Сетевая библиотекаСетевая библиотека
Geliefd Morgan Rice De Vampierverslagen #2 Caitlin en Caleb beginnen aan hun zoektocht naar het ene voorwerp dat de komende oorlog van vampiers en mensen kan tegenhouden: het verloren zwaard. Als een object uit vampiersverhalen, wordt er sterk getwijfeld over of dat voorwerp zelfs maar bestaat. Om ook maar enige hoop te hebben om het te vinden, moeten ze Caitlins afstamming herleiden. Is zij echt De Ene? Hun zoektocht begint met het vinden van Caitlins vader. Wie was hij? Waarom liet hij haar in de steek? Terwijl de zoektocht vordert, worden zij geschokt door wat ze uitvinden over wie ze echt is. Maar zij zijn niet de enigen die zoeken naar het legendarische zwaard. Het Zwarttijverbond wil het ook, en ze komen Caitlin en Caleb op het spoor. Erger nog, Caitlins broertje Sam blijft geobsedeerd met het vinden van zijn vader. Maar Sam merkt al snel dat hij er tot over zijn oren in zit, en dat hij midden in een vampiersoorlog terecht is gekomen. Zal hij hun zoektocht in gevaar brengen? De reis van Caitlin en Caleb neemt hen mee naar een scala aan historische plaatsen – van de Hudson-vallei tot Salem tot het hart van het historische Boston – de plaats waar heksen eens werden opgehangen op de heuvel van Boston Common. Waarom zijn deze plaatsen zo belangrijk voor het vampiersras? En wat hebben ze te maken met Caitlins afstamming, en met wie zij wordt? Maar misschien halen ze het niet eens. De liefde tussen Caitlin en Caleb bloeit op. En hun verboden liefde zou zomaar alles kunnen vernietigen dat ze willen bereiken…Boeken #2--#11 van DE VAMPIERSVERSLAGEN zijn nu ook beschikbaar! GELIEFD, het tweede boek van De Vampierverslagen, en is net zo goed als het eerste boek, VERANDERD, en zit boordevol met actie, romantiek, avontuur en spanning. Dit boek is een fantastische toevoeging aan de serie, en zal zorgen dat je meer van Morgan Rice wil. Als je het eerste boek leuk vond, koop dan dit boek, en word opnieuw verliefd. Dit boek kan gelezen worden als vervolg, maar Rice schrijft op zo’n manier dat je het eerste boek niet hoeft te kennen om dit prachtige deel te lezen. Vampirebooksite. com DE VAMPIERVERSLAGEN heeft een geweldig plot, en GELIEFFD is zeker een boek dat je maar moeilijk zult wegliggen. Het einde was een cliffhanger die zo spectaculair was dat je onmiddellijk het volgende deel wil kopen, om maar te kunnen lezen wat er gebeurt. Zoals je ziet, was dit boek een enorme stap voorwaarts in de serie, en krijgt het dus een volle 10. The Dallas Examiner In GELIEFD bewijst Morgan Rice opnieuw dat ze een extreem getalenteerde verhalenverstelster is… Het boek spreekt aan en is leuk, dus ik genoot er een stuk meer van dan van het eerste, en ik kan niet wachten op het volgende deel. The Romance Reviews Geliefd (Boek #2 van De Vampierverslagen) Morgan Rice Over Morgan Rice Morgan Rice #1 bestsellerauteur van DE VAMPIERVERSLAGEN, een serie voor jongvolwassenen die bestaat uit elf boeken (en er worden nog meer delen geschreven); van de bestsellerserie DE OVERLEVINGSTRILOGIE, een post-apocalyptische thriller waarvan tot nu toe twee boeken zijn verschenen; en de #1 epische fantasy-bestsellerserie DE TOVENAARSRING, waarvan nu dertien boeken zijn verschenen (en er worden nog meer boeken geschreven). Morgans boeken zijn verkrijgbaar als audioboek en boekvorm, en er zijn vertalingen verkrijgbaar in het Duits, Frans, Italiaans, Spaans, Portugees, Japans, Chinees, Zweeds, Nederlands, Hongaars, Tsjechisch en Slowaaks (en er komen meer talen aan). Morgan hoort graag van jullie, dus bezoek www.morganricebooks.com (http://www.morganricebooks.com) om je voor de nieuwsbrief in te schrijven, een gratis boek te ontvangen en gratis spullen te winnen, de gratis app te downloaden en daarmee het laatste, exclusieve nieuws te lezen. Volg haar ook op Facebook en Twitter om in contact met haar te blijven Geselecteerde lof over DE VAMPIERVERSLAGEN “GELIEFD, het tweede boek van de serie De Vampierverslagen, is net zo goed als het eerste boek VERANDERD, en zit boordevol actie, romantiek, avontuur en spanning. Dit boek is een prachtige toevoeging aan de serie, en zal ervoor zorgen dat je nog meer van Morgan Rice wilt lezen. Als je het eerste boek goed vond, zorg dan dat je dit boek in handen krijgt en word opnieuw verliefd. Dit boek kan als vervolg worden gelezen, maar Rice schrijft op zo’n manier dat je het eerste boek niet hoeft te kennen om dit deel te kunnen lezen.” --Vampirebooksite.com “De serie DE VAMPIERVERSLAGEN heeft een geweldige plot, en GELIEFD is precies het soort boek dat je ’s avonds maar moeilijk weg kunt leggen. Het einde was een cliffhanger die zó spectaculair was dat je meteen het volgende boek zult willen kopen, om erachter te komen hoe het verder gaat. Zoals je ziet, was dit boek een enorme stap voorwaarts in de serie, en krijgt het dus een dikke 10.” --The Dallas Examiner “In GELIEFD bewijst Morgan Rice opnieuw dat ze een geweldige verhalenvertelster is… Het beste aan GELIEFD is de geschiedenis. Je leest daadwerkelijke historische verbanden in een boek, en zo word je zeer sterk gefascineerd door wat er gebeurt met de personages.” --The Romance Reviews "VERANDERD is een boek dat zich kan meten met TWILIGHT en THE VAMPIRE DIARIES, en je zult het in één ruk uit willen lezen! Als je avontuur, liefde en vampiers leuk vindt, is dit hét boek voor jou!" --Vampirebooksite.com Boeken van Morgan Rice DE TOVENAARSRING EEN ZOEKTOCHT VAN HELDEN (Boek #1) EEN MARS VAN KONINGEN (Boek #2) EEN LOT VAN DRAKEN (Boek #3) EEN EREKREET (Boek #4) EEN EED VAN EER (Boek #5) EEN AANVAL VAN MOED (Boek #6) EEN RITUEEL VAN ZWAARDEN (Boek #7) EEN SCHENKING VAN WAPENS (Boek #8) EEN LUCHT VOL SPREUKEN (Boek #9) EEN ZEE VAN SCHILDEN (Boek #10) EEN STALEN BEWIND (Boek #11) EEN LAND VAN VUUR (Boek #12) EEN HEERSCHAPPIJ VAN KONINGINNEN (Boek #13) EEN BROEDEREED (Boek #14) EEN DROOM VAN STERFELIJKEN (Boek #15) EEN STEEKSPEL VAN RIDDERS (Boek #16) DE OVERLEVINGSTRILOGIE ARENA EEN: SLAVENDRIJVERS (Boek #1) ARENA TWEE (Boek #2) DE VAMPIERVERSLAGEN VERANDERD (Boek #1) GELIEFD (Boek #2) VERRADEN (Boek #3) VOORBESTEMD (Boek #4) BEGEERD (Boek #5) VERLOOFD (Boek #6) GEZWOREN (Boek #7) GEVONDEN (Boek #8) HERREZEN (Boek #9) VERLANGD (Boek #10) VOORBESCHIKT (Boek #11) Klik hier om deze boeken van Morgan Rice via Kobo te downloaden! Luister naar de serie DE VAMPIERVERSLAGEN in audioboekformaat! Auteursrecht © 2011 Morgan Rice Alle rechten voorbehouden. Behalve zoals toegestaan onder de Copyright Act uit 1976 in de VS, mag geen enkel deel van deze publicatie worden gereproduceerd, verspreid of uitgezonden worden in welke vorm en door welk middel dan ook, of opgeslagen in een database of terugzoeksysteem, zonder toestemming vooraf van de auteur. Dit e-book is uitsluitend voor uw persoonlijke amusement uitgegeven. Dit e-book mag niet worden doorverkocht of weggegeven aan andere mensen. Als u dit boek met een andere persoon wilt delen, koop dan alstublieft een ander exemplaar voor elke ontvanger. Als u dit boek leest, en het niet gekocht heeft, of het niet uitsluitend voor uw amusement is aangeschaft, stuur het dan alstublieft terug en koop uw eigen exemplaar. Bedankt voor het respect voor het harde werk van deze auteur. Dit werk is fictie. Namen, karakters, bedrijven, organisaties, plaatsen, gebeurtenissen en incidenten zijn óf het product van de geest van de auteur óf worden gebruikt in een fictionele context. Elke gelijkenis op echte personen, levend of dood, is volledig toevallig. Jacket art ©iStock.com/© Ivan Bliznetsov “Ze droomde vannacht dat ze mijn standbeelden zag, Die als een fontein met honderd monden, Puur bloed deed stromen: en vele wellustige Romeinen Kwamen glimlachend, en baadden hun handen erin: En dezen past zij toe voor waarschuwingen en voortekenen En komende kwaden…” --William Shakespeare, Julius Caesar INHOUDSOPGAVE EEN (#ulink_7534acd2-e967-5855-b2aa-21bf107deafb) TWEE (#ulink_ef470a6c-a08a-5d67-b792-d96419063b03) DRIE (#ulink_62655653-5507-51ef-86df-f9f0d2078333) VIER (#ulink_f3690267-acb8-5677-b735-303c3a2f6f81) VIJF (#ulink_03113c28-2963-58b2-8bb7-47feabfe9e52) ZES (#litres_trial_promo) ZEVEN (#litres_trial_promo) ACHT (#litres_trial_promo) NEGEN (#litres_trial_promo) TIEN (#litres_trial_promo) ELF (#litres_trial_promo) TWAALF (#litres_trial_promo) DERTIEN (#litres_trial_promo) VEERTIEN (#litres_trial_promo) VIJFTIEN (#litres_trial_promo) ZESTIEN (#litres_trial_promo) ZEVENTIEN (#litres_trial_promo) ACHTTIEN (#litres_trial_promo) NEGENTIEN (#litres_trial_promo) TWINTIG (#litres_trial_promo) EENENTWINTIG (#litres_trial_promo) TWEEËNTWINTIG (#litres_trial_promo) DRIEËNTWINTIG (#litres_trial_promo) VIERENTWINTIG (#litres_trial_promo) VIJFENTWINTIG (#litres_trial_promo) ZESENTWINTIG (#litres_trial_promo) ZEVENENTWINTIG (#litres_trial_promo) ACHTENTWINTIG (#litres_trial_promo) NEGENENTWINTIG (#litres_trial_promo) FEIT: In Salem in 1692 ervoeren twaalf tienermeisjes, ook bekend als “de gekwelden”, een mysterieuze ziekte die hen hysterisch maakte en ervoor zorgde dat zij onafhankelijk van elkaar uitschreeuwden dat plaatselijke heksen hen martelden. Dit leidde tot de heksenprocessen van Salem. De mysterieuze ziekte die deze tienermeisjes