Сетевая библиотекаСетевая библиотека

Een Smidsvuur van Moed

Een Smidsvuur van Moed
Een Smidsvuur van Moed Morgan Rice Koningen En Tovernaars #4 Een fantasy vol actie, die ongetwijfeld fans van Morgan Rice’s voorgaande novels zal bekoren, evenals fans van werken zoals THE INHERITANCE CYCLE van Christopher Paolini… Fans van Young Adult fictie zullen dit meest recente werk van Rice verslinden en smeken om meer. The Wanderer, A Literary Journal (over De Opkomst van de Draken) De #1 Bestverkopende serie, met meer dan 400 vijf sterren reviews op Amazon! EEN SMIDSVUUR VAN MOED is boek #4 in Morgan Rice’ bestverkopende epische fantasy serie KONINGEN EN TOVENAARS (dat begint met DE OPKOMST VAN DE DRAKEN, een gratis download) ! Na op het randje van de dood gebalanceerd te hebben, keert Kyra in EEN SMIDSVUUR VAN MOED langzaam terug, genezen door Kyle’s liefde en mysterieuze kracht. Terwijl hij zich voor haar opoffert, krijgt ze haar krachten terug – maar daar moet ze een prijs voor betalen. Ze smeekt Alva om haar het geheim over haar afkomst te vertellen, en eindelijk geeft hij meer prijs over haar moeder. Kyra krijgt de kans om de bron van haar kracht te vinden en moet een belangrijke beslissing maken: haar training afmaken of haar vader helpen, die wegkwijnt in de kerker van de hoofdstad, wachtend op zijn executie. Aidan doet er, samen met Motley, alles aan om zijn vader te redden uit de gevaarlijke hoofdstad. Ondertussen, aan de andere kant van het koninkrijk, ontdekt Merk iets verbijsterends in de Toren van Ur, en moet hij zich schrap zetten voor een enorme invasie van trollen. Ze omsingelen zijn Toren, en hij moet samen met de andere Wachters de strijd aan gaan om het meest waardevolle relikwie van zijn land te beschermen. Dierdre raakt verstrikt in een volwaardige Pandesiaanse invasie in Ur. Terwijl haar geliefde stad wordt verwoest, moet ze beslissen of ze zal ontsnappen, of dat ze voor de laatste keer de heldin uit zal hangen. Ondertussen zeilt Alec met zijn cryptische nieuwe vriend naar een land waar hij nog nooit is geweest, een land dat zelfs nog mysterieuzer is dan zijn kameraad. Daar zal hij uiteindelijk meer te weten komen over zijn lotsbestemming – en de laatste hoop voor Escalon. EEN SMIDSVUUR VAN MOED heeft een sterke setting en complexe personages. Het is een meeslepend verhaal over ridders en krijgers, over koningen en heren, over eer en moed, over magie, het lot, monsters en draken. Het is een verhaal over liefde en gebroken harten, over misleiding, ambitie en verraad. Het is fantasy op zijn best, en nodigt ons uit in een wereld die ons voor altijd bij zal blijven, een wereld die alle leeftijden zal aanspreken. Boek #5 in KONINGEN EN TOVENAARS zal binnenkort verschijnen. Als je dacht dat er geen reden meer was om te leven na het einde van DE TOVENAARSRING serie, dan had je het mis. Met DE OPKOMST VAN DE DRAKEN komt Morgan Rice wederom met wat een briljante nieuwe serie belooft te zijn. We worden verzwolgen door een fantasie over trollen en draken, moed, eer, magie en geloof in je lotsbestemming. Morgan is er weer in geslaagd om sterke personages neer te zetten, voor wie we op elke pagina juichen… Aanbevolen voor de permanente bibliotheek van iedereen die houdt van een goed geschreven fantasy novel. Books and Movie Reviews, Roberto Mattos (over De Opkomst van de Draken) E E N S M I D S V U U R V A N M O E D (KONINGEN EN TOVENAARS—BOEK 4) MORGAN RICE Morgan Rice Morgan Rice is de #1 Bestverkopende auteur van DE VAMPIER DAGBOEKEN, een tienerserie die inmiddels bestaat uit elf boeken; DE SURVIVAL TRILOGIE, een post-apocalyptische actiethriller bestaande uit twee boeken; en de #1 bestverkopende epische fantasy serie DE TOVENAARSRING, die bestaat uit zeventien boeken. Morgans boeken zijn verkrijgbaar in audio en print edities, en vertalingen van de boeken zijn verkrijgbaar in meer dan 25 talen. VERANDERD (Boek #1 van de Vampierverslagen), ARENA EEN (Boek #1 van de Overlevingstrilogie), DE OPKOMST VAN DE DRAKEN (Boek #1van de Koningen En Tovenaars), en EEN ZOEKTOCHT VAN HELDEN (Boek #1 van De Tovenaarsring) zijn allemaal gratis te downloaden! Morgan hoort graag van je, dus breng gerust een bezoekje aan www.morganricebooks.com (http://www.morganricebooks.com) om je in te schrijven voor de nieuwsbrief, een gratis boek te ontvangen, gratis giveaways te ontvangen, de gratis app de downloaden, op de hoogte te blijven van het laatste nieuws, en via Facebook en Twitter in contact te blijven. Geselecteerde bijvalsbetuigingen voor Morgan Rice “Als je dacht dat er geen reden meer was om te leven na het einde van DE TOVENAARSRING serie, dan had je het mis. Met DE OPKOMST VAN DE DRAKEN komt Morgan Rice wederom met wat een briljante nieuwe serie belooft te zijn. We worden verzwolgen door een fantasie over trollen en draken, moed, eer, magie en geloof in je lotsbestemming. Morgan is er weer in geslaagd om sterke personages neer te zetten, voor wie we op elke pagina juichen… Aanbevolen voor de permanente bibliotheek van iedereen die houdt van een goed geschreven fantasy novel.” --Books and Movie Reviews Roberto Mattos “DE OPKOMST VAN DE DRAKEN is een succes—meteen vanaf het begin… Een superieure fantasy novel… het begint, zoals het hoort, met de worstelingen van één van de protagonisten en breidt zich netjes uit in een bredere cirkel van ridders, draken, magie, monsters en lotsbestemming… Alle elementen van high fantasy zijn aanwezig, van soldaten en gevechten tot confrontaties met de zelf… een aanrader voor iedereen die houdt van epische fantasy verhalen met krachtige, geloofwaardige jonge protagonisten.” --Midwest Book Review D. Donovan, eBook Reviewer “Een fantasy vol actie, die ongetwijfeld fans van Morgan Rice’s voorgaande novels zal bekoren, evenals fans van werken zoals THE INHERITANCE CYCLE van Christopher Paolini… Fans van Young Adult fictie zullen dit meest recente werk van Rice verslinden en smeken om meer.” --The Wanderer, A Literary Journal (regarding Rise of the Dragons) “Een fantasy waarbij elementen van mysterie en intriges in de verhaallijn zijn verweven. Een Zoektocht van Helden draait om moed en om het besef dat een levensdoel leidt tot groei, volwassenheid, en excellentie… Voor degenen die op zoek zijn naar stevige fantasy avonturen bieden de protagonisten en de actie een krachtige verzamelingen ontmoetingen die zich richten op Thors evolutie van een dromerige kind naar een jonge volwassene, met onmogelijke overlevingskansen… Het begin van een veelbelovende epische tienerserie.” --Midwest Book Review (D. Donovan, eBook Reviewer) “DE TOVENAARSRING heeft alle ingrediënten voor direct succes: samenzweringen, intriges, mysterie, dappere ridders en opbloeiende relaties, compleet met gebroken harten, bedrog en verraad. Het zal je urenlang boeien, en is geschikt voor alle leeftijden. Aanbevolen voor de permanente collectie van alle liefhebbers van fantasy.” --Books and Movie Reviews Roberto Mattos “In dit met actie gevulde eerste boek uit de epische Tovenaarsring serie (die nu 14 boeken bevat), stelt Rice de lezers voor aan de 14-jarige Thorgrin “Thor” McLeod, die er van droomt om zich aan te sluiten bij de krijgsmacht van de Zilveren, de elite ridders die de koning dienen… Rice schrijft goed en de premisse is intrigerend.” --Publishers Weekly Boeken door Morgan Rice KONINGEN EN TOVENAARS DE OPKOMST VAN DE DRAKEN (Boek #1) DE OPKOMST VAN DE HELDHAFTIGE (Boek #2) DE ZWAARTE VAN EER (Boek #3) EEN SMIDSVUUR VAN MOED (Boek #4) THE SORCERER’S RING (DE TOVENAARSRING) EEN ZOEKTOCHT VAN HELDEN (Boek #1) EEN MARS VAN KONINGEN (Boek #2) EEN LOT VAN DRAKEN (Boek #3) EEN SCHREEUW VAN EER (Boek #4) EEN GELOFTE VAN GLORIE (Boek #5) EEN AANVAL VAN MOED (Boek #6) EEN RITE VAN ZWAARDEN (Boek #7) EEN GIFT VAN WAPENS (Boek #8) EEN HEMEL VAN SPREUKEN (Boek #9) EEN ZEE VAN SCHILDEN (Boek #10) EEN BEWIND VAN STAAL (Boek #11) EEN LAND VAN VUUR (Boek #12) EEN HEERSCHAPPIJ VAN KONINGINNEN (Boek #13) EEN EED VAN BROEDERS (Boek #14) EEN DROOM VAN STERVELINGEN (Boek #15) EEN STEEKSPEL VAN RIDDERS (Boek #16) HET GESCHENK VAN DE STRIJD (Boek #17) DE SURVIVAL TRILOGIE ARENA EEN: SLAVERSUNNERS (Boek #1) ARENA TWEE (Boek #2) DE VAMPIER DAGBOEKEN VERANDERD (Boek #1) GELIEFD (Boek #2) VERRADEN (Boek #3) VOORBESTEMD (Boek #4) BEGEERD (Boek #5) VERLOOFD (Boek #6) GEZWOREN (Boek #7) GEVONDEN (Boek #8) HERREZEN (Boek #9) VERLANGD (Boek #10) VOORBESCHIKT (Boek #11) Luister naar KONINGEN EN TOVENAARS in Audioboek formaat! Wil jij ook gratis boeken? Schrijf je in voor de email lijst van Morgan Rice en ontvang 4 gratis boeken, 2 gratis kaarten, 1 gratis app en exclusieve giveaways! Kijk op: www.morganricebooks.com Copyright © 2014 door Morgan Rice Alle rechten voorbehouden. Behalve zoals toegestaan onder de V.S. Copyright Act van 1976, mag geen enkel deel van deze publicatie worden gereproduceerd, gedistribueerd of overgedragen worden, in wat voor vorm dan ook, of worden opgeslagen in een database of zoeksysteem, zonder de voorafgaande toestemming van de auteur. Dit ebook is uitsluitend voor jou persoonlijk bedoeld. Dit ebook mag niet doorverkocht worden of weggeven worden aan andere mensen. Als je dit boek met iemand anders wil delen, schaf dan alsjeblieft een extra exemplaar aan voor elke ontvanger. Als je dit boek leest en je hebt het niet aangeschaft, of het is niet voor jouw gebruik aangeschaft, geef het dan terug en schaf je eigen exemplaar aan. Bedankt voor het respecteren van het harde werk van deze auteur. Dit is een werk van fictie. Namen, personages, bedrijven, organisaties, plaatsen, evenementen en incidenten zijn een product van de fantasie van de auteur of zijn fictief gebruikt. Enige overeenkomst met echte personen, levend of dood, is geheel toevallig. Omslagafbeelding Copyright St. Nick, gebruikt onder licentie van Shutterstock.com. INHOUD HOOFDSTUK EEN (#u93957b52-c3b7-5ed2-8144-6f50dd897023) HOOFDSTUK TWEE (#uc5f7ffdc-e1a2-53ef-8fab-3b9a225e3300) HOOFDSTUK DRIE (#u7b9c45de-b0db-54ef-9f1d-e02e4dee0795) HOOFDSTUK VIER (#uded53ab4-da07-5180-90ee-2f827c9b8f22) HOOFDSTUK VIJF (#ud67be856-89c7-5f55-9405-aa836f23ef52) HOOFDSTUK ZES (#u43df9004-a15d-517e-bd8b-fa064e3c25a8) HOOFDSTUK ZEVEN (#uf5eac2f9-2902-5ee1-9479-7776cfd193fe) HOOFDSTUK ACHT (#u9cb741a6-ce58-594a-880e-a14904884f5a) HOOFDSTUK NEGEN (#u26c3db16-a6a5-5a8f-a4cd-ceda2ac25908) HOOFDSTUK TIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ELF (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TWAALF (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK DERTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VEERTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIJFTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZESTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZEVENTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ACHTTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK NEGENTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK EENENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TWEEËNTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK DRIEËNTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIERENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIJFENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZESENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZEVENENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ACHTENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK NEGENENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK DERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK EENENDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TWEEËNDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK DRIEËNDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIERENDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIJFENDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZESENDERTIG (#litres_trial_promo) "Moed is superieur aan aantallen." Flavius Vegetius Renatus (4th century) HOOFDSTUK EEN Er werd een celdeur dicht geslagen, en Duncan deed langzaam zijn ogen open. Hij wenste meteen dat hij het niet had gedaan. Zijn hoofd bonsde, hij kreeg één oog niet eens open, en het kostte hem de grootste moeite om de zware slaap van zich af te schudden. Er schoot een scherpe pijn door zijn goede oog terwijl hij een koud, hard gesteente onder zijn hoofd voelde. Een stenen vloer. Hij lag op een koude, vochtige stenen vloer. Hij probeerde rechtop te gaan zitten, maar zijn polsen en enkels werden in hun bewegingen belemmerd door ijzer. Hij besefte meteen wat het waren: boeien. Hij zat in een kerker. Hij was een gevangene. Duncan trachtte zijn ogen verder te openen toen hij in de verte het geluid van galmende voetstappen in de duisternis hoorde. Hij probeerde zich te oriënteren. Het was donker hier. De stenen muren werden vaag verlicht door de fakkels in de verte, en door een strookje zonlicht afkomstig uit een raam dat te hoog zat om te kunnen zien. Het bleke licht filterde naar beneden, grimmig en eenzaam, alsof het uit een wereld kwam die kilometers bij hem vandaan was. In de verte hoorde hij het gedruppel van water en het geschuifel van laarzen, en hij kon maar nauwelijks de contouren van zijn cel onderscheiden. De cel was ruim, met gewelfde stenen muren, en teveel donkere randen die in de duisternis verdwenen. Maar door alle jaren die hij in de hoofdstad had doorgebracht wist Duncan meteen waar hij was: de koninklijke kerker. Het was waar men de ergste criminelen en de meest machtige vijanden van het koninkrijk heen bracht om de rest van hun dagen te slijten—of hun executie af te wachten. Duncan had hier zelf vele mannen heen gestuurd toen hij hier had gediend, in opdracht van de Koning. Hij wist maar al te goed dat het een plek was waar veel gevangenen niet levend vandaan kwamen. Duncan probeerde te bewegen, maar zijn boeien gaven niet mee en sneden in zijn gekneusde en bloedende polsen en enkels. Dat was echter niet zijn grootste zorg; zijn hele lichaam klopte en hij had zoveel pijn dat hij nauwelijks kon bepalen waar hij het meest pijn had. Hij had het gevoel alsof hij duizend keer met een knuppel was geslagen en door een leger paarden vertrapt was. Zelfs ademhalen deed pijn. Hij schudde zijn hoofd en probeerde de pijn te verdrijven. Het lukte niet. Terwijl hij zijn ogen weer sloot en aan zijn schrale lippen likte, zag Duncan flarden. De hinderlaag. Was het gisteren gebeurd? Een week geleden? Hij kon het zich niet meer herinneren. Hij was verraden, omsingeld, met valse beloften in de val gelokt. Hij had Tarnis vertrouwd, en ook Tarnis was voor zijn ogen vermoord. Duncan herinnerde zich hoe zijn mannen op zijn bevel hun wapens hadden laten vallen; hij herinnerde zich hoe hij was vastgebonden; en het ergste, hoe zijn zoons waren vermoord. Hij schudde keer op keer met zijn hoofd terwijl hij het uitschreeuwde van angst en tevergeefs probeerde om de beelden uit zijn hoofd te zetten. Hij zat met zijn hoofd in zijn handen, zijn ellebogen op zijn knieën, en kreunde bij de gedachte. Hoe had hij zo dom kunnen zijn? Kavos had hem gewaarschuwd, en hij had niet naar hem geluisterd. Hij was naïef en optimistisch geweest, had gedacht dat het deze keer anders zou zijn, dat de nobelen wel te vertrouwen waren. En hij had zijn mannen de val in gelokt, recht een huiskamer vol slangen in. Duncan haatte zichzelf daarvoor, meer dan hij kon zeggen. Het speet hem dat hij nog leefde, dat hij niet was gestorven met zijn zoons en alle anderen die hij teleur had gesteld. De voetstappen kwamen dichterbij, en Duncan keek op en kneep zijn ogen samen in de duisternis. Langzaam zag hij het silhouet van een man opdoemen. Hij blokkeerde de strook zonlicht en bleef een paar meter bij hem vandaan staan. Toen herkende Duncan zijn gezicht. De man, gemakkelijk te onderscheiden in zijn aristocratische kledij, droeg dezelfde zelfingenomen blik in zijn ogen als hij had gehad toen hij het koningschap wilde opeisen, toen hij had getracht zijn vader te verraden. Enis. Tarnis’ zoon. Enis knielde voor Duncan. Hij had een zelfingenomen glimlach op zijn gezicht, en het lange verticale litteken bij zijn oor was duidelijk zichtbaar terwijl hij Duncan aanstaarde met zijn onbetrouwbare, holle ogen. Duncan werd overspoeld door een golf van afkeer en een brandend verlangen naar wraak. Hij balde zijn vuisten. Hij wilde niets liever dan de jongen aanvliegen en hem met zijn blote handen uit elkaar scheuren. Deze jongen was verantwoordelijk voor de dood van zijn zoons en de gevangenname van zijn mannen. Zijn boeien waren het enige dat hem ervan weerhield om hem te doden. “De schaamte van ijzer,” merkte Enis glimlachend op. “Hier kniel ik, slechts centimeters bij je vandaan, en toch kun je me niet aanraken.” Duncan keek hem woedend aan, wensend dat hij iets terug kon zeggen, maar hij was te uitgeput om woorden te vormen. Zijn keel was te droog, zijn lippen te schraal, en hij moest zijn energie sparen. Hij vroeg zich af hoeveel dagen het geleden was sinds hij water had gedronken, en hoe lang hij al hier beneden zat. Deze wezel was het trouwens niet eens waard om tegen te praten. Enis was hier beneden om een reden; het was duidelijk dat hij iets wilde. Duncan had geen valse hoop: hij wist dat zijn executie naderde, ongeacht wat de jongen te zeggen had. En dat was ook wat hij wilde. Nu zijn zoons dood waren en zijn mannen gevangen waren genomen, was er niets meer voor hem in deze wereld. Er was geen andere manier om aan zijn schuldgevoel te ontsnappen. “Ik ben benieuwd,” zei Enis in zijn gladde stem. “Hoe voelt het nu? Hoe voelt het om iedereen die je kent en liefhebt, iedereen die je vertrouwde, verraden te hebben?” Duncan voelde zijn woede opwellen. Hij was niet langer in staat om zijn mond te houden en wist op de één of andere manier de kracht bij elkaar te schrapen om te spreken. “Ik heb niemand verraden,” wist hij uit te brengen. Zijn stem klonk schor en hees. “Niet?” vroeg Enis. Hij had er duidelijk plezier in. “Ze vertrouwden je. Je hebt hen recht een hinderlaag in geleidt. Je hebt hen ontdaan van het enige dat ze nog hadden: hun trots en hun eer.” Duncan was ziedend. “Nee,” antwoordde hij na een lange, zware stilte. “Jij bent degene die hen had heeft afgenomen. Ik vertrouwde je vader, en hij vertrouwde jou.” “Vertrouwen,” lachte Enis. “Wat een naïef concept. Zou je echt het leven van je mannen op het spel zetten in vertrouwen?” Hij lachte weer. “Leiders vertrouwen niet,” vervolgde hij. “Leiders twijfelen. Dat is hun taak. Ze moeten sceptisch zijn in naam van hun mannen. Commandanten beschermen hun mannen tegen de strijd—maar leiders moeten hun mannen beschermen tegen misleiding. Jij bent geen leider. Je hebt gefaald.” Duncan haalde diep adem. Een deel van hem had het gevoel dat Enis gelijk had, hoe erg hij het ook haatte om toe te geven. Hij had zijn mannen teleurgesteld, en hij kon zich heen erger gevoel indenken. “Is dat waarom je hier bent gekomen?” antwoordde Duncan uiteindelijk. “Om je te verkneukelen over je misleiding?” De jongen glimlachte. Het was een lelijke, kwaadaardige glimlach. “Je bent nu mijn onderdaan,” antwoordde hij. “Ik ben je nieuwe Koning. Ik kan gaan en staan waar ik wil, om welke reden dan ook, of zonder reden. Misschien geniet ik er gewoon van om naar je te kijken, liggend in deze kerker, gebroken als je bent.” Elke ademtocht deed pijn, en Duncan was nauwelijks in staat om zijn woede te bedwingen. Hij wilde deze man pijn doen, meer dan iedereen die hij ooit had ontmoet. “Vertel me,” zei Duncan. “Hoe voelde het om je vader te vermoorden?” Enis’ gezicht betrok. “Niet half zo goed als het zal voelen wanneer ik je aan de galg zie hangen,” antwoordde hij. “Doe het nu dan,” zei Duncan. Hij meende het. Enis glimlachte en schudde zijn hoofd. “Het wordt niet zo makkelijk voor jou,” antwoordde hij. “Ik wil je eerst zien lijden. Ik wil dat je ziet wat er van je geliefde land terecht komt. Je zoons zijn dood. Je commandanten zijn dood. Anvin en Durge en je mannen bij de Zuidelijke Poort zijn dood. Miljoenen Pandesianen zijn ons land binnengevallen.” Duncans hart zonk bij zijn woorden. Een deel van hem vroeg zich af of het een list was, maar diep van binnen voelde hij dat het waar was. Bij elke verkondiging voelde hij zich dieper zinken. “Al je mannen zijn gevangen genomen, en Ur wordt vanaf de zee gebombardeerd. Dus zie je, je hebt ernstig gefaald. Escalon is veel slechter af dan voorheen, en je hebt niemand om de schuld te geven behalve jezelf.” Duncan trilde van woede. “En hoe lang,” vroeg Duncan, “tot de grote onderdrukker zijn zinnen op jou zet? Denk je nu echt dat ze je zullen laten gaan, dat je aan de toorn van Pandesia zal ontsnappen? Dat ze je Koning laten blijven? Om te regeren zoals je vader ooit deed?” Enis glimlachte breed. “Ik weet dat ze dat zullen doen,” zei hij. Hij leunde naar voren, zo dichtbij dat Duncan zijn slechte adem kon ruiken. “Zie je, ik heb een deal met ze gesloten. Een speciale deal om mijn macht te verzekeren, een deal die ze niet konden weigeren.” Duncan durfde niet te vragen wat het was, maar Enis glimlachte breed en kwam nog dichterbij. “Je dochter,” fluisterde hij. Duncans ogen sperden zich open. “Dacht je nu echt dat je haar voor me verborgen kon houden?” drong Enis aan. “Op dit moment zijn de Pandesianen haar al op het spoor. En dat geschenk zal mijn machtspositie