Сетевая библиотекаСетевая библиотека
Verloofd Morgan Rice De Vampierverslagen #6 In VERLOOFD (Boek #6 van de Vampierverslagen) gaan Caitlin en Caleb opnieuw terug in de tijd – deze keer naar het Londen van 1599. Londen in 1599 is een bruisende plek, gevuld met tegenstellingen: hoewel het aan de ene kant een verschrikkelijk verlichte plek is, in een gesofisticeerde tijd, waar toneelschrijvers zoals Shakespeare worden geboren, is het aan de andere kant ook een barbaarse en wrede tijd met dagelijkse openbare terechtstellingen, martelingen, en hoofden van gevangenen die op staken gespiesd worden. Het is ook een tijd van bijgeloof, en groot publiek gevaar, met een gebrek aan hygiëne, en de Builenpest verspreid zich in de straten, overgebracht door ratten. Caitlin en Caleb landen in deze omgeving, op zoek naar haar vader, naar de derde sleutel, voor het mythische schild dat de mensheid kan redden. Hun missie brengt hen door een wervelwind van de meest verbazingwekkende architectuur van middeleeuws Londen, door het Britse platteland en de meest adembenemende kastelen die je daar kunt vinden. Het brengt hen terug naar hartje Londen, waar ze misschien wel Shakespeare zelf ontmoeten, en live een van zijn toneelstukken bekijken. Het brengt hen naar een klein meisje met de naam, Scarlet, dat misschien hun dochter zou kunnen zijn. En terwijl de hele tijd de liefde van Caitlin voor Caleb dieper wordt, omdat ze eindelijk samen zijn – heeft Caleb misschien eindelijk het perfecte tijdstip gevonden om haar ten huwelijk te vragen. Sam en Polly zijn ook teruggereisd, en ze zitten vast in hun eigen reis, hun relatie wordt dieper, en ondanks zichzelf, kunnen ze het niet helpen om diepere gevoelens voor elkaar te koesteren. Toch verloopt alles niet zo goed. Kyle is ook teruggekomen, met zijn boosaardige handlanger, Sergei, en ze hebben beiden besloten om al het goede in Caitlins leven te vernietigen. Het wordt een race tot aan de finish, omdat Caitlin gedwongen wordt om een paar van de moeilijkste beslissingen in haar leven te nemen als ze iedereen wil redden die haar lief is, en haar relatie met Caleb redden – en het er levend vanaf brengen. Verloofd (boek #6 van De Vampierverslagen) morgan rice Over Morgan Rice Morgan Rice is de #1 bestverkopende en USA Today bestverkopende auteur van de epische fantasy serie DE TOVENAARSRING, die uit zeventien boeken bestaat; de #1 bestverkopende serie DE VAMPIER DAGBOEKEN, bestaande uit elf boeken; de #1 bestverkopende serie DE SURVIVAL TRILOGIE, een post-apocalyptische thriller bestaande uit twee boeken; en de nieuwe epische fantasy serie KONINGEN EN TOVERNAARS. Morgans boeken zijn verkrijgbaar in audio en print edities, en vertalingen zijn verkrijgbaar in meer dan 25 talen. VERANDERD (Boek #1 van de Vampierverslagen), ARENA EEN (BOEK #1 van de Overlevingstrilogie), DE OPKOMST VAN DE DRAKEN (Boek #1van de Koningen En Tovenaars), en EEN ZOEKTOCHT VAN HELDEN (Boek #1 van De Tovenaarsring) zijn allemaal gratis te downloaden! Morgan hoort graag van je, dus breng gerust een bezoekje aan www.morganricebooks.com om je in te schrijven voor de nieuwsbrief, een gratis boek te ontvangen, gratis giveaways te ontvangen, de gratis app de downloaden, op de hoogte te blijven van het laatste nieuws, en via Facebook en Twitter in contact te blijven! Lof voor DE VAMPIERVERSLAGEN “Rice trekt je meteen in het verhaal en laat je niet meer los, omdat de kwaliteit van haar beschrijvingen die van een eenvoudige beschrijving van de scènes overschrijden… Goed geschreven en leest razendsnel weg.” --Black Lagoon Reviews (over Veranderd) “Een ideaal verhaal voor jonge lezers. Morgan Rice geeft er een erg interessante draai aan… Verfrissend en uniek. De serie draait om één meisje… een buitengewoon meisje!...Makkelijk te lezen, maar met een extreem hoog tempo. Ouderlijk toezicht geadviseerd” --The Romance Reviews (over Veranderd) “Greep mijn aandacht vanaf het begin en liet die niet meer los… Dit verhaal is een geweldig avontuur met een hoog tempo en vol actie, meteen vanaf het begin. Je zult geen enkel saai moment tegenkomen.” --Paranormal Romance Guild (over Veranderd) “Boordevol actie, romantiek, avontuur en spanning. Zorg dat je dit boek in handen krijgt en word steeds weer opnieuw verliefd.” --vampirebooksite.com (over Veranderd) “Een geweldige verhaallijn, en dit is écht het type boek dat je ‘s avonds maar moeilijk neer kunt leggen. Het einde was een cliffhanger die zó spectaculair is dat je meteen het volgende boek wilt lezen, zodat je erachter komt hoe het verdergaat.” --The Dallas Examiner (over Geliefd) “Een boek dat zich kan meten met TWILIGHT en VAMPIRE DIARIES, en dat ervoor zorgt dat je het in één ruk uit wilt lezen. Als je van avontuur, liefde en vampiers houdt, is dit een boek voor jou!” --Vampirebooksite.com (over Veranderd) “Morgan Rice bewijst opnieuw dat ze een extreem getalenteerde verhalenvertelster is… Dit boek spreekt een breed publiek aan, waaronder jongere fans van het vampiers/fantasygenre. Het eindigt met een onverwachte cliffhanger waar je versteld van zult staan.” --The Romance Reviews (over Geliefd) Boeken van Morgan Rice KONINGEN EN TOVENAARS DE OPKOMST VAN DE DRAKEN (Boek #1) DE OPKOMST VAN DE HELDHAFTIGE (Boek #2) DE ZWAARTE VAN EER (Boek #3) THE SORCERER’S RING (DE TOVENAARSRING) EEN ZOEKTOCHT VAN HELDEN (Boek #1) EEN MARS VAN KONINGEN (Boek #2) EEN LOT VAN DRAKEN (Boek #3) EEN SCHREEUW VAN EER (Boek #4) EEN GELOFTE VAN GLORIE (Boek #5) EEN AANVAL VAN MOED (Boek #6) EEN RITE VAN ZWAARDEN (Boek #7) EEN GIFT VAN WAPENS (Boek #8) EEN HEMEL VAN SPREUKEN (Boek #9) EEN ZEE VAN SCHILDEN (Boek #10) EEN BEWIND VAN STAAL (Boek #11) EEN LAND VAN VUUR (Boek #12) EEN HEERSCHAPPIJ VAN KONINGINNEN (Boek #13) EEN EED VAN BROEDERS (Boek #14) EEN DROOM VAN STERVELINGEN (Boek #15) EEN STEEKSPEL VAN RIDDERS (Boek #16) HET GESCHENK VAN DE STRIJD (Boek #17) DE SURVIVAL TRILOGIE ARENA EEN: SLAVERSUNNERS (Boek #1) ARENA TWEE (Boek #2) DE VAMPIER DAGBOEKEN VERANDERD (Boek #1) GELIEFD (Boek #2) VERRADEN (Boek #3) VOORBESTEMD (Boek #4) BEGEERD (Boek #5) VERLOOFD (Boek #6) GEZWOREN (Boek #7) GEVONDEN (Boek #8) HERREZEN (Boek #9) VERLANGD (Boek #10) VOORBESCHIKT (Boek #11) Luister naar DE VAMPIERVERSLAGEN in audioboek formaat! Auteursrechten © 2012 door Morgan Rice Alle rechten voorbehouden. Behalve zoals toegestaan onder de Copyright Act uit 1976 in de VS, mag geen enkel deel van deze publicatie worden gereproduceerd, verspreid of uitgezonden worden in welke vorm en door welk middel dan ook, of opgeslagen in een database of terugzoeksysteem, zonder toestemming vooraf van de auteur. Dit e-book is uitsluitend voor uw persoonlijke amusement uitgegeven. Dit e-book mag niet worden doorverkocht of weggegeven aan andere mensen. Als u dit boek met een andere persoon wilt delen, koop dan alstublieft een ander exemplaar voor elke ontvanger. Als u dit boek leest, en het niet gekocht heeft, of het niet uitsluitend voor uw eigen gebruik is aangeschaft, stuur het dan alstublieft terug en koop uw eigen exemplaar. Bedankt voor het respect voor het harde werk van deze auteur. Dit werk is fictie. Namen, karakters, bedrijven, organisaties, plaatsen, gebeurtenissen en incidenten zijn óf het product van de geest van de auteur óf worden gebruikt in een fictionele context. Elke gelijkenis op echte personen, levend of dood, is volledig toevallig. Omslagmodel: Jennifer Onvie. Omslagfotograaf: Adam Luke Studios, New York. Make-up specialist voor de omslag: Ruthie Weems. Wanneer u een van deze kunstenaars wilt contacteren, gelieve dan contact op te nemen met Morgan Rice. HOOFDSTUK EEN (#ue6e3e43f-9ad0-5eac-8fb2-dc328a71fc88) HOOFDSTUK TWEE (#ub2674375-6424-5bde-b18f-292f71160c8c) HOOFDSTUK DRIE (#u83ff3ca7-8a1a-50ff-9cbb-e9edc669f96b) HOOFDSTUK VIER (#ua52973d7-f873-5802-8749-3290c8d67201) HOOFDSTUK VIJF (#u98fac688-c1ac-56a8-b43d-a9587ce6246d) HOOFDSTUK ZES (#u45ac8f5c-ac1e-5e41-b3cc-3965ecf772c7) HOOFDSTUK ZEVEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ACHT (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK NEGEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ELF (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TWAALF (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK DERTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VEERTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIJFTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZESTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZEVENTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ACHTTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK NEGENTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK EENENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TWEEËNTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK DRIEËNTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIERENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIJFENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOODSTUK ZESENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZEVENENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ACHTENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK NEGENENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK DERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK EENENDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TWEEËNDERDIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK DRIEËNDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIERENDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIJFENDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZESENDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZEVENENDERTIG (#litres_trial_promo) FEIT: In het Londen van Shakespeare, waren “beer-hondengevechten” een veel voorkomende vorm van vermaak. Een beer werd aan een paal gebonden, en vervolgens werden er wilde honden op los gelaten. Er werden weddenschappen afgesloten om te voorspellen wie er zou winnen. Het stadion waar de “beer-hondengevechten” doorgingen, was gelegen naast het theater van Shakespeare. Een groot deel van de ruwe menigte die de berengevechten bijwoonden, ging ook naar het theater van Shakespeare kijken. In de tijd van Shakespeare was het publiek dat naar zijn stukken ging kijken niet bepaald gesofisticeerd en deze mensen behoorden ook niet tot de elite. Integendeel, het overgrote deel van de mensen die naar zijn stukken ging kijken, was ruw en ongepolijst. Het waren gewone mensen die kwamen voor de ontspanning en die maar een penny voor de inkom moesten betalen. Voor die prijs werd wel verwacht dat ze rechtstonden in het middenste gedeelte van de toneelruimte (de zogenaamde grounds), en dat gedurende het hele stuk—en daarom stonden ze bekend als “groundlings.” Het Londen van Shakespeare was beschaafd—maar het was ook barbaars. De inwoners waren gewend om executies bij te wonen, en om criminelen te zien martelen op straat in het openbaar. De ingang tot de bekendste weg—de London Bridge—was dikwijls versierd met staken, waarop de afgehakte hoofden van criminelen werden terechtgesteld. De Builenpest (ook gekend als de Zwarte Dood) doodde in Europa miljoenen mensen en trof Londen verschillende keren door de eeuwen heen. De ziekte verspreidde zich op plaatsen met een slechte hygiëne en grote menigten. Het district waar het theater van Shakespeare zich bevond, werd het hardste getroffen. Het zou eeuwen duren eer ontdekt werd dat vlooien de pest verspreidden, en dat ze ratten als hun gastheer gebruikten. “Come, gentle night, come, loving, black-brow'd night, Give me my Romeo; and, when he shall die, Take him and cut him out in little stars, And he will make the face of heaven so fine That all the world will be in love with night And pay no worship to the garish sun.” --William Shakespeare, Romeo and Julia HOOFDSTUK EEN Londen, Engeland (September, 1599) Caleb werd wakker door klokkengelui. Hij zat meteen kaarsrecht overeind en keek overal om zich heen. Zijn ademhaling was zwaar. Hij had gedroomd dat Kyle hem achternazat en dat Caitlin haar hand voor hem ophield omdat ze hulp nodig had. Ze waren in een veld vol vleermuizen in de bloedrode zon. Het leek of het ook echt allemaal zo gebeurd was. Nu hij rondkeek in de kamer, trachtte hij te weten te komen of het echt was en of dat hij echt wakker was. Was hij echt teruggekeerd in de tijd? Na enige tijd naar zijn eigen ademhaling te hebben geluisterd, na de frisse vochtige lucht te hebben gevoeld, na naar de stilte te hebben geluisterd en naar zijn eigen hartslag, besefte hij dat het allemaal een droom was geweest. Hij was echt wakker. Caleb besefte dat hij recht overeind zat in een open sarcofaag. Hij keek rond in de duistere, grotachtige kamer en zag dat ze gevuld was met sarcofagen. Er waren lage, gebogen plafonds en smalle spleten als ramen. De kleinste hoeveelheid zonlicht kon hier net doordringen. Het was net genoeg om te kunnen zien. Hij kneep zijn ogen dicht in spleetjes om beter te kunnen gluren, tastte dan in zijn zak en deed oogdruppels in zijn ogen.Hij was blij dat hij ze nog bijhad. Langzaam ging de pijn over, en hij werd rustiger. Caleb