien, maar hield zichzelf tegen. Ze ging weer bij het raam zitten en staarde ernaar. Het was helder, en het zonlicht scheen erdoor heen op een manier die het veel onschuldiger deed lijken dan het was. Als ze dit dronk, zou ze vrij zijn om met Lucious te trouwen, wat een afschuwelijke gedachte was. Toch zou het haar in één van de meest machtige posities van het Rijk brengen. Als ze dit dronk, zou het laatste restje van Thanos verdwenen zijn. Stephania zat daar, niet wetend wat ze moest doen. Langzaam begonnen de tranen over haar wangen te lopen. Misschien zou ze het toch opdrinken. HOOFDSTUK DRIE Ceres vocht zich wanhopig een weg naar haar bewustzijn. Ze duwde de sluiers van duisternis die haar omsingelden weg, als een vrouw die verdronk in het water. Zelfs nu nog kon ze het geschreeuw van de stervenden horen. De hinderlaag. De strijd. Ze moest zichzelf dwingen om te ontwaken, of alles was verloren… Haar ogen vlogen open en ze schoot overeind, klaar om verder te vechten. Dat probeerde ze in elk geval. Er zat iets om haar polsen en enkels dat haar tegenhield. Eindelijk verliet de slaap haar, en zag Ceres waar ze was. Ze werd omgeven door stenen muren, die een ruimte vormden die nauwelijks groot genoeg voor haar was om te gaan liggen. Er was geen bed, alleen een harde stenen vloer. Licht scheen naar binnen door een klein raampje met tralies. Ceres voelde het restrictieve gewicht van staal rond haar polsen en enkels, en ze zag de zware beugel waar kettingen haar met de muur verbonden. De dikke deur, voorzien van ijzeren banden, verklaarde haar een gevangene. De ketting verdween door een sleuf in de deur en suggereerde dat ze vanaf buiten terug naar achteren getrokken kon worden, recht tot aan de beugel, om haar tegen de muur te pinnen. Ceres werd overspoeld door woede. Ze trok aan de beugel en probeerde hem uit de muur te trekken met haar kracht. Er gebeurde niets. Het was alsof haar hoofd vol zat met mist en ze erdoor heen probeerde te kijken naar het landschap dat erachter lag. Hier en daar leek het licht van herinnering door de mist heen te breken, maar het was gefragmenteerd. Ze herinnerde zich dat de poorten van de stad open waren gegaan, dat de “rebellen” hen binnen hadden gelaten. Ze waren naar binnen gereden en hadden alles gegeven in wat ze dachten dat de slag om de stad zou zijn. Ceres zakte terug in elkaar. Ze had pijn, en sommige wonden waren dieper dan haar fysieke. “Iemand heeft ons verraden,” zei Ceres zachtjes. Ze hadden op het randje van de overwinning gestaan, en iemand had hen verraden. Vanwege geld, of angst, of de behoefte aan macht, had iemand alles waar ze voor hadden gewerkt weggegeven en hen de val in laten rijden. Toen herinnerde Ceres het zich. Ze herinnerde zich de aanblik van het neefje van Heer West, met een pijl door zijn keel. Ze herinnerde zich de blik van hulpeloosheid en ongeloof in zijn ogen, vlak voor hij uit het zadel was gevallen. Ze herinnerde zich pijlen die de zon hadden verduisterd, en barricades, en vuur. De mannen van Heer West hadden getracht om terug te vuren naar de boogschutters. Tijdens de rit naar Delos had Ceres hun vaardigheden als boogschutters te paard aanschouwd; ze waren in staat met kleine bogen en vuurpijlen te jagen, zelfs in volle galop als het nodig was. Toen ze hun eerste pijlen hadden afgevuurd, had Ceres zelfs durven hopen. Het had geleken alsof deze mannen alles aankonden. Maar dat was niet het geval geweest. Lucious’ boogschutters hadden zich op de daken verborgen, en zij waren te sterk in het nadeel geweest. Ergens in de chaos waren de pijlen aangevuld door vuurketels, en Ceres had de afschuw gevoeld toen ze mannen levend had zien verbranden. Alleen Lucious zou vuur als wapen in zijn eigen stad gebruiken. Het kon hem niet schelen als de vlammen naar de omliggende huizen oversloegen. Ceres had steigerende paarden gezien, mannen die door hun dieren werden afgeworpen. Ceres had hen moeten redden. Ze had naar de kracht die in haar zat gereikt en niets gevonden dan leegte, een troosteloos gat waar eigenlijk kracht had moeten zitten. Ze had ernaar gezocht toen haar paard begon te bokken en ze viel… Ceres dwong haar geest weer naar het heden, want er waren plekken in haar geheugen waar ze niet wilde blijven hangen. Het heden was echter niet veel beter, want buiten hoorde Ceres het geschreeuw van een man die duidelijk stervende was. Ceres baande zich een weg naar het raam, vechtend tegen haar kettingen. Zelfs dat kostte haar de grootste inspanning. Het voelde alsof iets haar vanbinnen had verbrand en het laatste beetje kracht had weggevaagd. Het voelde alsof ze nauwelijks op haar benen kon blijven staan, laat staan vechten tegen de kettingen die haar tegenhielden. Toch slaagde ze erin om bij het raam te komen. Ze klemde haar handen rond de tralies alsof ze ze eruit wilde trekken. In werkelijkheid waren de tralies de enige dingen die haar overeind hielden. Ze keek neer op de binnenplaats die aan haar nieuwe cel grensde. Ceres zag de mannen van Heer West staan, opgesteld tussen de soldaten. Ze droegen de restanten van hun wapenrusting, hoewel die bij velen was gebroken of gescheurd, en ze waren van hun wapens ontdaan. Hun handen waren vastgebonden, en veel mannen zaten op hun knieën. Er was iets verdrietigs aan het hele scenario. Niets anders had hun nederlaag zo duidelijk kunnen weergeven. Ceres herkende ook andere mensen, rebellen, en hun gezichten maakten nog meer diepgewortelde gevoelens bij haar los. De mannen van Heer West waren uit vrije wil met haar meegegaan. Ze hadden hun levens voor haar geriskeerd, en Ceres voelde zich daar verantwoordelijk voor. Maar de mannen en vrouwen daarbeneden waren degenen die ze kende. Ze zag Anka. Anka stond in het midden, haar armen achter zich aan een paal vastgebonden, zo hoog dat ze onmogelijk kon zitten of knielen om te rusten. Een touw rond haar keel dreigde haar te verstikken elke keer dat ze het waagde om te ontspannen. Ceres kon het bloed op haar gezicht zien dat daar nonchalant was achtergelaten, alsof ze totaal niet belangrijk was. De aanblik van dit alles maakte Ceres misselijk. Dit waren haar vrienden, en er zaten er een aantal bij die Ceres al jaren kende. Sommige van hen waren gewond. Ceres werd overspoeld door een golf van woede. Niemand probeerde hen te helpen. Ze knielden of stonden, net als de soldaten. En dan nog de dingen waar ze bij stonden. Ceres wist van de meeste dingen niet waar ze voor waren, maar gebaseerd op de rest kon ze daar wel naar raden. Er waren puntige palen en blokken voor onthoofdingen, galgen en vuurpotten met hete ijzers. En meer. Zo veel meer dat Ceres nauwelijks kon bevatten dat iemand kon bedenken om dit allemaal te gebruiken. Toen ze Lucious zag wist ze het. Dit was allemaal zijn schuld, en op een bepaalde manier ook de hare. Had ze hem maar sneller benaderd toen hij haar had uitgedaagd. Had ze hem maar gedood voor hij dit kon doen. Lucious stond naast