Сетевая библиотекаСетевая библиотека
Een Gelofte Van Glorie Morgan Rice De Tovenaarsring #5 In EEN GELOFTE VAN GLORIE (Boek #5 in de Tovenaarsring), vertrekken Thor en zijn vrienden van de Krijgsmacht op een epische tocht naar de uitgestrekte wildernis van het Rijk om het eeuwenoude Zwaard van het Lot te vinden en de Ring te redden. Thor vriendschappen worden sterker terwijl ze naar nieuwe plekken afreizen, het tegen onverwachte monsters opnemen en zij aan zij strijden in onvoorstelbare gevechten. Ze bezoeken exotische landen en ontmoeten wezens en mensen die hun verbeelding te boven gaan, terwijl het gevaar aan alle kanten op de loer ligt. Ze zullen al hun vaardigheden nodig hebben als ze willen overleven terwijl ze het spoor van de dieven volgen, dieper en dieper het Rijk in. Hun zoektocht brengt hen naar het hart van de Onderwereld, één van de zeven koninkrijken van de hel, waar de ondoden regeren en de velden zijn bezaaid met botten. Thor moet al zijn krachten oproepen, en worstelt om te begrijpen wie hij nu werkelijk is. In de Ring moet Gwendolyn de helft van het Koninklijk Hof naar de Westelijke vesting van Silesia leiden, een duizend jaar oude stad op de rand van het Ravijn. Silesia’s versterkingen hebben er voor gezorgd dat de stad elke aanval heeft weten te doorstaan – maar ze hebben het nog nooit moeten opnemen tegen een leider als Andronicus, met zijn leger van een miljoen mannen. Gwendolyn leert wat het betekent op koningin te zijn. Ze neemt haar leidende taak op zich, met Srog, Kolk, Brom, Steffen, Kendrick en Godfrey aan haar zijde, om de stad voor te bereiden op de oorlog. Ondertussen glijdt Gareth steeds dieper weg in zijn krankzinnigheid en moet hij op zijn hoede blijven voor degenen die hem uit de weg trachten te ruimen, terwijl Erec vecht voor zijn leven om zijn liefde Alistair en de stad Savaria te redden van de wilden die de Ring binnen zijn gedrongen. En Godfrey, wederom verleid door de alcohol, zal moeten besluiten of hij klaar is om zijn verleden achter zich te laten en de man te worden die hij had moeten zijn. Terwijl ze vechten voor hun levens en de situatie niet erger lijkt te kunnen worden, eindigt het verhaal met twee schokkende plotwendingen. Zal Gwendolyn de aanval overleven? Zal Thor het Rijk overleven? Zal het Zwaard van het Lot gevonden worden? EEN GELOFTE VAN GLORIE is een episch verhaal van vrienden en geliefden, rivalen en minnaars, ridders en draken, intriges en politieke machinaties, van volwassen worden, van gebroken harten, van bedrog, ambitie en verraad. Het is een verhaal van eer en moed, van lotsbestemming en tovenarij. Het is een fantasie die ons meeneemt naar een wereld die we nooit zullen vergeten, en die alle leeftijden zal aanspreken. Het boek is 75. 000 woorden. E E N G E L O F T E v a n G L O R I E (Boek #5 in de Tovenaarsring) Morgan Rice Over Morgan Rice Morgan Rice is de #1 Bestverkopende auteur van DE VAMPIER DAGBOEKEN, een tienerserie die inmiddels bestaat uit elf boeken; DE SURVIVAL TRILOGIE, een post-apocalyptische actiethriller bestaande uit twee boeken; en de #1 Bestverkopende epische fantasy serie DE TOVENAARSRING, die bestaat uit dertien boeken. Morgans boeken zijn verkrijgbaar in audio en print edities, en vertalingen van de boeken zijn verkrijgbaar het Duits, Frans, Italiaans, Spaans, Portugees, Japans, Chinees, Zweeds, Nederlands, Turks, Hongaars, Tsjechisch en Slowaaks (met binnenkort meer talen). Morgan hoort graag van je, dus bring gerust een bezoekje aan www.morganricebooks.com (http://www.morganricebooks.com) om je in te schrijven voor de nieuwsbrief, een gratis boek te ontvangen, gratis giveaways te ontvangen, de gratis app de downloaden, op de hoogte te blijven van het laatste nieuws, en via Facebook en Twitter in contact te blijven! Geselecteerde bijvalsbetuigingen voor Morgan Rice DE TOVERNAARSRING heeft alle ingrediënten voor direct succes: samenzweringen, intriges, mysterie, dappere ridders en opbloeiende relaties, compleet met gebroken harten, bedrog en verraad. Het zal je urenlang boeien, en is geschikt voor alle leeftijden. Aanbevolen voor de permanente collectie van alle liefhebbers van fantasy.” --Books and Movie Reviews, Roberto Mattos “Rice weet je vanaf het begin in het verhaal mee te slepen, en maakt gebruik van geweldige beschrijvende kwaliteiten die boven het schetsen van de setting uitstijgen… Goed geschreven en leest lekker snel weg.” --Black Lagoon Reviews (over Turned) “Een ideaal verhaal voor jonge lezers. Morgan Rice is erin geslaagd om een interessante twist aan het verhaal te geven… Verfrissend en uniek, heeft de klassieke elementen die je in veel paranormale Young Adult verhalen terugvindt. De serie gaat over een meisje… een heel bijzonder meisje! …Leest makkelijk weg maar in een zeer hoog tempo… Een aanrader voor iedereen die houdt van softe paranormale romances.” --The Romance Reviews (over Turned) “Had vanaf het begin mijn aandacht en liet die niet los… Dit verhaal is een ongelofelijk avontuur in een hoog tempo, vanaf het begin vol actie. Het wordt nooit saai.” --Paranormal Romance Guild {over Turned} “Boordevol actie, romantiek, avontuur en spanning. Haal deze in huis en wordt opnieuw verliefd.” --vampirebooksite.com (over Turned) “Een geweldig plot, en dit is echt zo’n boek dat je ‘s avonds niet kan wegleggen. Het einde was een cliffhanger die zo spectaculair was dat je onmiddellijk het volgende boek wil kopen, alleen om erachter te komen wat er gebeurd.” --The Dallas Examiner {over Loved} “Een boek dat zich kan meten met TWILIGHT en THE VAMPIRE DIARIES, één die je in één ruk uit wil lezen! Als je houdt van avontuur, liefde en vampieren dat is dit het boek voor jou!” --Vampirebooksite.com {over Turned} “Morgan Rice bewijst wederom een extreem getalenteerde verhalenverteller te zijn… Dit zou een breed publiek aanspreken, inclusief de jongere fans van het vampier/fantasy genre. Het eindigde met een onverwachte cliffhanger die je zal schokken.” --The Romance Reviews {over Loved} Boeken door Morgan Rice THE SORCERER’S RING (DE TOVENAARSRING) A QUEST OF HEROES (Book #1)--EEN ZOEKTOCHT VAN HELDEN (Boek #1) A MARCH OF KINGS (Book #2)--EEN MARS VAN KONINGEN (Boek #2) A FATE OF DRAGONS (Book #3)--EEN LOT VAN DRAKEN (Boek #3) A CRY OF HONOR (Book #4)--EEN SCHREEUW VAN EER (Boek #4) A VOW OF GLORY (Book #5)--EEN GELOFTE VAN GLORIE (Boek #5) A CHARGE OF VALOR (Book #6)--EEN AANVAL VAN MOED (Boek #6) A RITE OF SWORDS (Book #7)--EEN RITE VAN ZWAARDEN (Boek #7) A GRANT OF ARMS (Book #8)--EEN GIFT VAN WAPENS (Boek #8) A SKY OF SPELLS (Book #9)--EEN HEMEL VAN SPREUKEN (Boek #9) A SEA OF SHIELDS (Book #10)--EEN ZEE VAN SCHILDEN (Boek #10) A REIGN OF STEEL (Book #11)--EEN BEWIND VAN STAAL (Boek #11) A LAND OF FIRE (Book #12)--EEN LAND VAN VUUR (Boek #12) A RULE OF QUEENS (Book #13)--EEN HEERSCHAPPIJ VAN KONINGINNEN (Boek #13) THE SURVIVAL TRILOGY-- DE SURVIVAL TRILOGIE ARENA ONE: SLAVERUNNERS (Book #1)-- ARENA EEN: SLAVERSUNNERS (Boek #1) ARENA TWO (Book #2)-- ARENA TWEE (Boek #2) THE VAMPIRE JOURNALS-- DE VAMPIER DAGBOEKEN TURNED (Book #1)-- VERANDERD (Boek #1) LOVED (Book #2)-- GELIEFD (Boek #2) BETRAYED (Book #3)-- VERRADEN (Boek #3) DESTINED (Book #4)-- VOORBESTEMD (Boek #4) DESIRED (Book #5)-- VERLANGD (Boek #5) BETROTHED (Book #6)-- VERLOOFD (Boek #6) VOWED (Book #7)-- BELOOFD (Boek #7) FOUND (Book #8)-- GEVONDEN (Boek #8) RESURRECTED (Book #9)-- HERREZEN (Boek #9) CRAVED (Book #10)-- BEGEERT (Boek #10) FATED (Book #11)--VERDOEMD (Boek #11) (https://itunes.apple.com/nl/artist/morgan-rice/id417552527?mt=11&uo=4) Luister (https://itunes.apple.com/nl/artist/morgan-rice/id417552527?mt=11&uo=4) naar DE TOVENAARSRING serie als audioboek! Copyright © 2014 door Morgan Rice Alle rechten voorbehouden. Behalve zoals toegestaan onder de V.S. Copyright Act van 1976, mag geen enkel deel van deze publicatie worden gereproduceerd, gedistribueerd of overgedragen worden, in wat voor vorm dan ook, of worden opgeslagen in een database of zoeksysteem, zonder de voorafgaande toestemming van de auteur. Dit ebook is uitsluitend voor jou persoonlijk bedoeld. Dit ebook mag niet doorverkocht worden of weggeven worden aan andere mensen. Als je dit boek met iemand anders wil delen, schaf dan alsjeblieft een extra exemplaar aan voor elke ontvanger. Als je dit boek leest en je hebt het niet aangeschaft, of het is niet voor jouw gebruik aangeschaft, geef het dan terug en schaf je eigen exemplaar aan. Bedankt voor het respecteren van het harde werk van deze auteur. Dit is een werk van fictie. Namen, personages, bedrijven, organisaties, plaatsen, evenementen en incidenten zijn een product van de fantasie van de auteur of zijn fictief gebruikt. Enige overeenkomst met echte personen, levend of dood, is geheel toevallig. Omslagafbeelding copyright Unholy Vault Designs, gebruikt onder licensie van Shutterstock.com. INHOUD HOOFDSTUK ÉÉN (#uf507e0e4-1db4-5468-b8db-27e2bae3a62c) HOOFDSTUK TWEE (#ua826422b-c888-5885-bb83-213fee4b233b) HOOFDSTUK DRIE (#ub9bf10f9-aedc-5ea0-9844-c8d18564a91b) HOOFDSTUK VIER (#u8649372f-b8b7-5fe2-90c5-a1a756ef8805) HOOFDSTUK VIJF (#u834677de-b0af-5052-86c8-5efd81494237) HOOFDSTUK ZES (#ue5273f1d-0521-5573-9ba0-de108bb8f23b) HOOFDSTUK ZEVEN (#u48a2d33d-fd7a-52b9-8634-1ac13a7af980) HOOFDSTUK ACHT (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK NEGEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ELF (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TWAALF (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK DERTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VEERTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIJFTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZESTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZEVENTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ACHTTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK NEGENTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK EENENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TWEEËNTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK DRIEËNTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIERENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIJFENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZESENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZEVENENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ACHTENTWINTIG (#litres_trial_promo) “Het leven is iedereen dierbaar; maar voor de dierbare man is eer veel kostbaarder dan het leven.” —William Shakespeare Troilus and Cressida HOOFDSTUK ÉÉN Andronicus reed trots door het centrum van McClouds koninklijke stad, geflankeerd door honderden van zijn generaals, zijn meest waardevolle bezit achter zich aanslepend: Koning McCloud. Hij was ontdaan van zijn wapenrusting, zijn half naakte, dikke, harige lichaam met touwen vastgebonden en met een lang touw om zijn polsen, dat was vastgemaakt aan de achterkant van Andronicus’ zadel. Andronicus reed langzaam, zwelgend in zijn triomf, terwijl hij McCloud door de straten sleepte, over steentjes heen, en grote stofwolken opwierp. McClouds mensen verzamelden zich en staarden met open mond naar het schouwspel voor hen. Hij hoorde hoe McCloud het uitschreeuwde, kronkelend van de pijn, terwijl hij hem door de straten van zijn eigen stad sleurde. Andronicus straalde. De McCloud mensen doken angstig in elkaar. Daar was hun voormalige koning, nu de nederigste der slaven. Het was één van de mooiste dagen die Andronicus zich kon herinneren. Andronicus verbaasde zich over hoe makkelijk het was geweest om de McCloud stad over te nemen. Het leek of McClouds mannen het al hadden opgegeven nog voordat de aanval was begonnen. Andronicus’ mannen hadden hen als een bliksemschicht overvallen, de weinige soldaten die het waagden zich te verdedigen omver gereden, en de stad in een oogwenk ingenomen. Ze moesten zich gerealiseerd hebben dat het geen zin had zich te verzetten. Ze hadden hun wapens neergelegd, in de veronderstelling dat als ze zich overgaven Andronicus hen gevangen zou nemen. Maar ze kenden de grote Andronicus niet. Hij verachtte overgave. Hij nam geen gevangenen, en ze maakten het hem alleen maar gemakkelijk door hun wapens neer te leggen. De straten van de McCloud stad kleurden rood van het bloed terwijl Andronicus’ mannen elke steeg en elke zijstraat uitkamden en elke man die ze vonden afslachtten. Hij nam de vrouwen en kinderen als slaven, zoals hij altijd deed. De huizen werden één voor één geplunderd. Terwijl Andronicus langzaam door de straten reed en zijn triomf overzag, zag hij de levenloze lichamen, de opgehoopte buit, de verwoeste huizen. Hij draaide zich om en knikte naar één van zijn generaals. De generaal stak een fakkel in de lucht, gebaarde naar zijn mannen, en honderden van hen verspreidden zich door de stad om de rieten daken in brand te steken. Overal om hen heen stegen de vlammen op en Andronicus kon de hitte al voelen. “NEE!” schreeuwde McCloud, maaiend op de grond achter hem. Andronicus grijnsde breed en dreef zijn paard aan, richting een bijzonder grote steen in de weg; er klonk een bevredigende bons, en hij wist dat McCloud de steen hard had geraakt. Andronicus nam veel genoegen in het zien branden van zijn stad. Zoals hij bij elke overwonnen stad had gedaan in zijn Rijk, brandde hij eerst de stad tot de grond toe af, om hem vervolgens opnieuw op te bouwen, met zijn eigen mannen, zijn eigen generaals, zijn eigen Rijk. Dat was zijn manier. Hij wilde geen spoor van geschiedenis. Hij bouwde een nieuwe wereld. De wereld van Andronicus. De Ring, de heilige Ring die al zijn voorouders was ontgaan, was nu zijn territorium. Hij kon het nauwelijks bevatten. Hij haalde diep adem, en verwonderde zich over hoe geweldig hij was. Spoedig zou hij over de Hooglanden gaan en ook de andere helft van de Ring overwinnen. En dan zou er geen plek op de wereld over zijn die hij niet had betreden. Andronicus reed naar het standbeeld van McCloud op het stadplein, en hield halt. Het stond daar als een heiligdom, vijftien meter hoog, gemaakt van marmer. Het toonde een versie van McCloud die Andronicus niet herkende—een jonge, fitte, gespierde McCloud, die trots zijn zwaard vasthield. Het was egocentrisch. Daarvoor bewonderde Andronicus hem. Een deel van hem wilde het standbeeld mee naar huis nemen, en het in zijn paleis installeren als een trofee. Maar een ander deel van hem walgde ervan. Zonder na te denken haalde hij zijn slinger tevoorschijn—drie keer zo groot als dat van een mens, groot genoeg voor een steen ter grootte van een kleine rots—haalde uit en wierp. De kleine rots vloog door de lucht en raakte het hoofd van het stadbeeld. McClouds marmeren hoofd explodeerde en viel in kleine stukjes uiteen. Andronicus schreeuwde, hief zijn dubbele vlegel, en haalde uit. Andronicus sloeg het torso van het standbeeld omver en het viel met een oorverdovend kabaal uiteen op de grond. Andronicus liet zijn paard keren en zorgde dat McClouds lichaam door de scherven heen werd gesleept. “Daar zal je voor boeten!” schreeuwde een gekwelde McCloud uit. Andronicus lachte. Hij had vele mensen ontmoet in zijn leven, maar deze was wellicht de meest zielige van hen allemaal. “Zal ik dat?” riep Andronicus. Deze McCloud was koppig; hij waardeerde nog steeds de macht van de grote Andronicus niet. Hij zou het er voor eens en altijd bij hem moeten inwrijven. Andronicus liet zijn blik over de stad glijden, en hij zag het vermoedelijke McCloud kasteel. Hij spoorde zijn paard aan tot een galop, en zijn mannen volgden hem terwijl hij McCloud over de stoffige binnenplaats sleepte. Andronicus reed de marmeren trappen op, McClouds lichaam achter hem, schreeuwend en kreunend bij elke trede. Toen reed hij door naar de marmeren entree. Andronicus’ mannen stonden al bij de deuren, de bloederige lichamen van McClouds wachters aan hun voeten. Andronicus grijnsde voldaan. Elke hoek van de stad was al van hem. Andronicus reed door, recht door de kasteeldeuren, een hal in met verheven, gewelfde plafonds, allemaal van marmer. Hij verwonderde zich over de buitensporigheid van deze Koning McCloud. Hij had duidelijk geen kosten gespaard om zichzelf te verwennen. Nu was zijn dag gekomen. Andronicus reed met zijn mannen door de brede gangen. De paardenhoeven weergalmden van de muren. Hij bereikte wat overduidelijk McClouds troonzaal was. Hij barstte door de eikenhouten deuren en reed naar het midden van de kamer, waar een obscene gouden troon stond. Andronicus steeg af, beklom langzaam de gouden treden, en ging zitten. Hij haalde diep adem terwijl hij uitkeek over zijn mannen, zijn tientallen generaals die, gezeten op hun paarden, op zijn bevel wachtten. Hij keek naar de bloederige McCloud, die nog steeds aan zijn paard lag vastgebonden. Hij bekeek de kamer, de muren, de banners, de wapenrustingen, de wapens. Hij bewonderde het handwerk van de troon. Hij overweeg hem te laten smelten, of misschien zou hij hem mee terug nemen. Misschien kon hij hem aan één van zijn generaals schenken. Deze troon was natuurlijk niets vergeleken met Andronicus’ eigen troon, de meest massieve troon van alle koninkrijken, één die het twintig mannen maar liefst veertig jaar had gekost om te bouwen. De bouw was begonnen tijdens zijn vaders heerschap, en was voltooid op de dag dat Andronicus zijn eigen vader had vermoord. Het was een perfecte timing geweest. Andronicus keek neer op McCloud, op het zielige mens, en vroeg zich af hoe hij hem het best kon laten lijden. Hij bekeek de vorm en grootte van zijn schedel, en besloot dat hij hem graag zou laten krimpen en aan zijn ketting hangen, naast de andere gekrompen hoofden die om zijn nek hingen. Maar Andronicus realiseerde zich dat voor hij hem zou doden, hij wat tijd nodig had om zijn gezicht en jukbeenderen wat uit te dunnen, zodat hij beter om zijn nek zou staan. Hij wilde niet een dik, opgeblazen gezicht dat de esthetiek van zijn ketting zou ruïneren. Hij zou hem een tijdje in leven laten, en hem in de tussentijd martelen. Hij glimlachte. Ja, dat was een goed plan. “Breng hem naar me toe,” commandeerde Andronicus naar één van zijn generaals. De generaal sprong zonder een moment te aarzelen van zijn paard, haastte zich naar McCloud, sneed het touw door en sleepte het bloederige lichaam over de vloer. Hij liet het voor Andronicus’ voeten vallen. “Hier kom je niet mee weg!” mompelde McCloud zwakjes. Andronicus schudde zijn hoofd; dit mens zou het nooit leren. “Hier ben ik, gezeten op je troon,” zei Andronicus. “En daar ben jij, liggend aan mijn voeten. Ik denk dat ik rustig kan zeggen dat ik overal mee weg kan komen. En dat ik dat al gedaan heb.” McCloud lag daar, kreunend en kronkelend. “Mijn eerste agendapunt,” zei Andronicus, “is te zorgen dat je je respect betuigt aan je nieuwe koning en meester. Kom nu naar me toe, en ik schenk je de eer dat je als eerste voor me mag knielen in mijn nieuwe koninkrijk, als eerste mijn hand mag kussen, en me Koning mag noemen van wat ooit de McCloud kant van de Ring was.” McCloud keek op, krabbelde op handen en knieën, en sneerde naar Andronicus. “Nooit!” zei hij, en hij spoog op de vloer. Andronicus gooide zijn hoofd achterover en lachte. Hij genoot ervan. Hij had al een tijd niet zo’n koppig mens ontmoet. Andronicus knikte, en één van zijn mannen greep McCloud van achteren, terwijl een ander naar voren kwam en zijn hoofd stil hield. Een derde liep naar voren met een lang scheermes. McCloud kromp ineen van angst. “Wat doe je?” vroeg