sprong recht en stond op zijn benen. Een voet was al in beweging. Hij draaide de kamer rond en nam in alle richtingen alles zich hem op,. Hij was nog altijd alert en wou voor hij een kans had gehad om zijn omgeving te bekijken, niet aangevallen worden of in een hinderlaag gelokt. Maar er was kind noch kraai in deze kamer. Alleen stilte. Hij merkte de oude stenen vloeren op, de muren, het kleine altaar en kruis. Daaruit kon hij afleiden dat hij zich in de laagste crypte van een kerk bevond. Caitlin. Caleb draaide zich opnieuw om en zocht in de kamer naar een teken van haar. Hij bespeurde dat er enige haast bij was toen hij naar de sarcofaag snelde die het dichtst bij hem stond. Met al zijn kracht, duwde hij het deksel naar achter. Hij had er zich met heel zijn hart op verheugd om haar terug te vinden. Nu hij was er het hart van in dat ze leeg was. Caleb haastte zich door de kamer en ging van de ene sarcofaag naar de andere. Hij duwde elk deksel open. Maar ze waren allemaal leeg. Bij Caleb groeide de wanhoop toen hij het laatste deksel in de kamer naar achter duwde en het met zoveel kracht op de grond viel dat het wel in miljoenen stukjes uiteenviel. Hij had nu al een voorgevoel dat het net zoals de anderen leeg zou zijn—en hij kreeg gelijk. Hij besefte dat Caitlin helemaal nergens te vinden was in deze kamer. Het koud zweet brak hem uit. Waar kon ze toch zijn? De gedachte dat hij terug zou gaan in de tijd zonder haar bezorgde hem koude rillingen op zijn rug. Hij zat meer met haar in dan hij kon zeggen en zonder haar aan zijn zijde, voelde zijn leven en zijn missie doelloos aan. Hij herinnerde zich plotseling iets, en tastte in zijn zak om te kijken of hij het nog bij zich had. Gelukkig had hij de trouwring van zijn moeder nog steeds. Hij hield hem tegen het licht en bewonderde de perfect geslepen saffier van zes karaat die ingezet was in een rij van diamanten en robijnen. Het was nog nooit het juiste ogenblik geweest om haar ten huwelijk te vragen. Deze keer was hij vastberaden om het te doen. Als ze natuurlijk al mee teruggekomen was. Caleb hoorde een geluid, haastte zich naar de ingang en voelde iets bewegen. Hij hoopte met de moed der wanhoop dat het Caitlin was. Hij was verrast omdat hij naar beneden moest kijken. Dit kwam omdat de mens die van achter het hoekje kwam helemaal geen mens was. Het was Ruth. Caleb was meer dan blij om haar te zien en te ontdekken dat ze de reis in de tijd overleefd had. Ze rende al kwispelend met haar staart op Caleb af en haar ogen lichtten op omdat ze hem herkende. Toen ze dichterbij kwam, knielde Caleb op zijn knie en rende ze in zijn armen. Hij hield van Ruth en was verbaasd om te zien hoeveel ze gegroeid was: ze leek wel twee keer zo groot. Dit was een machtig dier. Hij kreeg ook een bemoedigend gevoel door haar hier te vinden: misschien betekende het wel dat Caitlin hier ook was. Ruth draaide zich plotseling om, liep de kamer uit en verdween om de hoek. Caleb verbaasde zich over haar gedrag en haastte zich om te kijken waar ze naartoe ging. Hij ging een andere kamer binnen. Deze was gepantserd en stond ook vol sarcofagen. Hij kon in een oogopslag zien dat ze al open waren en leeg. Ruth bleef rennen en zeuren, en liep ook deze kamer uit. Caleb begon zich af te vragen of Ruth hem ergens naartoe leidde. Hij versnelde zijn tred en ging achter haar aan. Na door verschillende andere kamers door te zijn getrokken, stopte Ruth uiteindelijk in een kleine alkoof aan het einde van de gang die schaars verlicht werd door een enkele fakkel. Binnenin stond een enkele marmeren sarcofaag die zichtbaar met de meeste zorg ontworpen werd. Caleb ging er langzaam naartoe en hield zijn adem in. Hij kreeg terug hoop en voelde aan dat Caitlin erin zou kunnen zitten. Ruth ging ernaast zitten en staarde Caleb aan. Ze bleef hartverscheurend huilen. Caleb knielde en probeerde het stenen deksel eraf te duwen. Maar het was veel zwaarder dan de anderen en er kwam amper beweging in. Hij knielde en duwde nog harder. Hij gebruikte al zijn kracht en eindelijk kwam er beweging in. Hij bleef duwen en een paar ogenblikken later kwam het deksel helemaal los. Caleb voelde zich helemaal overweldigd en was tegelijk ook gerustgesteld omdat Caitlin daar, zo stil als maar kon zijn, zou liggen met haar handen over haar borst gevouwen. Zijn geruststelling veranderde in bezorgdheid toen hij haar aankeek en merkte dat ze bleker was dan hij haar ooit gezien had. Er zat geen kleur op haar wangen en haar oogleden reageerden gewoon niet op het licht van de fakkel. Hij keek nog eens van dichterbij en het leek erop dat ze niet ademde. Hij leunde verafschuwd achterover. Caitlin leek dood te zijn. Ruth huilde nog harder en nu begreep hij het. Caleb boog voorover en plaatste zijn beide handen stevig op haar schouders. Hij schudde haar zachtjes. “Caitlin?” zei hij, en hij hoorde de bezorgdheid in zijn eigen stem. “CAITLIN!?” riep hij luider terwijl hij met nog krachtiger voortging met schudden. Maar ze reageerde niet en zijn hele lijf werd koud toen hij zich inbeeldde hoe zijn leven er zou uitzien zonder dat ze er deel van uitmaakte. Hij wist dat tijdreizen een gevaar inhield en dat niet alle vampiers elke reis overleefden. Maar hij had er nooit echt rekening genouden met de mogelijkheid dat iemand kon sterven op de terugweg. Had hij een fout gemaakt door haar te blijven aanmoedigen om verder te gaan met de zoektocht, met de missie? Had hij het beter zo gelaten en had hij er beter aangedaan om zich met haar te vestigen in het laatste tijdperk en op de vorige plek waar ze geweest waren? Wat als hij alles kwijt was? Ruth sprong in de sarcofaag, stond met haar vier poten op Caitlins borst en begon haar gezicht helemaal te likken. Minuten gingen voorbij en Ruth stopte niet met likken terwijl ze verder jankte. Terwijl Caleb zich voorover boog om Ruth eraf te trekken, stopte hij. Hij was verrast om te zien dat Caitlin een oog begon te openen. Ruth huilde in extase, terwijl ze van Caitlin afsprong en rondjes liep. Caleb leunde voorover. Hij was ook in alle staten terwijl Caitlin eindelijk haar twee ogen openen en rond begon te kijken. Hij haastte zich er naartoe, greep een van haar ijskoude handen en warmde ze tussen zijn handen. “Caitlin? Kun je me horen? Ik ben het, Caleb.” Langzaam, ging ze rechtop zitten, en hij hielp haar, door voorover te reiken, en zachtjes een hand onder haar nek te houden. Hij was zo gelukkig om haar ogen zoekend te zien knipperen. Hij kon zien hoe gedesoriënteerd ze was. Het was alsof ze wakker werd uit een diepe, zeer diepe slaap. “Caitlin?” vroeg hij opnieuw, zachtjes. Ze keek hem met matte ogen aan, maar toch waren haar bruine ogen zo mooi als hij ze zich kon herinneren. Hij kon meteen ook vertellen dat er iets niet klopte. Ze glimlachte nog steeds niet en terwijl ze met haar ogen knipperde, leken het wel de ogen van een vreemde te zijn. “Caitlin?” vroeg hij opnieuw. Deze keer was hij bezorgd. Ze staarde hem aan met haar ogen wijd open en hij zag in shock dat ze hem niet herkende. “Wie ben jij?” vroeg ze. Calebs moed zakte in zijn schoenen. Was dit mogelijk? Had de reis haar geheugen gewist? Was ze hem werkelijk vergeten? “Caitlin,” probeerde hij opnieuw, “ik ben het. Caleb.” Hij glimlachte en hoopte dat het haar zou helpen om iets te herinneren. Maar ze glimlachte niet terug. Ze staarde hem gewoon aan, met een lege blik, terwijl ze verschillende keren met haar ogen knipperde. “Het spijt me,” zei ze uiteindelijk. “Maar ik heb geen idee wie je bent.” HOOFDSTUK TWEE Sam werd wakker door het geluid van krijsende vogels. Hij opende zijn ogen en zag dat er hoog in de lucht verschillende gieren rondcirkelden. Het leken er wel een dozijn en ze vlogen steeds lager en lager. Het leek wel of ze van recht boven zijn hoofd op hem neerkeken. Alsof ze wachtten. Hij besefte plots dat zij ervan uitgingen dat hij dood was en dat ze hun kans afwachtten om hem op te pakken en op te eten. Sam sprong recht en toen hij dat deed, vlogen de vogels plotseling weg alsof ze verstoord werden door de verrijzenis van de doden. Hij keek rond en probeerde zich te oriënteren. Hij bevond zich in een veld dat middenin glooiende heuvels lag. Zo ver hij kon zien, waren er nog meer heuvels die bedekt waren met gras en struiken met gekke vormen. De temperatuur was perfect en er was geen wolkje aan de hemel. Het zag er allemaal heel pittoresk uit en er stond geen enkel gebouw in de omgeving. Hij leek wel ergens in nergens te zijn. Sam probeerde er achter te komen waar hij was, in welk tijdperk en hoe hij daar aanbeland was. Hij deed wanhopige pogingen om in gedachten terug in de tijd te gaan. Wat had er zich afgespeeld voor hij terug in de tijd gereisd was? Langzaamaan kon hij het zich herinneren. Hij was in 1789 in de Notre Dame geweest in Parijs. Hij had gevochten met Kyle, Kendra, Sergei en hun mensen en had hen kunnen afweren zodat Caitlin en Caleb hadden kunnen ontsnappen. Het was het minste geweest wat hij kon doen, en hij was hun dat verschuldigd, zeker nadat hij haar in gevaar had gebracht door zijn roekeloze romance met Kendra. Omdat zij zodanig in de minderheid waren, had hij zijn gedaanteverwisselingskrachten gebruikt en was hij erin geslaagd om hen net genoeg in verwarring te brengen om aanzienlijke schade aan te richten, waardoor vele van Kyle’s mannen uitgeschakeld werden en de andere geen schade meer konden aanrichten, waardoor hij kon vluchten met Polly. Polly. Ze was de hele tijd bij hem geweest en had ridderlijk gevochten. Onder hun tweetjes hadden ze ze een heuse strijdkracht gevormd. Ze waren ontsnapt door het plafond van de Notre Dame en waren ’s nachts op zoek gegaan naar Caitlin en Caleb. Ja. Het begon allemaal terug te komen…. Sam was er achter gekomen dat zijn zuster teruggereisd was in de tijd en hij wist onmiddellijk dat hij ook terug moest gaan om zijn fouten recht te zetten, om Caitlin terug te vinden, om zijn verontschuldigingen aan te bieden en om haar te beschermen. Hij wist dat zij het niet nodig had: ze was nu een betere krijger dan hijzelf was en ze had Caleb. Maar ze was tenslotte zijn zuster en de drang om haar te beschermen was niet iets dat hij zomaar af kon zetten. Polly had er op aangedrongen met hem mee te gaan. Zij was er ook op gebrand om Caitlin terug te zien en was haar een verklaring schuldig. Sam had er niets op tegen en ze waren samen teruggegaan. Sam keek nu terug rond en tuurde over de velden met een vragende blik in zijn ogen. “Polly?” riep hij uit. Hij probeerde een reactie uit te lokken. Geen antwoord. Hij wandelde in de richting van de heuvelrand en hoopte zicht te krijgen op het landschap. “Polly!?” riep hij opnieuw uit, maar deze keer luider. “Eindelijk!” hoorde hij een stem antwoorden. Toen Sam in de richting van de stem keek, verscheen Polly. Ze wandelde langs de horizon die een heuvel omrandde. Ze droeg een hoopje aardbeien in haar armen en was er eentje aan het opeten. Ze had haar mond vol toen ze sprak. “Ik heb de hele morgen al op je gewacht! Jongens toch! Je houdt echt wel van slapen, of niet soms!?” Sam was heel blij om haar te zien. Door haar te zien, besefte hij hoe alleen hij zich had gevoeld toen hij terugkeerde en hoe gelukkig hij was om gezelschap te hebben. Hij besefte, ondanks alles, ook hoeveel ze voor hem was gaan betekenen. Zeker zijn fiasco met Kendra, kon hij het gezelschap van een normaal meisje appreciëren en hij stelde Polly meer op prijs dan ze zelf kon vermoeden. Terwijl ze dichter naar elkaar toegroeiden en de zon haar lichtbruin haar, haar doorschijnende witte huid en haar blauwe ogen deed oplichten, werd hij opnieuw verrast door haar natuurlijke schoonheid. Hij stond op het punt om te reageren, maar zoals gewoonlijk maakte zij het onmogelijk om er een woord tussen te krijgen. “Ik werd wakker op minder dan drie meter van jou,” zo ging ze verder, toen ze dichterbij kwam terwijl ze nog een aardbei opat, “en ik schudde en schudde jou door elkaar, maar je wilde maar niet wakker worden! Dus ging ik weg om wat voedsel te verzamelen. Ik kan niet wachten om deze plek te verlaten, maar ik vond dat ik je niet bij de vogels kon achterlaten voor ik vertrok. We moeten Caitlin vinden. Wie weet er waar ze is? Het is mogelijk dat ze nu onze hulp kan gebruiken. En al wat jij doet is slapen! Trouwens, waarom kwamen we ook terug als we niet opstaan, en verdergaan en —” “Alsjeblief!” riep Sam uit, terwijl hij in lachen uitbarstte. “Ik kan er geen woord tussenkrijgen!” Polly stopte en staarde hem aan, ze keek verrast, alsof ze geen idee had dat ze zoveel aan het woord was. “Wel dan,” zei ze, “spreek!” Sam staarde haar op zijn beurt aan en werd afgeleid door hoe blauw haar ogen er uit zagen in het licht van de vroege ochtend. Eindelijk had hij een kans om te spreken, maar hij stokte, en vergat wat hij had willen zeggen. “Uh…” begon hij. Polly gooide haar handen in de lucht. “Jongens!” zo riep ze uit. “Ze willen nooit praten—maar ze hebben zelf nooit wat te zeggen! Wel, ik kan hier niet langer op wachten!” zei ze, ze haastte zich en baande zich een weg door de velden. Ondertussen at ze