overviel is tot op de dag van vandaag onverklaard gebleven. EEN De Hudsonvallei, New York (Het heden) Voor het eerst in weken voelde Caitlin Paine zich ontspannen. Ze zat comfortabel op de vloer van de kleine schuur, leunde tegen een hooibaal en ademde uit. Er brandde een klein vuurtje in de stenen haard op ongeveer drie meter afstand; ze had er net een nieuw houtblok ingelegd en voelde zich gerustgesteld door het geluid van brandend hout. Maart was nog niet voorbij, en vanavond was het erg koud. Het raam aan de andere kant gaf haar uitzicht op de nachtelijke hemel, en ze zag dat het nog steeds sneeuwde. De schuur was slecht geïsoleerd, maar ze zat dicht genoeg bij het vuur om de ergste kou te verjagen. Ze voelde zich erg op haar gemak, en voelde haar oogleden zwaar worden. De geur van het vuur hing sterk in de schuur, en toen ze achterover ging liggen voelde ze hoe de spanning uit haar schouders en benen trok. Natuurlijk wist ze dat de ware reden voor dat vredige gevoel niet het vuur of hooi, of zelfs maar de beschutting van de schuur was. Het kwam door hem, Caleb. Ze staarde naar hem. Hij leunde tegenover haar achterover, ongeveer vijf meter van haar vandaan, en lag volmaakt stil. Hij sliep, en zij greep de kans om zijn gezicht te bestuderen, zijn perfecte gelaatstrekken, zijn bleke, doorschijnende huid. Ze had nog nooit zulke perfect gevormde gelaatstrekken gezien. Het was onwerkelijk, alsof ze naar een beeld staarde. Ze kon zich niet voorstellen hoe hij erin geslaagd was om 3.000 jaar te leven. Zij zag er met haar 18 jaar al ouder uit dan hij. Maar er was meer dan zijn gezicht. Er ging iets van hem uit, een subtiele energie die hij uitstraalde. Een groot aura van vrede. Wanneer ze bij hem in de buurt was, wist ze dat alles goed zou komen. Ze was gewoon blij dat hij er nog was, nog steeds bij haar. Ze stond zichzelf toe te hopen dat ze ook samen zouden blijven. Maar terwijl ze dit dacht, vermaande ze zichzelf, want ze wist dat ze zich zo in de problemen stortte. Ze wist dat mannen als hij geen bindingen aangingen. Zo waren ze nou eenmaal niet ingesteld. Caleb sliep zo volmaakt, met zulke zachte ademhalingen, dat ze nauwelijks kon zeggen of hij wel sliep. Hij was eerder weggegaan, om zich te voeden, zei hij. Hij was meer ontspannen teruggekeerd, en had een stapel hout bij zich en had een manier gevonden om de deur af te sluiten om de sneeuwachtige tocht buiten te houden. Hij had de haard aangestoken en nu hij sliep, hield zij hem brandend. Ze reikte omhoog en nam nog een slokje uit haar glas rode wijn, en ze voelde hoe de warme vloeistof haar ontspande. Ze had de fles in een verborgen kist gevonden, onder een stapel hooi; ze had zich plotseling herinnerd dat haar kleine broertje Sam hem daar maanden geleden in een opwelling had verstopt. Ze dronk nooit, maar ze zag geen probleem met een paar slokjes, vooral na wat ze allemaal mee had gemaakt. Haar dagboek lag open op haar schoot. En ze hield een pen in de ene hand en het glas in de andere. Het lag al 20 minuten open. Ze had geen idee waar ze moest beginnen. Ze had nog nooit moeite gehad met schrijven, maar deze keer was het anders. De gebeurtenissen van de laatste paar dagen waren te dramatisch geweest, te moeilijk te verwerken. Dit was de eerste keer dat ze stil zat en zich ontspannen voelde. De eerste keer dat ze zich zelfs maar vaagjes veilig voelde. Ze besloot dat het het beste was om bij het begin te beginnen. Wat er was gebeurd. Waarom ze hier was. Zelfs wie ze was. Ze moest het verwerken. Ze wist niet eens zeker of ze de antwoorden op die vragen zelf wist. * Tot vorige week was mijn leven normaal. Ik begon Oakville zelfs leuk te vinden. Toen stormde mijn moeder op een dag binnen en zei ze dat we gingen verhuizen. Alweer. Mijn leven draaide zich compleet om, zoals altijd in haar buurt. Deze keer was het erger. Dit was niet weer een rustige buitenwijk. Het was New York. De stad. Openbare scholen en een leven vol beton. En een gevaarlijke buurt. Sam was ook kwaad. We bespraken het om niet mee te gaan, om weg te lopen. Maar in werkelijkheid konden we nergens anders heen. Dus we gingen mee. We zwoeren allebei in het geheim dat we weg zouden gaan als het ons niet beviel. We zouden een andere plek vinden. Waar van ook. Misschien konden we zelfs onze vader opsporen, hoewel we allebei wisten dat dat niet ging gebeuren. En toen gebeurde er enorm veel. Zo snel. Mijn lichaam… sloeg om. Veranderde. Ik weet nog steeds niet wat er gebeurde, of wie ik ben geworden. Maar ik weet wel dat ik niet meer dezelfde persoon ben. Ik herinner me de avond dat het begon precies. Carnegie Hall. Mijn date met Jonah. En toen…pauze. Ik…Voedde mezelf? Vermoordde iemand? Dat kan ik me nog steeds niet herinneren. Ik weet alleen wat ze me vertelden. Ik weet dat ik die avond iets heb gedaan, maar het is allemaal een waas. Wat ik ook heb gedaan, ik zit er nog steeds mee in mijn maag. Ik zou nooit iemand kwaad doen. De volgende dag voelde ik de veranderingen in mezelf. Ik werd zeker sterker, sneller en gevoeliger voor licht. Ik rook ook dingen. Dieren gedroegen zich vreemd in mijn buurt, en ik voelde dat ik mezelf ook raar gedroeg in hun buurt. En dan was er dat met mijn moeder. Ze vertelde me dat ze niet mijn echte moeder was, en werd toen vermoord door die vampiers, die achter mij aanzaten. Ik zou haar nooit zo hebben willen zien. Het voelt nog steeds alsof het mijn schuld is. Maar zoals met alles, kan ik mezelf niet zo laten denken. Ik moet me concentreren op wat voor me ligt, op wat ik kan beheersen. Ik werd betrapt. Die verschrikkelijke vampiers. En toen kwam mijn ontsnapping. Caleb. Zonder hem zouden ze me zeker gedood hebben. Of erger. Calebs verbond. Zijn volk dat zo anders was. Maar nog steeds vampiers. Territoriaal, jaloers, wantrouwend. Ze spuwden mij uit, en gaven hem geen keus. Toch koos hij. Ondanks alles koos hij mij. Opnieuw redde hij me. Hij zette alles op het spel voor mij. Daarom houd ik van hem. Meer dan hij ooit zal weten. Ik moet hem nu op mijn beurt helpen. Hij denkt dat ik de ene ben, een of andere vampiermessias of zoiets. Hij is ervan overtuigd dat ik hem maar een soort verloren zwaard zal leiden, en dat zal een vampieroorlog voorkomen en iedereen redden. Zelf geloof ik dat niet. Zijn eigen mensen geloven het zelfs niet. Maar ik weet dat het alles is dat hij heeft, en het betekent alles voor hem. Hij heeft alles voor mij geriskeerd, en dit is het minste dat ik voor hem kan doen. Wat mij betreft gaat het niet eens om het zwaard. Ik wil hem gewoon niet weg zien gaan. Dus ik zal doen wat ik kan. Ik wilde toch altijd al mijn vader vinden. Ik wil weten wie hij echt is. Wie ik werkelijk ben. Of ik echt een halfvampier ben, of halfmens, of wat dan ook. Ik wil antwoorden. Al wat het maar om te weten waar ik in verander… * “Caitlin?” Ze werd duf wakker. Ze keek op en zag Caleb over haar heen staan, met zijn handen zacht op haar schouders. Hij glimlachte. “Ik denk dat je in slaap bent gesukkeld,” zei hij. Ze keek rond, zag haar opengeslagen dagboek op haar schoot en sloeg het snel dicht. Ze voelde haar wangen rood worden, en hoopte dat hij niets had gelezen. En zeker niet dat deel over haar gevoelens voor hem. Ze ging zitten en wreef in haar ogen. Het was nog steeds avond, en het vuur brandde nog, maar de vlammen waren klein geworden. Hij moest ook net wakker zijn. Ze vroeg zich af hoe lang ze had geslapen. “Sorry,” zei ze. “Ik had al dagen niet meer geslapen.” Hij glimlachte opnieuw en liep naar het haardvuur. Hij gooide er een paar extra houtblokken op en die kraakten en sisten terwijl het vuur weer groter werd. Ze voelde hoe de warmte haar voeten bereikte. Hij stond naar het vuur te staren en zijn glimlach vervaagde langzaam naarmate hij in gedachten verzonken raakte. Terwijl hij in de vlammen keek, werd zijn gezicht in een warme gloed gedompeld, waardoor hij er nog aantrekkelijker uitzag, als dat mogelijk was. Zijn grote, bruine ogen openden zich ver, en terwijl ze naar hem keek veranderden ze in lichtgroen. Caitlin ging meer rechtop zitten en zag dat haar glas wijn nog vol zat. Ze nam een slok, en het verwarmde haar. Ze had al een tijdje niet gegeten, en de wijn ging recht naar haar hoofd. Ze zag nog een plastic glas staan, en ze schrok van haar manieren. “Zal ik ook wat voor jou inschenken?” vroeg ze, en voegde toen nerveus toe: “Tenminste, ik bedoel, ik weet niet of jullie ook—” Hij lachte. “Ja, ook vampiers drinken wijn,” zei hij met een glimlach, en hij stapte op haar af om haar het glas voor te houden terwijl ze het volschonk. Ze was verrast. Niet door zijn woorden, maar door zijn lach. Die was zacht, elegant en leek maar langzaam weg te sterven. Zoals alles aan hem was zijn lach mysterieus. Ze keek hem aan in zijn ogen terwijl hij het glas naar zijn lippen bracht, en hoopte dat hij terug in de hare zou kijken. Dat deed hij. Toen keken ze allebei op hetzelfde moment weg. Ze voelde haar hart sneller slaan. Caleb liep terug naar zijn plek en ging op het stro zitten, leunde achterover en keek naar haar. Hij leek haar te bestuderen. Ze voelde zich bewust worden van zichzelf. Ze haalde onbewust haar hand langs haar kleding en wilde dat ze iets mooiers droeg. Haar