de schreeuwende soldaat en draaide een zwaard door hem heen die een verse golf van doodsangst bij hem losmaakte. Ceres zag een kleine groep folteraars en beulen met zwarte kappen om hen heen staan. Ze keken toe alsof ze aantekeningen maakten, of misschien gewoon waardering hadden voor iemand met een ziek talent voor hun vak. Ceres wilde dat ze haar hand kon strekken en hen allemaal kon doden. Lucious keek op, en Ceres voelde het moment waarop zijn ogen de hare ontmoetten. Het had een vreemde overeenkomst met hetgeen waar barden over zongen, over de ogen van twee geliefden die elkaar vanaf de andere kant van een kamer ontmoetten. Alleen hier was niets dan haat. Op dat moment zou Ceres Lucious op elke manier kunnen doden. Ze kon zien wat hij met haar van plan was. Ze zag langzaam een glimlach op zijn gezicht verschijnen. Hij gaf het zwaard een laatste draai, zijn ogen nog altijd op Ceres gevestigd. Daarna rechtte hij zijn rug en veegde hij zijn bebloede handen afwezig af aan een doek. Hij stond daar als een acteur die op het punt stond een speech te geven aan een wachtend publiek. Voor Ceres zag hij eruit alsof hij niets meer was dan een slager. “Alle mannen en vrouwen hier zijn verraders van het Rijk,” verklaarde Lucious. “Maar ik denk dat we allemaal weten dat het niet jullie schuld is. Jullie zijn misleid. Omgekocht door anderen. Gecorrumpeerd door één persoon in het bijzonder.” Ceres zag dat hij weer een blik in haar richting wierp. “Dus ik zal genade bieden aan de gewone mensen onder jullie. Kruip voor me. Smeek me om jullie tot slaven te maken, en jullie blijven leven. Het Rijk heeft altijd behoefte aan meer werkpaarden.” Niemand bewoog. Ceres wist niet of ze trots moest zijn, of naar hen moest schreeuwen dat ze zijn aanbod moesten accepteren. Ze moesten wel weten wat hen te wachten stond. “Niet?” zei Lucious, en er zat een hint van verbazing in zijn toon. Misschien, dacht Ceres, had hij oprecht verwacht dat iedereen daar bereid was om zichzelf aan de slavernij over te geven om te overleven. Misschien begreep hij echt niet waar het verzet om draaide, of dat er dingen bestonden die erger waren dan de dood. “Niemand?” Toen zag Ceres de schijn van een kalme beheersing als een masker van hem afvallen, en kwam zijn ware aard naar boven. “Dit is wat er gebeurt als jullie dwazen luisteren naar tuig dat jullie wil misleiden!” zei Lucious. “Jullie vergeten wat je plek is! Jullie vergeten dat er consequenties zijn voor wat jullie doen! Wel, ik zal jullie aan die consequenties herinneren. Jullie gaan sterven, één voor één, en dat gaat gebeuren op manieren waar mensen nog lang over zullen fluisteren elke keer dat ze overwegen om hun meerderen te verraden. En om te zorgen dat niemand het vergeet, laat ik jullie families hierheen komen om toe te kijken. Ik brand ze uit hun armzalige krotten, en ik zal zorgen dat ze opletten terwijl jullie het uitschreeuwen!” Hij zou het nog doen ook; daar twijfelde Ceres niet aan. Ze zag hem naar één van de soldaten wijzen, en toen naar één van de instrumenten. “Begin met deze. Eigenlijk maakt het niet uit. Het scheelt me niks. Zorg ervoor dat ze allemaal lijden voordat ze sterven.” Hij wees naar Ceres’ cel. “En zorg dat zij als laatste is. Laat haar zien hoe ze sterven. Ik wil dat ze gek wordt. Ik wil dat ze begrijpt hoe machteloos ze echt is, ongeacht hoeveel bloed van de Ouden ze zegt te hebben.” Ceres duwde zichzelf weg van de tralies, maar blijkbaar stonden er mannen aan de andere kant van de deur te wachten. De kettingen rond haar polsen en enkels werden strakgetrokken en sleurden haar terug naar de muur. Ze kon niet meer dan vijf centimeter in elke richting bewegen. Ze kon ook niet wegkijken van het raam, waardoor ze één van de beulen de scherpte van een bijl zag controleren. “Nee,” zei ze terwijl ze zichzelf probeerde te vullen met een zelfverzekerdheid die ze niet voelde. “Nee, dit laat ik niet gebeuren. Ik zal een manier vinden om het tegen te houden.” Ze reikte niet alleen in zichzelf om haar kracht te vinden. Ze dook in de ruimte waar de energie normaal gesproken op haar wachtte. Ceres dwong zichzelf om de geestestoestand te bereiken die ze van de bosmensen had geleerd. Ze joeg op de kracht die ze had vergaard alsof ze achter een of ander wild dier aan zat. Maar het bleef even ongrijpbaar. Ceres probeerde alles dat ze kon bedenken. Ze probeerde zichzelf te kalmeren. Ze probeerde zich de sensaties te herinneren die ze had gevoeld bij het gebruiken van haar kracht. Ze probeerde het te dwingen met haar wilskracht. Wanhopig probeerde ze zelfs te smeken, alsof haar kracht een afzonderlijk wezen was in plaats van een fragment van haarzelf. Het werkte niet. Ceres gooide zichzelf in de kettingen die haar in bedwang hielden. Ze voelde hoe ze in haar polsen en enkels beten, maar ze kon nog geen armlengte aan ruimte winnen. Ceres had het staal makkelijk moeten kunnen breken. Ze had in staat moeten zijn om zichzelf te bevrijden en de anderen te redden. Maar op dat moment lukte het niet, en het ergste was dat ze niet eens wist waarom. Waarom hadden de krachten die ze al zo vaak had gebruikt haar zo plotseling verlaten? Waarom was het zo ver gekomen? Waarom kon ze haar kracht niet laten doen wat ze wilde? Ceres voelde de tranen in haar ogen prikken terwijl ze wanhopig zocht naar een manier om iets te doen. Om te helpen. Buiten gingen de executies van start, en Ceres kon niets doen om ze tegen te houden. Bovendien wist ze dat wanneer Lucious klaar was met de anderen, zij zelf aan de beurt was. HOOFDSTUK VIER Sartes ontwaakte, klaar om te vechten. Hij probeerde op te staan, viel toen het niet lukte, en werd door de laars van een ruig-uitziende figuur naar achteren getrapt. “Dacht je dat er ruimte voor je was om hier te bewegen?” beet hij. De man had een geschoren hoofd en tatoeages, en hij miste een vinger van één of ander gevecht. Er was een tijd geweest dat Sartes waarschijnlijk angst had gevoeld voor zo’n man. Maar dat was voor het leger en het verzet. Dat was voordat hij had gezien hoe het echte kwaad eruitzag. Er waren nog andere mannen, samengedrukt in een kleine ruimte met houten wanden. Het enige licht scheen door een paar spleten naar binnen. Het was net voldoende voor Sartes om bij te zien, en wat hij zag was allesbehalve bemoedigend. De man tegenover hem was waarschijnlijk één van de minst ruig uitziende mannen in de ruimte. Even voelde Sartes wel angst, en niet alleen vanwege wat zij hem aan zouden kunnen doen. Wat stond hem te wachten als hij in een ruimte met mannen als deze vastzat? Hij voelde beweging, en Sartes waagde het de zware jongens de rug toe te keren zodat hij door één van de spleten in de houten wand kon kijken. Buiten zag hij een stoffig, rotsachtig landschap voorbijglijden. Hij herkende het gebied niet, maar hoever van Delos kon hij nu zijn? “Een wagen,” zei hij. “We zitten in een wagen.” “Luister naar de jongen,” zei de man met het