nog een aardbei. “Wacht!” riep Sam uit, terwijl hij zich haastte om haar bij te houden. “Waar ga je naartoe?” “Waarom, om Caitlin te vinden, natuurlijk!” “Weet jij waar ze is?” vroeg hij. “Nee,” zei ze. “Maar ik weet waar ze niet is—en dat is in dit veld! We moeten hier weg raken. De dichtsbijzijnde stad vinden, of gebouwen, of wat dan ook, en uitvissen in welk tijdperk we ons bevinden. We moeten ergens starten! En dat is niet op deze plek!” “Wel, denk je niet dat ook ik mijn zuster wil vinden?!” riep Sam wanhopig uit. Eindelijk stopte ze en draaide ze zich om, zodat ze recht tegenover hem stond. “Ik bedoel, wil je dan geen gezelschap?” vroeg Sam, en hij realiseerde zich dat de manier waarop hij het uitdrukte, liet zien hoe erg hij naar Caitlin wilde zoeken met haar. “Wil je dan niet samen zoeken?” Polly keek hem terug met haar grote blauwe ogen aan. Het was net of ze hem van naderbij wilde bestuderen om een beter beeld van hem te krijgen. Hij voelde dat hij nu van nabij bekeken werd en hij kon zien dat ze zich onzeker voelde. Hij kon niet begrijpen waarom. “Ik weet het niet,” zei ze eindelijk. “Ik bedoel, je redde jezelf redelijk goed in Parijs—Dat moet ik toegeven maar…” Ze stopte even. “Wat is er?” vroeg hij eindelijk. Polly schraapte haar keel. “Wel, als je het dan toch wil weten, de laatste—hm—jongen—waar ik wat mee had—Sergei—bleek een leugenaar en een bedrieger te zijn. Hij heeft me erin geluisd en me gebruikt. Ik was te dom om het zelf in te zien. Maar, ik zal me geen tweede keer aan dezelfde steen stoten. En ik ben nog niet klaar om iemand anders van het mannelijke geslacht te vertrouwen—zelfs jou niet. Ik wil nu gewoon mijn tijd niet verspillen aan jongens op dit moment. Niet dat jij en ik—niet dat ik bedoel dat wij—niet dat ik op die manier over jou denk—als iets meer dan een vriend—dan een kennis—” Polly begon te stotteren en hij kon merken hoe zenuwachtig ze was. Hij kon er niets aan doen, maar het deed hem vanbinnen lachen. “—maar, het is gewoon dat, los daarvan, ik heb genoeg van jongens. Ik wil je niet beledigen.” Sam zette een brede glimlach op. Hij hield van haar durf en van haar pit. “Ik voel me niet beledigd,” antwoordde hij. “Om de waarheid te zeggen,” zei hij, “Ik heb genoeg van meisjes.” Polly opende haar ogen met grote verbazing. Het was duidelijk niet het antwoord dat ze verwacht had. “Maar ik denk dat we een betere kans maken om mijn zuster te vinden wanneer we samen zoeken. Ik bedoel—gewoon—” Sam schraapte zijn keel, “—gewoon, op professioneel gebied.” Nu was het Polly’s beurt om te glimlachen. “Op professioneel gebied,” herhaalde ze. Sam reikte, op een formele manier, haar de hand. “Ik bedoel, we zijn gewoon vrienden—niets meer,” zei hij. “Ik heb de meisjes voor altijd afgezworen. Wat er ook gebeurt.” “En ik heb de jongens voor altijd afgezworen. Wat er ook gebeurt,” zei Polly, terwijl ze nog altijd onderzoekend naar zijn hand keek en die onzeker in de lucht bleef hangen. Sam bood haar geduldig zijn hand aan en wachtte. “Alleen vrienden?” vroeg ze. “Niets meer?” “Alleen vrienden,” zei Sam. Ze reikte hem eindelijk de hand, en schudde ze. Toen ze dat deed, kon Sam alleen maar vaststellen dat ze zijn hand gewoon een beetje te lang vasthield. HOOFDSTUK DRIE Caitlin zat rechtop in de sarcofaag en staarde de man die voor haar stond aan. Ze wist dat ze hem van ergens herkende, maar kon niet plaatsen van waar. Ze staarde naar zijn grote, bruine, bezorgde ogen, zijn perfect gebeeldhouwde gezicht, zijn jukbeenderen, zijn zachte huid, zijn dik golvend haar. Hij was knap en ze kon voelen hoe erg hij met haar begaan was. Diep vanbinnen voelde ze dat dit iemand was die belangrijk voor haar was, maar ze kon zich helemaal niet meer herinneren wie het was. Caitlin voelde iets nats in haar handpalm en keek naar beneden. Ze zag dat er een wolf zat die haar likte. Ze was verrast om te zien hoe goed het dier voor haar zorgde, alsof het haar altijd gekend had. Het had mooie witte pels, met een enkele grijze streep die door het midden van het hoofd en rug liep. Caitlin voelde aan dat ze dit dier ook kende en dat ze op een bepaald punt in haar leven, er een goede band mee gehad had. Maar wat ze ook probeerde, ze kon het zich nu niet herinneren. Ze keek rond in de kamer en probeerde haar omgeving in zich op te nemen. Ze hoopte dat dit haar geheugen op gang zou brengen. Langzaam werd de kamer het middelpunt van haar belangstelling. Het was er duister, alleen maar verlicht door een fakkel, en in de verte zag ze aanpalende kamers die gevuld waren met sarcofagen. De kamer had een laag, versterkt plafond en de stenen zagen er oud uit. Het zag eruit als een crypte. Ze vroeg zich af hoe ze hier gekomen was—en wie de mensen om haar heen waren. Ze voelde zich alsof ze wakker werd uit een eindeloze droom. Caitlin sloot even de ogen en ademde diep. Terwijl ze dat deed, flitsten een heleboel herinneringen tegelijk door haar hoofd. Ze zag zichzelf in het Romeinse Colosseum staan, terwijl ze meerdere soldaten van zich afsloeg op de hete stoffige vloer. Ze zag zichzelf over een eiland in de rivier de Hudson vliegen en keek neer op een sprankelend kasteel. Ze zag zichzelf in Venetië op een gondel met een jongen die ze niet herkende, maar hij was wel knap. Ze zag zichzelf in Parijs, terwijl ze wandelde langs een rivier met een man die ze herkende als dezelfde man die nu tegenover haar zat. Ze probeerde zich te concentreren op dat beeld om het vast te houden. Misschien kon het haar helpen om dingen te herinneren. Ze zag hen beiden opnieuw, deze keer in zijn kasteel, op het Franse platteland. Ze zag hen beiden paardrijden op het strand, en zag dan een valk, die over hen cirkelde en een brief afleverde. Ze probeerde in te zoomen op zijn gezicht om zijn naam te herinneren. Het leek of het haar terug begon te dagen. Het was zo dichtbij. In haar geest kwamen steeds meer flitsen door en het was zo moeilijk om iets vast te houden. Leven na leven flitste aan haar voorbij in een eindeloze fotoshoot van beelden. Haar geheugen leek zich te herstellen. "Caleb," zei een stem. Caitlin opende haar ogen. Hij was dichtbij en leunde over haar. Hij reikte haar de hand en hield haar schouder vast. "Mijn naam is Caleb. Van de Witte Coven. Herinner je je dat niet?" Caitlin sloot haar ogen terug, omdat haar geest wakker geschud werd door zijn woorden, zijn stem. Caleb. De naam deed ergens in haar achterhoofd. Het voelde aan als een naam die belangrijk voor haar was. Witte Coven. Dat deed ook een belletje rinkelen. Plotseling zag ze zichzelf in een stad waarvan ze wist dat het de stad New York was, in een klooster aan de noordelijke kant van het eiland. Ze zag zichzelf staan op een groot terras vanwaar ze uitkeek. Ze zag zichzelf ruzie maken met een vrouw die Sera heette. "Caitlin," ze hoorde de stem terug, nadrukkelijker. "Herinner je je het niet?" Caitlin. Ja. Dat was haar naam. Ze was er nu zeker van. En Caleb. Ja. Hij was belangrijk voor haar. Hij was haar…vriend? Hij leek belangrijker dan dat. Verloofde? Echtgenoot? Ze opende haar ogen en staarde hem aan, en het kwam stilaan allemaal terug. Ze vervulde zich met hoop, toen ze zich langzaam, alles begon te herinneren. "Caleb," zei ze zachtjes terug Zijn ogen vulden zich plots met hoop en werden vochtig. De wolf naast huilde en likte haar wang, alsof ze aangemoedigd werd. Ze keek haar aan en plotseling herinnerde ze zich haar naam. "Rose,” zei ze en dan realiseerde ze zich dat het niet juist was. “Nee. Ruth. Je naam is Ruth." Ruth leunde dichter tegen haar aan en likte haar gezicht. Caitlin kon haar glimlach niet onderdrukken en streelde haar kop. Caleb begon opgelucht te glimlachen. "Ja. Ruth. En ik ben Caleb. En jij bent Caitlin. Weet je het nu?” Ze knikte. "Het is allemaal aan het terugkomen," zei ze. "Je bent mijn …echtgenoot?" Ze zag hoe zijn gezicht plotseling helemaal rood werd, alsof hij verlegen was, of beschaamd. En op dat moment herinnerde ze zich het. Nee. Ze waren niet getrouwd. "We zijn niet getrouwd," zei hij verontschuldigend, "maar we zijn samen." Ze voelde zich ook in verlegenheid gebracht omdat ze zich alles begon te herinneren. Het begon haar allemaal te dagen. Plotseling herinnerde ze zich de sleutels. De sleutels van haar vader. Ze tastte naar beneden in haar zak en voelde dat ze daar zeker nog zaten. Ze tastte in een andere zak en vond daar een dagboek dat ook nog altijd daar zat. Ze was opgelucht. Caleb stak een hand uit. Ze nam ze aanen liet zich door hem uit de sarcofaag trekken. Het voelde zo goed aan om op te staan, om haar pijnlijke spieren te strekken. Caleb stak zijn hand uit en borstelde het haar uit haar gezicht. Zijn zachte vingers voelden zo goed aan terwijl haar slapen erdoor gestreeld werden. "Ik ben zo blij dat je leeft," zei hij. Hij omhelsde haar en knuffelde haar stevig. Ze knuffelde hem terug en terwijl ze dat deed, kwamen nog meer herinneringen terug. Ja, dit was de man van wie ze hield. De man die ze op een dag hoopte te huwen. Ze kon zijn liefde door haar heen voelen lopen en ze herinnerde zich dat ze samen terug in de tijd waren gereisd. De laatste keer waren ze in Parijs in Frankrijk geweest en ze had de tweede sleutel gevonden. Ze waren alle twee teruggestuurd in de tijd. Ze had gebeden dat ze deze keer samen zouden terugkomen. Terwijl ze hem steviger vasthield, besefte ze dat haar gebeden waarheid waren geworden. Eindelijk waren ze deze keer samen. HOOFDSTUK VIER "Ik merk dat jullie elkaar hebben gevonden," zei een stem. Caitlin en Caleb werden gestoord in het midden van hun omhelzing waarin ze met hun beiden gewikkeld zaten. Caitlin was geschrokken dat gelijk wie zo vlug tot bij hen kon sluipen, zeker omdat hun vampierzintuigen zo scherp waren. Maar, toen ze terugstaarde naar de vrouw die voor hen stond, besefte ze waarom: deze vrouw was ook een vampier. Ze was helemaal gekleed in het wit en droeg een kap. De vrouw deed haar kin omhoog en staarde met priemende blauwe ogen terug. Caitlin werd gewaar dat de vrouw een gevoel van vrede en harmonie uitstraalde en ze stelde zich minder verdedigend op. Ze voelde dat Caleb ook rustiger werd. De vrouw zette een brede glimlach op. "We hebben een hele tijd op jou gewacht," zei ze met een vriendelijke stem. "Waar zijn we?" vroeg Caitlin. “In welk jaar zijn we?" De vrouw glimlachte alleen terug. "Kom maar mee," zei ze, en ze draaide haar rug en ging terug door de lage, gebogen deuropening. Caitlin en Caleb keken elkaar aan en volgden haar dan door het deurgat. Ruth ging met hen mee. Ze wandelden door een stenen gang die draaide en keerde. Ze werden tot een smalle trap geleid die enkel door een fakkel verlicht werd. Ze volgden dicht achter de vrouw die gewoonweg doorwandelde alsof ze er van uit ging dat ze zouden volgen. Caitlin wilde nog meer vragen stellen om van haar te horen waar ze waren, maar toen ze de top van de trap bereikten, ging de kamer open en kregen ze fantastisch uitzicht te zien. Het was adembenemend en ze realiseerde zich dat ze in een enorme kerk waren. Dat gedeelte van de vraag was op zijn minst al beantwoord. Caitlin had er weer eens spijt van dat ze niet beter opgelet had in de geschiedenisles of tijdens architectuur en ze had er spijt van omdat ze op het eerste zicht niet kon zeggen welke kerk dit precies was. Ze dacht terug aan al de geweldige kerken die ze al had bezocht—de Notre Dame in Parijs, de Duomo in Florence—en ze kon alleen maar bedenken dat die kerken hieraan deden denken. Het schip van de kerk strekte zich honderden meter uit en had een betegelde marmeren vloer en muren die versierd waren met tientallen uitgebeitelde stenen standbeelden. Dit gedeelte had opgaande versterkte plafonds die wel honderd meter hoog waren. Hoog bovenaan waren rijen en rijen van gebogen glasramen die de kerk deden baden in een zacht, veelkleurig licht. Op het uiteinde bevond zich een enorm rond stuk uit glas-in-lood dat het licht filterde op een enorm verguld altaar. Hiervoor verspreid stonden honderden kleine houten stoelen voor de gelovigen. Maar nu was de kerk leeg. Het was alsof ze de plek helemaal voor zich alleen hadden. Ze liepen door de ruimte en volgden de vampier. Hun voetstappen echoden en trilden na in de enorme lege hal. "Welke kerk is dit?" vroeg Caitlin eindelijk. "Westminster Abbey," zei de stem van de vrouw, terwijl ze doorging met wandelen. "Hier staat de troon waarop gedurende duizenden jaren koningen en koninginnen gekroond werden." Westminster Abbey, dacht Caitlin. Ze wist dat dat in Engeland was. In Londen, trouwens. Londen. Het idee dat ze hier was, deed haar duizelen. Het was overweldigend, verbazingwekkend. Ze was nooit eerder hier geweest en ze had hier altijd al willen zijn. Ze had vrienden die hier geweest waren en had online foto’s gezien. Het was voor haar niet te vatten dat ze hier waren, ook al omwille van de lange middeleeuwse geschiedenis van de stad. De kerk alleen al was duizenden jaren oud—en ze wist dat er nog meer zoals deze waren in deze stad. Maar ze wist nog altijd in welk jaar ze zich bevonden. "En in welk jaar zijn we?" vroeg Caitlin nerveus. Maar hun gids liep zo snel dat ze de grote kapel al door was en onder een andere deur met bogen doorliep, waardoor Caitlin en Caleb gedwongen werden om zich te haasten om het tempo te kunnen volgen. Toen ze binnen gingen, was Caitlin verbaasd dat ze zich in een klooster bevond. Er was een lange stenen gang met stenen muren en standbeelden aan de ene kant, en open bogen aan de andere. Deze bogen waren blootgesteld aan het weer en er doorheen kon ze een kleine, vredige tuin zien. Het deed haar denken aan de vele andere kloosters waar ze geweest was; ze begon het patroon van hun eenvoud te zien, hun leegte, de muren met bogen, de zuilen, de goed onderhouden tuinen. Dit alles voelde aan als een plek om te schuilen voor de wereld, als een plaats voor gebed en stille bezinning. De vampier stopte eindelijk en keek hen aan. Ze staarde terug naar Caitlin met haar grote, medelevende ogen en leek vanuit een andere wereld te komen. "We zijn dicht bij de eeuwwisseling," zei ze. Caitlin dacht een ogenblik na. "Welke eeuw?" vroeg ze. "De zestiende natuurlijk. Het is 1599.” 