McCloud in paniek, zijn stem enkele octaven hoger. De man reikte naar beneden en scheerde snel de helft van McClouds baard af. McCloud keek op, duidelijk verbijsterd dat de man hem geen pijn had gedaan. Andronicus knikte, en er stapte een andere man naar voren met een lange pook. Aan het einde van de pook was het embleem van Andronicus’ rijk gegraveerd—een leeuw met een vogel in zijn bek. Het gloeide oranje, stomend heet, en terwijl de anderen McCloud vasthielden, bracht de man de poker naar zijn nu blote wang. “NEE!” gilde McCloud. Maar het was te laat. Een afschuwelijk gekrijs sneed door de lucht, gevolg door een sissend geluid en de geur van verbrand vlees. Andronicus keek blij toe terwijl de pook dieper en dieper in McClouds wang brandde. Het gesis werd luider, het geschreeuw bijna ondraaglijk. Eindelijk, na een goede tien seconden, lieten ze McCloud vallen. McCloud zakte op de grond in elkaar, bewusteloos, kwijlend, terwijl er ook opsteeg van zijn gezicht. Het embleem van Andronicus was in zijn vlees gebrand. Andronicus leunde naar voren, keek neer op de bewusteloze McCloud, en bewonderde zijn werk. “Welkom bij het Rijk.” HOOFDSTUK TWEE Erec stond op de heuveltop aan de bosrand en terwijl hij het kleine leger zag naderen, vulde zijn hart zich met vuur. Hij was geboren voor een dag als deze. In sommige gevechten vervaagde de lijn tussen rechtvaardigheid en onrechtvaardigheid—maar niet vandaag. De Heer van Baluster had zijn bruid schaamteloos gestolen, en hij was opschepperig geweest. Hij had zich niet willen verontschuldigen. Hij was van zijn misdaad op de hoogte gesteld, hij had de kans gekregen om het goed te maken, en hij had geweigerd zijn fouten recht te zetten. Hij had deze ellende zelf veroorzaakt. Zijn mannen hadden het moeten laten gaan—zeker nu hij dood was. Maar daar reden ze, honderden van hen, betaalde huurlingen van deze mindere heer—allemaal vastberaden Erec te doden, alleen maar omdat ze door deze man waren betaald. Ze galoppeerden op hem af in hun glanzende groene wapenrusting, en toen ze dichterbij kwamen lieten ze een strijdkreet uit. Alsof hij daar bang van zou moeten worden. Erec was niet bang. Hij had al teveel van dit soort gevechten meegemaakt. Als hij één ding had geleerd in al zijn jaren van training, was het om nooit te vrezen wanneer hij aan de kant van het rechtvaardige vocht. Rechtvaardigheid, zo had hij geleerd, zou wellicht niet altijd overwinnen—maar het gaf de drager de kracht van tien mannen. Het was geen angst dat Erec voelde terwijl hij de honderden mannen zag naderen, wetende dat hij waarschijnlijk op deze dag zou sterven. Het was verwachting. Hij had een kans gekregen om zijn dood op de meest eervolle manier te ontmoeten, en dat was een geschenk. Hij had een gelofte van eer afgelegd, en vandaag zou hij deze moeten vervullen. Erec trok zijn zwaard en rende te voet de heuvel af, richting het leger dat op hem af kwam. Op dit moment wenste hij meer dan ooit dat hij zijn trouwe paard, Warfkin, bij zich had om de strijd tegemoet te rijden—maar het deed hem goed te weten dat Warfkin Alistair veilig terug naar Savaria zou brengen, naar de veiligheid van het hof van de Hertog. Terwijl hij de soldaten naderde, nauwelijks vijftig meter verderop, versnelde Erec. Hij ging recht op de leidende ridder in het midden af. Ze vertraagden niet, en hij ook niet, en hij bereidde zich voor op de botsing. Erec wist dat hij één voordeel had: driehonderd mannen konden fysiek niet dichtbij genoeg komen om allemaal één man tegelijk aan te vallen; hij wist van zijn training dat hoogstens zes man te paard een man tegelijk zouden kunnen aanvallen. Voor Erec betekende dit dat zijn kansen niet driehonderd tegen één waren—maar slechts zes tegen één. Zolang hij de zes mannen voor zich kon blijven doden, had hij een kans om te winnen. Het was slechts een kwestie van of hij genoeg stamina had om het vol te houden. Terwijl Erec de heuvel af rende, trok hij het wapen waarvan hij wist dat het het best zou zijn: een vlegel met een tien meter lange ketting met punten, met aan het einde een puntige, metalen bal. Het was een wapens dat bedoeld was om een val op de weg te leggen—of voor situaties als deze. Erec wachtte tot het laatste moment, tot het leger geen tijd meer had om te reageren, zwaaide de vlegel hoog boven zijn hoofd, en wierp hem over het slagveld. Hij mikte op een kleine boom, en de puntige ketting spreidde zich over het slagveld; terwijl de bal zich om de boom heen wikkelde, dook Erec naar de grond om de speren te ontwijken. Ondertussen hield hij met al zijn macht het handvat van de vlegel vast. Hij had het perfect getimed: er was geen tijd voor het leger om te reageren. Ze zagen het pas op het laatste moment en trachtten hun paarden in te houden—maar ze gingen te snel, en er was geen tijd. De hele voorste linie rende er tegen aan. De puntige ketting sneed door de benen van de paarden, en hun berijders vielen met hun gezicht naar beneden op de grond. De paarden landden op hen. Tientallen van hen werden in de chaos vertrappeld. Erec had geen tijd om trots te zijn op de schade die hij had veroorzaakt: een andere flank van het leger kwam schreeuwend op hem af, en Erec rolde snel overeind. Terwijl de voorste ridder een speer hief, maakte Erec gebruik van wat hij had: hij had geen paard, en kon deze mannen niet op hun hoogte bereiken, maar omdat hij lager was, kon hij de grond in zijn voordeel gebruiken. Erec dook naar de grond, rolde, hief zijn zwaard, en sneed in één vloeiende beweging de benen van het paard af. Het paard viel en de soldaat smakte op zijn gezicht voor hij een kans had om zijn wapen los te laten. Erec rolde verder en slaagde erin om de op hol geslagen paarden om hem heen te ontwijken, die werden gedwongen uit elkaar te gaan om het gevallen paard te ontwijken. Veel slaagden er echter niet in en struikelden over het dode dier. Tientallen paarden gingen tegen de grond, en er steeg een stofwolk op en er ontstond een opstopping. Het was precies waar Erec op had gehoopt: stof en verwarring, tientallen die tegen de grond gingen. Erec sprong overeind, hief zijn zwaard en blokkeerde een zwaard dat op zijn hoofd afkwam. Hij draaide rond en blokkeerde een speer, toen een lans, toen een bijl. Hij verdedigde zich tegen de aanvallen die van alle kanten op hen neerregenden, maar hij wist dat hij dit niet eeuwig vol zou kunnen houden. Hij moest aanvallen als hij een kans wilde maken. Erec maakte een koprol, rolde overeind op een knie, en wierp zijn zwaard alsof het een speer was. Het vloog door de lucht, recht in de borst van zijn dichtstbijzijnde aanvaller; zijn ogen sperden zich wijd open en hij viel zijlings van zijn paard af. Erec maakte van de gelegenheid gebruik om op de rug van het paard te springen, en griste ondertussen de strijdvlegel uit de handen van de man. Het was een excellente strijdvlegel, en Erec had hem om die reden uitgekozen; het had een lange, zilveren schacht en een ketting die ruim een meter lang was, met drie puntige ballen aan het einde. Erec zwaaide de strijdvlegel boven zijn hoofd en sloeg in één haal de wapens van meerdere tegenstanders uit hun handen; met een tweede haal sloeg hij hen van hun paarden. Erec bekeek het slagveld en zag dat hij behoorlijk wat schade had aangericht. Er waren bijna zo’n honderd ridders uitgeschakeld. Maar de anderen, tenminste zo’n tweehonderd van hen, waren aan het hergroeperen en kwamen nu op hem af—en ze leken erg vastberaden. Erec reed op hen af, één man tegen tweehonderd, en liet een luide strijdkreet uit. Hij hief zijn strijdvlegel met bad tot God dat hij genoeg kracht zou hebben om het vol te houden. * Alistair huilde terwijl ze zich met al haar macht vasthield aan Warfkin. Het paard galoppeerde over de maar al te bekende weg naar Savaria. Ze had het dier de hele weg geschopt en tegen hem geschreeuwd, om hem te laten omkeren en naar Erec terug te rijden. Maar het wilde niet luisteren. Ze had nog nooit een paard als Warfkin gezien—het luisterde standvastig naar het bevel van zijn meester en aarzelde nooit. Het was overduidelijk van plan om haar precies te brengen naar waar Erec had gezegd—en uiteindelijk accepteerde ze dat er niets was dat ze eraan kon doen. Alistair had gemengde gevoelens terwijl ze terug reed door de stadspoorten van de stad waar ze zo langs als dienstmeisje had gewerkt. Aan de ene kant voelde het bekend—maar aan de andere kant bracht het herinneringen omhoog van de herbergier die haar had onderdrukt, van alles dat er mis was met deze plek. Ze had er zo naar uitgekeken om verder te gaan met haar leven, om hier met Erec weg te gaan en een nieuw leven met hem te beginnen. Hoewel ze zich veilig voelde binnen de stadspoorten, had ze ook een naar gevoel voor Erec, die het in zijn eentje tegen dat leger opnam. De gedachte maakte haar misselijk. Nu ze besefte dat Warfkin niet om zou keren, wist ze dat haar tweede beste optie was om hulp te zoeken voor Erec. Erec had haar gevraagd hier te blijven, binnen de veiligheid van deze poorten—maar dat was wel het laatste wat ze van plan was. Ze was tenslotte de dochter van een koning, en ze was niet het type dat vluchtte van angst of confrontatie. Erec had in haar zijn gelijke gevonden: ze was net zo nobel en vastberaden als hij. En ze zou nooit met zichzelf kunnen leven als hem daar iets zou overkomen. Ze kende de stad goed, dus Alistair dreef Warfkin richting het kasteel van de Hertog—en nu ze binnen de stadsmuren waren, luisterde het dier eindelijk. Ze reed naar de ingang van het kasteel, steeg af, en rende voorbij de wachters die haar trachtten te stoppen. Ze wist aan hen te ontkomen en rende door de marmeren gangen die ze zo goed kende van toen ze hier als dienstmeisje had gewerkt. Alistair