geschoren hoofd. Hij imiteerde Sartes’ stem, hoewel dat nauwelijks hoorbaar was. “We zitten in een wagen. Wat een wijsneus, deze jongen. Nou, wijsneus, wat dacht je van je bek dichthouden? Het is al erg genoeg dat we onderweg zijn naar de teerputten zonder dat jij aan een stuk doorratelt.” “De teerputten?” zei Sartes, en hij zag woede in de ogen van de man. “Ik dacht dat ik zei dat je je bek moest houden,” beet de schurk. “Misschien moet ik een paar tanden door je strot slaan?” Een andere man strekte zich uit. De afgesloten ruimte leek nauwelijks groot genoeg voor hem. “De enige die ik hoor praten ben jij. Waarom houden jullie allebei je bek niet dicht?” Het feit dat de kaalgeschoren man direct gehoorzaamde, vertelde Sartes veel over hoe gevaarlijk deze andere man was. Sartes wist van zijn tijd uit het leger dat dit soort mannen geen vrienden hadden: ze hadden alleen aanhangers en slachtoffers. Het was lastig om stil te zijn nu hij wist waar ze heengingen. De teerputten waren één van de ergste straffen die het Rijk had; zo gevaarlijk en akelig dat degenen die erheen werden gestuurd geluk hadden als ze het een jaar volhielden. Het was een hete, dodelijke plek, waar de botten van dode draken uit de grond staken, en de wachters zonder pardon een zieke of bezweken gevangene de teer in smeten. Sartes probeerde zich te herinneren hoe hij hier terecht was gekomen. Hij was op verkenningstocht gegaan voor de rebellen, om een poort te vinden waar Ceres met de mannen van Heer West de stad in kon komen. Hij had hem gevonden. Sartes herinnerde zich hoe blij hij zich toen had gevoeld, want de poort was perfect geweest. Hij was terug gerend om het de anderen te vertellen. Hij was zo dichtbij geweest toen de in een mantel gehulde figuur hem had gegrepen; dichtbij genoeg om de ingang naar de schuilplaats van de rebellen aan te kunnen raken. Hij had eindelijk het gevoel gehad dat hij veilig was, en toen hadden ze het hem afgenomen. “Vrouwe Stephania doet de groeten.” De woorden galmden door Sartes’ geheugen. Het waren de laatste woorden die hij gehoord had voor ze hem bewusteloos hadden geslagen. Met die ene zin hadden ze hem duidelijk gemaakt wie er voor deze actie verantwoordelijk was, en hoe hard hij had gefaald. Ze hadden hem zo dichtbij laten komen. Ceres en de anderen hadden dus nooit de informatie gekregen die Sartes hen had willen geven. Hij maakte zich zorgen over zijn zus, zijn vader, Anka en de rebellen, niet wetend wat er met hen zou gebeuren zonder de poort die hij voor hen had gevonden. Zouden ze zonder zijn hulp ook de stad in weten te komen? Hadden ze dat kunnen doen, corrigeerde Sartes zichzelf. Want inmiddels zou het al voorbij moeten zijn. Ze hadden wel een andere poort gevonden, of een andere manier om de stad in de komen, toch? Dat moest wel, want wat was het alternatief? Sartes wilde er niet over nadenken, maar dat was onmogelijk. Het alternatief was dat ze gefaald hadden. In het beste geval hadden ze beseft dat er geen weg naar binnen was zonder een poort te bezetten, en zaten ze in de val terwijl het leger voortschreed. In het ergste geval… in het ergste geval waren ze al dood. Sartes schudde zijn hoofd. Dat kon hij niet geloven. Dat kon hij niet. Ceres zou een manier vinden om toch de stad binnen te komen, een manier om te winnen. Anka was de meest vindingrijke persoon die hij kende. Zijn vader was sterk en betrouwbaar, en de andere rebellen hadden de vastberadenheid die kwam met de wetenschap dat hun doel een rechtvaardig doel was. Ze zouden een manier vinden om te overwinnen. Sartes moest bedenken dat wat er nu met hem gebeurde ook maar tijdelijk was. De rebellen zouden winnen, wat betekende dat ze Stephania gevangen zouden nemen en zij hen zou vertellen wat ze had gedaan. Ze zouden hem komen halen, net zoals zijn vader en Anka waren gekomen toen hij vast zat in het legerkamp. Maar wat een afschuwelijke plek, waar ze heen zouden moeten. Sartes keek naar buiten terwijl de wagen over het landschap hobbelde. Hij zag het vlakke terrein plaats maken voor kuilen en rotsen, borrelende vijvers van duisternis en hitte. Zelfs vanaf waar hij zat kon hij de scherpe, bittere stank van de teer ruiken. Er waren rijen van mensen aan het werk. Sartes zag de kettingen die hen in paren verbonden terwijl ze emmers teer verzamelden zodat anderen die konden gebruiken. Hij zag de wachters met hun zwepen, en terwijl Sartes toekeek zag hij een man bezwijken onder het pak slaag dat hij kreeg. De wachters maakten zijn kettingen los en schopten hem de dichtstbijzijnde teerput in. De teer deed er lang over om zijn geschreeuw te verzwelgen. Sartes wilde zijn blik afwenden, maar hij kon het niet. Hij kon zijn ogen niet van de verschrikkingen afhouden. Van de kooien in de open lucht die duidelijk als verblijfplaatsen van de gevangenen dienden. Van de wachters die hen als beesten behandelden. Hij keek toe tot de wagen tot stilstand kwam en soldaten hem opendeden, wapens in de ene hand en kettingen in de anderen. “Gevangenen, naar buiten,” riep één van hen. “Naar buiten, of we steken die wagen met jullie erin in de fik, uitschot!” Sartes schuifelde met de anderen het licht in, en nu kon hij de verschrikkingen in volle hevigheid ervaren. De teerdampen waren bijna overweldigend. De teerputten borrelden in vreemde, onvoorspelbare ritmes. Terwijl Sartes om zich heen keek, zag hij een stuk grond bij één van de putten inzakken en in de teer vallen. “Dit zijn de teerputten,” verkondigde de soldaat die had gesproken. “Neem vooral niet de moeite om eraan gewend te raken. Tegen die tijd zijn jullie toch allang dood.” Het ergste was, dacht Sartes terwijl ze zijn enkel boeiden, was dat ze waarschijnlijk nog gelijk hadden ook. HOOFDSTUK VIJF Thanos duwde zijn kleine boot het strand op, zijn blik afgewend van de boeien die vlak onder de oppervlakte dreven. Hij liep het zwarte, rotsachtige strand op en voelde zich met elke stap kwetsbaarder. Het was veel te makkelijk om gezien te worden hier, en dat was wel het laatste dat Thanos wilde. Hij krabbelde een pad op en stopte. Zijn afkeer kreeg gezelschap van woede toen hij zag wat er langs het pad lag. Er lagen instrumenten, stroppen en spikes, houten wielen voor het radbraken, en galgen, allemaal duidelijk bedoeld om de gevangenen een pijnlijke dood te bezorgen. Thanos had al verhalen verhoord over het Eiland der Gevangenen, maar hij wilde nu niets liever dan alle kwaadaardigheid hier van de aardbodem vagen. Hij bleef het pad volgen, denkend aan hoe het zou zijn voor degenen die hier moesten lopen, ingesloten door rotswanden, wetend dat alleen de dood op hen wachtte. Was Ceres echt hier terecht gekomen? Alleen de gedachte al was genoeg om Thanos’ maag te doen samentrekken. Voor zich hoorde Thanos geschreeuw en gehuil dat bijna even dierlijk als menselijk klonk. Er was iets aan het geluid dat hem deed verstijven. Zijn lichaam vertelde hem om zich voor te bereiden op geweld. Hij