gedachten probeerden verwoed te bedenken wat ze aan had. Ergens onderweg, ze wist niet precies waar, waren ze in een dorpje gestopt en waren ze naar de enige winkel die ze daar hadden – het Leger des Heils – en hadden zich daar omgekleed. Ze keek bezorgd omlaag en herkende zichzelf niet eens. Ze droeg een gescheurde, verkleurde spijkerbroek die een maat te groot was en een sweater over een T-shirt. Daaroverheen droeg ze een vaal jack waarvan een knop ontbrak en die ook te groot was. Maar het was warm, en dat was wat ze op dat moment nodig had. Ze was zich bewust van zichzelf. Waarom moest hij haar zo zien? Natuurlijk had zij de pech dat ze eindelijk een jongen had gevonden die ze echt leuk vond, en zich niet mooi kon opmaken. Er was geen badkamer in de schuur, maar zelfs als die er was, had ze geen make-up bij zich. Ze keek weer beschaamd weg. “Heb ik lang geslapen?” vroeg ze. “Weet ik niet. Ik werd gewoon zelf wakker,” zei hij terwijl hij achterover leunde en zijn hand door zijn haar haalde. “Ik heb me vanavond vroeg gevoed. Daardoor sliep ik snel.” Ze keek naar hem. “Leg het me eens uit,” zei ze. Hij keek haar aan. “Voeden,” voegde ze toe. “Hoe werkt het? Moet je…mensen vermoorden?” “Nee, nooit,” zei hij. Het werd stil in de kamer terwijl hij zijn gedachten ordende. “Zoals alles in het vampiersras is het ingewikkeld,” zei hij. “Het hangt af van de soort vampier die je bent, en het verbond waar je toe behoort. In mijn geval: ik voed me alleen met dieren. Voornamelijk herten. Die zijn er toch te veel, en mensen jagen er ook op – en niet eens om te eten.” Zijn gezichtsuitdrukking werd donker. “Maar andere verbonden zijn niet zo barmhartig. Zij voeden zich met mensen. Meestal ongewenste mensen.” “Ongewenst?” “Daklozen, zwervers, prostitués…zij die niet worden opgemerkt. Zo is het altijd geweest. Ze willen geen aandacht op het ras vestigen. Daarom vinden wij ons verbond, mijn vampiersras, zuiverbloedig, en andere soorten onzuiver. Waar je je mee voedt… daarvan neem je de energie op.” Caitlin zat na te denken. “Hoe zit het met mij?” vroeg ze. Hij keek haar aan. “Waarom wil ik me soms voeden, en soms niet?” Hij fronste zijn voorhoofd. “Dat weet ik niet zeker. Met jou is het anders. Jij bent een halfbloed. Dat is heel zeldzaam… Ik weet wel dat je volwassen moet worden. Anderen worden in een enkele nacht veranderd. Bij jou is het een proces. Het kan even duren voor je stabiel bent, om alle veranderingen te ondergaan.” Caitlin dacht terug en herinnerde zich haar hongersteken, hoe ze haar uit het niets hadden overweldigd. Hoe ze haar dwongen aan niets anders dan voeden te denken. Het was verschrikkelijk. Ze was doodsbang dat het weer zou gebeuren. “Maar hoe zal ik weten wanneer het weer gebeurt?” Hij keek haar aan. “Niet.” “Maar ik wil geen mensen doden,” zei ze. “Nooit.” “Dat hoeft ook niet. Je kunt je ook voeden met dieren.” “Maar wat als het gebeurt als ik ergens niet weg kan?” “Je zult het moeten leren beheersen. Daar is oefening voor nodig. En wilskracht. Het is niet gemakkelijk, maar wel mogelijk. Je kunt het beheersen. Iedere vampier maakt dit door.” Caitlin dacht aan hoe het zou zijn om een levend dier te vangen en zich daarmee te voeden. Ze wist dat ze al sneller was geworden dan ooit, maar ze wist niet zeker of ze al zó snel was. En ze wist niet eens wat ze zou moeten doen wanneer ze daadwerkelijk een hert had gevangen. Ze keek naar hem. “Kun jij het me leren?” vroeg ze hoopvol. Hij keek haar in haar ogen, en ze voelde haar hart kloppen. “Voeden is heilig binnen ons ras. Men doet het altijd alleen,” zei hij zachtjes en verontschuldigend. “Behalve…” Hij werd stil. “Behalve?” vroeg ze. “In huwelijksceremonies. Om bruid en bruidegom te binden.” Hij keek weg, en ze zag hem schuiven. Ze voelde het bloed naar haar wangen vloeien en het werd plotseling erg warm in de kamer. Ze besloot het te laten gaan. Ze had nu geen hongersteken, en ze zou die weg wel betreden wanneer het erop aankwam. Ze hoopte dat hij dan aan haar zijde stond. Daarnaast vond ze het stiekem allemaal maar niks: voeden, vampiers of zwaarden, of wat er dan ook mee te maken had. Wat ze echt wilde weten, was meer over hém. Of liever: hoe hij over haar dacht. Er waren zo veel vragen die ze hem wilde stellen. Waarom zette je alles op het spel voor mij? Ging het alleen om het zwaard vinden? Of was er nog wat anders? Als je eenmaal je zwaard vindt, blijf je dan bij mij? Zou je de regels over relaties met mensen voor mij verbreken? Maar ze was bang. In plaats daarvan zei ze dus: “Ik hoop dat we je zwaard vinden.” Stom, dacht ze. Is dat het beste dat je kunt? Kun je nou nooit eens de moed bijeenschrapen om te zeggen wat je denkt? Maar zijn energie was te intens, en als ze bij hem in de buurt was, was het moeilijk voor haar om helder te denken. “Ik hoop het ook,” antwoordde hij. “Het is geen gewoon wapen. Het wordt al eeuwenlang begeerd door onze soort. Er wordt gezegd dat het het allerbeste Turkse zwaard is dat ooit is gemaakt, van een metaal dat alle vampiers kan doden. Daarmee zouden we onoverwinnelijk zijn. Zonder, echter…” Hij zweed, blijkbaar bang om de gevolgen uit te spreken. Caitlin wilde dat Sam hier was, wilde dat hij hen kon helpen zoeken naar haar vader. Ze keek weer rond door de schuur. Ze zag geen recente tekenen dat hij hier geweest was. Ze wenste opnieuw dat ze haar telefoon niet onderweg kwijt was geraakt. Dat zou de zaken zo veel makkelijker hebben gemaakt. “Sam sliep hier altijd,” zei ze. “Ik wist zeker dat hij hier zou zijn. Maar ik weet dat hij naar dit dorp terug zou keren – heel erg zeker. Hij zou nergens anders heen gaan. Morgen gaan we naar school, en praat ik met mijn vrienden. Ik zal hem vinden.” Caleb knikte. “Je denkt dat hij weet wie jullie vader is?” vroeg hij. “Ik…weet het niet,” antwoordde ze. “Maar ik weet dat hij een stuk meer over hem weet dan ik. Hij heeft altijd al geprobeerd hem te vinden. Als er iemand wat weet, is hij het wel.” Caitlin dacht terug en herinnerde zich al die keren met Sam, hoe hij altijd zocht, haar nieuwe aanwijzingen liet zien en nooit teleurgesteld werd. Zijn verlangen om hun vader te zien was overweldigend, als iets levends in zijn binnenste. Zij voelde het ook wel, maar niet zo sterk als hij. Om meerdere redenen was zijn teleurstelling moeilijker aan te zien. Caitlin dacht aan hun slechte jeugd, aan alles dat ze hadden gemist, en werd plotseling overmand door emotie. Een traan welde op in haar ooghoek, en ze veegde hem snel en beschaamd weg, en hoopte dat Caleb het niet had gezien. Maar dat had hij wel. Hij keek op en bekeek haar aandachtig. Hij stond langzaam op en ging naast haar zitten. Hij was zo dichtbij dat ze zijn energie kon voelen. Het was intens en haar hart begon te bonzen. Hij haalde zachtjes een vinger door haar haren om het uit haar gezicht te halen. Toen liet hij hem langs haar ooghoek glijden, en toen langs haar wang. Ze hield haar gezicht omlaag en staarde naar de vloer, bang om zijn blik te kruisen. Ze voelde hoe hij haar bestudeerde. “Maak je geen zorgen,” zei hij met zijn zachte, diepe stem die haar compleet op haar gemak stelde. “We zullen je vader vinden. En dat zullen we samen doen.” Maar dat was niet waar ze zich zorgen over maakte. Ze maakte zich zorgen over hem, Caleb. Zorgen over wanneer hij haar zou verlaten. Ze vroeg zich af of hij haar zou kussen als ze haar gezicht naar hem wendde. Ze wilde dolgraag de aanraking van zijn lippen voelen. Maar ze was bang om haar hoofd te draaien. Het voelde alsof ze pas uren later de moed bijeen had geschraapt om haar hoofd bij te draaien. Maar hij had zijn gezicht al afgewend. Hij leunde licht achterover tegen het hooi, ogen gesloten, slapend met een lichte glimlach op zijn gezicht dat verlicht werd door het haardvuur. Ze kroop dichter tegen hem aan en leunde achterover, en legde haar hoofd op enkele centimeters van zijn schouder. Ze raakten elkaar bijna. En bijna was genoeg voor haar. TWEE Caitlin deed de deur van de schuur zachtjes dicht en tuurde naar de met sneeuw bedekte wereld. Wit zonlicht kaatste overal vanaf. Ze bracht haar handen naar haar ogen, en voelde een pijn die ze niet eerder zo erg had ervaren: haar ogen barstten bijna uit elkaar. Caleb kwam vanuit de hut naast haar staan, terwijl hij een dunne, doorzichtige stof om zijn armen en nek wikkelde. Het leek haast op huishoudfolie, maar het leek in zijn huid op te lossen zodra hij het erop deed. Ze kon niet eens zien of het er nog zat. “Wat is dat?” “Huidwikkels,” zei hij, omlaag kijkend terwijl hij het telkens opnieuw zorgvuldig om zijn arm en schouders wikkelde. “Dat zorgt ervoor dat we in het zonlicht kunnen lopen. Anders zou onze huid verbranden.” Hij keek naar haar. “Jij hebt het niet nodig—nog niet.” “Hoe weet je dat?” vroeg ze. “Geloof me,” zei hij grijnzend. “Dat zou je weten.” Hij reikte in zijn broekzak en haalde er een klein flesje oogdruppels uit, leunde achterover en deed een paar druppels in allebei zijn ogen. Hij draaide zich om en keek naar haar. Het moest duidelijk zichtbaar zijn dat haar ogen pijn deden, want hij plaatste zachtjes zijn hand op haar voorhoofd. “Doe je hoofd naar achteren,” zei hij. Dat deed ze. “Open je ogen,” zei hij. Toen ze dat deed, deed