zette haar schouders tegen de grote deuren naar de zaal en duwde ze open, en rende het privé vertrek van de Hertog binnen. Meerdere raadsleden draaiden zich om en keken haar aan. Ze droegen allen koninklijke gewaden, de Hertog in het midden, met enkele ridders om hem heen. Ze hadden stomverbaasde uitdrukkingen; ze had duidelijk belangrijke zaken verstoord. “Wie bent u, vrouwe?” riep één van hen. “Wie waagt het om de officiële zaken van de Hertog te verstoren?” riep een ander. “Ik herken de vrouw,” zei de Hertog, die opstond. “Ik ook,” zei Brandt, die ze herkende als Erecs vriend. “Alistair, is het niet?” vroeg hij. “Erecs nieuwe vrouw?” Ze rende in tranen naar hem toe en greep zijn handen vast. “Alstublieft, mijn heer, help me. Het is Erec!” “Wat is er gebeurd?” vroeg de Hertog, gealarmeerd. “Hij is in groot gevaar! Op dit moment neemt hij het in zijn eentje op tegen een vijandig leger! Hij wilde niet dat ik zou achterblijven. Alstublieft! Hij heeft hulp nodig!” Zonder een woord te zeggen sprongen alle ridders overeind en renden de hal door. Geen van hen aarzelde ook maar een moment; en ze rende achter hen aan. “Blijf hier!” benadrukte Brandt. “Nooit!” zei ze, terwijl ze achter hem aan rende. “Ik zal u naar hem toe brengen!” Ze renden als één door de gangen, de kasteeldeuren uit, naar een groep van wachtende paarden, en stegen zonder te aarzelen op. Alistair sprong op Warfkin, dreef hem aan, en leidde de groep. Ze was net zo ongerust als de rest. Terwijl ze door het hof van de Hertog reden, begonnen soldaten om hen heen op te stijgen en voegden ze zich bij hen—en tegen de tijd dat ze de poorten van Savaria uitreden, werden ze vergezeld door een groot contingent van ten minste honderd mannen. Alistair voorop, naast Brandt en de Hertog. “Als Erec erachter komt dat u met ons mee rijdt, kost het me mijn kop,” zei Brandt, die naast haar reed. “Alstublieft, vertel ons gewoon waar hij is, mijn vrouwe.” Maar Alistair schudde koppig haar hoofd en trachtte haar tranen te bedwingen terwijl ze reed, het gedonder van de paardenhoeven om haar heen. “Ik sterf nog liever dan dat ik Erec in de steek laat!” HOOFDSTUK DRIE Thor reed over het bospad, met Reece, O’Connor, Elden en de tweeling naast hem en Krohn op zijn hielen, terwijl ze het bos aan het andere uiteinde van het Ravijn uitreden. Thors hart bonsde van de anticipatie terwijl ze eindelijk de rand van het dikke woud bereikten. Hij stak een hand op en gebaarde naar de anderen dat ze stil moesten zijn, en ze hielden naast hem halt. Thor keek uit over het uitgestrekte strand, en daarachter, de uitgestrekte gele zee die hen naar de verre landen van het Rijk zou brengen. De Tartuvische zee. Thor had de wateren niet meer aanschouwd sinds hun reis naar de Honderd. Het voelde vreemd om weer terug te zijn—en deze keer op een missie waar het lot van de Ring vanaf hing. Nadat ze de brug van het Ravijn waren overgestoken, was hun korte rit door de Wildernis rustig verlopen. Thor was door Kolk en Brom geïnstrueerd om te zoeken naar een klein schip dat aangemeerd zou liggen aan de kust van de Tartuvische, verstopt tussen de takken van een immens grote boom die over de zee hing. Thor had hun instructies nauwkeurig opgevolgd, en toen ze de rand van het bos hadden bereikt had hij het schip gespot, goed verstopt, klaar om hen mee te nemen naar waar ze naar toe moesten. Hij was opgelucht geweest. Maar toen zag hij de zes soldaten van het Rijk. Ze stonden op het zand voor het vaartuig en inspecteerden het. Een andere soldaat was aan boord geklommen. Er had niemand moeten zijn. Het was een tegenslag. Terwijl Thor verder uitkeek over de horizon, zag hij in de verte de omtrek van wat leek op de hele vloot van het Rijk, duizenden zwarte schepen met de zwarte vlaggen van het Rijk. Gelukkig zeilden ze niet naar Thor, maar in een andere richting. Ze namen de lange, circulaire route om de Ring heen, naar de McCloud kant, waar ze het Ravijn waren doorgebroken. Gelukkig nam de vloot een andere route. Behalve deze patrouille. Deze zes soldaten van het Rijk, waarschijnlijk verkenners op een routine missie, waren bij toeval het schip van de Krijgsmacht tegen gekomen. Het was een slechte timing. Als Thor en de anderen de kust een paar minuten eerder hadden bereikt, waren ze waarschijnlijk al aan boord gegaan en vertrokken. Nu moesten ze de confrontatie aangaan. Ze hadden geen keus. Thor keek het strand over en zag geen andere contingenten van het Rijk. Dat was dan in elk geval in hun voordeel. Het was waarschijnlijk een eenzame patrouille groep. “Ik dacht dat de boot goed verstopt was,” zei O’Connor. “Blijkbaar niet goed genoeg,” merkte Elden op. Ze zaten op hun paarden, starend naar het schip en de groep soldaten. “Het is slechts een kwestie van tijd tot ze andere troepen waarschuwen,” observeerde Conven. “En dan is het oorlog,” voegde Conval toe. Thor wist dat ze gelijk hadden. En dat het geen risico was dat ze konden nemen. “O’Connor,” zei Thor, “jij richt het best van ons allemaal. Ik heb je doelen zien raken van vijftig meter ver. Zie je die ene op de boeg? We hebben slechts één kans. Kun je het?” O’Connor knikte ernstig, zijn ogen gefixeerd op de soldaten van het Rijk. Hij reikte doelbewust over zijn schouder, hief zijn boog, legde er een pijl in, en hield hem klaar. Ze keken allemaal naar Thor, en hij voelde zich klaar om te leiden. “O’Connor, op mijn signaal vuur je. Daarna vallen we de mannen beneden aan. De rest, gebruik je werpwapens als we dichterbij komen. Probeer eerst zo dichtbij mogelijk te komen.” Thor gaf het signaal, en O’Connor vuurde. De pijl zeilde door de lucht, en het was een perfect schot. De metalen punt boorde zich door het hart van de soldaat van het Rijk op de boeg. Hij stond daar, zijn ogen even wijd opengesperd, alsof hij niet begreep wat er gebeurde, en toen voel hij ineens voorover, met zijn gezicht in het zand, voor de voeten van zijn kameraden. Het zand kleurde rood. Thor en de anderen vielen aan, als een goed geoliede machine die perfect was afgesteld. Het geluid van hun galopperende paarden verraadde hen, en de zes andere soldaten draaiden zich naar hen om. De soldaten stegen op en kwamen op hen af. Thor en zijn mannen hadden nog steeds het voordeel van verassing. Thor haalde uit en wierp een steen met zijn slinger. Hij raakte één van hen in zijn slaap terwijl hij nog bezig was om op zijn paard te klimmen. Hij viel er meteen weer af, dood, de teugels nog steeds in zijn handen. Terwijl ze dichterbij kwamen wierp Reece zijn bijl, Elden zijn speer, en de tweeling hun dolken. Het zand was oneven en de paarden raakten uit balans, wat het werpen van hun wapens lastiger maakte. Reece zijn bijl vond zijn doel en doodde een van hen, maar de anderen misten. Er waren er nog vier over. De leider brak los van de groep en reed recht op Reece af, die weerloos was; hij had zijn bijl weggegooid maar nog geen tijd gehad om zijn zwaard te trekken. Reece zette zich schrap, en op het laatste moment sprong Krohn naar voren, die het paard van de soldaat in het been beet. Het paard zakte ineen, en zijn berijder smakte tegen de grond. Reece trok zijn zwaard en wist de soldaat te doden voor hij weer overeind kon krabbelen. Nu waren er nog drie. Eén van hen kwam met een bijl op Elden af, zwaaiend naar zijn hoofd; Elden blokkeerde de bijl met zijn schild en wist in dezelfde beweging de aanvaller tegen de zijkant van zijn hoofd te stoten, waardoor hij van zijn paard viel. Een andere soldaat haalde een strijdvlegel tevoorschijn en zwaaide met de lange ketting rond. Het puntige uiteinde kwam plotseling recht op O’Connor af. Het gebeurde te snel, en O’Connor had geen tijd om te reageren. Thor had het aan zien komen en denderde naar voren. Hij hief zijn zwaard en hakte de ketting van de strijdvlegel door voor hij O’Connor kon raken. Het geluid van zijn zwaard die door het ijzer heen ging, deed Thor versteld staan van hoe scherp zijn nieuwe zwaard was. De puntige bal vloog door de lucht en kwam met een doffe klap in het zand terecht. O’Connors leven was gespaard. Conval reed snel naar voren en doodde de soldaat met zijn speer. De laatste soldaat van het Rijk zag dat hij zwaar in de minderheid was; met angst in zijn ogen draaide hij zijn paard ineens om en racete langs de kust. Zijn paard liet diepe hoefafdrukken achter in het zand. Ze keerden zich allemaal tot de terugtrekkende soldaat: Thor wierp met zijn slinger, O’Connor vuurde een pijl af, en Reece wierp een speer. Maar de soldaat reed te snel, en ze misten allemaal. Elden trok zijn zwaard en Thor kon zien dat hij van plan was hem achterna te gaan. Thor stak zijn hand uit en gebaarde dat hij hier moest blijven. “Niet doen!” schreeuwde Thor. Elden keek hem aan. “Als hij blijft leven, zal hij anderen achter ons aansturen!” protesteerde Elden. Thor draaide zich om en wierp een blik op de boot, en hij wist dat het kostbare tijd zou kosten om hem achterna te jagen—tijd die ze zich niet konden veroorloven. “Het Rijk zal hoe dan ook achter ons aankomen,” zei Thor. “We hebben geen tijd te verliezen. Wat nu belangrijk is, is dat we hier ver vandaan gaan. Naar het schip!” Ze stegen af toen ze het schip bereikten en Thor begon zijn zadeltassen uit te laden. De anderen deden hetzelfde, en ze laadden hun wapens en zakken met voedsel en water uit. Niemand wist hoe lang de reis zou duren, en hoe lang het zou duren voor ze weer land zouden zien—als ze ooit nog land zouden zien. Thor had ook voedsel voor Krohn meegenomen. Ze gooiden de zakken hoog over de reling van de boot; ze landden met een doffe klap op het dek. Thor greep het dikke, gevlochten touw dat aan één kant hing. Het ruwe touw sneed in zijn handen, en hij testte het. Hij drapeerde Krohn over zijn schouder, en