haastte zich van het pad af en tuurde over de rotsen die hem het zicht benamen. Hij staarde voor zich uit. Er rende een man voorbij, wiens blote voeten bloederige vegen op de steenachtige grond achterlieten. Zijn kleren waren gescheurd, er hing een mouw los aan zijn schouder, en een grote scheur in de achterkant van zijn shirt liet een onderliggende wond zien. Hij had wild haar en een nog wildere baard. Alleen het feit dat zijn gescheurde kleren van zijde waren, liet zien dat hij niet zijn hele leven zo wild had geleefd. De man die hem achtervolgde zag er nog wilder uit, en er was iets aan hem dat Thanos het gevoel gaf alsof hij de prooi van één of ander wild beest was. Hij droeg een mengeling van verschillende leersoorten die eruitzagen alsof ze van verschillende bronnen waren gestolen, en er zaten strepen modder op in een patroon dat Thanos deed vermoeden dat het bedoeld was als schutkleur. Hij had een knuppel en een korte dolk bij zich, en het geluid dat hij uitbracht tijdens zijn achtervolging deed Thanos’ haren recht overeind staan. Instinctief kwam Thanos in beweging. Hij kon niet zomaar blijven toekijken hoe iemand werd vermoord. Zelfs niet hier, waar iedereen een misdadiger was. Hij haastte zich over de helling en sprintte naar een plek waar de twee voorbij zouden rennen. De eerste man rende om hem heen. De tweede pauzeerde met een scherpgetande grijns. “Nog één om op te jagen,” zei hij, en hij besprong Thanos. Thanos reageerde met de snelheid die hij tijdens zijn training had ontwikkeld, en ontweek de eerste messteek. De knuppel raakte hem op zijn schouder, maar hij negeerde de pijn. Hij haalde scherp uit met zijn vuist en voelde de impact toen hij de kaak van de andere man raakte. Hij viel, bewusteloos voordat hij de grond raakte. Thanos keek om zich heen en zag de eerste man naar hem staren. “Maak je geen zorgen,” zei Thanos, “ik zal je geen kwaad doen. Ik ben Thanos.” “Herek,” zei de andere man. Thanos merkte dat zijn stem roestig klonk, alsof hij al een lange tijd niet meer tegen iemand had gesproken. “Ik—” Er klonk weer geschreeuw uit het beboste deel van het eiland. Dit keer leken het meerdere stemmen te zijn, verenigd op een manier die zelfs Thanos angstaanjagend vond. “Snel, deze kant op.” De andere man greep Thanos’ arm en trok hem richting de hoger gelegen rotsen. Thanos volgde en dook een ruimte in die niet zichtbaar was vanaf het pad, maar waar ze wel de boel in de gaten konden houden. Thanos voelde de angst van de andere man terwijl ze daar hurkten, en hij probeerde zich zo stil mogelijk te houden. Thanos wilde dat hij eraan gedacht had om het mes van de man die hij had neergeslagen te pakken, maar daar was het nu te laat voor. Hij kon alleen maar hier wachten tot de andere jagers weg waren. Hij zag hen naderen in een groep, en geen twee mannen leken op elkaar. Ze hadden wapens bij zich die duidelijk waren vervaardigd van wat ze toen ook maar voorhanden hadden, terwijl degenen die meer droegen dan de meest minimale stukjes kleding een vreemde mengelmoes van dingen hadden die overduidelijk gestolen waren. Er waren mannen en vrouwen. Ze zagen er hongerig en gevaarlijk uit, half-verhongerd en verdorven. Thanos zag één van de vrouwen met haar voet tegen de bewusteloze man aan duwen. Hij werd overspoeld door angst, want als de man zou ontwaken zou hij de anderen kunnen vertellen wat er was gebeurd, en dan zouden ze naar hen op zoek gaan. Maar hij werd niet wakker, want de vrouw knielde en sneed zijn keel door. Thanos’ spieren spanden zich. Naast hem legde Herek een hand op zijn arm. “De Verlatenen hebben geen tijd voor welke vorm van zwakte dan ook,” fluisterde hij. “Ze jagen op iedereen, want degenen in het fort geven hen niets.” “Het zijn gevangenen?” vroeg Thanos. “We zijn allemaal gevangenen hier,” antwoordde Herek. “Zelfs de cipiers zijn slechts gevangenen die zichzelf hebben opgewerkt en die voldoende vreugde halen uit wreedheid om het werk van het Rijk te doen. Maar jij bent geen gevangene, of wel? Je ziet er niet uit als iemand die in de vesting is geweest.” “Dat ben ik niet,” gaf Thanos toe. “Deze plek… het zijn gevangenen die het andere gevangenen aandoen?” Het ergste was nog dat hij het zich wel kon voorstellen. Het was typisch iets voor de koning, zijn vader, om dit te bedenken. Gevangenen naar een soort hel sturen en hen vervolgens de kans geven om meer pijn te vermijden als ze de boel draaiende hielden. “De Verlatenen zijn het ergst,” zei Herek. “Als gevangenen zich niet onderwerpen, als ze te kwaad of te koppig zijn, als ze niet willen werken of zich verzetten, dan worden ze met niets naar buiten gegooid. De cipiers jagen ze op. De meesten smeken om terug te mogen.” Thanos wilde er niet over nadenken, maar hij moest wel. Ceres kon hier zijn. Hij hield zijn blik op de groep verwilderde gevangenen en fluisterde naar Herek. “Ik ben naar iemand op zoek,” zei Thanos. “Ze is misschien hierheen gebracht. Haar naam is Ceres. Ze heeft in het Stadion gevochten.” “De krijgsprinses,” fluisterde Herek terug. “Ik heb haar in het Stadion zien vechten. Maar nee, ik had het wel geweten als ze hier heen was gebracht. Ze paraderen graag met de nieuwkomers, zodat ze kunnen zien wat hen te wachten staat. Haar zou ik me wel herinneren.” Thanos’ hart viel als een steen in een vijver. Hij was er zo zeker van geweest dat Ceres hier was. Hij had alles gedaan om hier te komen, simpelweg omdat het de enige aanwijzing was die hij had over waar ze was. Als ze hier niet was… waar moest hij dan heen? De hoop die hij had gehad begon weg te druipen, net als het bloed van Hereks voet, waar de stenen in zijn huid hadden gesneden. Het bloed waar de Verlatenen nu naar staarden, het spoor dat ze volgden… “Rennen!” schreeuwde Thanos. De noodzaak won het van zijn liefdesverdriet terwijl hij Herek met zich meesleurde. Hij klauterde over de rotsen in de richting van de vesting, omdat hij vermoedde dat hun achtervolgers daar niet heen wilden. Toch volgden ze hen, en Thanos moest Herek met zich meetrekken om hem rennend te houden. Er suisde een speer langs zijn hoofd. Thanos deinsde ineen maar hij stopte niet. Hij wierp een blik achterom en zag de slanke gedaanten van de gevangenen dichterbij komen. Ze joegen hen op als een roedel wolven. Thanos wist dat hij zich om moest draaien en vechten, maar hij had geen wapens. Het enige dat hij zou kunnen doen was een steen grijpen. Vanachter de rotsen die voor hen lagen rezen figuren in donker leer en maliënkolder shirts op. Ze hadden hun bogen gespannen. Thanos reageerde instinctief en sleurde Herek met zich mee naar de grond. Pijlen vlogen over hen heen, en Thanos zag de groep verwilderde gevangenen als afgesneden maisplanten tegen de vlakte gaan. Eén van hen wilde op de vlucht slaan, maar werd door een pijl in haar rug geraakt. Thanos ging staan terwijl een trio mannen naar hen toe liep. De voorste, met zilveren haar en een hoekig postuur, zwaaide zijn boog