hij een druppel in haar beide ogen. Het prikte idioot veel, en ze deed haar ogen dicht en liet haar hoofd zakken. “Au,” zei ze terwijl ze in haar ogen wreef. “Als je boos op me bent, zeg dat dan gewoon.” Hij grijnsde. “Sorry. In het begin brandt het, maar je zult eraan wennen. Je overgevoeligheid zal binnen een paar seconden verdwijnen.” Ze knipperde en wreef in haar ogen. Uiteindelijk keek ze op en voelden haar ogen weer geweldig. Hij had gelijk: alle pijn was weggegaan. “De meeste vampiers gaan nog steeds niet naar buiten bij daglicht als het niet hoeft. We zijn overdag allemaal zwakker. Maar soms moet het gewoon.” Hij keek haar aan. “Die school van jou,” zei hij. “Is die ver weg?” “Maar een korte wandeling,” zei ze, en ze nam zijn arm en leidde hem door de besneeuwde tuin. “Oakville high. Dat was mijn school, tot een paar weken geleden. Een van mijn vrienden móét weten waar hij is.” * Oakville High zag er nog precies zo uit als Caitlin zich herinnerde. Het was onwerkelijk om hier terug te zijn. Ze keek omhoog en het voelde alsof ze alleen maar een korte vakantie had genomen, en dat ze nu weer haar normale leven oppakte. Ze liet zichzelf zelfs eventjes geloven, maar een paar seconden, dat de gebeurtenissen van de afgelopen paar weken allemaal een rare droom waren geweest. Het voelde goed. Maar toen ze omkeek en Caleb naast zich zag staan, wist ze dat er helemaal niets normaal was. Als er iets nog onwerkelijker was dan hier terugkeren, was het wel terugkeren met Caleb aan haar zijde. Ze zou haar oude school betreden met deze beeldschone man aan haar zijde, meer dan een meter tachtig, met brede schouders, geheel gekleed in zwart, de hoge kraag van zijn lange leren jas rond zijn nek die onder zijn halflange haar door liep… Hij zag eruit alsof hij zo van de kaft van een populair tienertijdschrift was gekomen. Caitlin stelde zich voor hoe de andere meisjes zouden reageren wanneer ze haar met hem zagen lopen. Ze was nooit heel populair geweest, en jongens hadden haar nooit veel aandacht geschonken. Ze was ook niet onpopulair – had een paar goede vrienden gehad – maar ze stond ook niet in het midden van de aandacht van de populairdere mensen. Ze dacht dat ze ergens in het midden zat. Toch herinnerde ze zich dat ze geminacht werd door een paar populairdere meisjes, die allemaal bij elkaar bleven om met hun neuzen omhoog door de gangen te lopen en iedereen te negeren die zij niet net zo perfect vonden als zichzelf. Misschien zouden zij haar nu wél opmerken. Caitlin en Caleb liepen de trap op en gingen de school door de brede dubbele deuren binnen. Caitlin keek naar de grote klok: half 9. Perfect. De eerste les was net voorbij en de gang zou zich elk moment vullen. Zo zouden ze minder opvallen. Dan hoefden ze zich geen zorgen te maken over beveiliging of gangpassen. Precies op dat moment ging de bel en binnen een paar tellen stroomde de gangen vol. Het mooie aan Oakville was dat het een geheel andere wereld was dan die verschrikkelijke highschool in New York. Hier was nog steeds genoeg loopruimte, ondanks de volgestroomde gang. Grote, glazen ramen lieten licht binnen. Overal waren bomen te zien. Het was bijna genoeg om haar weer terug te doen verlangen. Bijna. Ze had schoon genoeg van school. Technisch gezien was ze maar een paar maanden van haar slagen af geweest, maar ze vond dat ze in de afgelopen paar weken meer had geleerd dan ze zou hebben geleerd als ze die laatste maanden in een klaslokaal had gezeten voor een officieel diploma. Ze vond het leuk om te leren, maar ze zou net zo gelukkig zijn als ze nooit meer terug hoefde. Terwijl ze door de hal liepen, zocht Caitlin naar bekende gezichten. Ze liepen vooral voorbij eerste- en tweedejaars, en ze zag niemand uit haar laatste klas. Maar terwijl ze voorbij die kinderen liepen, was ze verrast door de reacties op het gezicht van elk meisje: ze staarden letterlijk naar Caleb. Geen enkel meisje probeerde het ook maar te verbergen, of kon zelfs maar wegkijken. Het was ongelooflijk. Het was net alsof ze met Justin Bieber door de gang liep. Caitlin draaide zich om en zag dat alle meisjes stil stonden, nog steeds starend. Een aantal fluisterden met elkaar. Ze keek naar Caleb, en vroeg zich af op hij het had opgemerkt. Zo ja, dan liet hij daar niets van merken, en het leek hem zeker niet te deren. “Caitlin?” klonk een geschokte stem. Caitlin draaide zich om en zag Luisa daar staan, een van haar vriendinnen voordat ze verhuisde. “Oh mijn God!” voegde Luisa opgewonden toe, en opende haar armen voor een omhelzing. Voordat Caitlin kon reageren had Luisa haar al omhelsd. Caitlin beantwoordde de omhelzing. Het voelde goed om een bekend gezicht te zien. “Wat is er met je gebeurd?” vroeg Luisa in opgewonden haast, zoals ze altijd praatte. Haar lichte Spaanse accent was hoorbaar, want ze was hier nog maar een paar jaar geleden heen verhuisd vanuit Puerto Rico. “Ik ben in de war! Ik dacht dat je verhuisd was!? Ik sms’te je en stuurde je chatberichten, maar je antwoordde nooit –” “Het spijt me zo,” zei Caitlin. “Ik ben mijn telefoon kwijt en ik ben nooit in de buurt van een computer geweest en–” Luisa luisterde niet. Ze had Caleb opgemerkt en staarde hem als betoverd aan. Haar mond viel letterlijk open. “Wie is je vriend?” vroeg ze uiteindelijk, bijna fluisterend. Caitlin glimlachte: ze had haar vriendin nog nooit van de wijs gebracht zien worden. “Luisa, dit is Caleb,” zei Caitlin. “Aangenaam,” zei Caleb met een glimlach, en hij reikte haar zijn hand. Luisa bleef gewoon staren. Ze bracht langzaam en verdwaasd haar hand omhoog, duidelijk te geschokt om te praten. Ze keek naar Caitlin, en begreep niet hoe zij zo’n man aan de haak had geslagen. Ze keek anders naar Caitlin, bijna alsof ze niet meer wist wie ze was. “Uhm…” begon Luisa met grote ogen, “…uhm…zeg eens…waar…uhm…hebben jullie elkaar ontmoet?” Heel even dacht Caitlin na over hoe ze zou antwoorden. Ze glimlachte toen ze zich voorstelde hoe ze Luisa alles vertelde. Dat zou ze niet geloven. “We hebben elkaar…na een concert ontmoet,” zei Caitlin. Dat was in ieder geval gedeeltelijk waar. “Oh mijn God, wat voor concert? In de stad? The Black Eyed Peas!?” vroeg ze gehaast. “Ik ben zó jaloers! Die heb ik altijd al willen zien!” Caitlin glimlachte bij de gedachte aan Caleb op een rockconcert. Om de een of andere reden kon ze zich dat niet voorstellen. “Uhm….niet echt,” zei Caitlin. “Luisa, luister, het spijt me dat ik je onderbreek, maar ik heb niet veel tijd. Ik moet weten waar Sam is. Heb jij hem gezien?” “Natuurlijk. Iedereen heeft hem gezien. Hij is vorige week teruggekomen. Hij zag er raar uit. Ik vroeg hem waar jij was, en wat er met hem aan de hand was, maar dat wilde hij niet zeggen. Hij slaapt waarschijnlijk in die lege schuur waar hij zo van houdt.” “Nee,” antwoordde Caitlin. “Daar waren we net.” “Echt? Sorry, dat wist ik niet. Hij is tweedejaars, dus zo vaak zie ik hem niet. Heb je geprobeerd hem via chat te bereiken? Hij zit altijd op Facebook.” “Ik ben mijn telefoon—” begon Caitlin. “Neem de mijne,” onderbrak Luisa haar, en voor ze was uitgesproken duwde ze haar telefoon in Caitlins hand. “Facebook staat al open. Gewoon inloggen en je kunt hem een bericht sturen.” Natuurlijk, dacht Caitlin. Waarom dacht ik daar zelf niet aan? Caitlin logde in, typte Sams naam in het zoekvakje, klikte op zijn profiel en klikte op ‘bericht’. Ze aarzelde, en vroeg zich af wat ze zou schrijven. Toen typte ze: “Sam. Ik ben het. Ik ben in de schuur. Kom naar me toe. Zo snel mogelijk.” Ze klikte op ‘versturen’ en gaf de telefoon terug aan Luisa. Caitlin hoorde wat rumoer en draaide zich om. Een groep populaire laatstejaarsmeisjes kwamen recht op hen af door de hal. Ze fluisterden met elkaar. En iedereen keek recht naar Caleb. Voor de eerste keer voelde Caitlin een golf van een nieuwe emotie opwellen in haar binnenste. Jaloezie. Ze kon in de ogen van deze meisjes – die haar nooit aandacht hadden geschonken – lezen dat zij Caleb van haar zouden afnemen zodra ze de kans kregen. Deze meisjes hadden invloed op elke jongen op school, elke jongen die ze wilden. Het maakte niet uit of die een vriendin had of niet. Je hoopte gewoon dat ze hun ogen niet op jouw vriend lieten vallen. En nu staarden ze allemaal naar Caleb. Caitlin hoopte, bad zelfs, dat Caleb immuun zou zijn voor hun krachten. Dat hij haar nog steeds leuk zou vinden. Maar terwijl ze dat dacht, kon ze niet bedenken waarom hij dat zou doen. Ze was zo middelmatig. Waarom zou hij bij haar blijven als er meisjes als deze waren die een moord voor hem zouden doen? Caitlin bad stilletjes dat de meisjes gewoon door zouden lopen. Deze ene keer. Maar natuurlijk deden ze dat niet. Haar hart bonsde terwijl de groep afdraaide en recht om hen af kwam. “Hallo, Caitlin,” zei een van de meisjes tegen haar in een quasi-aardige stem. Tiffany. Ze was lang, had lang blond haar, blauwe ogen en was graatmager. Ze was van top tot teen in designerkleding gekleed. “Wie is je vriend?” Caitlin wist niet wat ze moest zeggen. Tiffany en haar vrienden hadden zelfs nog nooit de tijd aan Caitlin doorgegeven. Ze hadden zelfs nog nooit haar richting op gekeken. Ze was geschokt dat ze wist dat ze bestond, en dat zelfs haar naam