1599, Caitlin dacht na. Het idee overdonderde haar. Eens te meer, wenste ze dat ze de geschiedenis wat beter bestudeerd had. Voordien was ze van 1791 naar 1789 gegaan. Maar nu was ze in 1599. Bijna een sprong van 200 jaar. Ze kon zich voor de geest halen hoe vele dingen er primitief hadden uitgezien, zelfs in 1789—het gemis aan sanitair, dat de straten van zand waren, mensen die bijna nooit een bad namen. Ze kon zich zelfs niet voorstellen hoe die dingen tweehonderd jaar geleden nog primitief waren. Natuurlijk kon ze minder herkennen hier dan in gelijk welk ander tijdperk. Zelfs Londen zou amper te herkennen zijn. Het maakte dat ze zich geïsoleerd en alleen voelde in een verre wereld en afgelegen plek. Wanneer Caleb hier niet bij haar zou zijn, zou ze zich compleet verlaten gevoeld hebben. Maar tezelfdertijd, kwamen deze architectuur, deze kerk, deze kloosters—haar allemaal zo bekend voor. Trouwens, ze wandelde door precies dezelfde Westminster Abbey als diegene die nu nog bestond in de 21ste eeuw. Dat niet alleen, zelfs nu, was het gebouw al oud, het stond er al eeuwen. En dat stelde haar een beetje gerust. Maar waarom werd ze teruggestuurd naar dit tijdperk? Naar deze plek? Duidelijk was dit van grote betekenis voor haar missie. Londen. 1599. Was dit het tijdperk waarin Shakespeare geleefd had? Ze vroeg het zich af, haar hart klopte plotseling sneller, terwijl ze zich inbeeldde, dat misschien, alleen misschien, dat ze een glimp van hem zou kunnen opvangen, in levende lijve. Ze wandelden stilletjes en gingen door gang na gang. "Londen in 1599 is niet zo primitief als je zou denken," zei hun gids, terwijl ze met een glimlach naar hen keek. Caitlin voelde zich beschaamd, alsof haar gedachten gelezen werden. Zoals altijd wist dat ze beter had moeten opletten, om ze te beschermen. Ze hoopte dat ze deze vampier niet beledigd had. "Het geeft niet," antwoordde ze, terwijl ze haar gedachten opnieuw las. "Ons tijdperk is op veel gebieden die jullie nu gewoon vinden, primitief in technologisch opzicht. Maar op andere gebieden zijn we gesofisticeerder dan in jullie moderne tijd. We zijn extreem goed op de hoogte en belezen. Boeken maken hier de dienst uit. Misschien zijn we een volk met primitieve middelen, maar we beschikken wel over een zeer scherp intellect. “Nog belangrijker is dat dit een tijdperk is dat van cruciaal belang is voor het vampierras. We bevinden ons hier op een kruispunt. Je bent met reden tijdens de eeuwwisseling hier terechtgekomen.” "Waarom?" vroeg Caleb. De vrouw glimlachte naar hen voor ze nog door een volgende deur naar binnen gingen. "Dit antwoord zul je zelf moeten vinden.” Ze gingen een volgende al even magnifieke kamer binnen, met hoge plafonds, glasramen, marmeren vloeren, versierd met enorme kandelaars, en uitgesneden beelden van koningen en heiligen. Maar deze kamer was anders dan de anderen. Ze stond vol sarcofagen en beelden die overal zorgvuldig geplaatst waren en in het midden was er een enorme tombe van een tiental meter hoog die helemaal bedekt was met goud. Terwijl ze volgden, ging hun gids er recht op af. Ze stopte ervoor en richtte zich tot hen. Caitlin keek op naar de magnifieke tombe: ze was groot en imposant. Het was zelf een magnifiek kunstwerk dat belegd met was goud en versierd met verfijnd snijwerk. Ze voelde dat er een belangrijke energie van uitging. "De tombe van Sint Eduard de Belijder," zei de vampier. "Het is een heilige plaats, een plaats voor pelgrimstochten voor ons ras en dat al gedurende honderden jaren. Er wordt gezegd dat als iemand hier bidt dat die persoon dan in geval van ziekte wonderbaarlijke genezingen zal ontvangen. Kijk naar de steen aan jullie voeten: hij werd uitgesleten door alle mensen die hier doorheen de tijd geknield hebben.” Caitlin keek naar beneden en zag inderdaad dat de hoeken van het marmeren platform lichtjes ingedrukt waren. Ze was opgetogen bij de gedachte dat zoveel mensen doorheen de eeuwen hier geknield hadden. “Maar in jouw geval," zo ging ze verder, "is het zelfs nog belangrijker.” Ze keerde zich om, en keek Caitlin direct aan. "Je sleutel," zei ze tegen Caitlin. Caitlin stond versteld. Over welke sleutel had ze het? Ze tastte in haar zakken, en voelde opnieuw de twee sleutels die ze tot dusver gevonden had. Ze was niet zeker welke de vrouw nodig had. Ze schudde haar hoofd. "Nee. Je andere sleutel.” Caitlin was in de war en dacht na. Was ze een andere sleutel vergeten? Toen ze onderaan haar hals probeerde te kijken, besefte ze het. Haar halssnoer. Caitlin tastte naar beneden en was verbaasd te ontdekken dat het nog daar was. Ze verwijderde het voorzichtig en hield het delicate, antieken zilveren kruis in haar handpalm. De vampier schudde haar hoofd. “Alleen jij kunt het gebruiken.” Ze kwam dichterbij en nam voorzichtig Caitlins pols, die ze in de richting leidde van het kleinste sleutelgat dat aan de basis van de pedestal zat. Caitlin was verbaasd. Ze zou anders nooit dat sleutelgat opgemerkt hebben. Ze stak de sleutel erin en draaide hem om. Er volgde een zachte klik. Ze keek op en zag dat er een minuscuul compartimentje geopend was aan de zijkant van de tombe. Ze keek naar de vampier en knikte plechtig terug. Caitlin tastte naar boven, en haalde er langzaam een lange, smalle lade uit. Ze was verrast er binnenin een lange gouden scepter, waarvan de bol versierd was met robijnen en smaragden, te ontdekken. Ze voelde erin en was verbaasd hoe zwaar hij aanvoelde en hoe glad het goud in haar handen was. De scepter leek wel een meter lang en gemaakt van massief goud. "De heilige scepter," zei de non. "Hij was eens van je vader.” Caitlin keek ernaar met een nieuw gevoel van verbazing en respect. Ze voelde alsof er elektriciteit door haar heen ging terwijl ze hem vasthield, en voelde zich meer dan ooit dicht bij haar vader. "Zal dit me naar mijn vader leiden?” vroeg ze. Hun gids draaide zich simpelweg om en ging de kamer uit. "Deze kant op," zei ze. Caitlin en Caleb volgden haar door een andere deur, vervolgens door verschillende andere gangen, om dan langs de middeleeuwse tuin van een ander klooster te passeren. Terwijl ze aan het wandelen was, was Caitlin verrast om verschillende andere vampiers te zien die gekleed waren in witte gewaden en kappen en door de gangen wandelden. De meesten keken naar beneden, alsof ze verzonken waren in gebeden. Andere zwaaiden met wierrookverstuivers. Er waren er een paar die knikten toen ze voorbijkwamen en ze gingen in stilte verder. Caitlin vroeg zich af hoeveel vampiers hier woonden en of zij tot de coven van haar vader behoorden. Ze had nooit beseft dat Westminster Abbey een klooster was en niet alleen een kerk. Of dat het een rustplaats was voor haar ras. Eindelijk kwamen ze een andere kamer binnen die kleiner was dan de anderen, maar hoge, versterkte plafonds had en natuurlijk licht dat binnenviel. Deze kamer had kale, stenen vloeren, en in het midden stond een opmerkelijk meubelstuk: een troon. De houten troon stond hoog op een pedestal, op zijn minst vijf meter hoog, met een brede stoel en armleuningen die naar boven toe helden en een driehoekige rug die in een punt uitmondde in het midden. Eronder, op de hoeken, zaten twee gouden leeuwen die ontworpen waren om er uit te zien alsof ze de stoel vasthielden. Caitlin bestudeerde de stoel vol bewondering. "De stoel van Koning Eduard," zei de vampier. “De troon voor de kroning van koningen en koninginnen gedurende duizenden jaren. Een zeer bijzonder meubelstuk—niet alleen omwille van de plaats die het inneemt in de geschiedenis, maar omdat het een van de sleutels tot ons ras bevat.” Ze draaide zich om en keek naar Caitlin. "We hebben deze troon gedurende duizenden jaren bewaakt. Nu dat je hier bent en dat je de scepter ontsloten hebt, is het tijd dat je de plaats inneemt die je toekomt.” Ze gebaarde dat Caitlin de troon moest bestijgen. Caitlin keek haar in shock terug aan. Welk recht had ze om als eenvoudig meisje zulk een Koninklijke troon te bestijgen—een troon waarop gedurende duizenden jaren koningen hadden op gezeten? Het voelde voor haar niet goed aan dat ze er zo dichtbij in de buurt kwam en dan vergat ze nog het bestijgen van de pedestal, en dat ze erop zou zitten. "Alsjeblief," drong de vampier aan. "Je hebt het recht. Je bent de Ware.” Caleb knikte naar haar, Caitlin klom langzaam op de enorme pedestal, en droeg de scepter. Wanneer ze de top bereikte, draaide ze zich om, en zette zichzelf met gemak op de troon. Hij was gemaakt van hardhout en dit was erg stevig. Toen ze er zich liet inzakken, liet ze haar armen rusten om de armleuningen en kon ze de kracht ervan voelen. Ze kon zo duizenden jaren van Koninklijke familie voelen die op deze plek gekroond waren. Het voelde alsof de plek elektrisch geladen was. Toen ze uit de kamer keek die zo’n vijf meter hoger was dan alle anderen, voelde ze zich alsof ze boven over de wereld uittorende. Het was een verbazingwekkend inspirerend gevoel. "De scepter," zei de vampier. Caitlin keek op haar neer. Ze was in de war en onzeker over wat ze wilde dat ze ermee zou doen. "In de armleuning van de troon zul je een klein gaatje vinden. Het is bedoeld om hem in te zetten.” Caitlin keek naar beneden en deze keer zag ze een klein gaatje, net breed genoeg om de exacte omtrek van de scepter te omvatten. Ze reikte naar boven en zette de scepter langzaam in het gaatje. Hij zakte helemaal naar beneden totdat zijn kop boven de armleuning uitkwam. Plotseling was er een zachte klik. Caitlin keek naar beneden en was verbaasd om een kleine nis te zien aan de basis van een van de leeuwenhoofden. Binnenin zat een kleine gouden ring. Ze tastte er beneden in en nam hem eruit. Ze hield hem vast en staarde ernaar. "De ring van het lot," zei de vampier. "Hij is alleen maar voor jou bedoeld. Een geschenk van je vader.” Caitlin staarde vol bewondering en hield hem omhoog in het licht. Ze zag de juwelen schitteren terwijl ze hem bewoog. "Doe hem om de ringvinger van je rechterhand.” Caitlin deed hem aan en toen ze het koele metaal voelde, ging er een trilling door haar heen. Ze kon de kracht voelen die er vanuit ging. "Hij zal de weg tonen.” Caitlin bekeek hem. "Maar hoe?" vroeg ze. "Je hoeft hem alleen maar te inspecteren," zei de vampier. Caitlin was in het begin in de war, maar inspecteerde de ring dan wat meer van nabij. Terwijl ze dat deed, ontdekte ze een fijne, delicate inscriptie, helemaal rond de ring. Haar hart begon sneller te slaan terwijl ze begon te lezen. Ze voelde onmiddellijk aan dat het een bericht van haar vader was. Over de Brug, Achter de Beer, Met de Winden van de Zon, laten we Londen achter ons liggen. Caitlin las de rebus opnieuw, en las hem dan hardop, zodat Caleb het kon horen. "Wat betekent het?" vroeg ze. Hun gids glimlachte alleen terug. "Ik mag jullie niet verder meenemen. De rest van de trip moet je zelf ontdekken." Dan leunde ze dicht tegen hen aan. “We rekenen op jou. Wat je ook doet, stel ons niet teleur.” HOOFDSTUK VIJF Caitlin en Caleb wandelden door de enorme gebogen deuren van Westminster Abbey naar buiten, in het ochtendlicht, met Ruth die hen op de hielen zat. Instinctief knepen ze hun ogen dicht en deden ze hun handen naar omhoog om het licht tegen te houden. Caitlin was Caleb dankbaar dat hij haar oogdruppels gegeven had voor ze naar buiten gingen. Het duurde een paar minuten voordat haar ogen zich hadden aangepast. Langzaam kwam de wereld van het Londen van 1599 in de kijker. Caitlin was verbaasd. Parijs in 1789 verschilde niet zoveel van Venetië in 1791. Maar Londen in 1599, dat was een compleet andere wereld. Ze was geschokt door het verschil dat 190 jaar uitmaakte. Londen lag voor haar uitgespreid. Maar het was geen bruisende stad met de allure van een metropool. In de plaats daarvan leek het meer op een grote, landelijke stad, met grote, lege plekken die nog in ontwikkeling waren. Er waren geen geplaveide straten—er was overal zand—en terwijl er toch veel gebouwen waren, waren er nog meer bomen. Genesteld in het midden van deze bomen, lagen her