op zijn rug en trok een lang mes tevoorschijn. “Jij bent Prins Thanos?” wilde hij weten. Op dat moment wist Thanos dat hij verraden was. De kapitein van de smokkelboot had hen verteld waar hij was, in ruil voor goud of simpelweg omdat hij geen problemen wilde. Hij dwong zichzelf om rechtop te staan. “Ja, ik ben Thanos,” zei hij. “En jij bent?” “Ik ben Elsius, cipier van deze plek. Men noemde me ooit Elsius de Slachter. Elsius de Killer. Nu verdienen degenen die ik dood hun lot.” Thanos had die naam eerder gehoord. Het was een naam die de kinderen waar hij mee was opgegroeid gebruikt hadden om elkaar bang te maken. De naam van een edelman die had gemoord en gemoord tot zelfs het Rijk had besloten dat hij te gevaarlijk was om vrij rond te lopen. Ze hadden verhalen verzonnen over die dingen die hij deed met de mensen die hij gevangennam. Thanos hoopte in elk geval dat de verhalen verzonnen waren. “Ga je me nu vermoorden?” Thanos probeerde uitdagend te klinken, ondanks het feit dat hij geen wapens had. “Oh nee, mijn prins, we zijn iets heel anders met je van plan. Je gezelschap daarentegen…” Thanos zag dat Herek probeerde op te staan, maar hij was niet snel genoeg. De leider deed een stap naar voren en deelde zijn eerste messteek uit met een levendige efficiëntie. Het mes gleed in de andere man en eruit, erin en eruit. Hij hield Herek overeind, alsof hij wilde voorkomen dat hij stierf voor hij klaar was. Uiteindelijk liet hij het levenloze lichaam van de gevangene los. Toen hij zich weer naar Thanos omdraaide, was er bijna niets menselijks in zijn gezicht te zien. “Hoe voelt het nu, Prins Thanos,” vroeg hij, “om een gevangene te zijn?” HOOFDSTUK ZES Lucious was van de geur van brandende huizen gaan houden. Er was iets rustgevends aan, maar ook iets dat hem opwond bij het vooruitzicht van alles dat ging komen. “Wacht ze op,” zei hij vanaf zijn plek op een groot strijdros. Om hen heen spreidden zijn mannen zich uit om de huizen te omsingelen. Het waren nauwelijks huizen eigenlijk, niets meer dan krotten die zo armzalig waren dat het niet eens de moeite waard was om ze te plunderen. Misschien zouden ze later nog eens door het as ziften. Maar nu was het tijd voor plezier. Lucious zag beweging uit zijn ooghoeken toen de eerste mensen schreeuwend hun huizen uitrenden. Hij wees met zijn gehandschoende hand, en het zonlicht weerspiegelde op zijn gouden wapenrusting. “Daar!” Hij spoorde zijn paard al steigerend aan tot een galop, hief een speer en wierp hem naar één van de rennende figuren. Naast hem haalden zijn mannen de mannen en vrouwen in, hakkend en moordend. Hier en daar lieten ze er één leven, als ze dachten dat het de opbrengst op de slavenmarkt waard zou zijn. Het afbranden van een dorp was, zo had Lucious ondervonden, een vorm van kunst. Het was belangrijk om niet blindelings het dorp te bestormen en alles maar in brand te steken. Dat was wat amateurs deden. Als je onvoorbereid naar binnen stormde, dan sloegen mensen op de vlucht. Als je huizen in de verkeerde volgorde verbrandde, dan bestond de kans dat er waardevolle spullen werden achtergelaten. Als je te veel ontsnappingsroutes openliet, dan waren de rijen met slaven waren korter dan ze moesten zijn. Het belangrijkste was een goede voorbereiding. Hij had zijn mannen zich in een cordon voor het dorp laten opstellen, waarna hij in zijn oh zo opvallende wapenrusting naar binnen was gereden. Een aantal van de boeren waren gevlucht toen ze hem zagen, en Lucious had daarvan genoten. Het voelde goed om gevreesd te zijn. Het was ook terecht. Nu waren ze bij de volgende fase, waar ze een aantal van de minst waardevolle huizen verbrandden. Van bovenaf, natuurlijk, door fakkels op het rieten dak te gooien. Mensen konden niet vluchten als je hun schuilplaatsen vanaf de grond in brand stak, en als ze niet vluchtten was er geen entertainment. Later zou er tijd zijn voor een traditionele plundering, gevolgd door het martelen van degenen die vermoedelijk met de rebellen sympathiseerden, of zij die misschien kostbaarheden verborgen hielden. En daarna de executies, natuurlijk. Lucious glimlachte bij de gedachte. Normaal gesproken gebruikte hij ze alleen om een voorbeeld te geven. Maar vandaag zou zijn aanpak wat… grondiger zijn. Hij betrapte zichzelf erop dat hij aan Stephania dacht terwijl hij door het dorp reed en zijn zwaard trok om links en rechts te hakken. Normaal gesproken zou hij niet zo goed hebben gereageerd op iemand die hem op die manier afwees. Als één van de jonge vrouwen in dit dorp het had gedaan, zou Lucious hen waarschijnlijk levend gevild hebben in plaats van hen naar de slavenkuilen te sturen. Maar Stephania was anders. Het was niet alleen dat ze mooi en elegant was. Toen hij nog had gedacht dat dat alles was, had hij het idee om haar te laten knielen als een verheven huisdier gewoon vermakelijk gevonden. Nu bleek dat ze meer om het lijf had, merkte Lucious dat zijn gevoelens veranderden. Ze was niet alleen het perfecte ornament voor een toekomstige koning; ze was iemand die begreep hoe de wereld in elkaar zat, en die bereid was om plannen te smeden om te krijgen wat ze wilde. Dat was één van de redenen dat Lucious had besloten haar te laten gaan; hij genoot te veel van het spelletje tussen hen. Hij had haar in het nauw gedreven, en ze was bereid geweest om hem met zich mee naar beneden te sleuren. Hij vroeg zich af wat haar volgende zet zou zijn. Hij werd uit zijn gedachten opgeschrikt door de aanblik van twee van zijn mannen die een gezin het mes op de keel hadden gezet: een dikke man, een oudere vrouw, en drie kinderen. “Waarom ademen ze nog?” vroeg Lucious. “Uwe hoogheid,” smeekte de man, “alstublieft. Mijn gezinsleden zijn altijd de meest trouwe onderdanen van uw vader geweest. We hebben niets te maken met de rebellen.” “Dus je zegt dat ik het bij het verkeerde eind heb?” vroeg Lucious. “We zijn trouw, uwe hoogheid. Alstublieft.” Lucious hield zijn hoofd schuin. “Goed dan, omdat je zo trouw bent, zal ik ruimhartig zijn. Ik laat één van je kinderen leven. Ik laat jou zelfs kiezen welke. Sterker nog, ik beveel het je.” “M-maar… we kunnen niet tussen onze kinderen kiezen,” zei de man. Lucious wendde zich tot zijn mannen. “Zie je? Zelfs als ik bevelen geef gehoorzamen ze niet. Maak ze allemaal af, en verspil mijn tijd niet meer met dergelijke gevallen. Iedereen in dit dorp wordt gedood of tot slaaf gemaakt. Ik zeg het niet nog een keer.” Hij reed weg, in de richting van meer brandende gebouwen, terwijl het geschreeuw achter hem oprees. Het was echt een mooie ochtend. HOOFDSTUK ZEVEN “Werk sneller, luie welpen!” riep de wachter, en Sartes kromp ineen bij de stekende pijn van de zweep die over zijn rug ging. Als hij had gekund, was hij het gevecht met de wachter aangegaan. Maar zonder wapen was het zelfmoord. In plaats van een wapen had hij alleen een emmer. Hij was vastgeketend aan een andere gevangene, en er werd van hem verwacht