verzekeren.” Duncans boeien ratelden terwijl hij met al zijn macht vocht om los te breken. Hij was gevuld met een ondraaglijke wanhoop. “Waarom ben je hier?” vroeg Duncan. Hij voelde zich te oud. Zijn stem klonk gebroken. “Wat wil je van me?” Enis grijnsde. Hij zweeg een lange tijd, en toen zuchtte hij. “Ik geloof dat mijn vader iets van je wilde,” zei hij langzaam. “Hij zou die deal niet hebben gesloten als dat niet zo was. Hij bood je een grote overwinning op de Pandesianen—en in ruil daarvoor wilde hij iets van jou. Wat? Wat was het? Wat voor geheim hield hij verborgen?” Duncan staarde hem resoluut aan. Het kon hem niets meer schelen. “Je vader vroeg me inderdaad om een gunst,” zei hij. Hij wilde het erin wrijven. “Iets eervols en heiligs. Iets dat hij alleen aan mij kon toevertrouwen. Niet aan zijn eigen zoon. Nu weet ik waarom.” Enis lachte spottend en liep rood aan. “Als mijn mannen ergens voor gestorven zijn,” vervolgde Duncan, “dan was het voor deze eer, voor dit vertrouwen—voor de belofte die ik nooit zal breken. En dat is waarom je zijn geheim nooit zal weten.” Enis’ gezicht betrok, en Duncan zag tot zijn genoegen dat hij woedend was. “Je wil nog steeds de geheimen van mijn dode vader bewaren, de man die jou en je mannen verraden heeft?” “Jij hebt me verraden,” corrigeerde Duncan, “niet hij. Hij was een goede man die ooit een fout heeft gemaakt. Jij daarentegen, bent niets. Je bent slechts een schim van je vader.” Enis keek hem dreigend aan. Hij ging langzaam rechtop staan, leunde voorover, en spoog naast Duncan op de grond. “Je gaat me vertellen wat hij wilde,” hield hij vol. “Wat—of wie—hij probeerde te beschermen. Als je dat doet, zal ik wellicht genade hebben en je vrijlaten. Zo niet, dan zal ik je niet alleen persoonlijk naar de galg escorteren, maar ik zal er ook op toezien dat je de meest gruwelijke dood sterft die je je kunt voorstellen. De keus is aan jou, en er is geen weg terug. Denk goed na, Duncan.” Enis draaide zich om, maar Duncan riep hem na. “Je mag mijn antwoord nu hebben als je wil,” antwoordde Duncan. Enis draaide zich om, een tevreden glimlach op zijn gezicht. “Ik kies de dood,” antwoordde hij. En voor het eerst slaagde hij erin om te glimlachen. “Tenslotte is mijn dood niets vergeleken met eer.” HOOFDSTUK TWEE Dierdre veegde het zweet van haar voorhoofd en ging ineens rechtop zitten, opgeschrikt door een donderend geluid. Het was een uitgesproken geluid, een geluid dat haar gespannen maakte, een geluid dat boven het gehamer op de aambeelden heen rees. Alle mannen en vrouwen om haar heen stopten ook. Ze legden hun onafgemaakte wapens neer en keken verward op. Het klonk weer, als onweer dat met de wind werd meegevoerd, alsof de aarde werd verscheurd. En toen nog eens. Toen besefte Dierdre was het waren: ijzeren klokken. Ze joegen haar angst aan terwijl ze keer op keer luidden, galmend door de stad. Het waren klokken van waarschuwing, van gevaar. Oorlogsklokken. De mensen van Ur sprongen op van hun tafels en stormden de smederij uit, benieuwd naar wat er aan de hand was. Dierdre was de eerste die naar buiten rende, vergezeld door haar meisjes en op de voet gevolgd door Marco en zijn vrienden. Ze liepen de straten op, die overspoeld werden door bezorgde burgers. Ze baanden zich een weg naar de kanalen om beter zicht te krijgen. Dierdre zocht overal, in de verwachting haar stad overspoeld te zien worden met schepen en soldaten. Maar ze zag niets. Ze ging op weg naar de enorme wachttorens bij de rand van de Zee van Verdriet om een beter zicht te krijgen. “Dierdre!” Ze draaide zich om en zag haar vader en zijn mannen. Ook zij waren op weg naar de wachttorens. Alle vier de torens luidden hun klokken, iets dat nog nooit was voorgekomen. Het was alsof de dood zelf naderde. Dierdre voegde zich bij haar vader en ze renden door de straten. Ze gingen een serie stenen treden op tot ze de top van de stadsmuur bereikten, bij de rand van de zee. Ze stopte, verbijsterd door wat ze voor zich zag. Het was alsof haar ergste nachtmerrie tot leven was gekomen. Het was een aanblik waarvan ze had gehoopt het nooit te hoeven aanschouwen: de hele zee was tot aan de horizon gevuld met zwart. De zwarte schepen van Pandesia leken de hele wereld te bedekken. En wat nog het ergste was, ze voeren recht op haar stad af. Dierdre stond verstijfd, starend naar de naderende dood. Ze zouden zich met geen mogelijkheid kunnen verdedigen tegen een vloot van dat formaat. Niet met hun kettingen, en niet met hun zwaarden. Wanneer de eerste schepen de kanalen zouden bereiken, zouden ze hen naar de flessenhals kunnen lokken en hen misschien vertragen. Ze zouden honderden, misschien duizenden soldaten kunnen doden. Maar geen miljoenen. Dierdre voelde haar hart in tweeën scheuren terwijl ze zich omdraaide en dezelfde stille paniek op de gezichten van haar vader en zijn soldaten zag. Haar vader hield zich groot in het bijzijn van zijn mannen, maar ze kende hem al langer dan vandaag. Ze kon het fatalisme in zijn ogen zien, ze zag het licht doven. Daar stonden ze dan, aan de rand van hun grote, eeuwenoude stad, en ze keken de dood recht in de ogen. Naast haar keken Marco en zijn vrienden angstig naar de zee. Maar ze zag ook resolutie in hun ogen. Geen van hen vluchtte. Ze liet haar blik over de zee van gezichten glijden, op zoek naar Alec, maar ze zag hem nergens. Ze vroeg zich af waar hij kon zijn. Hij zou toch zeker niet gevlucht zijn? Dierdre bleef staan en verstevigde haar greep op haar zwaard. Ze had geweten dat de dood in aantocht was—ze had hem alleen nog niet zo snel verwacht. Maar ze wilde niet meer vluchten. Haar vader draaide zich naar haar om en greep haar bij haar schouders. “Je moet de stad verlaten,” eiste hij. Dierdre zag de vaderlijke liefde in zijn ogen, en het raakte haar diep. “Mijn mannen zullen je escorteren,” voegde hij toe. “Ze kunnen je hier ver vandaan krijgen. Ga nu! En denk aan me.” Dierdre veegde een traan weg toen ze zag hoe liefdevol haar vader naar haar keek. Ze schudde haar hoofd en schudde zijn handen van zich af. “Nee, Vader,” zei ze. “Dit is mijn stad, en ik zal sterven aan je—” Voor ze haar zin kon afmaken sneed er een afschuwelijke explosie door de lucht. Eerst dacht ze dat het weer klokken waren, maar toen drong het tot haar door—kanonvuur. Niet één kanon, maar honderden. De schokgolven alleen al brachten Dierdre uit balans. Ze gingen met zoveel kracht door de atmosfeer heen dat ze het gevoel had dat haar oren van haar hoofd af werden gereten. Toen kwam het hoge gefluit van de kanonskogels. Ze keek uit naar de zee en werd overspoeld door een golf van paniek toen ze honderden enorme kanonskogels, als ijzeren ketels in de lucht, recht op haar geliefde stad zag afvliegen. Er volgde een geluid dat nog erger was dan het laatste: het geluid van gesteente dat door ijzer werd verbrijzeld. De ene explosie na de andere deed de lucht rommelen. Dierdre struikelde en viel terwijl om haar heen de grote gebouwen van Ur, architecturale meesterwerken, monumenten die al duizenden jaren overeind stonden, vernietigd werden. De stenen gebouwen, kerken, uitkijktorens, fortificaties, kantelen—alles werd door de kanonskogels tot puin geslagen. Ze stortten voor haar ogen in elkaar. Er kwam een lawine van puin naar beneden terwijl het ene na het andere gebouw tegen de grond ging. Het was weerzinwekkend. Terwijl Dierdre over de grond rolde zag ze hoe een dertig meter hoge stenen toren om begon te vallen. Ze was hulpeloos, en kon niets doen behalve toekijken hoe de honderden mensen die onder de toren stonden opkeken en het uitschreeuwden van doodsangst terwijl de stenen muur hen verpletterde. Er volgde nog een explosie. En nog één. En nog één. Overal om haar heen explodeerden gebouwen. Duizenden mensen werden verpletterd in enorme pluimen van stof en puin. Rotsen rolden als kiezelsteentjes door de stad heen terwijl gebouwen tegen elkaar aan vielen en afbrokkelden terwijl ze op de grond belandden. En de kanonskogels bleven maar komen. Ze beukten door het ene gebouw na het andere en veranderden de ooit zo majestueuze stad in een berg puin. Dierdre krabbelde overeind en keek versuft om zich heen. Haar oren suisden. Tussen de stofwolken door zag ze straten die bezaaid waren met lijken en bloedplassen. Het was alsof de hele stad in één klap was weggevaagd. Ze keek uit naar de zee, zag de duizenden schepen die klaar waren om aan te vallen, en besefte dat al hun voorbereidingen voor niets waren geweest. Ur was al vernietigd, en de schepen waren nog niet eens bij de kust. Wat zouden al die wapens, al die kettingen met ijzeren punten, nu kunnen uithalen? Dierdre hoorde gekreun. Ze keek om en zag één van de dappere mannen van haar vader, een man waar ze ooit zielsveel van had gehouden, op slechts enkele meters bij haar vandaan liggen, dood. Verpletterd door een berg puin die op haar geland was als ze niet was gestruikeld. Ze wilde hem helpen—toen de lucht weer begon te trillen door het lawaai van een nieuwe lading kanonskogels. En toen nog één. Er volgde een suizend geluid, toen meer explosies, meer vallende gebouwen. Het puin stapelde zich op en er stierven nog meer mensen. Ze werd weer uit balans gebracht; een stenen muur stortte naast haar in elkaar en miste haar maar net. Er kwam een tijdelijke stilte in het vuren, en Dierdre ging staan. Een muur van puin blokkeerde nu haar zicht op de zee, maar ze voelde dat de Pandesianen dichtbij waren, bij het strand. Dat was waarom ze waren gestopt met vuren. Er hingen enorme stofwolken in de lucht, en de griezelige stilte werd alleen verstoord door het kreunen van de gewonden om haar heen. Ze keek om en zag Marco naast zich die het uitschreeuwde terwijl hij probeerde het lichaam van één van zijn vrienden onder het puin vandaan te trekken. Dierdre keek naar beneden en zag dat de jongen al dood was, verpletterd onder de muur van wat ooit een tempel was geweest. Ze herinnerde zich haar meisjes en draaide zich om, en was er kapot van toen ze zag dat meerdere van hen ook verpletterd waren. Drie van hen hadden het overleefd, en waren nu bezig om anderen te helpen. Het geschreeuw van de Pandesianen, die te voet het strand op kwamen, rees op. Dierdre dacht aan het aanbod van haar vader, en wist dat zijn mannen haar nog steeds hiervandaan zouden kunnen krijgen. Ze wist dat hier blijven haar dood zou betekenen—maar dat was wat ze wilde. Ze zou niet vluchten. Haar vader stond naast haar, een snee op zijn voorhoofd. Hij rees op uit het puin, trok zijn zwaard, en leidde zijn mannen onbevreesd het strand op. Trots besefte ze dat hij op weg was om de vijand te ontmoeten. Het zou nu een gevecht te voet worden. Honderden