en der ongelijke huizenblokken en huizenrijen verspreid. De huizen waren allemaal gebouwd van hout en hadden enorme, met riet bedekte daken. Ze kon in een oogopslag zien hoe ontvlambaar de stad was, omdat ongeveer alles met hout gebouwd was en met al dat stro bovenop de huizen realiseerde ze zich hoe gevoelig dit geheel was aan vuur. Ze merkte direct op dat de zandwegen de doorgang bemoeilijkten. Reizen per paard leek de meest gebruikelijke manier en tussendoor kwam er een paard, al dan niet met een kar, voorbij. Maar dat was de uitzondering. De meeste mensen wandelden—of liever, ze strompelden. De mensen die door de modderige straten liepen, schenen allemaal problemen te hebben om te lopen. Ze ontdekte uitwerpselen langs de kant van de straten en ze was van streek door de geur, ook vanop een afstand. Dat ze soms vee voorbij wandelde, hielp ook al niet echt. Wanneer ze ooit gedacht had dat terugkeren in de tijd romantisch was, dan gaf deze aanblik haar niet veel rust. Meer nog, in deze stad zag ze geen mensen die rondwandelden in hun beste kleren of parasols droegen en de laatste mode showden zoals ze gezien had in Parijs en Venetië. Integendeel, hier was iedereen heel wat eenvoudiger gekleed, met veel kleding die uit de mode was, mannen die eenvoudige boerenkleding droegen, zoals lompen. Enkel een paar mensen droegen witte kniebroeken boven hun kousen met korte tunieken die leken op rokken. Anderzijds bedekten de vrouwen zich met zoveel stof dat ze problemen hadden om vooruit te komen in de straten. Daarom namen ze de zomen van hun rokken vast en hielden ze zo hoog als ze konden—niet alleen om ze weg te houden van de modder en de uitwerpselen, maar ook van de ratten. Caitlin was geschokt dat ze dat ongedierte openlijk kon zien rondlopen. Maar toch, ondanks alles, was deze tijd duidelijk uniek—en op zijn minst rustig. Ze voelde zich alsof ze zich in een groot landelijk dorp bevond. Hier was geen hectisch 21ste eeuws gedoe. Er waren geen auto’s die voorbijraasden en waren geen bouwgeluiden. Geen claxons, bussen, vrachtwagens, machines. Zelfs de geluiden van de paarden waren gedempt omdat hun hoeven in het zand wegzakten. Inderdaad, de enige geluiden die gehoord konden worden, behalve van verkopers die riepen, waren de geluiden van de kerkklokken die altijd aanwezig waren en geluid werden zoals een koor van bommen. Je kon ze horen over de hele stad. Dit was duidelijk een stad die gedomineerd werd door kerken. Het enige wat deed denken aan de toekomstige bouwwerken waren paradoxaal genoeg de oude kerken—die hoog boven de bescheiden architectuur uittorenden en de horizon domineerden, terwijl hun torens onmetelijk hoog de lucht ingingen. Inderdaad, het gebouw waar ze uitkwamen, Westminster Abbey, torende uit boven alle zichtbare gebouwen. Ze kon nu al vertellen dat deze toren een baken was waar de hele stad aan kon herkend worden. Ze keek naar Caleb, zag dat hij het toneel overschouwde en even verbaasd was. Ze zocht hem op en was gelukkig toen ze voelde dat hij haar hand in die van hem legde. Het voelde zo goed om hem terug aan te raken. Hij keerde zich om en keek haar aan. Ze kon de liefde in zijn ogen zien. "Wel," zei hij, terwijl hij zijn keel schraapte, "het is niet bepaald het Parijs van de 18de eeuw." Ze glimlachte terug. "Nee, dat is het niet.” "Maar we zijn samen, en dat is al wat telt," voegde hij eraan toe. Ze kon zijn liefde voelen, terwijl hij diep in haar ogen keek, en voor een moment afgeleid was van hun missie. "Ik heb zo’n spijt van wat er in Frankrijk gebeurde," zei hij. "Met Sera. Ik wou je nooit pijn doen. Ik hoop dat je dat weet." Ze keek hem aan en ze wist dat hij het meende. Tot haar verbazing kon ze hem nu gemakkelijk vergeven. De oude Caitlin zou nog wat wrok gekoesterd hebben. Maar ze voelde zich sterker dan ooit en was echt in staat om het te laten gaan. In het bijzonder omdat hij voor haar teruggekomen was en het duidelijk was dat hij geen gevoelens had voor Sera. Meer nog, voor de eerste keer realiseerde ze zich dat ze in het verleden haar eigen fouten gemaakt had, dat ze te vlug geoordeeld had door hem niet te vertrouwen en hem niet genoeg ruimte te geven. “Ik heb ook spijt,” zei ze. Dit is een nieuw leven nu. En we zijn samen hier. Dat is al wat telt.” Hij kneep in haar hand en toen hij dat deed, voelde hij een rilling door haar heen lopen. Hij leunde achterover en kuste haar. Ze was verrast en blij tegelijk. Ze voelde de elektriciteit door haar heen stromen en kuste hem terug. Ruth begon te janken aan hun voeten. Ze lieten allebei los, keken naar beneden en lachten. "Ze heeft honger," zei Caleb. "Ik ook.” "Zullen we Londen verkennen?" vroeg hij met een grijns. "We zouden kunnen vliegen," voegde hij eraan toe, “dat wil zeggen, wanneer je er klaar voor bent.” Ze trok haar schouders terug en voelde dat haar vleugels op hun plaats zaten. Ze was er inderdaad klaar voor. Ze voelde zich hersteld van deze terugreis. Misschien raakte ze het tijdreizen eindelijk gewoon. "Ik ben klaar," zei ze, "Maar ik zou willen wandelen. Ik zou deze plek voor de eerste keer willen bezoeken zoals ik alle andere plaatsen voordien heb bezocht.” En het is zoveel romantischer, zo dacht ze zelf, maar ze zei het niet. Maar hij keek naar beneden en glimlachte naar haar, en ze vroeg zich af of hij haar gedachten gelezen had. Hij stak zijn hand uit met een glimlacht, en ze nam ze aan, en de twee gingen de trappen af. * Toen ze de kerk uitwandelden, ontdekte Caitlin in de verte een rivier en een brede weg die er ongeveer vijftig meter vandaan was met een ruw uitgesneden bord waarop “King Street” stond. Ze konden kiezen of ze links of rechts zouden afslaan. Aan de linkerkant leek de stad dichter op elkaar gepakt te zijn. Ze gingen naar links, in de richting van het noorden, langs de King Street die parallel liep met de rivier. Toen ze verder gingen, was Caitlin verbaasd door de zichten en geluiden en ze nam alles in zich op. Aan hun rechterkant bevonden zich een reeks van chique houten huizen, grote landerijen, gebouwd in de Tudor stijl, met een witte gestukte buitenkant, bruin vakwerk dat bovenaan afgewerkt werd met een rieten dak. Aan hun linkerkant was ze verbaasd om landelijke stukken landbouwland te zien met tussendoor een klein, bescheiden huis en schapen en koeien die stippen vormden in het landschap. Het Londen van 1599 leek haar fascinerend. Aan de ene kant was het kosmopolitisch en rijk, aan de andere kant werd het nog bevolkt door boeren. De straat zelf was ook wonderlijk. Hun voeten zaten bijna vast in het slijk terwijl ze wandelden en het vuil maakte de ondergrond nog zachter door al het verkeer dat te voet of te paard verliep. Dit was op zichzelf draaglijk, maar overal lagen uitwerpselen ingekoekt tussen het stof. Die uitwerpselen waren afkomstig van roedels wilde honden of van mensen die ze uit de ramen gooiden. Inderdaad, terwijl ze verder gingen, werden de luiken sporadisch geopend en kwamen oude vrouwen met emmers tevoorschijn die het huishoudelijk afval eruit gooiden. Het rook hier heel wat slechter dan Venetië, Florence of Parijs. Ze moest soms bijna braken en wenste dat ze een klein zakje met parfum had om onder haar neus te hangen. Gelukkig droeg ze nog steeds haar gemakkelijke schoenen om te sparren die Aiden haar in Versailles gegeven had. Ze kon zich niet voorstellen dat ze in deze straat ooit op hoge hakken zou kunnen wandelen. Maar, tussendoor kon hier in de vreemde mix van landbouwland en grote landerijen ook een staaltje van architectuur gevonden worden. Caitlin was verbaasd om te zien dat er, hier en daar, ook gebouwen waren die ze herkende van de afbeeldingen uit de 21ste eeuw, zoals sierlijke kerken en tussendoor een paleis. De straat kwam bruusk tot een einde in een grote doorgang met bogen. Ervoor stonden verschillende bewakers in uniform die acht gaven en lansen vasthielden. De poort was toch open en ze konden erdoor wandelen. Een geëtst bord zei: “Paleis van Whitehall,” en ze gingen verder door de lange smalle tuin, vervolgens door een andere poort met een boog en dan naar buiten aan de andere kant terug naar de hoofdweg. Ze kwamen al vlug aan een cirkelvormig kruispunt met een bord waarop “Charing Cross,” was te lezen en een verticaal monument in het midden stond. "Waar naartoe?" vroeg ze. Caleb leek zo overweldigd te zijn als zijzelf. Eindelijk zei hij, “Mijn instinct vertelt mij om dicht bij de rivier te blijven en om naar rechts om te keren.” Ze sloot haar ogen en ze probeerde het ook te voelen. "Ik ga akkoord," zei ze en ze voegde er dan aan toe, "Heb je enig idee wat het is dat we zoeken?" Hij schudde zijn hoofd. "Ik weet het evenmin als jij.” Ze keek naar beneden naar haar ring, en las het raadsel opnieuw hardop. Over de Brug, Achter de Beer, Met de Winden van de Zon, laten we Londen achter ons liggen. Het deed bij haar een belletje rinkelen, maar Caleb wist evenmin waar de klepel hing. "Wel, het vermeldt Londen," zei ze, "dus ik heb het gevoel dat we op het juiste spoor zitten. Mijn instinct vertelt me dat we moeten verder gaan, dieper de stad in, en dat we het zullen weten wanneer we het zien.” Hij ging akkoord en zij nam zijn hand. Ze bogen af naar rechts om parallel langs de rivier te lopen. Ze volgden een bord waarop “The Strande” stond te lezen. Toen ze verder gingen langs deze nieuwe straat, merkte ze op dat dit gebied dichter en dichter bebouwd werd. Er waren aan de beide kanten van de straat meer huizen die dichter tegen elkaar aan gebouwd waren. Het leek of ze dichter bij het centrum van de stad kwamen. De straten werden ook drukker. Het weer was perfect—het voelde aan zoals de vroege herfst volgens haar en de zon scheen constant. Ze vroeg zich even af welke maand het was. Ze was verbaasd hoe vlug ze de tijd verloren was. Het was tenminste niet te heet. Maar, toen de straten zich meer en meer vulden met mensen, voelde ze zich claustrofobisch worden. Ze naderden zeker het centrum van een grote kosmopolitische stad, ook al was die niet zo gesofisticeerd als een hedendaagse stad. Ze was verrast: ze had zich altijd voorgesteld dat er in vroegere tijden minder mensen waren en dat het minder druk zou zijn. Maar meer dan ook bleek het tegenovergestelde waar te zijn: toen de straten drukker en drukker werden, kon ze niet geloven hoe druk het echt was. Het deed haar denken aan de tijd dat ze in de 21ste eeuw in New York doorbracht. Mensen duwden en trokken. Ze gebruikten hun ellenbogen en keken gewoon niet achterom om hun excuses aan te bieden. Ze stonken ook. Op iedere hoek stonden straatverkopers die op agressieve manier hun waar aan de man brachten en dit droeg ook nog bij aan het tafereel. Overal waren er mensen met grappige Britse accenten aan het roepen,. En wanneer de stemmen van de verkopers uitdoofden, domineerden andere stemmen in de lucht: die van prekers. Overal zag Caitlin geïmproviseerde platforms, podia, zeepkisten, katheders, waarop prekers stonden en hun sermoenen preekten tot de menigten. Ze riepen om gehoord te worden. "Jezus zegt BOETEDOEN!" riep een dominee die een grappige hoge hoed droeg en een doordringende blik had. "Ik zeg dat ALLE THEATERS gesloten moeten worden! Alle vrije tijd moet VERBODEN worden! Keer terug naar uw gebedshuizen!” Het deed Caitlin denken aan de mensen die op straathoeken preekten in New York City. Op bepaalde manieren was er niks veranderd. Ze kwamen bij een andere poort, precies in het midden van de straat, met een bord waarop “Temple Barre, Stadspoort” stond. Caitlin was verrast dat steden werkelijk poorten hadden. De grote impressionante poort was open om de mensen er door te laten, en Caitlin vroeg zich af of ze ’s nachts dicht gingen. Aan iedere kant stonden nog meer bewakers. Maar deze poort was anders: het scheen een plaats te zijn om bijeen te komen. Een grote menigte lummelde er rond en helemaal hoog vanboven, op een klein platform, stond een bewaker die een zweep vasthield. Caitlin keek op en was verbaasd om te zien dat een man, die aan de ketting lag en amper gekleed was, aan een paal was vastgebonden om zweepslagen te krijgen. De bewaker ging achteruit en sloeg hem opnieuw en opnieuw. De ganse menigte riep ‘oeh’ en ‘aah’ toen ze het zagen. Caitlin lette op de gezichten in de massa en kon niet geloven hoe onverschillig ze waren. Het was alsof dit een alledaagse, gewone gebeurtenis was, alsof het een populaire vorm van vermaak was. Ze voelde zich boos worden bij de barbaarsheid van deze samenleving en ze wenkte Caleb. Hij was ook aan de grond genageld door de scene, ze nam zijn hand en ze haastte zich door de poort met hem. Ze dwong zichzelf om niet te kijken. Ze vreesde dat als ze er te lang bij stilstond, dat ze dan niet in staat zou zijn om zichzelf ervan te weerhouden de bewakers aan te vallen. “Deze plaats is barbaars,” zei ze, terwijl ze afstand namen van het griezelige tafereel en de geluiden van de zweep zwakker werden. “Verschrikkelijk,” ging hij akkoord. Terwijl ze verder gingen, probeerde ze het beeld uit haar hoofd te krijgen. Ze dwong zichzelf ertoe haar aandacht ergens anders op te vestigen. Ze keek naar een