dat hij de teer verzamelde en in grote vaten goot, zodat het gebruikt kon worden om boten en daken mee af te werken, om de gladste stenen mee op te vullen en muren waterdicht mee te maken. Het was hard werken, en het feit dat hij aan iemand anders was vastgeketend maakte het alleen maar lastiger. De jongen waar ze hem aan hadden vastgeketend was niet veel groter dan Sartes en zag er nog veel dunner uit. Sartes wist nog niet hoe hij heette, want de wachters straften iedereen die teveel praatte. Ze waren waarschijnlijk bang dat ze een opstand aan het plotten waren, dacht Sartes. En kijkend naar een aantal van de mannen om hen heen, was dat misschien ook wel zo. De teerputten waren de plek waar de slechtste mensen in Delos heen werden gestuurd, en dat was te zien. Er werd gevochten om eten, en over wie het sterkst was, hoewel niemand dat lang volhield. Als de wachters toekeken, hielden de mannen hun hoofden gebogen. Degenen die dat niet deden werden al snel geslagen of in de teer gegooid. De jongen die aan Sartes was vastgeketend leek niet op de rest. Hij was broodmager en spichtig, en zag eruit alsof hij zou kunnen breken onder de inspanning van het werk. Zijn huid was smerig en bedekt met brandwonden van waar de teer hem had geraakt. Er dreef een pluim van gas uit de kuil. Sartes slaagde erin zijn adem in te houden, maar zijn compagnon had niet zoveel geluk. Hij begon te hoesten en te proesten, en Sartes voelde het geruk aan de ketting terwijl hij hem zag struikelen. Hij begon te vallen. Sartes hoefde niet na te denken. Hij liet zijn emmer vallen, dook naar voren en hoopte dat hij snel genoeg zou zijn. Hij voelde zijn vingers rond de arm van de jongen sluiten, zo dun dat Sartes vingers er helemaal omheen pasten, als een tweede boei. De jongen tuimelde richting de teer en Sartes trok hem terug naar boven. Sartes kon de hitte voelen, en deinsde bijna terug toen hij zijn huid voelde branden. Maar hij bleef de jongen stevig vasthouden en liet hem niet los tot hij weer in veiligheid was. De jongen hoestte en sputterde, maar leek te worstelen met zijn woorden. “Het is goed,” verzekerde Sartes hem. “Je bent in orde. Stil maar.” “Dank je,” zei hij. “Help… me… omhoog. De wachters—” “Wat is hier aan de hand?” bulderde een wachter. Hij zette zijn woorden kracht bij met een zweepslag, die zorgde dat Sartes het uitschreeuwde. “Wat zijn jullie hier aan het luieren?” “Het waren de dampen, heer,” zei Sartes. “Hij werd er even door overvallen.” Dat leverde hem nog een zweepslag op. Sartes wilde dat hij een wapen had. Iets dat hij kon gebruiken om terug te vechten. Maar hij had alleen maar zijn emmer hier, en bovendien waren er veel te veel wachters. Natuurlijk zou Ceres wel een manier hebben gevonden om hen allemaal te verslaan met een emmer, en die gedachte deed hem glimlachen. “Je spreekt pas als ik daar toestemming voor geef,” zei de soldaat. Hij gaf de jongen die Sartes had gered een trap. “Omhoog, jij. Als je niet kan werken hebben we niets aan je. Als we niets aan je hebben, kun je de teer in zoals de rest.” “Hij kan staan,” zei Sartes, en hij hielp de andere jongen snel omhoog. “Kijk, hij is in orde. Het waren alleen de dampen.” Deze keer vond hij het niet erg dat de soldaat hem sloeg, want dat betekende dat hij de andere jongen in ieder geval met rust liet. “Terug aan het werk dan, allebei. Jullie hebben al genoeg tijd verspild.” Ze gingen weer verder met het verzamelen van teer. Sartes deed zijn best om zoveel als hij kon te verzamelen, want de andere jongen was duidelijk niet sterk genoeg om veel te kunnen doen. “Ik ben Sartes,” fluisterde hij terwijl hij de wachters in de gaten hield. “Bryant,” fluisterde de andere jongen terug, al zag hij er nerveus uit. Sartes hoorde hem weer hoesten. “Dank je, je hebt mijn leven gered. Als ik die schuld ooit kan vereffenen, dan doe ik dat.” Hij zweeg toen de wachters weer voorbijliepen. “De dampen zijn slecht,” zei Sartes, deels ook om hem aan het praten te houden. “Ze vreten je longen op,” antwoordde Bryant. “Er zijn zelfs wachters die eraan dood gaan.” Hij zei het alsof het normaal was, maar Sartes vond het allesbehalve normaal. Sartes bekeek de andere jongen. “Jij ziet er niet echt uit als een crimineel.” Hij zag de blik van pijn in de ogen van de jongen. “Mijn familie… Prins Lucious kwam naar onze boerderij en stak hem in brand. Hij heeft mijn ouders vermoord. Hij heeft mijn zus meegenomen. Hij heeft mij hier zonder reden heen gestuurd.” Het was een bekend verhaal voor Sartes. Lucious was kwaadaardig. Hij greep elke kans aan om ellende te creëren. Hij scheurde gezinnen uit elkaar omdat hij dat kon. “Waarom zoek je geen rechtvaardigheid?” suggereerde Sartes. Hij bleef teer uit de put scheppen om te zorgen dat de wachters niet in de buurt zouden komen. De andere jongen keek hem aan alsof hij gestoord was. “Hoe zou ik dat moeten doen? Ik ben maar in mijn eentje.” “Het verzet is veel meer dan één persoon,” merkte Sartes op. “Alsof het hen iets kan schelen wat er met mij zal gebeuren,” antwoordde Bryant. “Ze weten niet eens dat we hier zijn.” “Dan moeten we naar ze toe gaan,” fluisterde Sartes terug. Sartes zag paniek in de ogen van de jongen. “Dat kan niet. Als je zelfs maar over ontsnappen praat, hangen de wachters ons boven de teer en laten ze ons stukje bij beetje zakken. Ik heb het gezien. Ze zullen ons doden.” “En wat zal er gebeuren als we hier blijven?” wilde Sartes weten. “Als je vandaag aan één van de anderen was vastgeketend, wat denk je dat er dan gebeurt zou zijn?” Bryant schudde zijn hoofd. “Maar er zijn teerputten, en wachters, en ik weet zeker dat er valstrikken zijn. De andere gevangenen zullen ook niet helpen.” “Maar je denkt er nu wel over na, of niet?” zei Sartes. “Ja, er zitten risico’s aan verbonden, maar die zijn beter dan zeker weten dat je doodgaat.” “Hoe zouden we het voor elkaar moeten krijgen?” vroeg Bryant. “Ze houden ons ’s nachts in de kooien, en we zijn de hele dag aan elkaar vastgeketend.” Daar had Sartes in elk geval een antwoord op. “Dan ontsnappen we samen. We wachten op het juiste moment. Vertrouw me, ik weet het één en ander over slechte situaties ontvluchten.” Hij zei niet dat dit lastiger zou zijn dan alles waar hij ooit mee te maken had gehad, en hij liet zijn nieuwe vriend niet weten hoe slecht hun kansen waren. Hij wilde Bryant niet nog banger maken dan hij al was, maar ze moesten wel weg. Als ze hier nog langer bleven, wist hij, zouden ze het niet overleven. HOOFDSTUK ACHT Thanos voelde zich gespannen als een dier dat op het punt stond te vluchten terwijl hij tussen het trio gevangenen richting de vesting van het eiland liep. Hij betrapte zichzelf erop dat hij bij elke stap zocht naar een ontsnappingsroute. Maar op het open terrein, met de bogen van zijn gijzelnemers gespannen, vond hij er geen. “Wel zo verstandig,” zei Elsius achter hem. “Ik wil niet beweren dat je beter af bent als je doet wat we zeggen, maar je