mannen verzamelden zich en stormden met zoveel onbevreesdheid naar voren dat het haar vulde met trots. Ze ging hem achterna. Ze trok haar zwaard en beklom de enorme rotsen die voor haar lagen, klaar om aan zijn zijde te vechten. Ze krabbelde naar de top en stopte, verbijsterd door wat ze voor zich zag. Duizenden Pandesiaanse soldaten in gele en blauwe wapenrustingen vulden het strand en stormden op de berg puin af. Deze mannen waren goed getraind, goed bewapend en goed uitgerust—in tegenstelling tot de mannen van haar vader, die slechts met een paar honderd waren. Zij hadden zelfgemaakte wapens en veel van hen waren nu al gewond. Het zou een slachtpartij worden. Toch wilde haar vader niet omkeren. Ze was nog nooit zo trots op hem geweest als op dat moment. Daar stond hij, zo trots, met zijn mannen om zich heen. Ze waren allemaal klaar om naar beneden te stormen en de vijand te ontmoeten, ondanks het feit dat het een zekere dood betekende. Voor haar was het de belichaming van moed. Voor hij afdaalde draaide hij zich om en keek Dierdre vol liefde aan. Er was een vaarwel in zijn ogen, alsof hij wist dat hij haar nooit meer zou zien. Dierdre begreep het niet—ze had haar zwaard in haar handen, en stond klaar om samen met hem aan te vallen. Waarom zou hij nu dan afscheid van haar nemen? Ineens voelde ze hoe ze door sterke handen werd vastgegrepen en naar achteren werd getrokken. Ze draaide zich om en voelde hoe ze door twee van haar vaders vertrouwde commandanten werd vastgegrepen. Een groep van zijn mannen greep haar drie overgebleven meisjes, en Marco en zijn vrienden. Ze worstelde en protesteerde, maar het was zinloos. “Laat me gaan!” schreeuwde ze. Ze negeerden haar protesten en sleepten haar mee. Dit was duidelijk op bevel van haar vader. Ze ving nog een laatste glimp van haar vader op voor hij zijn mannen met een luide strijdkreet de berg puin afleidde. “Vader!” schreeuwde ze. Ze voelde zich verscheurd. Net toen ze weer bewondering had voor de vader waar ze zo van hield, werd hij haar weer afgenomen. Ze wilde wanhopig graag bij hem zijn. Maar hij was al weg. Dierdre werd in een kleine boot gegooid en de mannen begonnen onmiddellijk te roeien, weg van de zee. De boot baande zich een weg door de kanalen, richting een geheime doorgang in één van de muren. Voor hen doemde een laag stenen gewelf op, en Dierdre zag meteen waar ze heen gingen: de ondergrondse rivier. Er liep een stevige stroming aan de andere kant van die muur, een stroming die hen ver bij de stad vandaan zou brengen. Ze zou ergens vele kilometers hier vandaan boven komen, veilig en wel. Haar meisjes keken haar aan, alsof ze zich afvroegen wat ze moesten doen. Dierdre nam een besluit. Ze deed alsof ze met het plan akkoord ging, zodat ze allemaal zouden gaan. Ze wilden dat ze allemaal zouden ontsnappen, dat ze in veiligheid werden gebracht. Dierdre wachtte tot het laatste moment, en precies op het moment dat ze door de opening voeren, sprong ze van de boot het kanaal in. Marco, zag ze tot haar verrassing, had haar gezien en was ook gesprongen. Ze bleven achter in het kanaal. “Dierdre!” schreeuwden haar vaders mannen. Ze wilden haar uit het water trekken—maar het was al te laat. Ze had het perfect getimed, en de boot werd al meegevoerd door de kolkende stroming. Dierdre en Marco zwommen snel naar een verlaten boot toe en klommen aan boord. Ze staarden elkaar aan, drijfnat, hijgend, uitgeput. Dierdre draaide zich om en keek naar waar ze vandaan gekomen was, het hart van Ur, waar ze van haar vader was gescheiden. Daar zou ze heen gaan, daar en nergens anders heen, zelfs al zou het haar dood betekenen. HOOFDSTUK DRIE Merk stond bij de ingang van de geheime kamer, op de bovenste verdieping van de Toren van Ur. Pult, de verrader, lag dood aan zijn voeten. Merk staarde in het verblindende licht. De deur stond open, en hij kon niet geloven wat hij zag. Hier was hij dan, de geheime kamer, op de best bewaakte verdieping, de kamer die ontworpen was voor het Zwaard van Vlammen. In de deur en in de muren stond het insigne van het zwaard gegraveerd. Het was deze kamer, alleen deze kamer, waaruit de verrader het meest heilige relikwie van het koninkrijk had willen stelen. Als Merk hem niet had betrapt, wie weet waar het Zwaard nu dan geweest zou zijn? Terwijl Merk de ruimte in staarde, die gladde, cirkelvormige stenen muren had, en hij in het licht keek, begon hij in het midden een gouden platform te onderscheiden. Er stond een brandende fakkel onder en daarboven een stalen frame, duidelijk ontworpen voor het Zwaard. En toch begreep hij niet wat hij zag. Het frame was leeg. Hij knipperde met zijn ogen en probeerde het te begrijpen. Had de dief het zwaard al gestolen? Nee, de man lag dood aan zijn voeten. Dat kon slechts één ding betekenen. Deze toren, de heilige Toren van Ur, was een lokmiddel. Alles—de ruimte, de toren—alles was een lokmiddel. Het Zwaard van Vlammen lag hier niet. Het had hier nooit gelegen. Maar als het hier niet lag, waar lag het dan? Merk stond daar vol afschuw, verstijfd. Hij dacht terug aan alle legendes omtrent het Zwaard van Vlammen. Hij herinnerde zich dat er over twee torens werd gesproken, de Toren van Ur in de noordwestelijke uithoek van het koninkrijk, en de Toren van Kos in de zuidoostelijke hoek. Ze waren beiden aan weerszijden van het koninkrijk geplaatst en hielden elkaar in balans. Hij wist dat het Zwaard in één van de twee torens moest liggen. En toch was Merk er altijd vanuit gegaan dat deze toren, de Toren van Ur, de toren was waar het lag. Iedereen in het koninkrijk ging daar van uit; iedereen rees alleen af naar deze toren, en de legendes wezen ook naar Ur. Tenslotte lag Ur op het vasteland, vlak bij de hoofdstad, vlak bij een grote, eeuwenoude stad—terwijl Kos aan het eind van de Duivelsvinger lag, op een afgelegen, onbelangrijke locatie, ver bij alles vandaan. Het moest in Kos zijn. Terwijl Merk daar stond begon het langzaam tot hem door te dringen: hij was de enige in het koninkrijk die de ware locatie van het Zwaard kende. Merk wist niet wat voor geheimen en schatten de Toren van Ur verborgen hield, maar hij wist zeker dat het Zwaard van Vlammen er niet bij zat. Hij voelde zich terneergeslagen. Hij had geleerd wat hij niet had mogen leren: dat hij en de andere soldaten hier niets bewaakten. Het was een kennis die de Wachters niet mochten bezitten—want het zou hen natuurlijk demoraliseren. Wie wilde er nu een lege toren bewaken? Nu Merk de waarheid kende voelde hij een brandend verlangen om deze plek te verlaten, naar Kos te vertrekken en het Zwaard te beschermen. Waarom zou hij hier blijven en lege muren bewaken? Merk was een simpele man, en hij had nergens meer een hekel aan dan aan raadsels. Deze hele situatie gaf hem een enorme koppijn en riep alleen maar meer vragen bij hem op. Wie zou er nog meer van kunnen weten? vroeg Merk zich af. De Wachters? Er zouden er toch zeker een paar moeten zijn die het wisten. Maar als ze het wisten, hoe konden ze dan de discipline opbrengen om hun hele leven een lokmiddel te bewaken? Was dat allemaal deel van hun training? Van hun heilige taak? Wat moest hij doen nu hij het wist? Hij kon het in ieder geval niet aan de anderen vertellen. Ze zouden hem misschien niet eens geloven, en denken dat hij het Zwaard had gestolen. En wat moest hij doen met het levenloze lichaam van deze verrader? En als deze verrader het Zwaard had willen stelen, was er dan nog iemand die het zou proberen? Had hij alleen gewerkt? Waarom had hij het eigenlijk willen stelen? Waar had hij het heen willen brengen? Terwijl hij daar stond en alles op een rijtje probeerde te zetten, klonken er ineens klokken. Zo luid, slechts meters bij zijn hoofd vandaan, alsof ze zich in deze kamer bevonden. De haren in zijn nek gingen recht overeind staan. Het geluid was zo plotseling, zo urgent, hij kon niet begrijpen waar het vandaan kwam—tot hij besefte dat de klokkentoren op het dak slechts enkele meters van zijn hoofd verwijderd was. De ruimte schudde door het onophoudelijke luiden, en hij kon niet meer helder nadenken. De urgentie waarmee de klokken werden geluid impliceerde dat het oorlogsklokken waren. Plotseling rees er uit alle hoeken van de toren commotie op. Merk hoorde geroep in de verte, alsof iedereen zich aan het verzamelen was. Hij moest weten wat er aan de hand was; hij kon later op dit dilemma terug komen. Merk sleepte het lichaam uit de weg, sloeg de deur dicht en rende de kamer uit. Hij stormde de gang in en zag tientallen krijgers met getrokken zwaarden de trap op rennen. Eerst dacht hij dat ze op hem af kwamen, maar toen keek hij naar boven en zag hij meer mannen de trappen op rennen, en hij besefte dat ze allemaal op weg waren naar het dak. Merk sloot zich bij hen aan. Hij rende de trappen of en barstte ten midden van het oorverdovende luiden van de klokken het dak op. Hij rende naar de rand van de toren en keek uit—en was verbijsterd. Zijn hart viel toen hij in de verte een zwarte Zee van Verdriet zag. Een miljoen schepen convergeerde bij de stad van Ur. De vloot leek echter niet onderweg te zijn naar de Toren van Ur, die op een goede dag rijden ten noorden van de stad lag. Er was dus geen direct gevaar, en Merk vroeg zich af waarom de klokken dan zo urgent luidden. Toen zag hij de krijgers de andere kant op kijken. Hij draaide zich ook om, en toen zag hij het: daar, uit de bossen, verscheen een groep trollen. Die werden gevolgd door meer trollen. En nog meer. Er kwam een luid geritsel, gevolgd door een gebrul, en plotseling barstten er honderden trollen het bos uit. Ze hadden hun hellebaarden hoog geheven en hadden bloed in hun ogen. Hun leider, de trol die bekend stond als Vesuvius, rende voorop. Het was een grotesk beest met twee hellebaarden, zijn gezicht besmeurd met bloed. En ze kwamen recht op de toren af. Merk besefte onmiddellijk dat dit geen gewone aanval was. Het leek alsof heel Marda was doorgebroken. Hoe waren ze langs de Vlammen gekomen? vroeg hij zich af. Ze waren hier duidelijk voor het Zwaard, met de intentie de Vlammen uit de schakelen. Ironisch, dacht Merk, gezien het feit dat het Zwaard helemaal niet hier was. De toren, besefte Merk, kon tijdens een dergelijke aanval niet standhouden. Het was over. Terwijl hij werd omsingeld zette Merk zich schrap voor het laatste gevecht van zijn leven. Overal om hem heen grepen de krijgers hun zwaarden vast en keken ze in paniek naar beneden. “MANNEN!” schreeuwde Vicor, Merks commandant. “NEEM JE POSITIES IN!” De krijgers namen hun posities op de kantelen in en Merk sloot zich onmiddellijk bij hen aan. Hij rende naar de rand, greep een boog en een pijlkoker, richtte en begon