straatbord, en zag dat de naam van de straat waarin ze wandelden veranderd was in “Fleet Street.” Terwijl ze verder wandelden, begonnen de straten nog drukker te worden, nog dichter op elkaar, en de gebouwen en vele rijen van houten huizen waren nog dichter tegen elkaar aan gebouwd. Deze straat had ook verschillende winkels. Op een bord stond: “Scheren voor een Penny.” Voor een andere winkel hing het bord van een hoefsmid, met een hoefijzer dat er voorhing. Op een ander bord stond in grote letters geschreven, “Zadels voor Paarden.” "Heb je een nieuw hoefijzer nodig, Juffrouw?" vroeg een plaatselijke winkelier aan Caitlin toen ze voorbij kwamen. Ze had dit niet verwacht. "Hm…nee, bedankt," zei ze. "En u, Meneer?" hield de man vol. "Wilt u zich laten scheren? Ik heb de schoonste messen van Fleet Street.” Caleb glimlachte terug naar de man. "Nee, bedankt, maar ik ben OK." Caitlin keek naar Caleb en realiseerde zich hoe pas geschoren hij er altijd uitzag, de hele tijd. Hij gezicht was zo glad, het zag eruit zoals porselein. Toen ze verdergingen door Fleet Street kon Caitlin merken hoe de menigte veranderd was. De sfeer werd hier meer opgefokt, met verschillende mensen die in het openbaar van een drinkbus of uit glazen flessen dronken, rondstrompelden, te luid lachten en openlijk de vrouwen lastig vielen. "JENEVER HIER! JENEVER HIER! "riep een jongen die amper ouder was dan tien, die een kist vast hield die gevuld was met kleine groene flessen met jenever. “KOOP NU JE FLES! TWEE KWARTJES! KOOP NU JE FLES!” Caitlin werd opnieuw onder de voet gelopen toen de menigte nog dichter werd. Ze keek verder en zag een groep vrouwen met teveel make-up. Ze gingen gekleed in een zware kledij, met tonnen aan stof en met hun hemden naar beneden getrokken, waardoor het grootste gedeelte van hun borsten zichtbaar was. "Wil je plezier maken?" riep een van de vrouwen. Ze was duidelijk dronken en stond wankel op haar benen. Ze benaderde een voorbijganger die haar ruw wegduwde. Caitlin was verbaasd om te zien hoe ruw het er in dit stadsdeel aan toe ging. Instinctief voelde ze Caleb dichterbij komen en zijn hand rond haar middel slaan. Ze kon zijn beschermende houding aanvoelen. Ze gingen verder op hun eigen snelheid en liepen vlug verder door de menigte. Caitlin keek naar beneden om te controleren of Ruth nog steeds bij hen was. De straat eindigde al vlug in een kleine voetgangersbrug. Toen ze er over wandelden, keek Caitlin naar beneden. Ze zag een groot bord waarop “Fleet Ditch,” stond en verbaasde zich over het uitzicht. Onder hen was iets wat leek op een klein kanaal, misschien drie meter breed, waarin volop vuil water stroomde. Middenin al dat water staken er alle mogelijke soorten van vuilnis en afval uit. Toen ze opkeek, zag ze mensen er in plassen en zag ze er anderen potten met uitwerpselen, kippenbotjes, huishoudelijk afval, en alle soorten van puin in gooien. Het leek op een immense stromende riool die het afval van de stad stroomafwaarts deed stromen. Ze keek verder om te kijken waar het naartoe zou leiden en zag, ver weg in te verte, dat het naar de rivier leidde. Ze keerde haar hoofd af van de stank. Het was waarschijnlijk het verschrikkelijste dat ze in haar leven had geroken. Giftige gassen stegen op naar boven en maakten dat de verschrikkelijke stank in de straten de vergelijking met rozengeur kon doorstaan. Ze haastten zich over de brug. Toen ze over de brug gingen naar de andere kant van Fleet Street, was Caitlin opgelucht om te zien dat de straat eindelijk opener werd en iets minder op elkaar gepakt. Ook de stank werd minder. Na de verschrikkelijke stank van Fleet Ditch, deden de alledaagse straatgeuren haar niets meer. Ze realiseerde zich nu dat dit de reden was dat mensen zich gelukkig waanden om onder deze omstandigheden te leven: het ging er allemaal om over waar je aan gewend was, in welke context en tijdperk je leefde. Terwijl ze wandelden, werd de buurt aangenamer. Ze kwamen voorbij aan een enorme kerk aan de linkerkant en in het stenen kunstwerk, in mooie kalligrafie stonden de woorden: “Saint Paul's” geëtst. Het was een enorm grote kerk met een mooi versierde voorkant die ver tot in de lucht rijkte en boven al de gebouwen errond uittorende. Caitlin verheugde zich erover hoe mooi de architectuur ervan was en dat zo’n gebouw nog perfect in de 21ste eeuw kon thuishoren. Het voelde zo niet op zijn plaats, zoals het boven al de kleine houten architectuur errond uittorende. Caitlin begon net te zien hoe zoveel kerken het stedelijke landschap van deze tijd domineerden, en hoe belangrijk ze waren voor het volk. Ze waren letterlijk alomtegenwoordig. En hun klokken, hoe luid ook, waren altijd aan het luiden. Caitlin stond ervoor stil en bestudeerde de oude architectuur. Ze kon zich alleen maar afvragen of er misschien een aanwijzing voor haar binnenin lag. "Ik vraag me af of we zouden binnengaan?" vroeg Caleb, die haar gedachten las. Ze bestudeerde haar ring, met de inscriptie aan de binnenkant nog een keer. Over de brug, Achter de Beer. "Het zegt iets over een brug," zei ze, terwijl ze nadacht. “We hebben net een brug overgestoken," antwoordde Caleb. Caitlin schudde haar hoofd. Het voelde voor haar niet goed aan. "Dat was gewoon een voetgangersbrug. Mijn instinct vertelt me dat dit niet de juiste plek is. Waar we ook naartoe moeten, ik voel aan dat het niet hier is.” Caleb stond daar, en sloot zijn ogen. Eindelijk deed hij ze terug open. "Ik voel ook niets. Laten we verdergaan.” "Laten we dichter bij de rivier blijven," zei Caitlin. “Als we een brug kunnen vinden, dan denk ik dat het bij de rivier zal zijn. En ik zou graag wat frisse lucht hebben.” Ze zag een zijweg die naar de oever van de rivier leidde, met een ruw opgesteld straatbordje waar "St. Andrews Hill op stond.” Ze nam Calebs hand en leidde hem ernaar toe. Ze wandelden langs de weg die zachtjes naar beneden ging en ze kon in de verte de rivier, die bruiste met botenverkeer, zien. Dit moet de beroemde Londense rivier de Thames zijn, dacht ze. Dat moet wel. Ze herinnerde tenminste dit van de basis aardrijkskundelessen die ze gehad had. Op het einde van deze straat stond een gebouw. Deze straat bracht hen niet helemaal tot beneden aan de rivier, daarom draaiden ze links een straat in die tot dicht bij de rivier leidde. Ze liep parallel, enkel vijftien meter er vandaan, en had de zeer gepaste naam "Thames Street.” Thames Street was zelfs nog lieflijker en een heel andere wereld dan Fleet Street. De huizen waren hier leuker en op hun rechterkant stonden nog mooie eigendommen, met grote stukken land die in de richting van de rivier naar beneden liepen. De architectuur was beter uitgewerkt en mooier hier. Het was duidelijk dat dit stadsgedeelte voorbehouden was voor de rijken. Het voelde aan als een vreemde buurt omdat ze veel draaiende en kerende zijstraten zag met grappige namen, zoals “Windgoose Lane” (Oude Ganslaan) en “Old Swan Lane” (Oude Zwaanlaan) en “Garlick Hill” (Lookheuvel) en “Bread Street Hill.” (De heuvel van Broodstraat) Trouwens, overal hing de geur van voedsel in de lucht en Caitlin voelde haar maag rammelen. Ruth jankte ook en ze wist dat ze honger had. Maar ze zag geen voedsel te koop. "Ik weet het Ruth," voelde Caitlin mee. “Ik zal snel wat te eten vinden, ik beloof het.” Ze wandelden en wandelden. Caitlin wist niet precies waarnaar ze aan het zoeken was en Caleb wist het ook niet. Het voelde nog altijd alsof het raadseltje hen naar overal kon leiden en dat ze niet veel concrete aanwijzingen hadden. Ze kwamen steeds verder in het hart van de stad, en ze wisten nog altijd niet zeker welke kant ze moesten opgaan. Net toen Caitlin zich begon moe, hongerig en humeurig te voelen, kwamen ze bij een kruispunt. Ze hielden halt en keken naar boven. Een ruw houten bord vermeldde “Grace Church Street.” De visgeur hing hier zwaar in de lucht. Ze stopte wanhopig, en keek naar Caleb. "We weten zelfs niet waar we naar het zoeken zijn," zei ze. "Het zegt iets over een brug. Maar ik denk niet dat we ergens een brug gezien hebben. Zijn we hier gewoon onze tijd aan het verliezen? Zouden we dit niet op een andere manier moeten aanpakken?” Caleb tikte haar plots op de schouder, en wees. Ze draaide zich langzaam om, en was verbaasd door het uitzicht. Grace Church Street leidde verder naar een kolossale brug. Het was een van de grootste bruggen die ze ooit gezien had. Haar hart vulde zich met nieuwe hoop. Een enorm bord erboven vermeldde: “London Bridge,” en haar hart ging sneller slaan. Deze straat was breder, een belangrijke verkeersader. Mensen, paarden, karren en verkeer in alle maten en soorten gingen verder op en af de brug. Als ze echt op zoek waren naar een brug, dan hadden ze er duidelijk een gevonden. * Caleb nam haar hand en leidde haar in de richting van de brug waardoor ze zich in het verkeer mengden. Ze keek op en was overweldigd door het uitzicht. Dit was anders dan elke brug die ze voordien gezien had. De ingang werd voorafgegaan door een enorme gebogen poort, met bewakers aan iedere kant. Aan de bovenkant ervan waren meerdere punten waarop meerdere hoofden stonden waarvan het bloed uit de keel kwam omdat ze doorboord waren door staken. Het was een gruwelijk gezicht en Caitlin wendde haar blik af. "Ik herinner met dit," zuchtte Caleb. “Van eeuwen geleden. Dit is hoe ze altijd hun bruggen versierden: met hoofden van gevangenen. Ze doen dit om andere criminelen te waarschuwen.” "Het is verschrikkelijk," zei Caitlin, terwijl ze naar hoofd naar beneden hield, en ze wandelden vlug de brug op. Aan de basis van de brug, waren stalletjes en verkopers vis aan het verkopen. Toen Caitlin in die kant opkeek, kon ze boten zien aankomen, maar ook arbeiders die de vis naar de modderige oevers droegen en uitgleden terwijl ze dat deden. De ingang naar de brug stonk naar de vis, zo erg dat ze haar neus moest dichtknijpen. Elke soort vis, sommigen bewogen nog, werd op de kleine geïmproviseerde tafels gelegd. “Snapper, drie pence per pond!" riep iemand. Caitlin haastte zich er voorbij, en probeerde weg te raken van de geur. Toen ze verdergingen, verraste de brug haar opnieuw omdat ze ontdekte dat ze vol met winkels stond. Kleine stalletjes en verkopers stonden opgesteld aan iedere kant van de brug terwijl voetgangers, vee, paarden en koetsen zich een weg baanden door het midden. Het was chaotisch, een druk tafereel, met mensen die alle richtingen uitriepen terwijl ze hun waar verkochten. "Leerlooien hier!" riep iemand. "We villen je dier!" riep iemand anders. “Kaarswas hier! De beste kaarswas hier!” “Dakbedekking!” “Haal hier je brandhout!” “Verse schrijfveren! Veren om te schrijven en perkament!” Terwijl ze verder gingen, waren er mooiere winkels, en sommigen verkochten stukken zoals juwelen. Caitlin kon het niet helpen maar ze moest denken aan de gouden brug in Florence, aan haar tijd met Blake en aan de armband die hij haar had gekocht. Op het moment was ze overweldigd door emotie, ze gleed naar de kant en hield zich vast aan de reling. Ze keek verder. Ze dacht aan al de levens die ze al geleefd had, aan al de plekken waar ze al geweest was en voelde zich overweldigd. Was dit echt allemaal waar? Hoe kon een mens zoveel levens geleefd hebben? Of zou ze hier gewoon uit ontwaken, terug in haar appartement in New York City, en denken dat al dit gewoon de langste, gekste droom van haar leven was geweest? "Ben je OK?" vroeg Caleb, terwijl hij naast haar kwam lopen. "Wat is er?” Caitlin veegde vlug een traan weg. Ze kneep zichzelf in de wang, en realiseerde zich dat ze niet aan het dromen was. Het was allemaal echt en dat schokte haar nog het meest. “Niets," zei ze vlug, en ze zette een geforceerde glimlach op. Ze hoopte dat hij haar gedachten niet had kunnen lezen. Caleb stond naast haar en samen keken ze recht uit op het midden van de Thames. Het was een brede rivier en volledig verstopt door verkeer. Zeilboten in elke maat baanden er zich een weg door en deelden het water met roeiboten, vissersboten en ieder soort van vaartuig. Het was een drukke waterweg en Caitlin verheugde zich op de grootte van al de verschillende boten en zeilen waarvan sommigen meters in de lucht klommen. Ze vond het leuk dat het water kalm bleef ook al waren er zoveel vaartuigen. Er waren geen geluiden van motoren of motorboten. Er was gewoon het geluid van de zeilen die in de wind fladderden. Het maakte haar rustig. De lucht daarboven was met de constante bries ook nog eens fris en eindelijk zonder geurtjes. Ze richtte zich naar Caleb en ze gingen verder met wandelen langs de brug met Ruth op de hielen. Ruth begon nu opnieuw te janken en Caitlin kon nu haar honger voelen. Ze wilde halt houden. Maar overal waar ze rondkeek, kon ze nog steeds geen eten vinden. Ze kreeg zelfs als maar meer honger. Toen ze het midden van de brug bereikten, was Caitlin opnieuw geschokt door het uitzicht voor haar. Ze had niet gedacht dat er, na het zien van de hoofden op de staken, nog iets had kunnen zijn dat haar zou kunnen choqueren. Maar dit dus wel. Daar, recht in het midden van de brug, stonden drie gevangenen