trok zich omhoog naar het dek. Krohn piepte in zijn oren, en klampte zich met zijn scherpe nagels aan hem vast. Al snel was Thor de reling over, en Krohn sprong het dek op—en de anderen volgden hen. Thor leunde over de reling en keek naar de paarden op het strand, die opkeken alsof ze wachtten op een bevel. “Wat doen we met hen?” vroeg Reece, die naast hem kwam staan. Thor draaide zich om en bekeek het schip: het was misschien zes meter lang en half zo breed. Het was groot genoeg voor hun zevenen—maar niet voor hun paarden. Als ze ze zouden proberen mee te nemen, zouden de paarden de boot ongetwijfeld beschadigen. Ze moesten ze achterlaten. “We hebben geen keus,” zei Thor, terwijl hij verlangend op hen neer keek. “We zullen nieuwe paarden moeten vinden.” O’Connor leunde over de reling. “Het zijn slimme paarden,” zei O’Connor. “Ik heb ze goed getraind. Ze zullen op mijn bevel terug naar huis keren.” O’Connor floot scherp. Als één keerden de paarden zich om en ze gingen ervandoor. Ze galoppeerden over het zand en verdwenen het bos in, terug naar de Ring. Thor draaide zich om en keek naar zijn broeders, naar het schip, naar de zee voor hen. Nu waren ze gestrand, zonder paarden, en ze hadden geen andere keus dan voorwaarts te gaan. De realiteit begon tot hem door te dringen. Ze waren echt alleen, met niets behalve deze boot, en ze stonden op het punt om de kust van de Ring te verlaten. Er was nu geen weg terug meer. “En hoe moeten we deze boot het water in krijgen?” vroeg Conval, terwijl ze allemaal naar scheepsromp keken. Een gedeelte van de boot lag in de klotsende golven van de Tartuvische Zee, maar een groot deel lag stevig in het zand. “Hier!” zei Conven. Ze haastten zich naar de andere kant waar een dikke ijzeren ketting over de rand hing, met aan de andere kant een grote ijzeren bal, die in het zand lag. Conven rukte aan de ketting. Hij gromde en worstelde, maar kon hem niet optillen. “Hij is te zwaar,” hijgde hij. Conval en Thor haastten zich naar hem toe om hem te helpen, en grepen de ketting vast. Thor was verrast door het gewicht: zelfs met zijn drieën konden ze hem slechts een stukje ophijsen. Uiteindelijk lieten ze de ketting los, en de bal plofte weer in het zand. “Laat mij helpen,” zei Elden, die een stap naar voren deed. Elden torende boven hen uit, en hij pakte de ketting, trok eraan, en slaagde er in zijn eentje in om de bal in de lucht te trekken. Thor was stomverbaasd. De anderen sprongen bij en ze trokken het anker omhoog, stap voor stap, tot het eindelijk op het dek lag. De boot begon te bewegen en wiebelde een beetje in de golven, maar bij lag nog steeds in het zand. “De palen!” zei Reece. Thor draaide zich om en zag twee houten palen, bijna zes meter lang, vastgemaakt aan de zijkanten van de boot, en realiseerde zich waar ze voor waren. Hij rende er met Reece naar toe en greep er één terwijl Conval en Conven de andere grepen. “Als we afduwen,” schreeuwde Thor uit, “hijsen jullie de zeilen!” Ze leunden naar voren, staken de palen in het zand en duwden met al hun macht; Thor kreunde van de inspanning. Langzaam begon de boot een beetje te bewegen. Tegelijkertijd renden Elden en O’Connor naar het midden van de boot en trokken aan de touwen om de canvas zeilen de hijsen. Ze waren zwaar, en gingen dertig centimeter per keer omhoog. Gelukkig stond er een sterke wind, en terwijl Thor en de anderen tegen de kust aan duwden, worstelend met alles dat ze hadden om de verassend zware boot uit het zand te krijgen, gingen de zeilen hoger en hoger, en begonnen ze wind te vangen. Eindelijk schommelde de boot terwijl hij het water op gleed, wiebelend, gewichtsloos. Thors schouders trilden van inspanning. Elden en O’Connor hesen de zeilen tot volle mast, en spoedig dreven ze de zee op. Ze lieten een triomfantelijke schreeuw uit terwijl ze de palen weer op hun plek legden en naar Elden en O’Connor renden om hen te helpen met het vastmaken van de lijnen. Krohn piepte van opwinding. Thor haastte zich naar het roer, O’Connor naast hem. “Wil jij het roer nemen?” vroeg Thor aan O’Connor. O’Connor grijnsde breed. “Graag.” Ze begonnen vaart te maken, en gleden steeds sneller over de gele wateren van de Tartuvische Zee, de wind in hun rug. Eindelijk, ze bewogen. Thor haalde diep adem. Ze waren op weg. Thor liep naar de boeg, Reece naast hem, terwijl Krohn tussen hen in ging staan en tegen Thors been aan leunde. Thor streelde zijn zachte witte vacht. Krohn likte aan zijn hand; Thor haalde een stuk vlees voor Krohn tevoorschijn, en het luipaard griste het uit zijn handen. Thor keek uit over de uitgestrekte zee voor hen. De verre horizon was bedekt met zwarte schepen van het Rijk, onderweg naar de McCloud kant van de Ring. Gelukkig waren ze afgeleid, en waren ze niet op de uitkijk voor een eenzame boot die hun territorium in voer. De lucht was helder, ze hadden een sterke wind mee, en ze gingen steeds sneller. Thor vroeg zich af wat er voor hen in het verschiet zou liggen. Hij vroeg zich af hoe lang het zou duren voor ze het Rijk zouden bereiken, en wat er daar op hen zou wachten. Hij vroeg zich af hoe ze het zwaard zouden vinden, hoe dit alles zou eindigen. Hij wist dat hun kansen erg klein waren, en toch was hij blij om eindelijk op reis te zijn, opgewonden dat ze al zo ver waren gekomen. Hij verlangde ernaar om het Zwaard terug te halen. “Wat als het er niet is?” vroeg Reece. Thor draaide zich om en keek hem aan. “Het zwaard,” voegde Reece toe. “Wat als het er niet is? Of wat als het verloren is? Of vernietigd? Of als we het nooit vinden? Het Rijk is tenslotte zeer groot.” “Of wat als het Rijk heeft uitgevonden hoe ze het moeten hanteren?” vroeg Elden in zijn diepe stem. “Wat als we het niet mee terug kunnen nemen?” vroeg Conven. De groep stond daar, onderdrukt door wat er voor hen lag, door de zee van onbeantwoorde vragen. Deze reis was waanzin, wist Thor. Waanzin. HOOFDSTUK VIER Gareth ijsbeerde over de stenen vloer van zijn vaders studeerkamer—een kleine kamer op de bovenste verdieping van het kasteel, een kamer die zijn vader had gekoesterd—en stukje bij beetje, verscheurde hij alles. Gareth ging van boekenkast naar boekenkast en rukte de waardevolle volumes eruit, oude in leer gebonden boeken die al eeuwenlang in de familie waren. Hij reet de bindingen uiteen en scheurde de pagina’s in stukken. Terwijl hij ze in de lucht gooide, dwarrelden ze als sneeuwvlokjes over zijn hoofd, en bleven ze plakken aan zijn lichaam en aan het kwijl dat over zijn kin liep. Hij was vastberaden om alles te verscheuren waar zijn vader ooit van houdt gehouden, boek voor boek. Gareth haastte zich naar een tafel in de hoek en greep wat er over was van zijn opium pijp. Hij zoog hard, zijn handen trillend. Hij had het nu nodig, meer dan ooit. Hij was verslaafd, en rookte wanneer hij maar kon, vastbesloten de beelden van zijn vader uit zijn hoofd te krijgen, de beelden die hem plaagden in zijn dromen, en nu zelfs wanneer hij wakker was. Terwijl Gareth de pijp weer neerlegde zag hij zijn vader voor zich staan, een rottend lijk. Elke keer dat hij hem zag was het lijk meer vervallen, inmiddels meer skelet dan vlees; en Gareth wendde zijn blik af van het afschuwelijke aanzicht. Voorheen had Gareth getracht het beeld aan te vallen—maar hij had inmiddels door dat dat niets uithaalde. Dus nu wendde hij slechts zijn hoofd af. Het was altijd hetzelfde: zijn vader droeg een roestige kroon, had zijn mond open, en zijn ogen staarden hem verachtend aan. Hij strekte een vinger uit en wees beschuldigend naar hem. In die afschuwelijke blik zag Gareth dat zijn eigen dagen geteld waren. Hij kreeg het gevoel dat het slechts een kwestie van tijd zou zijn voor hij zich bij zijn vader zou voegen. Hij haatte het om hem te zien, meer dan wat dan ook. Als er iets goeds was geweest aan het vermoorden van zijn vader, was het dat hij zijn gezicht niet meer had hoeven zien. Maar nu, ironisch gezien, zag hij hem vaker dan ooit. Gareth draaide zich om en wierp de opium pijp naar de verschijning, hopend dat als hij maar snel genoeg gooide hij hem ook zou kunnen raken. Maar de pijp vloog slechts door de lucht en brak tegen de muur in stukjes. Zijn vader stond er nog, en keek op hem neer. “Die drugs zullen je nu niet helpen,” zei zijn vader. Gareth trok het niet meer. Hij viel de verschijning aan, zijn handen voor zich uitgestrekt, om zijn vader in het gezicht te krabben; maar net als altijd raakte hij niets dan lucht, en deze keer struikelde hij door de kamer en viel hij tegen zijn vaders houten bureau aan, dat met hem mee tegen de grond ging. Gareth rolde over de grond. Hij keek op en zag dat hij zijn arm had geschaafd. Bloed druppelde over zijn shirt, en terwijl hij naar beneden keek bemerkte hij dat hij nog steeds het onderhemd droeg waar hij al dagen in had geslapen; sterker nog, hij had het al weken aan. Hij ving zijn eigen weerspiegeling op en zag dat zijn haar door de war zat; hij zag eruit als een nietszeggende schurk. Een deel van hem kon nauwelijks geloven dat hij zo laag was gezonken. Maar een ander deel kon het niets meer schelen. Het enige dat er nog in hem zat was een brandend verlangen om te vernietigen—om alles te vernietigen dat hem herinnerde aan zijn vader. Hij wilde het kasteel met de grond gelijk maken, en het hele Koninklijk Hof ermee. Het zou zijn wraak zijn voor hoe hij als kind behandeld was. De herinneringen zaten vast, als een doorn die hij er niet uit kon trekken. De deur naar zijn vaders studeerkamer werd opengegooid, en één van Gareths bedienden stormde naar binnen, een angstige blik op zijn gezicht. “Mijn heer,” zei de bediende. “Ik hoorde een klap. Bent u in orde? Mijn heer, u bloed!” Gareth keek de jongen aan met een blik vol haat. Gareth