wisten. En nu begonnen ze een gesprek. Natuurlijk wist Caitlin dat het niets met haar te maken had. Ze wilden Caleb graag genoeg om zichzelf te verlagen tot een gesprek met haar. Dit betekende niet veel goeds. Caleb moest Caitlins onrust hebben gevoeld, want hij kwam een stap dichterbij en sloeg een arm rond haar schouder. Caitlin was nog nooit van haar leven zo dankbaar geweest voor welk gebaar dan ook. Met hervonden zelfvertrouwen vond Caitlin de kracht om te praten. “Caleb,” antwoordde ze. “Aha, en wat doen jullie hier?” vroeg een ander meisje. Bunny. Zij was een kopie van Tiffany, maar dan met bruin haar. “Ik dacht dat je weg was gegaan of zoiets.” “Nou, ik ben terug,” antwoordde Caitlin. “Dus ben jij hier ook, zeg maar, nieuw?” vroeg Tiffany aan Caleb. “Ben je laatstejaars?” Caleb glimlachte. “Ja, ik ben nieuw hier,” antwoordde hij cryptisch. Tiffany’s ogen sprongen op bij haar interpretatie dat hij nieuw was op hun school. “Leuk,” zei ze. “Er is vanavond een feestje, als je zin hebt. Bij mij thuis. Het is eigenlijk alleen voor goede vrienden, maar jij bent ook welkom. En, uhm… jij ook, denk ik,” zei Tiffany met een blik op Caitlin. Caitlin voelde woede in haar binnenste opwellen. “Ik waardeer de uitnodiging, dames,” zei Caleb, “maar helaas moet ik zeggen dat Caitlin en ik vanavond al een belangrijke afspraak hebben.” Caitlin voelde haar hart zwellen. Gewonnen. Ze zag hun gezichtsuitdrukking instorten als een rij dominosteentjes, en ze had zich nog nooit zo opgelucht gevoeld. De meisjes draaiden hun neuzen en dropen af. Caitlin, Caleb, en Luisa stonden weer alleen. Caitlin ademde uit. “Oh mijn God!” zei Luisa. “Die meisjes geven nog niet eens de tijd door aan iemand, laat staan een uitnodiging.” “Weet ik,” zei Caitlin nog steeds opgewonden. “Caitlin!” zei Luisa plotseling en greep naar haar arm. “Ik herinner me plotseling wat. Susan zei wat over Sam. Vorige week. Dat hij bij de Colemans uithing. Sorry, maar ik herinner het me nu pas. Misschien helpt het.” De Colemans. Natuurlijk. Daar moest hij wel zijn. “Trouwens,” ging Luisa gehaast verder, “we gaan vanavond samen wat drinken bij de Franks. Je moet erbij zijn! We missen je zo. En natuurlijk moet je Caleb meebrengen. Het wordt een geweldig feestje. De halve klas komt. Je móét erbij zijn.” “Nou… Ik weet niet –” De bel ging. “Ik moet gaan! Ik ben zo blij dat je terug bent! Ik hou van je. Bel me. Doei!” zei Luisa en ze zwaaide naar Caleb, draaide zich om en haastte zich door de gang. Caitlin stond zichzelf toe zich haar normale leven weer voor te stellen. Hangen met vrienden, naar feestjes gaan, op een normale school zitten, bijna haar diploma halen… Het voelde prettig. Heel even probeerde ze alle gebeurtenissen van de laatste week buiten te sluiten. Ze stelde zich voor dat er niets slechts was gebeurd. Maar toen keek ze om en zag ze Caleb, en de realiteit stroomde weer binnen. Haar leven was veranderd. Voor altijd. Het zou nooit meer terug veranderen. Ze moest het gewoon accepteren. Om nog maar te zwijgen over de politie die haar zocht omdat ze iemand had vermoord. Of dat het een kwestie van tijd was voor ze haar ergens te pakken kregen. Of het feit dat het hele vampiersras haar nog steeds wilde doden. Of dat het zwaard dat ze zocht enorm veel mensenlevens kon redden. Het leven was zeker niet wat het ooit was, en dat zou het nooit meer zijn. Ze moest haar huidige werkelijkheid gewoon accepteren. Caitlin legde haar hand in Calebs arm en leidde hem door de voordeuren. De Colemans. Ze wist waar ze woonden, en dat Sam daar zou slapen was niet meer dan logisch. Als hij niet op school was, was hij nu waarschijnlijk daar. Dat moest hun volgende bestemming zijn. Terwijl ze door de voordeuren de frisse buitenlucht in liepen, verbaasde ze zich hoe goed het voelde om deze highschool te verlaten – en deze keer voorgoed. * Caitlin en Caleb liepen over het erf van de familie Coleman, en de sneeuw kraakte onder hun voeten. Het huis zelf was niet veel – een bescheiden boerderij langs een landweggetje. Maar helemaal achterin, aan het einde van het erf, stond een schuur. Caitlin zag alle versleten pick-uptrucks lukraak geparkeerd in de tuin staan, en ze kon de voetstappen in het ijs en de sneeuw zien, en ze wist dat er veel verkeer richting die schuur was gegaan. Dat was wat kinderen in Oakville deden: ze hingen rond in elkaars schuren. Oakville was net zo plattelands als het voorstedelijk was, en dit gaf hen de kans om in een gebouw rond te hangen dat ver van hun ouderlijk huis lag, zodat hun ouders niet wisten wat ze deden, en dat hen dat ook niet uitmaakte. Het was stukken beter dan rondhangen op een zolder. Je ouders konden niets horen. En je had je eigen ingang en uitgang. Caitlin ademde diep in terwijl ze naar de schuur liep en de zware, houten deur opende. Het eerste dat ze merkte was de geur. Wiet. Er hingen hele wolken in de lucht. Dat, gemengd met de geur van oud bier. En veel te veel ook. Wat haar daarna opviel—meer dan wat ook— was de geur van een dier. Ze had nog nooit zulke scherpe zintuigen gehad. De schok van de aanwezigheid van het dier raasde door haar zintuigen, alsof ze net aan ammoniak had geroken. Ze keek naar rechts en concentreerde zich. Daar in de hoek zag een grote Rottweiler. Hij kwam langzaam omhoog, staarde naar haar en ontblootte zijn tanden. Hij begon lag, keelachtig te grommen. Hij heette Butch. Ze herinnerde zich hem weer. De gemene Rottweiler van de Colemans. Alsof de Colemans een agressief dier nodig hadden om hun chaos aan te vullen. De Colemans hadden altijd slecht nieuws betekend. Er waren drie broers—17, 15, en 13 jaar—en op een bepaald moment was Sam bevriend geraakt met de middelste, Gabe. Elk van hen was erger dan de vorige. Hun vader had hen lang geleden verlaten, niemand wist waar hij heen was, en hun moeder was nooit thuis. Ze voedden zichzelf feitelijk op. Ondanks hun leeftijd waren ze altijd dronken of high, en ze waren vaker niet op school dan wel. Caitlin vond het niks dat Sam met hen uitging. Het kon tot niets goeds leiden. Er speelde muziek op de achtergrond: Pink Floyd. Wish You Were Here. Natuurlijk, dacht Caitlin. Het was hier donker, vooral als je uit zo’n heldere dag kwam, en het duurde enkele seconden voor haar ogen volledig gewend waren. Daar was hij. Sam. Hij zat in het midden van een versleten bank, omgeven door twaalf jongens. Gabe aan een kant, en Brock aan de andere. Sam boog zich over een waterpijp. Hij was net klaar met inhaleren, zette hem weg en leunde achterover, zoog de lucht naar binnen en hield die veel te lang binnen. Eindelijk blies hij uit. Gabe tikte hem aan en Sam keek op. In een wietwaas staarde hij naar Caitlin. Zijn ogen waren bloeddoorlopen. Caitlin voelde een pijnscheut door haar maag schieten. Ze was meer dan teleurgesteld. Het voelde alsof het allemaal haar schuld was. Ze dacht terug aan de laatste keer dat ze elkaar hadden gezien, in New York. Hun laatste ruzie. Haar harde woorden. “Ga maar!” had ze geschreeuwd. Waarom moest ze zo hard zijn? Waarom kon ze geen kans krijgen het terug te nemen? Nu was het te laat. Als ze andere woorden had gekozen, waren de zaken nu anders geweest. Ze voelde ook een golf van woede. Woede op de Colemans, woede op alle jongens in de schuur, zittend op die versleten banken en stoelen, op hooibalen. Allemaal drinkend, rokend en hun leven vergooiend. Het stond hen vrij hun eigen leven weg te gooien. Maar ze zouden Sam niet meeslepen. Hij was beter dan zij, maar het ontbrak hem aan leiding. Hij had nooit een vaderfiguur gehad, of liefde van hun moeder. Hij was een goede jongen, en ze wist zeker dat hij nu de hoogste cijfers van de klas zou halen als hij ook maar een iets stabieler thuis had. Maar er was een punt waarop het te laat was. Hij gaf er gewoon niet meer om. Ze zette een paar stappen in zijn richting. “Sam?” vroeg ze. Hij staarde alleen maar terug en zei geen woord. Het was moeilijk te bepalen wat er in die blik lag. Waren het de drugs? Deed hij maar alsof hij niets om haar gaf? Of deed het hem echt niets? Zijn apathische blik deed haar meer pijn dan wat ook. Ze had erop gerekend dat hij blij zou zijn haar te zien, dat hij op zou staan om haar te omhelzen. Dit niet. Het leek hem niets te doen. Alsof ze een vreemde was. Deed hij gewoon stoer voor zijn vrienden? Of had ze het deze keer echt verpest? Er gingen een paar seconden voorbij, en uiteindelijk keek hij haar kant op en gaf hij de waterpijp aan een van zijn vrienden. Hij bleef naar zijn vrienden kijken en haar negeren. “Sam!” zei ze een stuk luider, en haar gezicht werd rood van boosheid. “Ik praat tegen je!” Ze hoorde gegrinnik van zijn kneusjes van vrienden en voelde een vloedgolf van woede in haar lichaam opwellen. Ze begon wat anders te voelen. Een dierlijk instinct. De woede zwol op tot een punt dat het bijna niet meer te beheersen was, en ze vreesde dat ze die grens bijna overstak. Het was niet langer menselijk. Het werd dierlijk. Deze jongens waren groot, maar de kracht die in haar aderen groeide vertelde haar dat ze hen allemaal in een oogwenk aankon. Het was moeilijk om haar woede te beheersen, en ze hoopte dat ze sterk genoeg was om dat voor elkaar te krijgen. Tegelijkertijd begon de Rottweiler