te vuren. Merk keek tevreden toe hoe één van zijn pijlen zich door de borst van een trol heen boorde; maar tot zijn verrassing rende het beest gewoon door, met de pijl die dwars door hem heen stak. Merk schoot een pijl in de nek van de trol—en toch bleef de trol tot zijn grote schrik rennen. Hij vuurde een derde pijl af, die de trol in zijn kop raakte, en deze keer smakte de trol tegen de grond. Merk had al snel door dat deze trollen geen gewone tegenstanders waren, en niet zo makkelijk uit te schakelen als mensen. Het begon er steeds slechter uit te zien. Toch bleef hij vuren, en hij schakelde zoveel trollen uit als hij kon. De pijlen die hij en zijn medesoldaten afschoten deden de hemel zwart kleuren. De trollen struikelden en vielen en versperden de anderen de weg. Maar er braken er teveel door. Al spoedig bereikten de trollen de dikke muren van de toren. Ze hieven hun hellebaarden en beukten tegen de gouden deuren in en poging ze in te trappen. Merk kon de trillingen onder zijn voeten voelen. Het gekletter van metaal galmde door de lucht terwijl de trollen als bezetenen tegen de deuren beukten. Op de één of andere manier, zag Merk tot zijn opluchting, hielden de deuren het. Zelfs met honderden trollen die er tegen aan beukten gaven de deuren niet mee. Er kwam niet eens een deukje in. Het was bijna alsof er magie in het spel was. “ROTSEN!” schreeuwde Vicor. De andere soldaten haastten zich naar een hoop rotsen die langs de rand waren opgestapeld, en Merk sloot zich bij hen aan. Samen met tien anderen slaagde hij erin om de rots op te tillen en hem naar de top van de muur te duwen. Merk forceerde zichzelf en kreunde van de inspanning. Hij tilde hem met al zijn kracht op, en uiteindelijk duwden ze hem met een luide schreeuw over de rand. Merk leunde met de anderen over de rand en keek toe hoe de rots naar beneden viel. De trollen keken op—maar te laat. De rots verpletterde een aantal van hen en liet een enorme krater in de grond naast de torenmuur achter. Merk hielp de andere soldaten terwijl ze aan alle kanten van de toren rotsen over de muur tilden. Ze doodden honderden trollen en de grond beefde van de explosies. Maar ze bleven komen. Het was een eindeloze stroom van trollen die uit het bos barstte. Merk zag dat ze geen rotsen meer hadden; ze hadden ook geen pijlen meer, en de trollen bleven komen. Ineens voelde Merk iets langs zijn oor zoeven, en toen hij zich omdraaide zag hij een speer voorbij vliegen. Hij keek verbijsterd naar beneden. Hij zag de trollen speren oppakken en ze omhoog gooien. Hij was verbaasd; hij had geen idee dat ze de kracht hadden om zo ver te gooien. Vesuvius, hun leider, haalde uit met een gouden speer en wierp hem recht omhoog, en Merk keek geschokt toe hoe de speer de top van de toren bereikte en hem, terwijl hij wegdook, op slechts een haar na miste. Hij hoorde gekreun, en toen hij zich omdraaide zag hij dat zijn medesoldaten niet zo veel geluk hadden gehad. Enkele van hen lagen op hun rug, doorboord door de speren, terwijl het bloed uit hun mond gutste. Er klonk een rommelend geluid, en ineens werd er vanuit het bos een ijzeren stormram op een wagen met houten wielen naar voren gerold. De groep trollen ging uiteen terwijl de stormram door Vesuvius naar de deur werd geleid. “SPEREN!” schreeuwde Vicor. Merk renden met de anderen naar de stapel speren en greep er één, wetend dat dit hun laatste verdedigingslinie was. Hij had gedacht dat ze deze wel zouden bewaren tot de trollen de toren waren binnengedrongen, maar blijkbaar waren het wanhopige tijden. Hij richtte en wierp de speer naar Vesuvius. Maar Vesuvius was sneller dan hij eruit zag en hij wist zijn speer op het laatste moment te ontwijken. Merks speer raakte een andere trol in zijn dijbeen, waardoor hij tegen de grond ging en het naderen van de stormram werd vertraagd. Zijn medesoldaten wierpen hun speren en doodden de trollen die de stormram voortduwden. Maar zodra zij tegen de vlakte gingen, verschenen er honderden andere trollen uit het bos. Al snel kwam de stormram weer in beweging. Ze waren simpelweg met teveel—en ze waren allemaal vervangbaar. Dit was niet hoe mensen vochten. Dit was een natie van monsters. Merk greep naar een andere speer om te gooien, maar zag tot zijn teleurstelling dat ze door hun voorraad heen waren. Op dat moment bereikte de stormram de deuren van de toren. Een aantal trollen legden houten planken over de kraters neer om een brug te creëren. “VOORWAARTS!” schreeuwde Vesuvius. Zijn stem klonk diep en rauw. De groep trollen duwde de stormram naar voren. Een moment later werd hij met zoveel kracht tegen de deuren aan gebeukt dat Merk de trillingen helemaal boven kon voelen. De beving ging door zijn enkels en drong door tot in zijn botten. Het kwam weer, en toen nog een keer. De toren beefde, waardoor hij en de anderen struikelden. Hij belandde op handen en knieën op een lichaam, een andere Wachter, en besefte dat hij al dood was. Merk hoorde een zoevend geluid, voelde een golf van wind en hitte, en toen hij opkeek begreep hij niet wat hij zag: er vloog een brandende rots over hem heen. Er klonken overal explosies terwijl er vlammende rotsen op de toren belandden. Merk hurkte en keek over de rand. Hij zag hoe er tientallen katapulten vanaf beneden werden afgevuurd. Zijn mannen vielen bij bosjes om hem heen. Er landde nog een vlammende rots bij Merk, die twee Wachters naast hem doodde, mannen die hij mocht. Terwijl de vlammen zich verspreidden, voelde hij de hitte in zijn rug. Merk keek om zich heen en zag dat bijna alle mannen dood waren. Hij wist dat hij niets meer kon doen hierboven, behalve wachten tot hij zou sterven. Merk wist dat het nu of nooit was. Hij zou niet zo ten onder gaan, ineengedoken boven op de toren, wachtend op de dood. Hij zou dapper en onbevreesd ten onder gaan. Hij zou de vijand met een dolk in zijn hand confronteren, man tegen man, en zoveel mogelijk van deze wezens doden als hij kon. Merk gaf een luide schreeuw, reikte naar het touw dat aan de toren was vastgebonden, en sprong over de rand. Hij gleed met volle snelheid naar beneden, op weg naar de trollen onder hem, klaar om zijn lotsbestemming te ontmoeten. HOOFDSTUK VIER Kyra knipperde terwijl ze omhoog staarde naar de lucht. De wereld boven haar was in beweging. Het was de mooiste lucht die ze ooit had gezien, diep paars van kleur, met zachte witte wolkjes die langsdreven. De hemel lichtte op door het zachte zonlicht. Ze voelde dat ze bewoog, en ze hoorde het zachte klotsen van water om zich heen. Ze had nog nooit zo’n vredig gevoel ervaren. Kyra, die op haar rug lag, draaide haar hoofd opzij en zag tot haar verbazing dat ze midden in een uitgestrekte zee op een houten vlot dreef. Grote golven deden haar vlot zachtjes op en neer deinen. Het voelde alsof ze naar de horizon dreef, naar een andere wereld, een ander leven. Naar een vredige plek. Voor het eerst in haar leven maakte ze zich geen zorgen meer om de wereld; ze voelde zich omarmd door het universum, alsof ze eindelijk kon ontspannen, alsof ze eindelijk werd beschermd tegen het kwaad. Kyra voelde de aanwezigheid van een andere persoon op haar vlot. Ze ging rechtop zitten en schrok toen ze een vrouw zag zitten. De vrouw droeg witte gewaden en werd omgeven door licht. Ze had lang gouden haar en verrassend blauwe ogen. Ze was de mooiste vrouw die Kyra ooit had gezien. Kyra schrok toen ze ineens zeker besefte dat dit haar moeder was. “Kyra, mijn liefde,” zei de vrouw. De vrouw glimlachte naar haar. Het was zo’n lieve glimlach dat het Kyra’s ziel raakte, en Kyra keek haar aan en voelde zich nog vrediger. Haar stem galmde door haar heen, en zorgde dat ze zich compleet op haar gemak voelde in de wereld. “Moeder,” antwoordde ze. Haar moeder strekte een bijna doorzichtige hand naar haar uit, en Kyra pakte hem vast. Het gevoel van haar huid op de hare was elektrificerend, en Kyra had het gevoel alsof een deel van haar ziel werd hersteld. “Ik heb naar je gekeken,” zei ze. “En ik ben trots. Trotser dan je ooit zult weten.” Kyra probeerde zich te concentreren, maar ze voelde de warmte van haar moeders hand en kreeg het gevoel alsof ze de wereld aan het verlaten was. “Ga ik dood, Moeder?” Haar moeder keek haar met lichtgevende ogen aan en pakte haar hand steviger vast. “Het is je tijd, Kyra,” zei ze. “Maar je moed heeft je lotsbestemming veranderd. Je moed—en mijn liefde.” Kyra knipperde verward met haar ogen. “Blijven we nu niet bij elkaar?” Haar moeder glimlachte naar haar, en Kyra voelde haar moeder langzaam loslaten en wegdrijven. Kyra werd overspoeld door een golf van angst. Ze wist dat haar moeder haar voorgoed zou verlaten. Kyra probeerde haar vast te houden, maar ze trok haar hand terug en legde haar handpalm op Kyra’s buik. Kyra voelde intense hitte en liefde door zich heen stromen die haar leken te genezen. Ze voelde hoe ze langzaam begon te herstellen. “Ik laat je niet sterven,” antwoordde haar moeder. “Mijn liefde voor jou is sterker dan het lot.” Ineens verdween haar moeder. In haar plaats stond een prachtige jongen, die haar aanstaarde met lichtgevende grijze ogen. Hij had lang, steil haar, en hij betoverde haar. Ze kon de liefde in zijn ogen zien. “Ik laat je ook niet sterven, Kyra,” zei hij. Hij leunde naar voren en legde zijn hand op haar buik, op dezelfde plek als haar moeder had gedaan. Ze voelde een nog intensere hitte door haar lichaam stromen. Ze zag een wit licht en voelde hitte door zich heen stromen, en terwijl ze weer tot leven kwam kon ze nauwelijks ademen. “Wie ben je?” fluisterde ze. Verzwolgen door de hitte en het licht, kon ze niet anders dan haar ogen sluiten. Wie ben je? galmde het door haar hoofd. Langzaam deed Kyra haar ogen open. Ze voelde een intense vrede en kalmte. Ze keek om zich heen, in de veronderstelling dat ze nog steeds op zee was. Maar in plaats van water en lucht hoorde ze het doordringende getsjirp van insecten. Ze draaide zich verbaasd om, en zag dat ze in het bos was. Ze lag op een open plek en voelde een intense hitte in haar buik, op de plek waar ze was neergestoken. Toen ze naar beneden keek, zag ze dat er een hand op haar buik lag. Het was een prachtige, bleke hand, de hand uit haar droom. Licht in haar hoofd keek ze op. Ze zag die prachtige grijze ogen op haar neerkijken, zo intens dat ze licht leken te geven. Kyle. Hij knielde aan haar zijde, één hand op haar voorhoofd, en terwijl hij haar aanraakte, voelde Kyra hoe haar wond werd genezen. Ze voelde hoe ze langzaam weer terugkeerde, alsof hij haar terughaalde. Had ze echt haar moeder gezien? Was het echt geweest? Het voelde alsof ze voorbestemd was geweest om te sterven, maar dat haar