probeerde overeind te krabbelen, om hem een preek te geven, maar hij gleed uit en viel weer tegen de grond, gedesoriënteerd van zijn laatste opiumshot. “Mijn heer, laat me u helpen!” De jongen rende naar hem toe en greep Gareths arm, die veel te dun was, nauwelijks vlees en botten. Maar Gareth had nog wat kracht in zich, en toen de jongen hem aanraakte, duwde hij hem weg. “Raak me nog één keer aan en ik hak je handen eraf,” zei Gareth ziedend. De jongen deinsde ineen van angst. Op dat moment kwam er een andere bediende de kamer in, vergezeld door een oudere man die Gareth vaag herkende. Hij wist zeker dat hij hem ergens van kende—maar hij kon hem niet plaatsen. “Mijn heer,” klonk een oude, schorre stem, “we zitten al de halve dag op u de wachten. De raadsleden kunnen niet langer wachten. Ze hebben dringend nieuws, en moeten dit vandaag nog met u delen. Kunt u komen?” Gareth kneep zijn ogen samen en trachtte de man te plaatsen. Hij herinnerde zich vaag dat hij zijn vader had gediend. De raadszaal… de meeting… zijn hoofd rolde. “Wie ben je?” vroeg Gareth. “Mijn heer, ik ben Aberthol. Uw vaders adviseur,” zei hij, terwijl hij dichterbij kwam. Het begon langzaam terug te komen. Aberthol. De raad. De meeting. Gareths was duizelig, zijn hoofd leek hem te verpletteren. Hij wilde gewoon alleen gelaten worden. “Laat me alleen,” beet hij. “Ik kom eraan.” Aberthol knikte en haastte zich met de bediende de kamer uit. Ze sloten de deur achter zich. Gareth knielde, zijn hoofd in zijn handen, en trachtte na te denken. Het was allemaal te veel. Het begon in vlagen terug te komen. Het schild was uitgeschakeld; het Rijk viel aan; zijn halve hof was vertrokken; zijn zuster had hen weggeleid; naar Silesia… Gwendolyn… Dat was het. Dat was wat hij zich had geprobeerd te herinneren. Gwendolyn. Hij haatte haar met een passie die hij niet kon beschrijven. Hij wilde haar doden, nu meer dan ooit. Hij moest haar doden. Al zijn problemen—alles kwam door haar. Hij zou een manier vinden om wraak te nemen, al kostte het hem zijn leven. En daarna zou hij zijn broers doden. Hij begon zich al beter te voelen bij de gedachte. Met een enorme krachtsinspanning kwam hij overeind. Hij strompelde door de kamer en liet een klein tafeltje vallen. Terwijl hij de deur naderde, zag hij een albasten buste van zijn vader, een sculptuur waar zijn vader van had gehouden. Hij greep hem bij het hoofd en gooide hem tegen de muur. Hij viel in duizend stukjes uiteen, en voor het eerst die dag glimlachte Gareth. Misschien zou het niet eens zo’n slechte dag worden. * Gareth, geflankeerd door een aantal bedienden, sloeg de enorme eikenhouten deuren van de raadszaal open, en iedereen sprong van schrik overeind. Normaal gesproken zou dit Gareth genoegen hebben gedaan, maar vandaag kon niets hem nog schelen. Hij werd geplaagd door de geest van zijn vader, en was overspoeld door woede vanwege het feit dat zijn zuster was vertrokken. Zijn emoties werden hem teveel, en hij moest zich afreageren. Gareth strompelde in zijn door opium geïnduceerde waas door de uitgestrekte kamer naar zijn troon, terwijl de tientallen raadsleden hem nakeken. Zijn hof was gegroeid, en er hing een gespannen sfeer in de lucht nu meer en meer mensen hadden vernomen dat de helft van het Koninklijk Hof was vertrokken en dat het Schild was uitgeschakeld. Het was alsof iedereen die nog in het Koninklijk Hof was, naar binnen was gestroomd voor antwoorden. Antwoorden die Gareth natuurlijk niet had. Terwijl Gareth de ivoren treden naar zijn vaders troon beklom, zag hij Lord Kultin, de leider van zijn persoonlijke strijdmacht, geduldig achter hem staan. Hij was de enige man in het hof die hij nog kon vertrouwen. Naast hem stonden tientallen van zijn strijders, zwijgend, hun handen rustend op hun zwaarden, klaar om voor Gareth te vechten tot de dood. Het was het enige dat Gareth nog enigszins geruststelling gaf. Gareth nam plaats op zijn troon en keek rond. Er waren zoveel gezichten, een paar die hij herkende, veel die hij niet herkende. Hij vertrouwde geen van hen. Hij had al zoveel mensen naar de kerkers gestuurd, en nog meer naar de beul. Er was geen dag voorbij gegaan zonder dat hij niet tenminste een handvol mensen had gedood. Hij vond het een goed beleid; het hield de mannen alert, en het voorkwam samenzweringen. De kamer werd stil, en iedereen staarde hem aan. Ze leken allemaal te bang om te spreken. En dat was precies wat hij wilde. Hij deed niets liever dan zijn onderdanen bang maken. Eindelijk deed Aberthol een stap naar voren, zijn stok echoënd tegen de stenen. Hij schraapte zijn keel. “Mijn heer,” begon hij in zijn eeuwenoude stem, “we bevinden ons in een tijd van grote wanorde in het Koninklijk Hof. Ik weet niet waarvan u reeds op de hoogte bent: het Schild is uitgeschakeld; Gwendolyn heeft het Koninklijk Hof verlaten en heeft Kolk, Brom, Kendrick, Atme, de Zilveren, de Krijgsmacht en de helft van uw leger met zich meegenomen—en de helft van het Koninklijk Hof. Degenen die zijn gebleven zoeken uw begeleiding en willen graag weten wat uw volgende stap zal zijn. De mensen willen antwoorden, mijn heer.” “En bovendien,” zei een ander raadslid die Gareth vaag herkende, “zegt men dat het Ravijn reeds is doorbroken. De geruchten gaan dat Andronicus de McCloud kant van de Ring is binnengevallen met zijn miljoenenleger.” De kamer snakte verontwaardigd naar adem; tientallen dappere krijgers begonnen te fluisteren, overspoeld door angst, en de paniek verspreidde zich als wildvuur. “Dat kan niet waar zijn!” riep één van de soldaten uit. “Dat is het!” hield het raadslid vol. “Dan is alle hoop verloren!” riep een andere soldaat uit. “Als de McClouds verslagen worden, is het slechts een kwestie van tijd voor het Rijk het Koninklijk Hof zal binnenvallen. We zullen ze met geen mogelijkheid tegen kunnen houden.” “We moeten de voorwaarden van onze overgave bespreken, mijn heer,” zei Aberthol tegen Gareth. “Overgeven!?” riep een andere man. “We zullen nooit overgeven!” “Als we dat niet doen,” riep een andere soldaat, “zullen we verpletterd worden. Hoe kunnen we het nu opnemen tegen een miljoen mannen?” De kamer brak uit in een hysterisch geroezemoes, soldaten en raadsleden die met elkaar discussieerden. Het raadshoofd sloeg met zijn ijzeren staf op de stenen vloer en schreeuwde: “ORDE!” Langzaam aan werd het weer stil. Alle mannen draaiden zich om en keken naar hem. “Dit zijn allemaal beslissingen voor een koning, niet voor ons,” zei één van de raadskleden. “Gareth is de rechtmatige Koning, en het is niet aan ons om de voorwaarden voor onze overgave te bespreken—of om überhaupt te besluiten of we ons overgeven.” Iedereen wendde zich tot Gareth. “Mijn heer,” zei Aberthol. Er klonk vermoeidheid in zijn stem. “Wat stelt u voor dat we doen met het leger van het Rijk?” Er viel een dodelijke stilte. Gareth zat daar, neerkijkend op zijn mannen, en hij wilde reageren. Maar het werd steeds lastiger voor hem om helder na te denken. Zijn vaders stem galmde door zijn hoofd, schreeuwend, zoals hij had gedaan toen hij nog een kind was. Hij werd er gestoord van, en de stem ging maar niet weg. Gareth strekte zijn arm uit en boorde zijn nagels in de houten armleuning van de troon, keer op keer. Het geluid van zijn schrapende vingernagels was het enige geluid in de kamer. De raadsleden wisselende een bezorgde blik uit. “Mijn heer,” begon een ander raadslid, “als u ervoor kiest niet over te geven, moeten we direct het Koninklijk Hof versterken. We moeten alle ingangen, alle wegen, alle poorten beveiligen. We moeten alle soldaten inzetten, en onze verdediging voorbereiden. We moeten ons voorbereiden op een belegering, voedsel rantsoeneren, onze burgers beschermen. Er moet veel gebeuren. Alstublieft, mijn heer. Geef ons een bevel. Vertel ons wat we moeten doen.” Alle ogen waren op Gareth gevestigd. Eindelijk tilde Gareth zijn kin op. “We zullen niet tegen het Rijk vechten,” verkondigde hij. “En we zullen ons ook niet overgeven.” Iedereen in de kamer keek elkaar verward aan. “Wat moeten we dan doen, mijn heer?” vroeg Aberthol. Gareth schraapte zijn keel. “We zullen Gwendolyn doden!” verklaarde hij. “Dat is nu het enige dat telt.” Er viel een geschokte stilte. “Gwendolyn?” riep een raadslid verrast uit. “We zullen al onze troepen achter haar aan sturen om haar af te slachten, alsmede degenen die bij haar zijn, voordat ze Silesia bereiken,” verkondigde Gareth. “Maar mijn heer, hoe kan dat ons helpen?” riep een raadslid uit. “Als we vertrekken om haar aan te vallen, laat dat onze troepen onbeschermd. We zouden binnen de kortste keren door het Rijk worden afgeslacht.” “Het zou ook het Koninklijk Hof open laten voor een aanval!” riep een ander. Als we ons niet overgeven, moeten we het Koninklijk Hof onmiddellijk versterken!” Een groep mannen schreeuwde instemmend. Gareth wendde zich tot het raadslid, zijn ogen koud. “We zullen elke soldaat die we hebben gebruiken om mijn zuster te doden!” sprak hij duister. “We zullen er geen sparen!” Iedereen zweeg toen één van de raadskleden zijn stoel naar achteren schoof, het hout schrapend tegen het steen, en opstond. “Ik zal niet toekijken hoe het Koninklijk Hof wordt geruïneerd wegens uw persoonlijke obsessie. Ik weiger hieraan mee te doen!” “Ik ook niet!” echode de helft van de aanwezigen. Gareth voelde zich overspoeld worden door woede en stond op het punt op te staan toen plotseling de deuren opensloegen en de commandant zich met het resterende leger naar binnen haastte. Hij sleepte een man met zich mee, schurk met vettig haar, ongeschoren, zijn polsen vastgebonden. Hij sleurde de man naar het midden van de kamer en stopte voor de koning. “Mijn heer,” sprak de commandant koel. “Van de zes dieven die zijn