harder te grommen en begon hij langzaam in haar richting te lopen. Het was alsof hij iets aan voelde komen. Ze voelde een zachte hand op haar schouder. Caleb. Hij was er nog. Hij moest hebben gevoeld hoe haar woede groeide, het dierlijke instinct tussen hen. Hij probeerde haar te kalmeren, haar te zeggen dat ze zich moest beheersen en zichzelf niet moest laten gaan. Zijn aanwezigheid stelde haar gerust. Maar het was niet makkelijk. Sam draaide zich eindelijk om en keek naar haar. Er lag opstandigheid in zijn blik. Hij was nog steeds boos, dat was duidelijk. “Wat moet je?” snauwde hij. “Waarom ben je niet op school?” was het eerste dat ze zichzelf hoorde zeggen. Ze wist niet zeker waarom ze het zei, ondanks al die andere dingen die ze hem wilde vragen. Maar haar moederinstinct sprak nu, en dat kwam uit haar mond. Meer gegrinnik. Haar woede groeide. “Wat geef jij daar om?” zei hij. “Jij zei dat ik moest gaan.” “Het spijt me,” zei ze. “Ik meende het niet.” Ze was blij dat ze een kans kreeg dat te zeggen. Maar het leek hem niet te overtuigen. Hij staarde alleen maar. “Sam, ik moet met je praten. Onder vier ogen,” zei ze. Ze wilde hem uit deze omgeving halen, de frisse lucht in, waar ze écht konden praten. Ze wilde niet alleen informatie over hun vader; ze wilde ook met hem praten, zoals ze vroeger ook deden. En hem het nieuws geven over hun moeder. Voorzichtig. Maar dat ging niet gebeuren. Dat zag ze nu wel. De zaken gingen snel achteruit. Ze voelde dat de energie in de overvolle schuur te donker was. Te gewelddadig. Ze voelde hoe ze de controle verloor. Ondanks Calebs hand kon ze niet tegenhouden wat haar overmande. “Ik ben hier prima op mijn gemak,” zei Sam. Ze hoorde nog meer gegrinnik van zijn vrienden. “Waarom ontspan je niet wat?” zei een van de jongens tegen haar. “Je bent helemaal gespannen. Kom zitten en neem een trekje.” Hij reikte haar de waterpijp aan. Ze draaide zich om en keek naar hem. “Waarom steek je die waterpijp niet in je reet?” hoorde ze zichzelf zeggen tussen haar opeengeklemde kaken door. Een orkaan van gejoel ontstond onder de groep jongens. “Oh, DIE ZIT!” riep een van hen. De jongen die haar het aanbod had gedaan, een grote, gespierde kerel waarvan ze wist dat hij uit het sportteam was gezet, werd vuurrood. “Wat zei je daar, kreng?” zei hij terwijl hij opstond. Ze keek op. Hij was een stuk groter dan ze zich herinnerde, zeker 1,95. Ze voelde Calebs greep op haar schouder verstrakken. Ze wist niet of het was om haar te kalmeren of omdat hij zelf gespannen werd. De spanning in de kamer groeide enorm. De Rottweiler kroop dichterbij. Hij was nog maar een meter van hen verwijderd. En hij gromde als een gek “Jimbo, rustig,” zei Sam tegen de grote kerel. Daar was de beschermende Sam. Hij verdedigde haar, hoe dan ook. “Ze is nogal vervelend, maar ze meende het niet. Ze is nog steeds mijn zus. Gewoon rustig blijven.” “Ik meende het wél,” schreeuwde Caitlin bozer dan ooit tevoren. “Jullie denken echt dat jullie stoer zijn, hè? Zorgen dat mijn kleine broertje high wordt? Jullie zijn een stel kneusjes. Jullie vergooien je leven. Je eigen leven, prima, maar waag het niet Sam mee te sleuren!” Jimbo keek zo mogelijk nog bozer. Hij zette een paar dreigende stappen in haar richting. “Kijk eens aan. Mevrouw lerares. Mevrouwtje mammie. Ze komt ons vertellen wat we moeten doen!” Een storm van gelach. “Kom maar op, jij en dat mietje van dat vriendje van je tegen mij!” Jimbo stapte dichterbij en hief zijn grote klauw van een hand, en duwde Caitlin tegen haar schouder. Dat was een grote vergissing. De woede explodeerde binnen in Caitlin, meer dan ze kon beheersen. Zodra Jimbo’s vinger haar raakte, hief ze haar hand met bliksemsnelheid, greep ze zijn pols en draaide die achterover. Er klonk een luid gekraak toen hij brak. Ze hief zijn pols hoog achter hem en duwde hem met zijn gezicht naar voren op de grond. Binnen een seconde lag hij hulpeloos op de grond. Ze stapte naar voren en zette haar voet achter in zijn nek, en hield die stevig tegen de vloer. Jimbo schreeuwde van mijn. “Jezus Christus, mijn pols, mijn pols! Klotewijf! Ze heeft mijn pols gebroken!” Sam stond op, net als de anderen, en staarde geschokt naar het tafereel. Hij leek echt geschrokken. Hij had geen idee hoe zijn kleine zus zo’n enorme kerel zo snel neer had gekregen. “Bied je excuses aan,” gromde Caitlin tegen Jimbo. Ze schrok van haar eigen stemgeluid. Het klonk keelachtig. Als een beest. “Het spijt me. Het spijt me, het spijt me!” riep Jimbo jankend. Caitlin wilde hem laten gaan, wilde er klaar mee zijn, maar een deel van haar kon het niet. De razernij had haar te plotsklaps overmand, en te sterk. Ze kon hem niet loslaten. Het raasde nog steeds door haar heen, en groeide nog steeds. Ze wilde deze jongen doden. Het was helemaal niet redelijk, maar het was wel zo. “Caitlin!?” riep Sam. Ze kon de angst in zijn stem ruiken. “Alsjeblieft!” Maar Caitlin kon niet loslaten. Ze ging deze jongen echt doden. Op dat moment hoorde ze gegrom, en in haar ooghoek zag ze de hond, hij sprong met zijn tanden op haar keel gericht op haar af. Caitlin reageerde onmiddellijk. Ze liet Jimbo los en in één beweging ving ze de hond midden in de lucht op. Ze kwam onder hem terecht en greep zijn buik, waarna ze hem wegwierp. Hij vloog door de ruimte, drie, zes meter weg, met zo’n kracht dat hij door de houten muur van de schuur heen vloog. De muur versplinterde met een krakend geluid en de hond jankte en vloog aan de andere kant weer naar buiten. Iedereen in de kamer staarde naar Caitlin. Ze konden niet geloven wat ze net hadden gezien. Het was duidelijk een daad van bovenmenselijke kracht en snelheid, en er was geen enkele verklaring voor. Iedereen stond te staren met zijn mond open. Caitlin voelde zich overmand door emotie. Woede. Verdriet. Ze wist niet wat ze voelde, en ze vertrouwde zichzelf niet meer. Ze kon niet praten. Ze moest hier weg. Ze wist dat Sam niet mee zou komen. Hij was nu een ander mens. Net als zij. DRIE Caitlin en Caleb liepen langzaam langs de oevers van de rivier. Deze kant van de Hudson was verwaarloosd, en overal stonden verlaten fabrieken en brandstofdepots die niet meer gebruikt werden. Het was hier uitgestorven, maar vredig. Terwijl ze rondkeek zag Caitlin enorme brokken ijs op de rivier drijven, die langzaam uiteenvielen op deze dag in maart. Hun broze kraakgeluiden vervulden de lucht. Ze zagen er buitenaards uit doordat ze licht op de vreemdste manier weerkaatsten, zo langzaam als mist opkwam. Ze had zin om naar een van die enorme ijsschijven te lopen, erop te gaan zitten en hem haar mee laten nemen naar waar hij dan ook heen ging. Ze wandelden in stilte, allebei in hun eigen wereld. Caitlin schaamde zich dat ze zoveel razernij had laten zien in het bijzijn van Caleb. Dat ze zo gewelddadig was geweest, en dat ze niet kon beheersen wat er met haar gebeurde. Ze schaamde zich ook voor haar broer, dat hij zich zo had gedragen en dat hij vrienden was met zulke kneusjes. Zo had ze hem zich nog nooit zien gedragen. Ze schaamde zich dat ze Caleb hieraan had blootgesteld. Dit was geen manier om hem voor te stellen aan haar familie. Hij moest wel het slechtste over haar denken. En dat deed nog wel het meeste pijn. Het ergste was dat ze vreesde waar ze van hieruit heen zouden gaan. Sam was haar grootste hoop geweest voor het vinden van haar vader. Verder had ze geen ideeën. Als ze die wel had, had ze hem zelf al wel jaren geleden gevonden. Ze wist niet wat ze moest zeggen tegen Caleb. Zou hij nu weggaan? Natuurlijk. Ze had geen nut meer voor hem, en hij moest een zwaard vinden. Waarom zou hij in hemelsnaam bij haar blijven? Terwijl ze in stilte wandelden, voelde ze zich nerveus worden, omdat ze dacht dat Caleb het juiste moment zocht om haar met zorgvuldig gekozen woorden te vertellen dat hij weg moest. Zoals iedereen in haar leven weg was gegaan. “Het spijt me heel erg,” zei ze uiteindelijk zachtjes, “dat ik me daar zo heb gedragen. Het spijt me dat ik mijn zelfbeheersing verloor.” “Geeft niet. Je deed niks fout. Je bent aan het leren. En je bent heel krachtig.” “Het spijt me ook dat mijn broer zich zo gedroeg.” Hij glimlachte. “Als er iets is dat ik door de eeuwen heen heb geleerd, is het wel dat je je familie niet kunt beheersen.” Ze liepen verder in stilte. Hij keek naar de rivier. “Dus?” vroeg ze uiteindelijk. “Wat nu?” Hij bleef staan en keek haar aan. “Ga je me verlaten?” vroeg ze aarzelend. Hij zag eruit alsof hij diep in gedachten verzonken was. “Kun je een plaats bedenken waar je vader zou kunnen zijn? Iemand anders die hem kende? Wat dan ook?” Ze had het geprobeerd. Er was niets. Helemaal niets. Ze schudde haar hoofd. “Er moet iets zijn,” zei hij dringend. “Denk na. Je herinneringen. Heb je echt geen enkele herinnering?” Caitlin dacht hard na. Ze sloot haar ogen en probeerde zich met al haar wilskracht wat te herinneren. Ze had zichzelf dezelfde vraag zó vaak gesteld. Ze had haar vader zo vaak in dromen gezien dat ze niet meer wist wat een droom was en wat werkelijkheid. Ze kon elke droom opsommen waarin ze hem had gezien. Het was altijd dezelfde droom: ze rende op een veld, met hem in de verte, en hij ging steeds verder weg als zij dichterbij