met lussen rond hun nek, geblinddoekt, amper gekleed en amper nog in leven op een schavot. Een beul stond achter hen, hij droeg een zwarte kap met gaten voor zijn ogen. "De volgende ophanging is om een uur!” schreeuwde hij uit. Een dichte en nog groter wordende menigte gaarde zich rond het schavot en was schijnbaar aan het wachten. "Wat hebben zij misdaan?" vroeg Caitlin aan een van de mensen in de menigte. "Ze werden betrapt bij het stelen, juffrouw," zei hij, terwijl hij nog niet eens de moeite deed om in haar richting te kijken. “Een werd betrapt op het beledigen van de Koningin!” voegde een oud vrouwtje eraan toe. Caleb leidde haar weg van het gruwelijke tafereel. “Het kijken naar executies lijkt hier wel een dagelijkse sport te zijn," was het commentaar van Caleb. “Het is wreed," zei Caitlin. Ze verbaasde zich erover hoe verschillend deze samenleving was van de hedendaagse en hoe tolerant men hier was tegenover wreedheid en geweld. Dit was Londen, een van de meeste beschaafde plekken van 1599. Ze kon zich amper voorstellen hoe de wereld eruit zag buiten een beschaafde stad zoals de deze. Het was verbazend hoeveel de samenleving en de regels ervan veranderd waren. Ze waren eindelijk de brug over en toen ze aan de brugbasis aan de andere kant stonden, keerde Caitlin zich om naar Caleb. Ze keek naar haar ring en las weer hardop: Over de Brug, Achter de Beer, Met de Winden van de Zon, laten we Londen achter ons liggen. "Wel, als we dit correct volgen, dan zijn we net ‘de brug over’. “’Het volgende zou ‘Achter de Beer’ zijn.” Caitlin keek hem aan. “Wat zou dat kunnen betekenen?" “Ik wou dat ik het wist," zei hij. "Ik heb het idee dat mijn vader dichtbij is," zei Caitlin. Ze sloot haar ogen en wou dat er een aanwijzing zou komen. Net op dat moment, haastte een jongeman zich langs hen heen. Hij droeg een grote stapel pamfletten met zit mee en hij riep in het voorbijgaan. "BEREN-HONDENGEVECHTEN! Vijf pence! Deze kant op! BEREN-HONDENGEVECHTEN! Vijf pence! Deze kant op!” Hij kwam dichterbij en duwde Caitlin een pamflet in de handen. Ze keek naar beneden en zag, in grote letters, de woorden “Beren-Hondengevechten,” met een ruwe afbeelding van een stadion. Ze keek naar Caleb, en hij keek haar op hetzelfde moment aan. Ze keken alle twee naar de jongen toen hij verdween in de richting van de weg. “Beren-Hondengevechten?" vroeg Caitlin. “Wat is dat?” “Ik herinner me het nu,” zei Caitlin. “Het was de populaire sport van de tijd. Ze zetten een beer in een cirkel en bonden hem aan een paal. Vervolgens werd hij gelokt met wilde honden. Ze zetten in op weddenschappen en wedden wie gaat winnen: de beer of de honden.” "Dat is ziek," zei Caitlin. "Dat raadsel,” zei hij. “‘Over de brug, en Achter de Beer. Denk je dat het dat zou kunnen zijn?” Alsof ze een waren, draaiden ze zich alle twee om en volgden de jongen die nu ver weg verwijderd was, terwijl hij verder riep. Ze gingen naar rechts aan de voet van de brug en wandelden langs de rivier. Ze waren nu aan de andere kant van de Thames en liepen nu door een straat met de naam "Clink Street." Deze kant van de rivier, zo merkte Caitlin, was weer helemaal anders dan de andere. Hier was het minder bebouwd, minder bevolkt. De huizen waren hier ook lager, ruwer en deze kant van de rivier was meer verwaarloosd. Er waren zeker minder winkels en dunnere menigten. Ze kwamen al vlug bij een groot bouwwerk en Caitlin kon uit de tralies voor het raam en de bewakers er buiten, opmaken dat het een gevangenis was. Clink Street, dacht Caitlin. Een gepaste benaming. Het was een enorm uitgestrekt gebouw en terwijl ze er voorbijkwamen, zag Caitlin handen en gezichten tussen de tralies steken. Ze keken haar aan terwijl ze er langsgingen. Honderden gevangen zaten hier op elkaar gepakt en ze vielen naar haar uit. Ze riepen groffe dingen toen ze er voorbijgingen. Ruth gromde terug en Caleb kwam dichterbij. Ze wandelden verder en kwamen voorbij een straat met een bord met “Dead Man's Place” (Plaats voor Dode Mannen) erop. Ze keek naar haar rechterkant en zag nog een schavot dat voor een andere terechtstelling voorbereid werd. Een gevangene stond te beven op het platform en was geblinddoekt met een strop rond zijn nek. Caitlin was zo afgeleid dat ze de jongen bijna uit het oog verloor en ze voelde hoe Caleb haar hand vastnam om haar verder door Clink Street te gidsen. Toen ze verdergingen, hoorde Caitlin plots een ver geroep dat gevolgd werd door een gegrom. Ze zag de jongen in de verte het hoekje omgaan en hoorde dan een andere schreeuw. Ze werd dan opgeschrikt doordat ze de aarde onder zich voelde schudden. Ze had niet meer zoiets gevoeld sinds het Romeinse Colosseum. Ze realiseerde zich dat daar net achter de hoek een enorm stadion of iets dergelijks moest zijn. Toen ze de hoek omgingen, was ze verbaasd door wat ze te zien kreeg. Het was een enorme cirkelvormige structuur die eruit zag als een miniatuur van het Colosseum. Ze was opgebouwd uit verschillende verdiepingen die de hoogte ingingen en werd afgesloten van het zicht. Aan elke kant waren er echter gebogen deuren die ernaartoe leidden. Ze kon het geroep nu luider horen, en het kwam duidelijk van achter de muren. Voor het gebouw hingen honderden mensen rond. Het waren sommige van de meest ruwe mensen die ze ooit gezien had. Sommigen waren amper gekleed, vele hadden enorme buiken die vooruit staken, ongeschoren en ongewassen. Wilde honden zwierven tussen hen in en Ruth gromde. Haar rugharen stonden rechtop, ze was duidelijk gespannen. Verkopers duwden hun karren in de modder en velen verkochten glazen jenever. Zoals de menigte eruit zag, leek het erop dat de meeste mensen deelnamen. De menigte behandelde elkaar ruw en de meesten leken dronken. Een ander rumoer steeg op uit de massa. Caitlin keek op en zag het bord dat over het stadion hing: “Beren-Hondengevechten.” Ze voelde haar maag keren. Was deze samenleving echt zo wreed? Het kleine stadion leek deel uit te maken van een complex. In de verte stond een kleiner stadion met een enorm bord waarop “Stierengevechten” stond. En daar, bij de zijkant, los van deze twee, was een ander grote cirkelvormige structuur—hoewel deze er anders uit zag dan de anderen. Deze had meer klasse. "Kom naar het nieuwe toneelstuk van Will Shakespeare zien in het nieuwe Globe Theatre!" riep een voorbijgaande jongen die een hoop pamfletten vasthield. Hij liep recht op Caitlin af, en duwde haar een pamflet in de handen. Ze keek naar beneden en las: “het nieuwe toneelstuk van William Shakespeare: De Tragedie van Romeo en Julia.” "Zul je er zijn, juffrouw?" vroeg de jongen. "Het is zijn nieuwe toneelstuk en het wordt voor de eerste keer in het nagelnieuwe theater, de Globe opgevoerd.” Caitlin keek naar beneden naar het pamflet en voelde een golf van opwinding. Kon dit echt zijn? Gebeurde dit echt? “Waar is het?" vroeg ze. De jongen lachte. Hij keerde zich om en wees. "Maar het is hier rechtover, Juffrouw.” Caitlin keek in de richting waar hij naar aan het wijzen was en zag in de verte een cirkelvormig gebouw met gestukte muren en een houten versiering in tudorstijl. De Globe. Shakespeare's Globe. Het was ongelooflijk. Ze was echt hier. Aan de voorkant liepen duizenden mensen in het rond en ze kwamen binnen alle richtingen. Deze menigte zag er net zo ruw uit als de menigte die naar het berenlokken of het stierenlokken ging. Dat verraste haar. Ze had zich altijd voorgesteld dat mensen die naar theater van Shakespeare gingen beschaafder en gesofisticeerder zouden zijn. Ze had er nooit rekening mee gehouden dat dit vermaak voor de grote massa zou zijn—en dan nog de ruwste massa’s. Het leek op hetzelfde niveau als de beren-hondengevechten te staan. Ja, ze zou graag een nieuw stuk van Shakespeare zien en ze zou graag naar de Globe gaan. Maar ze voelde zich vastbesloten om eerst haar missie te vervullen om de puzzel op te lossen. Een nieuw gebrul brak los in het stadion voor beerlokken en ze draaide zich om. Ze concentreerde er al haar aandacht erop. Ze vroeg zich af of het antwoord op het raadsel gewoon achter deze muren te vinden was. Ze richtte zich tot Caleb. "Wat denk jij?" vroeg ze. “Zouden we moeten bekijken waarover het gaat?” Caleb keek aarzelend. “Het raadsel zei niks over een brug en een beer,” zei hij. Maar mijn zintuigen zeggen mij iets anders. Ik ben niet helemaal zeker—” Ruth gromde plotseling, en liep dan weg, ze sprintte. "Ruth!" riep Caitlin. Ze was weg. Ze keerde zelfs niet terug om te luisteren en ze sprintte voor wat ze waard was. Caitlin was geschokt. Ze had haar zich nog nooit zo zien gedragen, zelfs niet bij gevaar. Wat kon mogelijk zo haar aandacht trekken? Ze had nooit meegemaakt dat Ruth niet luisterde. Caitlin en Caleb sprintten op hetzelfde moment haar achterna. Maar zelfs met hun vampiersnelheid ging het traag, door de modder, en Ruth was veel sneller dan zij. Ze zagen haar draaien en keren door de massa en ze moesten zich een weg banen om haar in het zicht te houden. Caitlin kon in de verte zien dat Ruth een hoek om draaide en in een small steegje sprintte. Ze versnelde en Caleb ook. Ze duwde een man weg die in haar weg stond en draaide in het steegje, haar achterna. Waar kon ze in godsnaam achteraan gegaan zijn? Caitlin vroeg het zich af. Ze vroeg zich af of het een straathond was. Of had ze misschien gewoon een kantelmoment bereikt door de honger en jaagde ze achter een maaltijd? Ze was immers een wolf. Caitlin had daaraan moeten denken. Ze had harder naar eten voor haar moeten gezocht hebben en vroeger. Maar wanneer Caitlin de hoek omging en in de steeg keek, realiseerde ze zich vlug in shock wat het was. Daar op het uiteinde van de steeg, zat een jong meisje van misschien acht jaar, in het stof, ineengedoken, aan het huilen, bevend. Een grote forse man, zonder hemd, torende boven haar uit. Hij had een enorm uitstekende buik, zijn borst en schouders waren bedekt met haar. Zijn gezicht zag er zeer boos uit. Hij miste een paar tanden, hij pakte een lederen riem en sloeg het arme meisje op haar rug, steeds opnieuw en opnieuw. "Dat is wat er gebeurt wanneer je niet luistert!" schreeuwde de man op een kwaadaardige toon, terwijl hij zijn riem opnieuw ophief. Caitlin was diep gekrenkt en zonder zelfs na te denken, bereidde ze zich voor om actie te ondernemen. Maar Ruth was sneller. Ruth had een betere start en toen de man weer zijn arm naar achter deed, sprintte Ruth verder en sprong ze in de lucht, terwijl ze haar kaken wijd opensperde. Ze beet zich vast in de voorarm van de man en zette haar tanden er helemaal in. Het bloed spoot overal, toen de man een onwezenlijke gil liet. Ruth was woedend en was niet kalm te krijgen. Ze gromde en schudde haar kop naar achter en naar voor. Ze beet nog dieper in het vlees van de man en ze wou hem niet loslaten. De man zwaaide Ruth heen en weer en kon dit alleen maar doen omdat hij zo dik en groot was.Ze was nog geen volgroeide wolf. Ze snauwde en dat was een geluid dat angstaanjagend genoeg was om zelfs het haar achteraan in Caitlins nek rechtop te zetten. Maar deze man was duidelijk gewoon aan geweld. Hij zwaaide zijn dikke tot vlees geworden schouder in het rond en slaagde erin om Ruth tegen de bakstenen muur te slaan. Hij gebruikte vervolgens zijn andere hand en nam zijn riem als zweep om haar hard op de rug te slaan. Ruth schreeuwde en krijste. Ze liet uiteindelijk los en viel op de grond. De man, greep haar terug met beide handen vast terwijl de haat op zijn gezich te lezen stond. Hij was klaar om met al zijn kracht zijn riem te laten knallen op Ruth’s gezicht. Caitlin kwam in actie. Vooraleer de man de riem kon laten knallen, boog ze naar voor en tastte ze met haar rechterhand af waar ze was. Ze greep hem naar de keel. Ze dreef hem terug bij zijn keel. Ze pakte hem op vanaf de grond. Ze tilde hem hoger dan zichzelf, totdat ze hem tegen een muur gooide en de bakstenen verkruimelden. Ze liet hem daar voor zich uit hangen. Zijn gezicht werd blauw en hij stikte. Ze was veel kleiner dan hij, maar hij maakte geen kans tegen haar stalen greep. Eindelijk liet ze hem vallen. Hij stond op en zocht naar zijn riem. Caitlin leunde achterover en sloeg hem hard in het gezicht. Ze brak zijn neus. Vervolgens trapte ze hem op de borst. De trap was zo krachtig dat hij verschillende meters verder vloog. Hij kwam met zulk een kracht tegen de muur terecht dat hij een indruk in de bakstenen achterliet en uiteindelijk tegen de muur in elkaar zakte zoals een hoopje rommel. Maar Caitlin kon nog altijd de woede door haar aders voelen lopen. Ze dacht aan dat onschuldige meisje en aan Ruth. Ze ze had in geen tijden, hoelang ze zich ooit kon herinneren, zo’n woede gevoeld. Ze kon zichzelf niet stoppen. Ze wandelde op hem af en sleurde de riem uit zijn hand. Ze greep hem vast en sloeg hem hard, recht op zijn enorme buik. Hij trok zich recht en greep naar zijn maag. Toen hij rechtop zat, sloeg ze hem hard en recht in het gezicht. Ze raakte zijn kin zorgde ervoor dat hij vlug achteruit vloog. De achterkant van zijn hoofd sloeg tegen de grond aan. Eindelijk was hij bewusteloos. Maar Caitlin was