zult langer leven. Je kunt op dit eiland nergens heen behalve naar de Verlatenen, en als je dat probeert jaag ik je op.” “Misschien moet ik het dan maar snel doen,” zei Thanos. Hij probeerde zijn verrassing over het feit dat de andere man zijn intenties had doorzien te verhullen. “Een pijl in de rug kan zo erg niet zijn.” “Niet erger dan een zwaard,” zei Elsius. “Oh ja, zelfs hier hebben we erover gehoord. De cipiers brengen ons nieuws wanneer ze ons nieuwelingen brengen. Maar geloof me, als ik je opjaag zal je geen snelle dood te wachten staan. Doorlopen nu, gevangene.” Thanos deed wat hij zei, maar hij wist dat hij niet in de vesting terecht kon komen. Als dat gebeurde zou hij nooit meer daglicht zien. De beste tijd om te ontsnappen was altijd vroeg, als je de kracht er nog voor had. Dus bleef Thanos om zich heen kijken. Hij trachtte het terrein te beoordelen, zijn moment in te schatten. “Het zal niet werken,” zei Elsius. “Ik weet hoe mannen in elkaar zitten. Ik weet wat ze zullen doen. Het is ongelofelijk wat je over mensen kunt leren terwijl je ze in stukken snijdt. Ik denk dat je dan echt in hun ziel kunt kijken.” “Weet je wat ik denk?” vroeg Thanos. “Vertel het eens. Ik weet zeker dat je belediging mijn dag zal maken. En de jouwe zal verpesten.” “Ik denk dat je een lafaard bent,” zei Thanos. “Ik heb over je misdaden gehoord. Je hebt een paar mensen vermoord die niet in staat waren om terug te vechten. Je hebt een tijdje een bende boeven geleid die voor je vochten. Je bent zielig.” Thanos hoorde gelach achter zich. “Oh, is dat alles?” zei Elsius. “Ik voel me beledigd. Wat probeerde je te doen, me dichterbij lokken zodat je kon aanvallen? Denk je nu echt dat ik zo dom ben? Jullie twee, hou hem vast. Prins Thanos, als je beweegt, krijg je een pijl op een zeer pijnlijke plek.” Thanos voelde de handen van de twee cipiers zich rond zijn armen sluiten en hem stevig op zijn plek houden. Het waren sterke mannen, duidelijk gewend aan de omgang met opstandige gevangenen. Thanos voelde hoe hij werd omgedraaid, en toen stond hij oog in oog met Elsius. Die hield zijn boog perfect recht, klaar om te vuren. Precies zoals Thanos had gehoopt. Thanos verzette zich tegen de cipiers die hem vasthielden, en hij hoorde Elsius lachen. “Zeg niet dat ik je niet gewaarschuwd heb.” Hij hoorde de twang van de boogpees, maar in tegenstelling tot wat ze dachten probeerde Thanos niet om los te breken. Hij draaide om zijn as en sleurde één van de wachters in de baan van de pijl. Hij voelde de schok door het lichaam van de man gaan terwijl er een pijlpunt door zijn borst naar buiten kwam. Thanos voelde de greep van de man verslappen toen de cipier naar de pijl graaide, en hij aarzelde geen seconde. Hij beukte tegen de andere cipier aan, griste een mes van zijn riem en duwde hem tegen Elsius aan. Ze raakten verstrikt in elkaars wapens, en hij greep de boog van de stervende wachter, en zoveel mogelijk pijlen. Thanos rende zigzaggend over gebroken rotsen richting de dichtstbijzijnde schuilplaats. Het feit dat hij richting de bomen rende in plaats van richting zijn boot redde nu waarschijnlijk zijn leven. “Daar is niets behalve de Verlatenen!” schreeuwde Elsius hem na. Thanos dook toen een pijl vlak langs zijn hoofd suisde. Hij voelde dat hij dichtbij genoeg was om zijn haar te doen opwaaien. De killer die op hem joeg was veel te goed. Thanos vuurde terug maar keek nauwelijks. Als hij lang genoeg zou stoppen om goed te richten, zou hij zonder twijfel gedood worden door één van de pijlen die langs hem heen suisden. Of erger, hij zou dusdanig gewond raken dat Elsius hem zou kunnen inhalen en hem alsnog naar de vesting mee zou kunnen sleuren. Thanos dook achter een rots en hoorde er een pijl van af stuiteren. Hij vuurde weer, rende, pauzeerde. Zijn instinct liet hem wachten terwijl er weer een pijl voorbij suisde. Nu rende hij weer, sprintend naar de bomen. Hij probeerde zijn vlucht onvoorspelbaar te maken, maar concentreerde zich vooral op snelheid. Hoe sneller hij tussen de bomen kon komen, hoe beter. Hij vuurde nog een pijl af zonder te kijken, stapte instinctief opzij terwijl een ander pijl hem miste, en gooide zichzelf achter de dichtstbijzijnde boom, precies toen een pijlpunt zich door de stam boorde. Thanos pauzeerde even en luisterde. Boven het harde kloppen van zijn hart hoorde hij Elsius bevelen roepen. “Ga meer cipiers halen,” commandeerde hij. “Ik zal zelf achter onze prins aangaan.” Thanos begon tussen de bomen door te sluipen. Hij wist dat hij nu zoveel mogelijk afstand moest afleggen, voor er nog meer gewapende cipiers achter hem aan zouden komen. Als ze met genoeg waren, zouden ze hem makkelijk kunnen omsingelen. En dan zou hij niet kunnen ontsnappen, hoe goed hij ook vocht. Maar hij moest nog altijd voorzichtig zijn. Hij kon Elsius ergens achter zich horen, tussen het ritselen van de bladeren en het incidentele breken van takken. De oudere man had zijn boog nog steeds bij zich, en hij had al bewezen hoe gewillig hij was om hem te gebruiken. “Ik weet dat je me kunt horen,” zei Elsius achter hem. Zijn toon was ontspannen, alsof het de gewoonste zaak in de wereld was om zo te praten tegen een man die hij probeerde te vermoorden. “Je zult ongetwijfeld gejaagd hebben, als prins zijnde.” Thanos gaf geen antwoord. “Oh, ik weet het,” zei Elsius. “Je wilt je locatie niet verraden. Je wil verborgen blijven, en je hoopt dat je me voor kunt blijven. Dat probeerden de mensen die ik vroeger stalkte ook. Bij hen lukte het ook niet.” Er kwam een pijl tussen de bomen door die Thanos op een haar na miste. Hij vuurde terug en zette het op een rennen. “Dat lijkt er meer op,” antwoordde Elsius. “Zorg dat de Verlatenen je niet te pakken krijgen. Voor mij zijn ze bang. Jij… jij bent slechts een prooi.” Thanos negeerde hem en rende verder. Hij nam willekeurige bochten tot hij zeker wist dat er voldoende afstand zat tussen hem en zijn achtervolger. Hij stopte even. Hij kon Elsius niet meer horen. Wat hij echter wel hoorde was het geluid van iemand die tegen zichzelf vloekte, half woedend, half huilend. Voorzichtig liep hij naar voren. Hij vertrouwde het niet. Hij vertrouwde niemand hier. Hij kwam bij de rand van een kleine open plek. Daar zag hij tot zijn schok een vrouw ondersteboven aan haar enkel hangen, die vast zat in een strik. Haar donkere haar was vastgebonden in een vlecht en bungelde over de grond. Ze droeg de ruwe kniebroek en tuniek van een zeeman, vastgebonden met een sjerp. Ze vloekte in elk geval als een zeeman terwijl ze probeerde zichzelf los te maken, zonder enig waarneembaar succes. Thanos’ instinct zei hem dat dit deel was van een grotere valstrik. Misschien was het opzet, een list om hem te vertragen. In ieder geval zou het gevloek van de vrouw snel de aandacht van de Verlatenen trekken. Toch kon hij haar niet zo laten hangen. Thanos liep de open plek op en haalde zijn mes tevoorschijn. “Wie ben je?” wilde