kwam. Maar dat hem niet. Dat waren maar dromen. Er waren flashbacks, herinneringen van toen ze een jong kind was, en ze ergens met hem heen ging. Ergens in de zomer, dacht ze. Ze herinnerde zich de oceaan. En het was warm, heel warm. Maar opnieuw wist ze niet zeker of het echt was. De grens leek steeds meer te vervagen. En ze kon zich niet herinneren waar dat strand precies was. “Het spijt me zo,” zei ze. “Ik wilde dat ik wat had. Al was het maar voor mezelf. Ik heb echt niks. Ik heb geen idee waar hij is. En ik weet ook niet hoe ik hem kan vinden.” Caleb draaide zich om naar de rivier. Hij zuchtte diep. Hij staarde naar het ijs, en zijn ogen veranderden weer van kleur, deze keer in zee-grijs. Caitlin voelde dat de tijd naderde. Hij zou zich elk moment omdraaien en haar het nieuws vertellen. Hij ging weg. Ze had geen nut meer voor hem. Ze wilde bijna iets verzinnen, een leugen over haar vader, een aanwijzing, zodat hij maar bij haar zou blijven. Maar ze wist dat ze dat niet kon maken. Ze wilde huilen. “Ik begrijp het niet,” zei Caleb zachtjes, nog steeds kijkend naar de rivier. “Ik wist zeker dat jij de ene was.” Hij staarde in stilte. Het voelde alsof er uren voorbijvlogen dat ze stond te wachten. “En er is nog iets dat ik niet begrijp,” zei hij uiteindelijk, en hij draaide zich om en keek naar haar. Zijn grote ogen werkten bedwelmend. “Ik voel iets in jouw buurt. Onduidelijkheid. Bij anderen kan ik de levens die we hebben gedeeld zien, elke keer dat onze paden kruisten, in welke vorm dan ook. Maar bij jou is dat… troebel. Ik zie niks. Dat is me nog nooit eerder gebeurd. Het is alsof… ik iets niet mag zien.” “Misschien hebben we helemaal geen levens gedeeld,” antwoordde Caitlin. Hij schudde zijn hoofd. “Dat zou ik ook zien. Bij jou kan ik geen van beide zien. Noch kan ik onze toekomst samen zien. Dat is me echt nog nooit overkomen. Nooit in 3.000 jaar. Het voelt alsof ik… me jou ergens van herinner. Alsof ik op het randje sta tussen zien of niet zien. Het ligt op het puntje van mijn geheugen, maar het komt naar niet. En ik word er gek van.” “Nou,” zei ze, “misschien is er dan toch niks. Misschien is het wel hier, en nu. Misschien was er nooit iets meer, en misschien zal dat er nooit zijn.” Ze had onmiddellijk spijt van haar woorden. Daar ging ze weer, met haar grote mond, die dingen zei die ze niet eens bedoelde. Waarom zei ze dat nou? Het was precies het tegenovergestelde van wat ze had willen zeggen: Ja. Ik voel het ook. Het voelt alsof ik altijd al met jou ben geweest. En dat ik voor altijd bij je zal zijn. Maar in plaats daarvan kwam er iets helemaal verkeerds uit. Het kwam door de zenuwen. En ze kon het nu niet meer terugnemen. Maar Caleb was niet afgeschrikt. Hij stapte zelfs dichterbij, hief een hand en legde die op haar wang om haar haren uit haar gezicht te vegen. Hij staarde diep in haar ogen, en ze zag de zijne weer veranderen, van grijs naar blauw. Ze staarden diep in de hare. De verbinding was overweldigend. Haar hart bonsde en ze voelde een enorme hitte zich door haar hele lichaam verspreiden. Het voelde alsof ze verdwaald raakte. Probeerde hij het zich te herinneren? Ging hij nu afscheid nemen? Of wilde hij haar kussen? VIER Als er iets was dat Kyle meer haatte dan mensen, waren het wel politici. Hij kon hun lichaamshoudingen, hun hypocrisie en hun idee van het eigen gelijk niet uitstaan. Hij kon niet tegen hun arrogantie, die nergens op gebaseerd was. De meesten leefden niet langer dan 100 jaar. Hij had er al 5.000 geleefd. Als zij het over “eerdere ervaring” hadden, maakte dat hem letterlijk misselijk. Door het lot moest Kyle elke avond tegen het lijf lopen, hen elke avond voorbijgaan, nadat hij ontwaakte uit zijn slaap en boven de grond kwam via het portaal in het stadhuis. Het Zwarttijverbond had zich al eeuwen geleden gevestigd onder de grond waar het stadhuis van New York stond, en had altijd in nauwe samenwerking met de politici gewerkt. Sterker nog, de meeste zogenaamde politici waren leden van zijn verbond, en zij voerden hun plannen uit in de stad en in de staat. Het was een noodzakelijk kwaad, deze samenwerking, het zakendoen met mensen. Maar er waren nog steeds genoeg menselijke politici om Kyle kippenvel te geven. Hij vond het niks om ze te moeten toelaten in dit gebouw. Het zat hem vooral dwars wanneer ze te dicht in zijn buurt kwamen. Terwijl hij liep leunde hij met zijn schouder naar een van hen, en stootte hij hem hard aan. “Hey!” riep de man, maar Kyle liep stug door, knarsend met zijn tanden op de brede, dubbele deuren aan het einde van de gang af. Kyle wilde ze allemaal doden. Maar dat mocht hij niet. Zijn verbond moest nog steeds verantwoording afleggen aan de Hoge Raad, en om de een of andere reden hielden ze zich nog steeds in. Ze wachtten op de tijd om het mensenras voorgoed uit te roeien. Kyle wachtte nu al duizenden jaren, en hij wist niet hoe lang hij het nog vol kon houden. Er waren een paar momenten in de geschiedenis dat ze dichtbij waren geweest, toen ze groen licht hadden gekregen. In 1350 in Europa hadden ze eindelijk overeenstemming bereikt en de Zwarte Dood samen verspreid. Dat was nog eens een tijd. Kyle glimlachte toen hij eraan dacht. Er waren ook andere mooie tijden – zoals de Vroege Middeleeuwen, toen ze een grootschalige oorlog in heel Europa mochten voeren, en miljoenen mensen mochten doden en verkrachten. Dat waren een paar van de mooiste eeuwen van zijn leven. Maar in de laatste paar honderd jaar was de Hoge Raad zo zwak geworden, zo zielig. Alsof ze bang waren voor de mensen. De Tweede Wereldoorlog was leuk, maar zo kort en beperkt. Hij wilde meer. Er waren sindsdien geen grote epidemieën meer geweest, geen echte oorlogen. Het was alsof het vampierras was verlamd, bang voor de groeiende bevolking en de macht van het menselijk ras. Nu begonnen ze eindelijk bij te draaien. Kyle stapte bijna huppelend door de deur en van de trap af, uit het stadhuis. Hij versnelde zijn pas en keek uit naar zijn reis naar de South Street zeehaven. Er lag daar een enorme lading op hem te wachten. Tienduizenden kratten perfect bewaarde, genetisch gemodificeerde builenpest. Ze hadden het honderden jaren in Europa opgeslagen, perfect bewaard sinds de laatste uitbraak. En nu hadden ze het aangepast zodat het immuun zou zijn tegen antibiotica. En het zou allemaal van Kyle zijn. Hij mocht ermee doen wat hij wilde. Hij mocht een nieuwe oorlog ontketenen op het Amerikaanse continent. In zijn territorium. Hij zou de komende eeuwen herinnerd worden. Die gedachte maakte Kyle hardop aan het lachen, hoewel zijn lach er door zijn gezichtsuitdrukking meer uitzag als een snauw. Hij zou dit natuurlijk moeten rapporteren aan Rexius, zijn verbondsleider, maar dat was slechts een formaliteit. In werkelijkheid zou hij de operatie leiden. De duizenden vampiers in zijn verbond – en die uit naburige verbonden – zouden verantwoording aan hem afleggen. Hij zou machtiger dan ooit tevoren zijn. Kyle wist al hoe hij de pest zou laten uitbreken: hij zou een lading op Penn Station loslaten, een op Grand Central Station en nog een op Times Square. Alles met perfecte timing, tijdens de drukste momenten van de spits. Dat zou het balletje aan het rollen brengen. Binnen een paar dagen schatte hij dat half Manhattan besmet zou zijn, en binnen een week de rest ook. De pest verspreidde zich snel, en met de manier waarop hij hem had aangepast, zou dat nog vele malen sneller gaan. De zielige mensen zouden de stad natuurlijk hermetisch afsluiten. Alle bruggen en tunnels zouden worden gesloten. Lucht- en bootverkeer zou worden tegengehouden. En dat was precies wat hij wilde. Ze zouden zichzelf insluiten in de chaos die zou volgen. Terwijl de inwoners ingesloten waren en stierven aan de pest, zouden Kyle en duizenden dienaren een vampieroorlog ontketenen zoals de mensheid nog nooit had gezien. Binnen enkele dagen zouden ze alle New Yorkers uitroeien. En dan zou de stad van hen zijn. Niet alleen ondergronds, maar ook bovengronds. Het zou het begin zijn, het teken voor elk verbond in elke stad om het voorbeeld te volgen. Binnen een paar weken zou Amerika van hen zijn, en misschien zelfs wel de hele wereld. En Kyle zou degene zijn waarmee het begonnen was. Hij zou worden herdacht als degene die het vampierras voorgoed boven de grond vestigde. Natuurlijk moesten ze iets vinden voor de overblijvende mensen. Ze konden de overlevenden tot slaaf maken en opsluiten in enorme fokkerijen. Hij zou ze allemaal heerlijk vetmesten, zodat zijn ras altijd een eindeloze hoeveelheid had om zich mee te voeden. Allemaal perfect gerijpt. Ja, mensen zouden goede slaven zijn. En ook een heerlijk maal, als ze goed gefokt werden. Kyle kwijlde bij die gedachte. Er kwamen geweldige tijden aan voor hem, en niets stond hem in de weg. Op dat verdomde Witte Verbond na dan, ingegraven onder The Cloisters. Ja, zij zouden een doorn in zijn zij zijn, maar geen al te grote. Zodra hij dat verschrikkelijke meisje Caitlin vond, en die overlopende verrader Caleb, zouden ze hem naar het zwaard leiden. En dan zou het Witte Verbond weerloos zijn. Er zou niets meer in hun weg kunnen staan. Kyle ontvlamde in razernij toen hij aan die stomme meid dacht, die