geëxecuteerd voor de diefstal van het Zwaard van het Lot, was deze man de zevende, degene die ontsnapt is. Hij vertelt het meest fantastische verhaal. “Spreek!” snauwde de commandant, terwijl hij de schurk door elkaar schudde. De schurk keek nerveus om zich heen. Zijn vettige haar plakte tegen zijn wangen en hij zag er erg onzeker uit. Uiteindelijk riep hij: “We zijn opgedragen het zwaard te stelen!” De kamer brak uit in een verontwaardigd geroezemoes. “We waren met zijn negentienen!” vervolgde de schurk. “Een tiental moest het zwaard meenemen, in de nacht, over de brug van het Ravijn, de wildernis in. Ze verstopten hem in een wagen en hebben hem zo de brug over gekregen. De soldaten die op wacht stonden hadden geen idee wat er in de wagen zat. De anderen, zeven van ons, werd opgedragen achter te blijven na de diefstal. Er werd ons verteld dat we gevangen genomen zouden worden, als show, en vervolgens zouden worden vrijgelaten. Maar in plaats werden al mijn vrienden geëxecuteerd. En dat zou ook met mij gebeurd zijn, als ik niet ontsnapt was.” “En waar namen ze het zwaard mee naartoe?” drong de commandant aan. “Dat weet ik niet. Ergens diep in het Rijk.” “En wie heeft opdracht gegeven tot een dergelijke daad?” “Hij!” zei de schurk, die zich plotseling omdraaide en met een benige vinger naar Gareth wees. “Onze Koning! Hij beval ons het te doen!” Er brak een verafschuwd geroezemoes uit, er klonk geschreeuw, tot eindelijk een raadslid zijn ijzeren staf een paar keer tegen de grond sloeg en schreeuwde om stilte. Met moeite werd het weer stil. Gareth, die trilde van angst en woede, stond langzaam op uit zijn troon, en alle ogen richtten zich om hem. Stap voor stap ging Gareth de ivoren treden af. Zijn voetstappen echoden door de stilte, die te snijden was. Hij schreed door de kamer, tot hij de schurk bereikte. Hij staarde hem koud aan. De man wriemelde in de greep van de commandant, en durfde hem niet in de ogen te kijken. “Er wordt maar op één manier omgegaan met dieven en leugenaars in mijn koninkrijk,” zei Gareth zachtjes. Plotseling haalde Gareth een dolk tevoorschijn en dreef hem door het hart van de schurk. De man schreeuwde het uit van de pijn en zijn ogen puilden uit. Toen zakte hij op de grond in elkaar, dood. “U heeft zojuist een getuige vermoord,” zei de commandant. “Beseft u dan niet dat dit uw schuld alleen maar meer insinueert?” “Welke getuige?” vroeg Gareth glimlachend. “Doden spreken niet.” De commandant liep rood aan. “Vergeet niet dat ik commandant ben van het halve leger van de Koning. Ik wordt niet voor de gek gehouden. Afgaande op uw acties kan ik alleen maar concluderen dat u schuldig bent aan de misdaad waarvan hij u heeft beschuldigd. Ik en mijn leger zullen u niet langer dienen. Sterker nog, ik zal u in hechtenis nemen, voor verraad van de Ring!” De commandant knikte naar zijn mannen. Als één trokken meerdere soldaten hun zwaarden en stapten naar voren om Gareth te arresteren. Heer Kultin kwam naar voren met twee keer zoveel van zijn eigen mannen. Ze trokken allemaal hun zwaarden en gingen achter Gareth staan. Daar stonden ze, tegenover de soldaten van de commandant, Gareth in het midden. Gareth glimlachte triomfantelijk naar de commandant. Zijn mannen waren in de minderheid, en hij wist het. “Ik zal door niemand gearresteerd worden,” sneerde Gareth. “En zeker niet door jou. Neem je mannen mee en verlaat mijn hof—of wees bereid de toorn van mijn persoonlijke strijdmacht te voelen.” Na enkele gespannen seconden draaide de commandant zich om en gebaarde naar zijn mannen. Ze trokken zich terug, en verlieten de kamer. “Vanaf vandaag,” bulderde de commandant, “zal iedereen weten dat we u niet langer dienen! U zult het alleen moeten opnemen tegen het leger van het Rijk. Ik hoop dat ze u goed behandelen. Beter dan hoe u uw vader heeft behandeld!” De soldaten stormden de kamer uit. De tientallen raadsleden, bedienden en edelen die overbleven, fluisterden opgewonden. “Laat me alleen!” schreeuwde Gareth. “ALLEMAAL!” De kamer stroomde leeg, en zelfs Gareths persoonlijke strijdmacht ging weg. Er bleef slechts één persoon achter. Heer Kultin. Hij en Gareth bleven alleen achter in de kamer. Hij liep naar Gareth toe en bekeek hem, aandachtig. Zijn gezicht was, zoals gewoonlijk, uitdrukkingsloos. Het was het ware gezicht van een moordenaar. “Het kan me niet schelen wat u heeft gedaan of waarom,” begon hij, zijn stem ernstig en donker. “Ik geef niets om politiek. Ik ben een vechter. Ik geef alleen om het geld dat u mij en mijn mannen betaalt.” Hij pauzeerde. “Maar ik zou toch graag willen weten, voor mijn persoonlijke bevrediging: heeft u echt die mannen bevolen het zwaard te stelen?” Gareth staarde de man aan. Er was iets in zijn ogen dat hij in zichzelf herkende: ze waren kil, meedogenloos, opportunistisch. “En wat als dat zo was?” vroeg Gareth. Heer Kultin staarde hem een lange tijd aan. “Maar waarom?” vroeg hij. Gareth zweeg. Kultins ogen sperden zich open. “U kon het zwaard niet optillen, dus nu mag niemand het optillen?” vroeg Kultin. “Is dat het?” Hij overwoog de gevolgen. “En toch,” voegde Kultin toe, “u wist toch zeker wel dat door het weg te laten halen het Schild zou worden uitgeschakeld, waardoor we kwetsbaar zouden zijn voor een aanval.” Kultin leek het ineens te begrijpen. “U wilde dat we aangevallen zouden worden, nietwaar? Iets in u wil dat het Koninklijk Hof vernietigd wordt,” zei hij. Gareth glimlachte. “Niet alle plaatsen,” zei Gareth langzaam, “zijn voorbestemd om eeuwig te bestaan.” HOOFDSTUK VIJF Gwendolyn marcheerde met de enorme entourage van soldaten, adviseurs, bedienden, raadsleden, Zilveren, Krijgsmacht leden, en de helft van de inwoners van het koninklijk Hof, terwijl ze als een enorme, lopende stad het Koninklijk Hof verlieten. Gwen werd overspoeld door emoties. Aan de ene kant was ze dolblij dat ze eindelijk bevrijdt was van haar broer Gareth, dat ze buiten zijn bereik was, omgeven door trouwe krijgers die haar konden beschermen, zonder dat ze bang hoefde te zijn voor zijn verraad, of dat hij haar aan iemand zou uithuwelijken. Eindelijk hoefde ze niet meer steeds over haar schouder te kijken, uit angst voor één van zijn huurlingen. Gwen voelde zich ook geïnspireerd en vereerd dat ze haar hadden gekozen om te regeren, om dit enorme contingent van mensen te leiden. De entourage volgde haar alsof ze een soort profeet was, over de eindeloos lange weg naar Silesia. Ze zagen haar als hun leider—ze zag het in hun blikken—en ze keken verwachtingsvol naar haar. Ze voelde zich schuldig, omdat ze wilde dat één van haar broers de eer had gekregen—iedereen behalve zij. Maar ze zag hoeveel hoop het de mensen gaf om een eerlijke en rechtvaardige leider te hebben, en dat maakte haar gelukkig. Als zij die rol voor hen kon vervullen, zeker in deze donkere tijden, dan zou ze dat doen. Gwen dacht aan Thor, aan hun verdrietige afscheid bij het Ravijn, en het brak haar hart; ze had hem zien verdwijnen, de brug van het Ravijn over, de mist in, beginnend aan een reis die vrijwel zeker tot zijn dood zou leiden. Het was een heldhaftige en nobele zoektocht—één die ze hem niet kon afnemen—één waarvan ze wist dat hij ondernomen moest worden voor de bestwil van het koninkrijk, voor de bestwil van de Ring. Maar ze bleef zichzelf afvragen waarom hij het moest zijn. Ze wilde dat het iemand anders was geweest. Nu, meer dan ooit, wilde ze hem aan haar zijde. In deze tijden van onrust, van grote veranderingen, nu ze er alleen voor stond om te regeren, zijn kind te dragen, wilde ze hem hier hebben. Meer dan wat dan ook vreesde ze voor hem. Ze kon zich haar leven zonder hem niet voorstellen; de gedachte alleen al deed de tranen in haar ogen springen. Maar Gwen haalde diep adem en ze hield zich sterk, wetend dat alle ogen op haar gevestigd waren terwijl ze hun weg vervolgden over de stoffige weg die naar het Noorden leidde, naar Silesia. Gwen was ook nog steeds in shock, verscheurd vanwege haar thuisland. Ze kon nauwelijks bevatten dat het eeuwenoude Schild was uitgeschakeld, dat het Ravijn was doorbroken. Er circuleerden geruchten van spionnen dat Andronicus al was aangemeerd op McClouds kusten. Ze wist niet wat ze moest geloven. Ze kon nauwelijks geloven dat het allemaal zo snel was gebeurd—Andronicus zou zijn vloot nog de oceaan over moeten brengen. Tenzij, op de één of andere manier, McCloud achter de diefstal van het zwaard zat, en hij er zelf voor had gezorgd dat het Schild uitgeschakeld werd. Maar hoe? Hoe was hij erin geslaagd het te stelen? Waar nam hij het mee naartoe? Gwen kon voelen hoe terneergeslagen iedereen om haar heen was, en ze kon het hen niet kwalijk nemen. Er hing een gevoel van moedeloosheid, en daar hadden ze alle reden toe; zonder het Schild waren ze weerloos. Het was slechts een kwestie van tijd—als het niet vandaag was, dan was het wel morgen of de dag erna—voor Andronicus zou aanvallen. En als hij dat deed, zouden ze zijn mannen met geen mogelijkheid tegen kunnen houden. Spoedig zou deze plek, alles waar ze van hield, overvallen worden. Iedereen waar ze van hield zou gedood worden. Het voelde alsof ze hun dood tegemoet liepen. Andronicus was er nog niet, maar het voelde alsof ze al gevangen genomen waren. Ze herinnerde ze zich iets dat haar vader ooit had gezegd: verover het hart van een leger en de strijd is al gewonnen. Gwen wist dat het aan haar was om hen allemaal te inspireren, om hen een gevoel van veiligheid te geven—en op de één of andere manier, optimisme. Ze was vastberaden. Ze kon het zich in deze tijd niet veroorloven zich te laten meeslepen door haar persoonlijke angsten of pessimisme. En ze weigerde zichzelf toe te staan in zelfmedelijden te zwelgen. Dit ging niet alleen om haar. Het