lotsbestemming op de één of andere manier was veranderd. Het was alsof haar moeder had ingegrepen. En Kyle. Hun liefde had haar teruggehaald. Dat, en, zoals haar moeder had gezegd, haar eigen moed. Kyra likte aan haar lippen, te zwak om rechtop te gaan zitten. Ze wilde Kyle bedanken, maar haar keel was droog en de woorden wilden niet komen. “Shh,” zei hij toen hij haar zag worstelen. Hij leunde naar voren en kuste haar voorhoofd. “Was ik dood?” wist ze uiteindelijk uit te brengen. Na een lange stilte gaf hij antwoord, zijn stem zacht en krachtig tegelijk. “Je bent teruggekomen,” zei hij. “Ik kon je niet laten gaan.” Het was een vreemde gewaarwording; terwijl ze in zijn ogen keek, had ze het gevoel alsof ze hem altijd al had gekend. Ze pakte zijn pols vast en kneep dankbaar in zijn hand. Er was zo veel dat ze tegen hem wilde zeggen. Ze wilde hem vragen waarom hij zijn leven voor haar had geriskeerd; waarom hij zoveel om haar gaf; waarom hij haar terug had gebracht. Ze voelde dat hij een groot offer voor haar had gemaakt, een offer dat hem pijn zou doen. Bovenal wilde ze hem vertellen wat ze nu voelde. Ik hou van je, wilde ze zeggen. Maar de woorden wilden niet komen. Ze werd overspoeld door een golf van uitputting, en terwijl haar ogen zich langzaam sloten, kon ze niet anders dan zich overgeven. Ze voelde hoe ze steeds dieper weg zakte. De wereld raasde aan haar voorbij, en ze vroeg zich af of ze weer dood ging. Was ze slechts even teruggebracht? Was ze een laatste keer teruggebracht om afscheid te nemen van Kyle? Terwijl ze werd overspoeld door een diepe slaap, durfde ze te zweren dat ze hem nog iets hoorde zeggen: “Ik hou ook van jou.” HOOFDSTUK VIJF De baby draak vloog door de lucht, en elke slag van zijn vleugels kostte hem de grootste inspanning. Hij worstelde om in de lucht te blijven. Hij vloog, zoals hij al uren had gedaan, over het platteland van Escalon. Hij voelde zich verdwaald en alleen in deze wrede wereld. Beelden van zijn stervende vader, die door de mensen soldaten dood was gestoken, schoten door zijn hoofd. Zijn vader, die hij nooit had gekend, behalve op dat ene moment van de strijd; zijn vader, die was gestorven om hem te redden. De baby draak had het gevoel dat de dood van zijn vader zijn schuld was, en met elke slag van zijn vleugels voelde hij het gewicht van zijn schuldgevoel. Als hij er niet was geweest, dan had zijn vader nu misschien nog geleefd. De draak vloog verder, verscheurd door verdriet en berouw bij het idee dat hij nooit de kans zou krijgen om zijn vader te leren kennen. Hij zou hem nooit kunnen bedanken voor zijn onzelfzuchtige heldendaad, voor het redden van zijn leven. Een deel van hem wilde eigenlijk ook niet meer leven. Maar een ander deel brandde van woede. Hij wilde wanhopig graag die mensen doden, zijn vader wreken en het land verwoesten. Hij wist niet waar hij was, maar zijn intuïtie vertelde hem dat hij oceanen ver verwijderd was van zijn thuisland. Zijn instinct dreef hem terug naar huis; maar hij wist niet waar huis was. De baby vloog doelloos verder, verdwaald. Hij spuwde vuur naar boomtoppen, naar wat hij ook maar kon vinden. Al snel had hij geen vuur meer in zich, en niet lang daarna voelde hij hoe hij steeds lager zakte. Hij probeerde weer omhoog te vliegen, maar besefte tot zijn paniek dat hij daar de kracht niet meer voor had. Hij probeerde een boomtop te vermijden, maar zijn vleugels konden hem niet langer dragen en hij beukte er recht tegenaan. Hij voelde alle oude wonden die nog niet waren genezen. Wanhopig vloog hij verder, steeds lager, en hij verloor steeds meer kracht. De bloeddruppels vielen als regendruppels naar beneden. Hij was zwak van de honger, van zijn verwondingen, van de duizenden keren dat hij met een speer was gestoken. Hij wilde verder vliegen, een doelwit vinden, maar zijn oogleden werden te zwaar. Hij voelde hoe hij keer op keer het bewustzijn verloor. De draak voelde dat hij stervende was. Aan de ene kant was het een opluchting; spoedig zou hij weer bij zijn vader zijn. Hij werd opgeschrikt door het geluid van ritselende bladeren en krakende takken, en toen hij voelde hoe hij door de boomtoppen viel, deed hij eindelijk zijn ogen open. Zijn zicht werd belemmerd door een groene wereld. Niet langer in staat om zichzelf te controleren voelde hij hoe hij naar beneden viel, dwars door de boomtakken heen. Hij kwam abrupt tot een stop ergens hoog in een boom, verstrikt tussen de takken. Hij was te zwak om zich te verzetten. Hij hing daar, bewegingsloos. Hij had teveel pijn om te bewegen, en elke ademtocht deed hem nog meer pijn dan de vorige. Hij wist zeker dat hij hierboven zou sterven, verstrikt tussen de bomen. Eén van de takken brak ineens, en de draak viel naar beneden. Hij viel een goede vijftien meter naar beneden, tot hij uiteindelijk op de grond belandde. Hij lag daar, zijn ribben gebroken, en hij ademde bloed. Langzaam bewoog hij één van zijn vleugels, maar hij kon niet veel meer doen. Hij voelde zijn levenskracht wegstromen. Het voelde het oneerlijk, prematuur. Hij wist dat hij een lotsbestemming had, maar hij wist niet wat het was. Het leek erop dat het kort en wreed was. Hij was geboren, alleen om zijn vader te zien sterven, en vervolgens zelf dood te gaan. Misschien was dat wat het leven was: wreed en oneerlijk. Terwijl zijn ogen zich voorgoed sloten, ging er een laatste gedachte door zijn hoofd: Vader, wacht op me. Tot snel. HOOFDSTUK ZES Alec stond op het dek en greep de reling van het zwarte schip vast. Hij keek uit naar de zee, zoals hij al dagen had gedaan. Hij zag hoe de enorme golven aan kwamen rollen en hun kleine zeilboot optilden, hij zag het schuim breken onder de boeg. Ze voeren over het water met een snelheid zoals hij nog nooit had ervaren. De zeilen stonden strak, de wind was sterk en gestaag. Alec bestudeerde het schip met de bekwame ogen van een ambachtsman en vroeg zich af waar het van gemaakt was; het was duidelijk vervaardigd uit een ongebruikelijk, glad materiaal, een materiaal dat hij nog niet eerder had gezien. Het had hen in staat gesteld om dag en nacht hun snelheid te behouden, en in het donker ongezien langs de Pandesiaanse vloot te komen, de Zee van Verdriet af, en de Zee van Tranen op. Alec dacht terug aan hoe somber de reis was geweest. Ze hadden dag en nacht gezeild. Het waren lange nachten op de zwarte zee geweest, gevuld met vijandige geluiden van exotische wezens en het kraken van het schip. Hij was meer dan eens wakker geworden en had gezien hoe een lichtgevende slang aan boord probeerde te klimmen, waarna de man waarmee hij zeilde de slang van het schip had afgetrapt. Nog mysterieuzer dan het exotische zeeleven was Sovos, de man aan het roer van het schip. De man had Alec opgezocht in de smederij en hem aan boord van het schip gebracht. Nu zou hij hem naar één of andere afgelegen plek brengen. Alec vroeg zich af of het gestoord was om hem te vertrouwen. De man had in ieder geval zijn leven gered. Alec herinnerde zich hoe hij, toen ze al ver op zee waren, terug had gekeken op de stad van Ur, en had gezien hoe de Pandesiaanse vloot dichterbij was gekomen. Hij had de kanonskogels door de lucht zien zeilen, had het gerommel in de verte gehoord, en had de enorme gebouwen zien instorten, gebouwen waar hij slechts enkele uren eerder nog binnen was geweest. Hij had geprobeerd om van het schip af te komen om hen te helpen, maar ze waren al te ver weg geweest. Hij had erop gestaan dat Sovos zou omkeren, maar zijn smeekbedes waren zinloos geweest. De tranen sprongen in zijn ogen toen hij dacht aan zijn vrienden, vooral Marco en Dierdre. Hij sloot zijn ogen en probeerde de herinnering van zich af te zetten. Hij had het gevoel dat hij hen allemaal in de steek had gelaten. Het enige dat Alec op de been hield, dat hem uit zijn moedeloze staat haalde, was het gevoel dat hij elders nodig was, zoals Sovos had gezegd; dat hij een zekere lotsbestemming had, en dat hij elders kon helpen om de Pandesianen te verslaan. Zoals Sovos al had gezegd, zou het niemand hebben geholpen als hij daar was gebleven en gestorven. Toch hoopte en bad hij dat Marco en Dierdre het hadden overleefd, en dat hij op tijd terug kon keren om hen weer te zien. Nieuwsgierig naar waar ze heen gingen, had Alec Sovos bestookt met vragen. Maar Sovos had koppig zijn mond gehouden. Hij stond dag en nacht aan het roer, met zijn rug naar Alec toe. Voor zover Alec wist sliep of at hij nooit. Hij stond daar alleen maar, uitkijkend over de zee, in zijn lange leren laarzen en zwarte leren jas, met zijn vuurrode zijden cape met het vreemde insigne over zijn schouders gedrapeerd. Met zijn korte, bruine baard en felle groene ogen die naar de golven staarden alsof hij één met hen was, leek hij alleen maar mysterieuzer te worden. Alec staarde naar de vreemde Zee van Tranen met haar lichte aqua kleur, en werd overspoeld met het verlangen om te weten waar hij heen werd gebracht. Niet in staat om de stilte nog langer te verdragen wendde hij zich tot Sovos, wanhopig om antwoorden. “Waarom ik?” verbrak Alec de stilte. Dit was al de zoveelste keer dat hij het probeerde, maar dit keer was hij vastberaden om een antwoord uit hem te krijgen. “Waarom koos je mij, uit alle mensen in die stad? Waarom was ik degene die was voorbestemd om te overleven? Je had honderd mensen kunnen redden die veel belangrijker zijn dan ik.” Alec wachtte, maar Sovos zweeg. Hij stond met zijn rug naar hem toe en keek aandachtig naar de zee. Alec besloot een andere strategie te proberen. “Waar gaan we heen?” vroeg Alec. “En hoe kan het dat dit schip zo snel kan varen? Waar is het van gemaakt?” Alec staarde naar zijn rug. De minuten gleden voorbij. Uiteindelijk schudde de man zijn hoofd. Hij draaide zich niet om. “Je gaat naar waar je voorbestemd bent om te gaan, naar waar je voorbestemd bent om te zijn. Ik koos jou omdat we jou nodig hebben, en niemand anders.” Alec dacht na. “Nodig waarvoor?” drong Alec aan. “Om Pandesia te vernietigen.” “Waarom ik?” vroeg Alec. “Hoe kan ik nu helpen?” “Alles zal duidelijk worden zodra we aankomen,” antwoordde Sovos. “Waar aankomen?” drong Alec aan. Hij raakte gefrustreerd. “Mijn vrienden zijn in Escalon. Mensen waar ik om geef. Een meisje.” “Het spijt me,” zuchtte Sovos, “maar er is niemand meer daar. Alles dat je ooit kende en liefhad is er niet meer.” Er volgde een lange stilte, en ten midden van het huilen van de wind bad Alec dat hij het bij het verkeerde eind had—maar diep van binnen wist hij dat hij gelijk had. Hoe kon het leven zo snel veranderen? vroeg hij zich af. “Maar jij leeft nog,” vervolgde Sovos, “en dat is een zeer waardevol geschenk. Vergooi het niet. Je kunt vele