ontsnapt was uit zijn greep. Ze had hem een slechte reputatie bezorgd. Hij sloeg Wall Street in en een voorbijganger, een grote man, had de pech in zijn looppad te staan. Toen hun paden kruisten, sloeg Kyle zijn schouder zo hard als hij kon tegen hem aan. De man struikelde een meter of wat terug, en sloeg tegen een muur. De man, gekleed in een duur pak, schreeuwde: “Hey, vriend, wat is jouw probleem?!” Maar Kyle lachte minachtend terug en de uitdrukking op het gezicht van de man veranderde. Met zijn ruim 1,90 meter en zijn sterke bouw was Kyle niet iemand die je zomaar uitdaagde. De man draaide zich ondanks zijn eigen formaat snel om en liep door. Hij wist wel beter. De man omstoten maakte dat hij zich wat beter voelde, maar Kyle’s woede raasde nog steeds. Hij zou dat meisje te pakken krijgen. En hij zou haar langzaam doden. Maar dat was voor een ander moment. Hij moest zijn hoofd helder maken. Hij had belangrijke zaken af te handelen. De lading. De scheepskade. Ja, hij ademde diep in en begon langzaam weer te glimlachen. De lading bevond zich nog maar een paar straten verder. Dit zou zijn Eerste Kerstdag worden. VIJF Sam werd wakker met enorme hoofdpijn. Hij opende een oog en besefte dat hij in de schuur bewusteloos was geraakt, in het stro. Het was koud. Geen van zijn vrienden had de moeite genomen het vuur op te stoken. Ze waren allemaal te high geweest. Nog erger was dat de kamer nog steeds draaide. Sam hief zijn hoofd, trok een stukje stro uit zijn mond en voelde een enorme pijn in zijn slapen. Hij had in een rare houding geslapen, en zijn nek deed pijn toen hij die draaide. Hij wreef in zijn ogen om de slaap weg te krijgen, maar dat ging niet gemakkelijk. Hij was gisteravond echt te ver gegaan. Hij herinnerde zich de waterpijp. Toen bier, toen whisky, toen nog meer bier. Hij had overgegeven. Toen nog wat wiet, om het af te maken. Toen was hij bewusteloos geraakt, ergens in de nacht. Wanneer of waar kon hij zich niet herinneren. Hij had honger, maar was tegelijkertijd misselijk. Hij had het gevoel dat hij een stapel pannenkoeken en een hele doos eieren op kon, maar ook dat hij zou kotsen zodra hij dat deed. Sterker nog, hij wilde nu meteen weer overgeven. Hij probeerde de details van de avond aan elkaar te plakken. Hij herinnerde zich Caitlin. Dat kon hij niet vergeten. Dat was wat hem echt genekt had. Dat zij hier was verschenen. Dat ze Jimbo zo aan had gepakt. De hond. Kom op zeg! Was dat allemaal echt gebeurd? Hij keek om en zag het gat in de muur, daar waar de hond doorheen was gegaan. Hij voelde de koude lucht binnenstromen, en hij wist dat dat gebeurd was. Hij wist niet helemaal wat het betekende. En wie was die kerel die bij haar was? Hij zag eruit als een professionele rugbyspeler, maar dan zo bleek als een vaatdoek. Sam kon niet eens inschatten hoe oud hij was. Het rare was dat Sam dacht hem ergens van te kennen. Sam keek rond en zag al zijn vrienden bewusteloos in verschillende houdingen, en de meesten snurkten. Hij greep zijn horloge van de vloer, en zag dat het 11 uur ’s ochtends was. Ze zouden nog wel even slapen. Sam liep naar de andere kant van de schuur en greep een fles water. Hij wilde er net uit drinken, maar toen hij omlaag keek zag hij dat de fles vol met peuken zat. Hij zette hem walgend weg en zocht een andere. In zijn ooghoek zag hij een halflege kan water op de vloer staan. Hij pakte hem op en dronk, en bleef drinken tot hij bijna de helft op had. Dat was beter. Zijn keel was zo droog geweest. Hij ademde diep in en legde een hand op zijn slaap. De kamer draaide nog steeds. Het stonk hier. Hij moest naar buiten. Sam liep naar de andere kant van de kamer en opende de schuurdeur. De koude ochtendlucht voelde goed. Gelukkig was het vandaag bewolkt. Maar het was nog steeds veel te licht, en hij kneep zijn ogen dicht. Maar het was niet half zo erg als het had kunnen zijn. Het sneeuwde weer. Geweldig, meer sneeuw. Sam hield vroeger van sneeuw. Vooral op schooldagen, want dan mocht hij wegblijven van school. Hij herinnerde zich dat hij met Caitlin naar de heuveltop was gegaan en daar de halve dag was gaan sleeën. Maar nu spijbelde hij meestal, dus maakte het niet veel verschil. Nu was het eigenlijk alleen maar lastig spul. Sam reikte in zijn zak en haalde er een verkreukeld pakje sigaretten uit. Hij stak er een in zijn mond en stak hem aan. Hij wist dat hij niet moest roken. Maar al zijn vrienden rookten, en ze bleven aandringen. Uiteindelijk had hij toegegeven. Hij was een paar weken geleden begonnen. Hij begon het nu lekker te vinden. Hij hoestte een stuk meer, en zijn borst deed al pijn, maar hij dacht: wat maakt het ook uit? Hij wist dat het dodelijk was. Maar hij zag zichzelf sowieso niet erg lang leven. Dat had hij nooit gedaan. Ergens in zijn achterhoofd had hij zelfs nooit geloofd dat hij de 20 zou halen. Nu zijn hoofd helder begon te worden, dacht hij weer aan gisteravond. Caitlin. Hij voelde zich er slecht over. Heel slecht. Hij hield van haar, echt waar. Ze was helemaal hierheen gekomen om hem te zien. Waarom vroeg ze hem over hun vader? Of had hij zich dat ingebeeld? Hij kon ook niet geloven dat ze hier was. Hij vroeg zich af of hun moeder was geflipt, of ze daarom weg was gegaan. Dat moest wel. Hij durfde te wedden dat hun moeder nu opnieuw flipte. Waarschijnlijk probeerde ze hen nu op te sporen. Aan de andere kant, misschien ook niet. Wat maakte het uit? Ze was te vaak met hen verhuisd. Maar Caitlin. Dat was anders. Hij had haar niet zo moeten behandelen, had aardiger moeten zijn. Hij was toen gewoon te high geweest. Maar toch voelde hij zich schuldig. Hij dacht dat dat het deel van hem was dat terug wilde naar de normale toestand, wat die ook was. En zij was het dichtste bij normaal dat hij had. Waarom was ze terug? Verhuisde ze terug naar Oakville? Dat zou geweldig zijn. Misschien konden ze samen wat vinden om te wonen. Ja, hoe meer Sam erover nadacht, hoe meer dat idee hem aanstond. Hij wilde met haar gaan praten. Sam haalde zijn mobiel tevoorschijn en zag het rode lampje knipperen. Hij drukte op het icoontje en zag dat hij een nieuw bericht op Facebook had. Van Caitlin. Ze was in de oude schuur. Perfect. Dan zou hij daar heen gaan. * Sam parkeerde en liep over het erf naar de oude schuur. De “oude schuur” was alles dat ze nodig hadden. Ze wisten allebei wat dat betekende. Het was waar ze altijd heen gingen toen ze nog in Oakville woonden. Het was achter een leegstaand huis dat al jaren te koop stond. Het huis stond daar maar, en de prijs was veel te hoog. Niemand kwam er ooit kijken, voor zover zij konden zien. En achter op het erf, helemaal aan de andere hand, was er die coole schuur, die daar maar leeg stond te zijn. Sam had hem op een dag gevonden en had hem aan Caitlin laten zien. Ze zagen allebei geen probleem met er rondhangen. Ze haatten hun kleine huisje, waar ze gevangen zaten met hun moeder. Een nacht waren ze tot laat in de schuur gebleven, hadden ze marshmallows geroosterd boven de haard en waren ze allebei in slaap gevallen. Daarna hingen ze er eens in de zo veel tijd rond, vooral als het thuis te hectisch werd. Zij gebruikten het tenminste. Na een paar maanden begon het aan te voelen als hun huis. Sam liep over het erf, met een veer in zijn pas, terwijl hij rondkeek of hij Caitlin zag. Zijn hoofd was nu eindelijk helder, na die flinke kop koffie die hij onderweg had leeggedronken. Hij wist dat hij met zijn 15 jaar niet mocht rijden. Maar het was nog maar een paar jaar tot hij zijn rijbewijs zou halen, en zo lang wilde hij niet wachten. Hij was nog nooit aangehouden. En hij wist hoe je een auto bestuurde. Waarom zou hij dan wachten? Zijn vrienden lieten hem hun pick-up lenen, en dat was goed genoeg voor hem. Terwijl Sam de schuur naderde, vroeg hij zich af of die grote kerel bij haar zou zijn. Er was iets aan die kerel… hij kon zijn vinger er niet opleggen. Hij kon niet begrijpen wat hij met Caitlin deed. Waren ze een stel? Caitlin had hem altijd alles verteld. Hoe kon het dat hij nog nooit eerder van hem had gehoord? En waarom vroeg Caitlin ineens naar hun vader? Sam was boos op zichzelf, want er was nieuws dat hij haar wilde vertellen. Over een paar dagen geleden. Hij had eindelijk een antwoord op zijn Facebook-verzoeken gekregen. Het was hun vader. Het was hem echt. Hij zei dat hij hen miste, en dat hij hen wilde zien. Eindelijk, na al die jaren. Sam had al antwoord gegeven. Ze begonnen weer met elkaar te praten. En hun vader wilde hem zien. Waarom had Sam haar dat niet gewoon verteld? Nou ja, nu kon hij dat alsnog doen. Terwijl Sam liep, de sneeuw krakend onder zijn laarzen en steeds sneller op hem neerdalend, begon hij zich weer gelukkig te voelen. Met Caitlin in de buurt zouden de zaken misschien weer normaal worden. Misschien was ze op het juiste moment verschenen, terwijl zo’n puinhoop was, om hem te helpen zichzelf weer te worden. Dat wist ze altijd weer te doen. Misschien was dit zijn kans. Конец ознакомительного фрагмента. Текст предоставлен ООО «ЛитРес». Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/pages/biblio_book/?art=43694703&lfrom=334617187) на ЛитРес. Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.
КУПИТЬ И СКАЧАТЬ ЗА: 199.00 руб.