de vrouw weten. “Blijf weg, jij geiten-lastigvallend Verlatenen tuig! Als ik mijn zwaard had—” “Ik denk dat je beter je mond kunt houden voordat alle gevangenen als vliegen op deze plek afkomen,” zei Thanos terwijl hij haar bevrijdde. “Ik ben Thanos.” “Felene,” antwoordde de vrouw. “Wat doe je hier, Thanos?” “Vluchten van mannen die me proberen te vermoorden, en proberen om terug te keren naar mijn boot,” zei Thanos. Hij kreeg een idee, en hij begon de strik opnieuw te spannen. “Je hebt een boot?” zei Felene. Thanos merkte dat ze op afstand bleef. “Een manier om van deze godvergeten rots af te komen? Ik ga met je mee.” Thanos schudde zijn hoofd. “Je wil niet bij me in de buurt blijven. De mensen die me achtervolgen zullen spoedig hier zijn.” “Kan niet erger zijn dan wat ik tot dusver heb meegemaakt.” Weer schudde Thanos zijn hoofd. “Het spijt me, maar ik ken je niet. Je kunt om allerlei redenen op dit eiland zitten. Voor hetzelfde geld steek je me in mijn rug zodra je de kans krijgt.” De vrouw zag eruit alsof ze hem wilde tegenspreken, maar een geluid uit het bos deed haar opkijken als een geschrokken hert, en ze sprintte dieper het bos in. Thanos volgde haar voorbeeld en glipte weer tussen de bomen door. Hij zag Elsius de open plek oplopen, zijn boog gespannen. Thanos reikte naar de boog die hij had meegenomen, maar besefte dat hij geen pijlen meer had. Zonder een andere optie kwam hij achter de boom vandaan. “Ik had gedacht dat je wel een betere prooi zou zijn,” zei Elsius. “Kom dichterbij, en je zult erachter komen hoe gevaarlijk ik kan zijn,” antwoordde Thanos. “Oh, zo werkt dit niet,” antwoordde Elsius, maar hij deed toch een stap naar voren. Thanos hoorde de knak toen de strik dichtsloeg, en zag Elsius omhoog getrokken worden. Pijlen vielen uit zijn pijlkoker. Thanos griste ze van de grond en haastte zich weer het bos in. Hij kon de anderen al horen naderen; Verlatenen of cipiers, het deed er niet toe. Thanos haastte zich tussen de bomen door. Nu hij niet meer werd gevolg, kon hij eindelijk richting zijn boot gaan. Hij dacht dat hij figuren tussen de bladeren door zag, en achter zich hoorde Thanos een schreeuw die alleen maar van Elsius af kon komen. Eén van de Verlatenen verscheen ineens vanuit de bomen vlakbij Thanos en dook op hem af. Thanos had kunnen weten dat hij ze niet allemaal kon ontlopen. De man zwaaide met een bijl die gemaakt leek te zijn van de beenderen van een dode vijand. Thanos stapte in de cirkel van de zwaai en stak hem neer. Hij duwde hem weg en rende door. Hij kon er nu meer horen. Hun strijdkreten galmden tussen de bomen door. Hij kwam op een open plek en zag een groep van Elsius’ cipiers vanaf de andere kant naderen. Thanos’ hart ging hevig tekeer toen achter hem een groep van zeker twaalf figuren in gefragmenteerde wapenrustingen het bos uit raasden. Thanos ging naar rechts, ontweek een aanvallende figuur, en bleef rennen terwijl de twee groepen met elkaar in botsing kwamen. Sommigen bleven hem achtervolgen, maar Thanos zag de meesten het gevecht met de andere groep aangaan. Hij zag de Verlatenen als een golf tegen de cipiers aan slaan. De Verlatenen waren woeste vechters, maar de cipiers uit de vesting hadden echte wapenrustingen en betere wapens. Thanos betwijfelde of ze een kans hadden om te winnen, en hij wist niet zeker of hij dat wilde. Hij dartelde over de rotsen van het eiland en probeerde zijn weg terug naar zijn boot te vinden. Als hij het zou halen… wel, het zou lastig worden als de smokkelaars hem verraden hadden, maar hij zou een manier vinden om van het eiland af te komen. Het meest lastige was om zijn weg te vinden. Als hij terug was gegaan via de route die hij op de heenweg had genomen en gewoon zijn eigen sporen terug had gevolgd, was het makkelijk te vinden geweest. Maar dan had hij de mannen die hem opjoegen niet kunnen ontlopen. Thanos durfde ook niet te stoppen, ondanks het feit dat de geluiden van de achtervolging waren getransformeerd in de geluiden van een gevecht. Hij dacht dat hij het begin van het pad herkende dat naar het strand leidde, en hij haastte zich verder terwijl hij zijn ogen openhield voor mogelijke overvallers. Er leek niemand te zijn. Nog een klein stukje verder en hij zou bij zijn boot zijn, en dan— Hij ging de bocht om naar het strand en hield abrupt halt. Daar stond één van de Verlatenen, een enorme en gespierde man. Hij stond over Thanos’ boot gebogen, of wat ervan over was. Terwijl Thanos toekeek zag hij hoe de gevangene met zijn zwaard op de boot inhakte alsof het een lucifer was. De laatste planken verbrijzelden. Thanos’ hart viel. Nu was er geen uitweg meer. HOOFDSTUK NEGEN Toen Lucious weer bij het kasteel arriveerde, waren de executies nog steeds gaande. Zo hoorde het ook. Hij wilde niet dat zijn mannen het te snel afmaakten. Hij wilde erbij zijn om ervan te genieten. Bovenal wilde hij dat Ceres er zo lang mogelijk naar kon kijken. Lucious maakte er een punt van om naar haar raam te kijken, waar hij wist dat ze vastgeketend stond, gedwongen om toe te kijken. Daar haalde hij veel voldoening uit. Veel meer voldoening dan uit kijken naar het binnenplein waar de executies plaatsvonden. Daar zaten mannen en vrouwen geknield in rijen, terwijl de beulen langsliepen met bijlen. Terwijl hij toekeek zag hij één van hen een man naar de grond duwen, de bijl hoog boven zijn hoofd zwaaien en hem in een nette boog terughalen. Het hoofd rolde over de grond. “Wat is dit?” wilde Lucious weten. Er klonk woede in zijn stem. Hij was hoogstens twee uur weggeweest. Maar het leek erop dat er al heel wat van de mannen van Heer West waren gedood. Ze waren bijna allemaal onthoofd. “We doen alleen wat u ons heeft opdragen, uwe hoogheid,” zei de beul. “Deze mannen executeren.” “En je maakt er een zootje van!” beet Lucious. Of eigenlijk niet genoeg. “Onthoofding? Ik wil dat ze lijden! Ik wil dat je inventief bent. Heb ik niet gezegd dat je alle vormen van executie moest gebruiken die je kon bedenken?” “Veel van de mannen van Heer West zijn mannen van adel,” verklaarde de beul. “En daarom hebben zij het recht om te kiezen voor de dood door het zwaard of de bijl in plaats van—” Lucious sloeg hem; zijn gehandschoende hand zonk diep in de maag van de man. De beul was een grote man, maar Lucious had hem hard genoeg geraakt om hem voorover te doen klappen. Lucious griste zijn bijl uit zijn handen en dreef hem door de rug van de beul. Terwijl hij schreeuwend op de grond viel, rukte Lucious het wapen eruit. “Ze hebben geen rechten naast de rechten die ik hen toeken! En zelfs met een bijl moet je in staat zijn om hen een afschuwelijke dood te bezorgen. Hier, ik zal het laten zien!” Конец ознакомительного фрагмента. Текст предоставлен ООО «ЛитРес». Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/pages/biblio_book/?art=43694799&lfrom=334617187) на ЛитРес. Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.
КУПИТЬ И СКАЧАТЬ ЗА: 299.00 руб.