anderen helpen, als je de beproeving doorstaat.” Alec fronste. “Welke beproeving?” vroeg hij. Sovos draaide zich om en keek hem doordringend aan. “Als jij degene bent die we zoeken,” zei hij, “dan hangt ons lot van jou af; zo niet, dan hebben we niets aan je.” Alec probeerde het te begrijpen. “We zeilen nu al dagen en we zijn nog nergens,” observeerde Alec. “Alleen maar verder op zee. Ik kan Escalon niet eens meer zien.” De man grijnsde. “En waar denk jij dat we heen gaan?” vroeg hij. Alec haalde zijn schouders op. “Het lijkt erop dat we naar het noordoosten zeilen. Misschien naar Marda.” Alec keek verbitterd naar de horizon. Uiteindelijk gaf Sovos antwoord. “Hoe fout kun je zitten, jongen,” antwoordde hij. “Hoe fout kun je zitten.” Sovos wendde zich weer tot het roer terwijl er een sterke wind op stak. Alec keek langs hem heen, en zag tot zijn verbazing, voor het eerst sinds ze waren vertrokken, iets aan de horizon liggen. Hij haastte zich opgewonden naar de reling. In de verte doemde land op. Het land leek te glinsteren, alsof het van diamanten was gemaakt. Alec bracht zijn hand naar zijn ogen en tuurde in de verte. Hij vroeg zich af wat het kon zijn. Welk eiland kon er nu hier in de middle of nowhere liggen? Hij pijnigde zijn hersenen, maar kon zich geen land herinneren op de kaarten. Was het soms een land waar hij nog nooit van gehoord had? “Wat is dat?” vroeg Alec vol verwachting. Sovos draaide zich om, en voor het eerst sinds Alec hem had ontmoet, glimlachte hij breed. “Welkom, mijn vriend,” zei hij, “op de Verloren Eilanden.” HOOFDSTUK ZEVEN Aidan stond vastgebonden aan een paal, niet in staat om te bewegen, terwijl hij naar zijn vader keek, die een paar meter voor hem knielde, omsingeld door Pandesiaanse soldaten. Ze hielden hun zwaarden boven zijn nek. “NEE!” schreeuwde Aidan. Hij probeerde los te breken. Hij wilde naar voren te rennen en zijn vader te redden, maar hoe hard hij het ook probeerde, er was geen beweging in te krijgen. De touwen sneden in zijn polsen en enkels, en hij was gedwongen om hulpeloos toe te kijken hoe zijn vader daar knielde, zijn ogen gevuld met tranen. “Aidan!” riep zijn vader, die zijn hand naar hem uitstrekte. “Vader!” riep Aidan terug. De zwaarden kwamen naar beneden, en een moment later spatte het bloed in Aidans gezicht terwijl ze zijn vaders hoofd afhakten. “NEE!” schreeuwde Aidan. Het voelde alsof zijn eigen leven uit hem werd weggezogen, alsof hij in een zwart gat viel. Aidan werd met een schok wakker, snakkend naar adem, badend in het koude zweet. Hij ging rechtop zitten in de duisternis en probeerde erachter te komen waar hij was. “Vader!” riep Aidan, nog half in slaap. Hij zocht naar hem en voelde een ongelofelijk drang om hem te redden. Hij keek om zich heen. Hij voelde iets in zijn gezicht en in zijn haar, op zijn lichaam, en besefte dat hij moeite had met ademhalen. Hij strekte zijn hand uit, trok iets lichts en langs van zijn gezicht, en realiseerde zich dat hij in een stapel hooi lag. Hij veegde het hooi snel van zich af en ging rechtop zitten. Het was donker. Het vage licht van een fakkel scheen door de planken heen, en hij besefte dat hij in een wagen lag. Naast hem klonk geritsel, en toen hij omkeek zag hij tot zijn opluchting dat het White was. De enorme hond sprong op en likte zijn gezicht terwijl Aidan hem knuffelde. Aidan hijgde, nog steeds overweldigd door de droom. Het had te echt geleken. Was zijn vader echt vermoord? Hij probeerde terug te denken aan toen hij hem voor het laatst had gezien, op de koninklijke binnenplaats, omsingeld door Pandesiaanse soldaten. Hij herinnerde zich dat hij had geprobeerd om hem te helpen, waarna hij in het diepst van de nacht door Motley was meegenomen. Hij herinnerde zich dat Motley hem in deze wagen had gezet, en dat ze door de achterafstraten van Andros waren gevlucht. Dat verklaarde de wagen. Maar waar waren ze heen gegaan? Waar had Motley hem mee naartoe genomen? Er ging een deur open, en de donkere kamer werd opgelicht door het licht van een fakkel. Eindelijk kon Aidan zien waar hij was: een kleine stenen kamer, met een laag, gewelfd plafond. Het zag eruit als een klein huisje of een taverne. Hij keek op en zag Motley in de deuropening staan, omgeven door het licht van de fakkel. “Blijf vooral zo schreeuwen, dan vinden de Pandesianen ons wel,” waarschuwde Motley. Motley draaide zich om en liep de kamer uit, terug naar de goedverlichte kamer in de verte. Aidan sprong uit de wagen en volgde, White op zijn hielen. Terwijl Aidan de andere kamer binnen liep sloot Motley de dikke eikenhouten deur achter hem, en vergrendelde hem. Aidan keek om zich heen terwijl zijn ogen aan het licht begonnen te wennen, en herkende bekende gezichten: Motleys vrienden. De acteurs. Alle entertainers van de reis. Ze waren allemaal hier, allemaal verstopt in deze raamloze stenen pub. Alle gezichten, voorheen zo blij, waren nu somber. “De Pandesianen zitten overal,” zei Motley tegen Aidan. “Niet te hard praten.” Aidan schaamde zich. Hij had zich niet eens gerealiseerd dat hij had geschreeuwd. “Sorry,” zei hij. “Ik had een nachtmerrie.” “We hebben allemaal nachtmerries,” antwoordde Motley. “We leven in een nachtmerrie,” voegde een andere acteur somber toe. “Waar zijn we?” vroeg Aidan terwijl hij verbaasd om zich heen keek. “Een taverne,” antwoordde Motley, “in de verste uithoek van Andros. We zijn nog steeds in de hoofdstad. De Pandesianen patrouilleren buiten. Ze zijn al een aantal keer voorbij gelopen, maar ze zijn niet naar binnen gekomen—en dat zullen ze ook niet doen als je je mond houdt. We zijn veilig hier.” “Voor nu,” riep één van zijn vrienden op sceptische toon. Aidan, die een drang voelde om zijn vader te helpen, probeerde het zich te herinneren. “Mijn vader,” zei hij. “Is hij… dood?” Motley schudde zijn hoofd. “Ik weet het niet. Ze hebben hem meegenomen. Dat was de laatste keer dat ik hem zag.” Aidan voelde een golf van wrok. “Je hebt me meegesleurd!” zei hij boos. “Dat had je niet moeten doen. Ik had hem kunnen helpen!” Motley wreef over zijn kin. “En hoe had je dat willen doen?” Aidan haalde zijn schouders op. “Ik weet het niet,” antwoordde hij. “Op de één of andere manier.” Motley knikte. “Je zou het geprobeerd hebben,” stemde hij in. “En dan zou je nu ook dood geweest zijn.” “Is hij dood dan?” vroeg Aidan terwijl hij zijn hart voelde samentrekken. Motley haalde zijn schouders op. “Hij leefde nog toen we weggingen,” zei Motley. “Ik weet niet of dat nu nog steeds het geval is. We hebben geen vrienden of spionnen meer in deze stad—de boel is compleet overgenomen door Pandesianen. Al je vaders mannen zijn gearresteerd. Ik ben bang dat we zijn overgeleverd aan de genade van Pandesia.” Aidan balde zijn vuisten. Hij kon alleen maar denken aan zijn vader, wegrottend in die cel. “Ik moet hem redden,” verkondigde Aidan, gevuld met een doelbewustheid. “Ik kan hem daar niet laten zitten. Ik moet hier meteen weg.” Aidan sprong op en haastte zich naar de deur. Hij begon de grendels los te trekken toen Motley zich over hem heen boog en zijn voet voor de deur zette voor Aidan hem kon opentrekken. “Als je nu gaat,” zei Motley, “dan zijn we er allemaal geweest.” Aidan keek Motley aan. Voor het eerst had Motley een serieuze blik in zijn ogen, en Aidan wist dat hij gelijk had. Hij had respect voor hem; tenslotte had hij zijn leven gered. Aidan zou hem daar altijd dankbaar voor zijn. Maar tegelijkertijd voelde hij een brandend verlangen om zijn vader te redden, en hij wist dat elke seconde telde. “Je zei dat er een andere manier was,” zei Aidan ineens. “Dat er een andere manier was om hem te redden.” Motley knikte. “Dat heb ik inderdaad gezegd,” gaf Motley toe. “Waren dat dan alleen maar lege woorden?” vroeg Aidan. Motley zuchtte. “Wat stel je voor?” vroeg hij moedeloos. “Je vader zit in het hart van de hoofdstad, in de koninklijke kerker, en hij wordt bewaakt voor het complete Pandesiaanse leger. Zullen we maar gewoon aankloppen?” Aidan stond daar en probeerde iets te bedenken. Hij wist dat het een ontmoedigende onderneming was. “Er moeten toch mensen zijn die ons kunnen helpen?” vroeg Aidan. “Wie dan?” riep één van de acteurs uit. “Alle mannen die trouw waren aan je vader zijn gearresteerd.” “Niet allemaal,” antwoordde Aidan. “Ik weet zeker dat niet al zijn mannen er waren. Hoe zit het met de krijgsheren buiten de hoofdstad?” “Misschien.” Motley haalde zijn schouders op. “Maar waar zijn zij nu?” Aidan was ziedend, wanhopig. Hij had het gevoel dat hij zelf gevangen zat. “We kunnen hier niet blijven zitten en niets doen,” riep Aidan uit. “Als je me niet helpt, dan ga ik zelf. Het kan me niet schelen als ik dood ga. Ik kan niet hier zitten terwijl mijn vader in de gevangenis zit. En mijn broers…” zei Aidan, en hij begon te huilen, overspoeld door emoties, toen hij zich herinnerde dat zijn twee broers dood waren. “Ik heb niemand meer,” zei hij. Toen schudde hij zijn hoofd. Hij herinnerde zich zijn zus, Kyra, en hij bad met alles dat hij had dat ze veilig was. Zij was de enige die hij nog had. Terwijl Aidan huilde liep White naar hem toe en wreef hij zijn kop tegen zijn been aan. Hij hoorde zware voetstappen over de krakende houten planken lopen, en voelde een grote vlezige hand op zijn schouder. Hij keek op en zag Motley hem meelevend aankijken. “Fout,” zei Motley. “Je hebt ons. Wij zijn nu je familie.” Motley draaide zich om en gebaarde naar de ruimte, en Aidan zag de acteurs en entertainers hem ernstig aankijken. Ze hadden medeleven in hun ogen en knikten instemmend. Hij besefte dat ze, ondanks het feit dat ze geen krijgers waren, mensen met een goed hart waren. Hij had een nieuw respect voor hen gevonden. “Dank je,” zei Aidan. “Maar jullie zijn allemaal acteurs. Ik heb krijgers nodig. Jullie kunnen me niet helpen om mijn vader terug te halen.” Motley kreeg ineens een blik in zijn ogen, alsof er een idee bij hem opkwam, en hij glimlachte breed. “Je hebt het mis, jonge Aidan,” antwoordde hij. Aidan zag Motleys ogen glimmen, en hij wist dat hij een plan had. “Krijgers hebben bepaalde vaardigheden,” zei Motley, “maar entertainers hebben andere vaardigheden. Krijgers kunnen winnen door kracht—maar entertainers kunnen winnen met andere middelen. Middelen die nog krachtiger zijn.” “Ik begrijp het niet,” zei Aidan, verward. “Je kunt mijn vader niet uit zijn cel entertainen.” Motley lachte hardop. “Nou,” antwoordde hij, “ik denk het wel.” Aidan keek hem vragend aan. “Wat bedoel je?” vroeg hij. Motley wreef over zijn kin en zijn blik dwaalde af. Hij broedde duidelijk op een plannetje. “Krijgers mogen nu niet vrij rondlopen in de hoofdstad—laat staan dat ze in de buurt van