nog altijd niet voldaan. De laatste dagen was het moeilijk om haar woede op te roepen. Wanneer het gebeurde, kon ze het gevoel niet afzetten. Ze stond recht en plaatste een voet op zijn keel. Ze bereidde zich voor om de man terplekke te doden. “Caitlin!" riep een scherpe stem. Ze keerde zich om en nog steeds ziedend van woede, zag ze dat Caleb naast haar stond. Hij schudde langzaam zijn hoofd, met een vermanende blik. “Je hebt genoeg schade aangericht. Laat hem gaan.” Er was iets in de stem van Caleb dat haar raakte. Tegenstribbelend hief ze haar voet op. In de verte, zag ze een groot bad dat gevuld was met rioolwater. Ze kon de dikke, donkere vloeistof over de randen zien lopen en kon de stank van waar ze stond ruiken. Perfect. Ze tastte naar beneden en hief de man tot boven haar hoofd, ook al woog hij gemakkelijk 150 kilo. Ze droeg hem door de steeg. Ze gooide hem, met het hoofd eerst, in het vat met rioolwater. Hij landde met een plons. Ze zag dat hij, tot aan zijn nek, vastzat in de uitwerpselen. Ze hield wel van het idee dat hij wakker werd en zich realiseerde waar hij was. Eindelijk voelde ze zich voldaan. Goed, dacht ze. Het is waar je thuishoort. Caitlin dacht onmiddellijk aan Ruth. Ze rende naar haar toe en onderzocht de tekening van de riem op haar rug; ze huiverde en kwam langzaam terug op haar poten. Caleb ging er ook naartoe en onderzocht haar, terwijl Ruth haar snuit op de schoot van Caitlin legde en huilde. Caitlin kuste haar op het voorhoofd. Ruth schudde hen plotseling van zich af en dartelde dan door de steeg, op zoek naar het meisje. Caitlin keerde zich om en herinnerde zich het plots. Ze haastte zich ook naar haar toe. Ruth rende naar het meisje en begon haar gezicht te likken. Het hysterisch huilende meisje stopte langzaam en was afgeleid door Ruths tong. Ze zat daar in de modder in haar besmeurde, vuile jurk, helemaal bedekt met tekeningen van de riem op haar rug, doorlopen van het bloed en keek verrast naar Ruth. Haar natte ogen gingen wijd open, terwijl Ruth haar bleef likken. Eindelijk kwam ze traag en aarzelend recht. Ze streelde Ruth. Vervolgens stond ze op en gaf ze haar een knuffel. Ruth reageerde op haar en kwam dichterbij. Caitlin vond dat dit verbazingwekkend was. Ruth had dit van meisje stratenver ontdekt. Het was of de twee elkaar altijd al gekend had. Caitlin ging er naartoe en knielde neer naast het meisje. Ze reikte haar de hand en hielp haar rechtop te zitten. "Ben je OK?" vroeg Caitlin. Het meisje keek haar verbaasd aan en keek dan naar Caleb. Ze knipperde verschillende keren met haar ogen en vroeg zich af wie deze mensen konden zijn. Eindelijk knikte ze van ja. Haar ogen waren wijd open en ze leek te bang om te spreken. Caitlin richtte zich tot haar en wreef het verwarde haar uit haar gezicht. “Het is OK," zei Caitlin. "Hij zal je geen, pijn meer doen.” Het meisje zag eruit alsof ze weer zou gaan huilen. "Ik ben Caitlin," zei ze. "En dit is Caleb.” Het meisje keek hen aan, maar sprak nog niet. "Wat is jouw naam?" vroeg Caitlin. Na verschillende seconden, antwoordde het meisje eindelijk: “Scarlet." Caitlin glimlachte. “Scarlet," herhaalde ze. "Zo’n mooie naam. Waar zijn je ouders?" Ze schudde haar hoofd. "Ik heb geen ouders. Hij is mijn voogd. Ik haat hem. Hij slaat me elke dag. Zonder reden. Ik haat hem. Alsjeblief, zorg ervoor dat ik niet naar hem terug moet. Ik heb niemand anders.” Caitlin richtte zich naar Caleb en zag hoe hij haar aankeek. Beiden dachten ze tezelfdertijd aan hetzelfde. "Je bent veilig nu,” zei Caitlin. “Je hoeft je geen zorgen meer te maken. Je kunt met ons meekomen.” Scarlet deed haar ogen wijd open omdat ze verrast was, en ze verheugde zich. Ze glimlachte bijna. "Echt?" vroeg ze. Caitlin glimlachte terug en stak haar hand uit. Scarlet nam ze vast, terwijl ze op de voet geholpen werd. Ze zag de wonden op haar rug waar nog steeds bloed uit liep.Van ergens diep binnenin voelde Caitlin plots dat een kracht het van haar overnam. Ze dacht aan wat Aiden haar geleerd had, over de kracht om een te zijn met het universum en diep in zichzelf voelde ze een kracht opkomen die ze nog niet gekend had. Ze had altijd de kracht van de woede gevoeld, maar ze had nog nooit een kracht zoals de deze ervaren. Dit was een andere, nieuwe kracht, die tintelde van haar voeten tot haar benen, door haar lijf, door haar armen en tot in de topjes van haar vingers. Dit was de kracht om te genezen. Caitlin sloot haar ogen en concentreerde zich. Ze plaatste zachtjes haar handen op de rug van Scarlet, waar de littekens waren. Ze haalde diepademde en riep de kracht van het universum op. Ze beriep zich op al de training die Aiden haar gegeven had en concentreerde zich erop om wit licht naar het meisje te sturen. Ze voelde haar handen heel heet worden en voelde een ongelooflijke energie door haar heen lopen. Caitlin was niet zeker hoeveel tijd er voorbijgegaan was wanneer ze haar ogen opnieuw opende. Ze keek op en deed ze langzaam open. Ze zag dat Scarlet haar terug aanstaarde met haar ogen wijd open van verbazing. Caleb staarde haar ook met verbazing aan. Caitlin keek naar beneden en zag dat de wonden van Scarlet helemaal genezen waren. "Ben jij een tovenaar?" vroeg Scarlet. Caitlin glimlachte breed. “Iets dat er op lijkt." HOOFDSTUK ZES Sam vloog met Polly over het Britse platteland, maar hield haar op een afstand. Hun vleugels waren gespreid, maar ze waren niet zo dicht dat ze elkaar zouden kunnen aanraken. Ze wilde wat afstand tussen hen twee bewaren. Sam gaf hier de voorkeur aan en hij ging er van uit dat ze dat ook zo wilde. Hij vond Polly leuk, maar na het fiasco met Kendra was hij er niet klaar voor om iemand van het andere geslacht dichterbij te laten komen en dat zou nog wel een tijdje duren. Het zou nog wat tijd vergen voor hij terug iemand zou kunnen vertrouwen. Zelfs iemand die zo dicht bij zijn zuster had gestaan. Zoals in het geval van Polly. Ze hadden uren gevlogen en toen Sam naar beneden keek in het ochtendlicht, zag hij, zelfs op deze mooie herfstdag, eindeloze stukken landbouwland met tussendoor kleine huizen en rook die uit de stenen schoorstenen ervan kwam. Hij zag soms iemand buiten in zijn tuin die met kleren bezig was en ze aan de waslijn hing. Er waren echter niet veel huizen. Dit platteland scheen zo helemaal landelijk te zijn dat hij zich begon af te vragen of er eigenlijk wel steden waren in dit tijdperk—in welke tijd en plaats ze ook waren. Sam had geen idee waar hij naartoe moest gaan en Polly was geen grote hulp. Ze hadden allebei hun vampierzintuigen gebruikt om ergens hoogte van kunnen te krijgen, om zich te kunnen concentreren en om te kunnen aanvoelen waar Caitlin zou kunnen zijn. Ze hadden alle twee intuïtief aangevoeld waar ze zich ruwweg zou kunnen bevinden en ze waren al uren aan het vliegen. Maar sinds die tijd hadden ze geen aanwijzingen gehad of directe tips. Sams instincten vertelden hem dat Caitlin in een grote stad was. Maar ze waren gedurende honderden kilometers nergens iets tegengekomen dat maar een beetje op een stad leek. Net wanneer Sam zich begon af te vragen of ze de juiste richting hadden gekozen, gingen ze door een bocht en was hij verrast om te zien wat er zich in de verte aandiende. Daar op de horizon, lag een stad die verder uitdeinde. Hij kon de stad niet plaatsen en hij was niet zeker of hij ze hoe dan ook van dichtbij kon herkennen. Hij was nogal slecht in aardrijkskunde en geschiedenis was nog erger. Het was het resultaat van teveel te verhuizen, van met de verkeerde vrienden om te gaan en van niet op te letten in school. Hij was een student geweest die altijd met de hakken over de sloot slaagde, zelfs wanneer hij het potentieel had om een tien te behalen. Maar met zijn opvoeding was het gewoon te moeilijk geweest om een reden te vinden om zijn aandacht erbij te houden. Nu had hij er spijt van. "Het is Londen!" riep Polly verheugd en verrast uit. "Oh mijn God! Londen! Ik kan het niet geloven. We zijn hier! We zijn echt hier! Wat een ongelooflijke stad om in te verblijven!” riep ze opgewonden. Godzijdank voor Polly, dacht Sam. Hij voelde zich dommer dan ooit. Hij was er zich van bewust dat hij veel van haar kon leren. Toen ze dichter kwamen en de gebouwen in zicht kwamen, verheugde hij zich op de architectuur. Zelf vanop deze grote afstand kon hij de torens van de kerken zien uittorenen in de lucht. Het maakt dat de lucht werd afgebakend werd zoals een veld met lansen. Toen ze nog dichter in de buurt kwamen, zag hij hoe groots en magnifiek al de kerken waren—en hij was verbaasd dat ze er al oud uitzagen. In vergelijking, leek de rest van de architectuur er wel een van dwergen te zijn. Toen hij het allemaal in zich begon op te nemen, voelde hij goed aan dat Caitlin hier was. De gedachte daaraan, maakte hem opgewonden en blij. "Caitlin is daar beneden!" riep hij uit. Ik kan het voelen.” Polly glimlachte terug. "Ik ook!" riep ze uit. Voor de eerste keer dat ze in deze tijd en op deze plaats geland waren, voelde Sam dat hij zich kon gronden. Hij had een goed richtingsgevoel en was zeker van zijn doel. Eindelijk voelde hij zich of hij op het goede spoor was. Hij probeerde aan te voelen of ze enig gevaar liep. Toen hij dat probeerde, kwam er niets uit de bus. Hij dacht aan de laatste keer dat hij haar gezien had in Parijs, net voor ze uit de Notre Dame vluchtte. Ze was met die man geweest—Caleb—en hij vroeg zich af of ze nog samen waren. Hij had Caleb maar een of twee keer ontmoet, maar hij had hem erg leuk gevonden. Hij hoopte dat Caitlin bij hem was en dat hij voor haar zorgde. Hij kreeg er een goed gevoel bij dat ze samen waren. Polly dook plotseling, zonder waarschuwing, naar beneden en raakte dichter bij de toppen van de daken. Ofwel gaf ze er niets om om Sam te volgen, of ze ging ervan uit dat hij dat gewoon zou doen. Dit ergerde Sam. Hij wilde dat ze hem zou hebben gewaarschuwd, of dat ze anders genoeg met hem inzat om hem een teken te geven dat ze naar beneden ging duiken. Toch was er een deel van hem dat aanvoelde dat ze ermee inzat. Was ze gewoon moeilijk aan het doen? Waarom trok hij zich dat eigenlijk aan? Was hij net zichzelf niet aan het vertellen dat hij op het moment niet geïnteresseerd was in meisjes? Sam dook lager naar beneden, naar haar niveau, en ze vlogen maar een paar meter boven de stad. Maar hij maakte er ook een punt van om af te wijken naar links, zodat ze zelfs nog verder van elkaar verwijderd vlogen. Ziezo, die zit, dacht Sam. Toen ze het centrum van de stad bereikte, werd Sam van zijn sokken geblazen. Deze tijd en plaats waren zo verschillend, zo anders dan wat hij ooit gezien of ervaren had. Hij was zo dicht bij de toppen van de daken dat hij bijna tot beneden kon reiken en ze aanraken. De meerderheid van de gebouwen was laag en slechts een paar verdiepingen hoog. Ze waren bedekt met wat op enorme hopen hooi of stro leek. De meeste gebouwen waren stralend wit geschilderd en werden omkaderd door bruine lijnen. De kerken—enorm en uit marmer of kalksteen—rezen op uit het landschap en domineerden hele huizenblokken. Hier en daar waren er een paar andere grote bouwwerken die leken op paleizen. Waarschijnlijk, zo dacht hij, waren het residenties voor de Koninklijke familie. De stad werd verdeeld door een grote rivier waarover ze nu aan het vliegen waren. De rivier bruiste van het verkeer— er waren boten met alle vormen en maten—en terwijl hij naar de straten keek, zag hij dat ze ook bruisten van het leven. In feite kon hij niet geloven hoe ze op elkaar gepakt zaten. Er waren overal mensen die zich van hier naar daar haastten. Hij kon zich niet voorstellen waarom ze zich zo nodig moesten haasten. Het was niet alsof ze internet hadden, of e-mails, of faxen, of zelfs telefoons. Maar, andere delen van de stad waren relatief rustig. De stoffige straten, de rivier en al de schepen zorgen voor een rustig gevoel. Er waren geen racende auto’s, bussen, claxons, vrachtwagens of motoren die lawaai maakten. Alles was relatief rustig. Dat wil zeggen, totdat er een plotseling gebrul de kop opstak. Sam draaide zijn hoofd en dat deed Polly ook. Daar, bij de zijkant, zagen ze een groot stadion. Het was gebouwd in een perfecte cirkel en verschillende verdiepingen hoog. Het deed hem denken aan het Romeinse Colosseum, maar veel kleiner. Vanuit zijn vogelperspectief, leek het of er een grote diersoort in het midden stond die rondrende, terwijl op hun beurt vele kleine dieren daar weer rond liepen. Hij kon niet echt uitvissen wat het was, maar hij kon zien dat het stadion helemaal volgepakt was met duizenden mensen die allemaal rechtstonden op hun benen, terwijl ze juichten en brulden. Hij voelde opeens een tinteling in zijn lichaam terwijl hij aan het kijken was. Niet omdat hij wist was het was. Maar omdat hij plots de aanwezigheid van Caitlin daar voelde. Heel sterk. Конец ознакомительного фрагмента. Текст предоставлен ООО «ЛитРес». Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/pages/biblio_book/?art=43694687&lfrom=334617187) на ЛитРес. Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.
КУПИТЬ И СКАЧАТЬ ЗА: 399.00 руб.