het stadscentrum mogen komen. Maar entertainers hebben geen restricties.” Aidan snapte het niet. “Waarom zou Pandesia entertainers wel het hart van de hoofdstad in laten?” vroeg Aidan. Motley glimlachte en schudde zijn hoofd. “Je weet nog steeds niet hoe de wereld werkt, jongen,” antwoordde Motley. “Krijgers zijn alleen toegestaan in beperkte plekken, op beperkte tijden. Maar entertainers—zij mogen overal komen, altijd. Iedereen moet entertaint worden, Pandesianen net zo goed als Escaloniten. Tenslotte is een verveelde soldaat een gevaarlijke soldaat, aan elke kant van het koninkrijk, en er moet een zekere orde gehandhaafd worden. Entertainment is altijd de sleutel geweest tot het tevreden houden van de troepen en het in bedwang houden van een leger.” Motley glimlachte. “Zie je, jonge Aidan,” zei hij, “het zijn niet de commandanten die hun legers onder de duim houden, maar wij. Gewone entertainers. Die uit de klasse die jij zo veracht. Wij rijzen boven de strijd uit, wij banen ons door vijandige linies. Het kan niemand iets schelen wat voor wapenrusting in draag—ze willen alleen dat ik goede verhalen heb. En ik heb goede verhalen, jongen, beter dan je ooit zult weten.” Motley draaide zich om en bulderde: “We zullen een toneelstuk opvoeren! Wij allemaal!” Alle acteurs in de ruimte begonnen ineens te juichen. Ze stonden op, en er verscheen weer hoop in hun neerslachtige ogen. “We zullen ons toneelstuk opvoeren in het hart van de hoofdstad! Het zal het beste entertainment zijn dat die Pandesianen ooit hebben gezien! En wat nog belangrijker is, het zal de beste afleiding zijn. Als de tijd rijp is, als de stad in onze handen is, in de ban van onze geweldige performance, dan zullen we in actie komen. En we zullen een manier vinden om je vader te bevrijden.” De mannen juichten, en Aidans hart werd warm. Hij voelde een nieuw optimisme. “Denk je echt dat het zal werken?” vroeg Aidan. Motley glimlachte. “Er zijn wel gekkere dingen gebeurd, mijn jongen,” zei hij. HOOFDSTUK ACHT Duncan lag tegen de stenen muur en probeerde de pijn uit te zetten terwijl hij steeds wegzakte, maar de boeien sneden in zijn polsen en enkels en hielden hem wakker. Hij verlangde naar water. Zijn keel was zo droog dat hij niet kon slikken, zo rauw dat elke ademtocht pijn deed. Hij kon zich niet herinneren hoeveel dagen het geleden was dat hij een slok had gehad, en hij was zo zwak van de honger dat hij nauwelijks kon bewegen. Hij wist dat hij hier beneden aan het wegkwijnen was, en dat als de beul hem niet snel zou komen halen, de honger het wel zou doen. Duncan verloor steeds het bewustzijn. Zo ging het al dagen. De overweldigende pijn was een deel van hem geworden. Hij zag flarden van zijn jeugd, van de tijden die hij had doorgebracht op open vlaktes, op trainingsvelden, op slagvelden. Hij herinnerde zich zijn eerste gevechten, in lang vervlogen tijden, toen Escalon nog vrij was. Zijn herinneringen werden echter altijd verstoord door de gezichten van zijn twee dode jongens, die hem in zijn dromen achtervolgden. Hij werd verscheurd door de kwelling en hij schudde zijn hoofd. Hij wilde er niet aan denken. Duncan dacht aan de enige zoon die hij nog had, Aidan, en hij hoopte wanhopig dat hij veilig in Volis was, en dat de Pandesianen de vesting nog niet hadden bereikt. Zijn gedachten dreven af naar Kyra. Hij herinnerde zich haar als jong meisje, herinnerde zich hoe trots hij altijd op haar was geweest. Hij dacht aan haar reis door Escalon en vroeg zich af of ze Ur inmiddels had bereikt, of ze haar oom had ontmoet, of ze nu veilig was. Ze was een deel van hem, het enige deel van hem dat er nu nog toe deed, en haar veiligheid was belangrijker voor hem dan in leven blijven. Zou hij haar ooit nog zien? vroeg hij zich af. Hij verlangde ernaar om haar te zien, maar hij wilde ook dat ze hier ver vandaan bleef, op veilige afstand van deze chaos. De celdeur sloeg open, en Duncan keek verschrikt op en tuurde in de duisternis. Hij hoorde laarzen in de duisternis, en terwijl hij naar de manier van lopen luisterde, kon hij horen dat het niet Enis’ laarzen waren. Zijn gehoor was scherper geworden in deze constante duisternis. Terwijl de soldaat dichterbij kwam, bedacht Duncan dat hij hier moest zijn om hem te martelen of te doden. Duncan was er klaar voor. Ze konden met hem doen wat ze wilden—van binnen was hij toch al dood. Duncan deed zijn ogen open, zwaar als ze waren, en keek met alle waardigheid die hij kon opbrengen op om te zien wie er aan kwam. Daar, zag hij tot zijn grote schrik, stond de man die hij het meest verachte: Bant uit Baris. De verrader. De man die zijn twee zoons had gedood. Duncan keek dreigend naar hem op terwijl Bant met een tevreden glimlach op zijn gezicht naar hem toe liep en voor hem knielde. Hij vroeg zich af wat hij hier deed. “Je bent nu niet meer zo machtig, of wel, Duncan?” vroeg Bant. Hij zat daar met zijn handen op zijn heupen. Hij was kort en gezet, met smalle lippen, kraaloogjes en een door de pokken getekend gezicht. Duncan wilde naar voren duiken om hem te verscheuren—maar zijn ketens hielden hem tegen. “Je zal boeten voor wat je met mijn jongens hebt gedaan,” zei Duncan. Zijn keel was zo droog dat hij de woorden er niet met het gif uit kon krijgen dat hij wilde. Bant lachte. Het was een kort, wreed geluid. “Oh ja?” zei hij spottend. “Jij ademt je laatste adem hier beneden. Ik heb je zoons vermoord, en ik kan jou ook vermoorden als ik dat wil. Na mijn vertoning van loyaliteit heb ik Pandesia achter me staan. Maar ik zal je niet vermoorden. Dat zou te aardig zijn. Ik laat je liever wegrotten.” Duncan voelde een koude woede in zich opwellen. “Waarom ben je dan hier gekomen?” Bant betrok. “Ik kan komen voor elke reden,” zei hij dreigend, “of zonder reden. Ik kan komen om naar je te kijken. Om naar je te staren. Om het resultaat van mijn overwinning te bekijken.” Hij zuchtte. “Maar toevallig heb ik deze keer wel een reden om je te bezoeken. Er is iets dat ik van je wil. En er is iets dat ik je wil geven.” Duncan keek hem sceptisch aan. “Je vrijheid,” voegde Bant toe. Duncan keek hem vragend aan. “En waarom zou je dat doen?” vroeg hij. Bant zuchtte. “Zie je, Duncan,” zei hij, “jij en ik zijn niet zo verschillend. We zijn allebei krijgers. Sterker nog, je bent een man waar ik altijd veel respect voor heb gehad. Je zoons verdienden het om te sterven—het waren roekeloze blaaskaken. Maar voor jou,” zei hij, “heb ik altijd respect gehad. Je zou niet hier beneden mogen zitten.” Hij pauzeerde even en bekeek hem. “Dus dit is wat ik zal doen,” vervolgde hij. “Jij biecht publiekelijk je misdaden tegen onze natie op, en je zal alle burgers van Andros overtuigen om zich over te geven aan Pandesia. Als je dat doet, dan zal ik er op toezien dat Pandesia je vrijlaat.” Duncan zat daar, zo woedend dat hij niet wist wat hij moest zeggen. “Ben je nu een marionet van de Pandesianen?” zei Duncan uiteindelijk. Hij was echt ziedend. “Probeer je indruk op ze te maken? Om hen te laten zien dat je mij kunt vertellen wat ik moet doen?” Bant grijnsde. “Doe het, Duncan,” antwoordde hij. “Je kan voor niemand iets betekenen hier beneden, en al helemaal niet voor jezelf. Vertel de Opperste Ra wat hij wil horen, geef toe wat je hebt gedaan, en sluit vrede voor deze stad. Onze hoofdstad heeft nu vrede nodig, en jij bent de enige die dat kan realiseren.” Duncan haalde een aantal keer diep adem, tot hij eindelijk de kracht bij elkaar wist te schrapen om te spreken. “Nooit,” antwoordde hij. Bant keek hem dreigend aan. “Niet voor mijn vrijheid,” vervolgde Duncan, “niet voor mijn leven, en voor geen enkele prijs.” Duncan staarde hem aan. Hij glimlachte tevreden terwijl hij Bant rood zag aanlopen, en voegde toen toe: “Maar één ding kan ik je verzekeren: als ik hier ooit wegkom, zal mijn zwaard een plek in je hart vinden.” Na een lange, verbijsterde stilte ging Bant staan. Hij keek dreigend op Duncan neer en schudde zijn hoofd. “Blijf nog een paar dagen voor me leven,” zei hij, “zodat ik hier kan zijn om je executie te aanschouwen.” HOOFDSTUK NEGEN Dierdre roeide met al haar macht. Marco zat naast haar, en ze baanden zich een weg door de kanalen, richting de zee, waar ze haar vader voor het laatst had gezien. Haar hart werd verscheurd door angst toen ze zich herinnerde hoe haar vader dapper ten strijde was getrokken tegen het Pandesiaanse leger, en nog wel met onmogelijke kansen. Ze sloot haar ogen en schudde het beeld van zich af. Ze roeide nog sneller en bad dat hij nog niet dood was. Het enige dat ze wilde was op tijd terug zijn om hem te redden—of in ieder geval de kans krijgen om aan zijn zijde te sterven. Naast haar roeide Marco net zo snel, en ze keek hem vol dankbaarheid en bewondering aan. “Waarom?” vroeg ze. Hij draaide zich om en keek haar aan. “Waarom ben je met me mee gegaan?” drong ze aan. Hij keek haar zwijgend aan, en keek toen weg. “Je had met de anderen mee kunnen gaan,” voegde ze toe. “Maar je koos ervoor om dat niet te doen. Je koos ervoor om met mij mee te gaan.” Hij keek recht voor zich uit en zei niets. “Waarom?” drong ze aan. Ze wilde het wanhopig graag weten. “Omdat mijn vriend heel veel bewondering voor je had,” zei Marco. “En dat is genoeg voor mij.” Dierdre roeide nog harder, en haar gedachten dreven af naar Alec. Ze was zo teleurgesteld in hem. Hij had hen allemaal in de steek gelaten en was voor de invasie met die mysterieuze vreemdeling uit Ur vertrokken. Waarom? Ze kon alleen maar gissen. Hij was zo toegewijd geweest aan hun doel, aan de smederij, en ze was er zeker van geweest dat hij in tijden van nood de laatste zou zijn die zou vluchten. En toch had hij dat gedaan, net toen ze hem het hardste nodig hadden. Het deed Dierdre twijfelen aan haar gevoelens voor Alec, die ze ook maar nauwelijks kende—en het zorgde dat ze sterkere gevoelens kreeg voor zijn vriend Marco, die zich voor haar had opgeofferd. Ze voelde nu al een sterke band met hem. Terwijl de kanonskogels over hun hoofden vlogen en de gebouwen om hen heen instortten, vroeg Dierdre zich af of Marco wel wist waar hij aan begonnen was. Wist hij dat hij, door met haar mee te gaan, door terug te keren naar het hart van de chaos, niet meer terug zou kunnen? “We roeien de dood tegemoet, weet je,” zei ze. “Mijn vader en zijn mannen zijn op dat strand, achter die muur van puin, en ik ben van plan om hem te vinden en aan zijn zijde te vechten.” Конец ознакомительного фрагмента. Текст предоставлен ООО «ЛитРес». Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/pages/biblio_book/?art=43694759&lfrom=334617187) на ЛитРес. Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.
КУПИТЬ И СКАЧАТЬ ЗА: 299.00 руб.