ging om deze mensen, hun levens, hun families. Ze hadden haar nodig. Ze waren op haar aangewezen. Gwen dacht aan haar vader en vroeg zich af wat hij zou doen. Ze glimlachte bij de gedachte aan hem. Hij zou moedig zijn geweest, ongeacht wat er gebeurde. Hij had haar altijd vertelt om haar angst te verbergen, en nu ze nadacht over zijn leven, besefte ze dat hij nooit bang had geleken. Nooit. Misschien was het slechts show; maar het was een goede show. Als leider had hij geweten dat alle ogen continu op hem gericht waren, en hij had geweten dat het de show was die mensen nodig hadden, misschien zelfs wel meer dan het leiderschap zelf. Hij was te onzelfzuchtig geweest om aan zijn angsten toe te geven. Ze zou van zijn voorbeeld leren. Zij zou er ook niet aan toegeven. Gwen keek om zich heen en zag Godfrey naast zich lopen, met Illepra, de genezeres; ze waren diep in gesprek, en ze merkte op dat ze steeds meer naar elkaar toe waren getrokken sinds Illepra zijn leven had gered. Gwen wilde dat haar andere broers er ook bij waren. Maar Reece was weg met Thor, Gareth was natuurlijk allang verloren, en Kendrick was nog steeds op zijn post, ergens in het oosten, om te helpen bij de wederopbouw van een stad. Ze had een boodschapper naar hem toe gestuurd—dat was het eerste dat ze had gedaan—en ze bad dat hij hem op tijd zou bereiken om hem op te halen, om hem naar Silesia te brengen zodat hij kon helpen hen te verdedigen. In ieder geval konden dan twee van haar broers—Kendrick en Godfrey—met haar toevlucht zoeken in Silesia; maar dan was er natuurlijk nog haar oudere zuster, Luanda. Voor het eerst in een lange tijd dwaalden Gwens gedachten af naar Luanda. Er was altijd een bittere rivaliteit geweest tussen haar en haar oudere zuster; het had Gwen niet verbaasd dat Luanda haar kans had gegrepen om het Koninklijk Hof te ontvluchten en met die McCloud te trouwen. Luanda was altijd al ambitieus geweest en wilde altijd de eerste zijn. Gwendolyn had van haar gehouden, en ze had naar haar opgekeken toen ze jonger was; maar voor Luanda, altijd competitief als ze was, was die liefde niet wederzijds geweest. En na een tijdje had Gwen het opgegeven. Maar nu had Gwen medelijden met haar; ze vroeg zich af wat er van haar terecht zou komen, nu de McClouds overvallen waren door Andronicus. Zou ze gedood worden? Gwen huiverde bij de gedachte. Ze waren rivalen, maar uiteindelijk waren ze nog steeds zusters, en ze wenste haar de dood niet toe. Gwen dacht aan haar moeder, de enige andere in haar familie die was achtergebleven in het Koninklijk Hof, met Gareth. De gedachte gaf haar de rillingen. Ondanks alle woede die ze nog steeds voor haar moeder voelde, wilde Gwen niet dat ze zo zou eindigen. Wat zou er gebeuren als het Koninklijk Hof werd overvallen? Zou haar moeder afgeslacht worden? Het voelde alsof haar voorzichtig opgebouwde leven om haar heen uiteen viel. Het leek nog maar gisteren dat het vol zomer was. Luanda’s trouwfeest, een glorieus feestmaal, het Koninklijk Hof overspoeld met overvloed, zij en haar familie samen—en de Ring ondoordringbaar. Het had geleken alsof het altijd zo zou blijven. Nu was alles versplinterd. Niets was hoe het was geweest. Er stak een koud herfstbriesje op, en Gwen trok haar blauwe wollen sweater om haar schouders heen. De herfst was kort geweest dit jaar; de winter had zich al aangekondigd. Ze kon het voelen aan de ijzige briesjes die steeds vochtiger werden terwijl ze verder naar het Noorden gingen. De hemel werd sneller donker en de lucht was gevuld met een nieuw geluid—de kreten van de Wintervogels, de rood met zwarte aasgieren die laag boven de grond cirkelden wanneer het kouder werd. Ze krasten onophoudelijk, en het geluid gaf Gwen de rillingen. Het was alsof ze de komst van de dood aankondigden. Sinds ze afscheid had genomen van Thor waren ze langs het Ravijn gelopen, richting het Noorden. Deze weg zou hen naar de meest westelijke stad in het westelijke deel van de Ring brengen—Silesia. Terwijl ze liepen, rolde de griezelige mist van het Ravijn in golven over de weg, cirkelend om Gwens enkels. “Het is nu niet ver meer, mijn vrouwe,” klonk een stem. Gwen keek om en zag Srog naast zich lopen, gekleed in de onderscheidende rode wapenrusting van Silesia, geflankeerd door enkele van zijn krijgers, allemaal gekleed in hun rode maliënkolders en laarzen. Gwen was geraakt door Srogs vriendelijkheid, door zijn loyaliteit aan de herinnering van haar vader, door zijn aanbod van Silesia als toevluchtsoord. Ze wist niet wat zij en al deze mensen anders hadden moeten doen. Als hij er niet was geweest zouden ze nog steeds vastzitten in het Koninklijk Hof, onderworpen aan de genade van Gareths verraad. Srog was één van de meest eervolle heren die ze ooit had ontmoet. Met de duizenden soldaten die hij tot zijn beschikking had, met zijn controle over het beroemde bolwerk van het Westen, had Srog aan niemand verantwoording hoeven afleggen. Maar hij was trouw geweest aan haar vader. Het was altijd een delicate machtsbalans geweest. Gedurende het heerschap van haar vaders vader, had Silesia het Koninklijk Hof nodig gehad; tijdens haar vaders heerschap veel minder; en in haar tijd helemaal niet meer. Sterker nog, nu het Schild was uitgeschakeld en er chaos heerste in het Koninklijk Hof, waren zij degenen die Silesia nodig hadden. De Zilveren en de Krijgsmacht hadden natuurlijk de beste krijgers die er waren—net als de duizenden troepen die Gwen vergezelden, de helft van het leger van de Koning. En Srog had, net zoals de meeste andere heren gedaan zouden hebben, simpelweg zijn poorten neer kunnen halen en zich om zichzelf kunnen bekommeren. Maar in plaats daarvan had hij Gwen opgezocht, zijn trouw aan haar gezworen, en hij had erop gestaan dat ze zijn gasten zouden zijn. Het was een vriendelijkheid waarvoor Gwen vastberaden was hem op de een of andere manier, op een dag, te bedanken. Als ze het zouden overleven. “U hoeft zich geen zorgen te maken,” antwoordde ze zachtjes, terwijl ze een hand op zijn pols legde. “We zouden tot het einde van de aarde lopen om uw stad te betreden. We hebben het erg getroffen met uw vriendelijkheid in deze moeilijke tijd.” Srog glimlachte. Hij was een krijger van middelbare leeftijd met teveel littekens van de strijd, roodbruin haar, een sterke kaaklijn en geen baard. Srog was een mannelijke man, niet slechts een Heer, maar een ware krijger. “Ik zou door het vuur gaan voor uw vader,” antwoorde hij. “U hoeft me niet te bedanken. Het is een eer om zijn schuld aan hem te vereffenen door zijn dochter een dienst te bewijzen. Het was tenslotte zijn wens dat u zou regeren. Dus wanneer ik aan u verantwoording afleg, is dat ook aan hem.” Ook Kolk en Brom marcheerden vlak bij Gwen, met achter hen het eeuwige gerinkel van duizenden sporen, van kletterende zwaarden, van schilden tegen wapenrustingen. Het was een enorme kakofonie van lawaai die zich steeds verder naar het Noorden bewoog. “Mijn vrouwe,” zei Kolk, “ik ben overspoeld door schuld. We hadden Thor, Reece en de anderen niet alleen naar het Rijk moeten laten afreizen. Er hadden meer van ons mee met hen moeten gaan. Het is mijn schuld als hen iets overkomt.” “Het was de zoektocht die zij gekozen hebben,” antwoordde Gwen. “Het is een zoektocht van eer. Wie voorbestemd was om te gaan, is gegaan. Schuld doet niemand goed.” “En wat gebeurd er wanneer ze niet tijdig terugkeren met het Zwaard?” vroeg Srog. “Het zal niet lang meer duren voor Andronicus’ leger voor onze poorten staat.” “Dan zullen we ons verzetten,” zei Gwen zelfverzekerd, terwijl ze zoveel mogelijk moed in haar stem legde, hopend de anderen gerust te stellen. Ze zag dat de andere generaals zich omdraaiden en naar haar keken. “We zullen onszelf verdedigen tot de laatste slag,” voegde ze toe. “We zullen ons niet terugtrekken, we zullen ons niet overgeven.” Ze voelde dat de generaals onder de indruk waren. Ze was zelf ook verrast door haar eigen stem, de kracht die ze in zich voelde opwellen. Het was de kracht van haar vader, de kracht van zeven generaties MacGil koningen. Terwijl ze verder liepen, boog de weg scherp naar links, en toen Gwen de bocht omging stopte ze abrupt, ademloos bij het uitzicht. Silesia. Gwen herinnerde zich dat haar vader haar hier mee naar toe had genomen toen ze nog jong was. Het was een plek die sindsdien altijd in haar dromen haar dromen was blijven hangen, een plek die destijds magisch had aangevoeld. Nu ze het weer zag, als volwassen vrouw, benam het haar nog steeds de adem. Silesia was de meest ongewone stad die Gwen ooit had gezien. Alle gebouwen, alle vestingwerken, al het steen—alles was gebouwd in een eeuwenoud, glanzend rood. De bovenste helft van Silesia, hoog, verticaal, afgeladen met borstweringen en torens, was gebouwd op het vaste land, terwijl de onderste helft in de zijkant van het Ravijn was gebouwd. De wervelende mist van het Ravijn omhulde de stad en deed het rood sprankelen in het zonlicht—het leek alsof de stad in de wolken was gebouwd. De vestingwerken waren zeker dertig meter hoog, bekroond met borstweringen en gevolgd door eindeloze muren. Het was een fort. Zelfs als een leger er op de één of andere manier in zou slagen door de muren te breken, zou het nog steeds moeten afdalen naar het laagst gelegen gedeelte van de stad, over de kliffen, en ze zouden moeten vechten op de rand van het Ravijn. Geen leger zou zoiets willen riskeren. En dat was dan ook de reden dat deze stad al duizend jaar stond. Haar mannen stopten en staarden met open mond naar de stad, en Gwen kon voelen dat ook zij met stomheid geslagen waren. Voor het eerst in een lange tijd voelde Gwen optimisme. Dit was een plek waar ze konden blijven, buiten het bereik van Gareth, een plek die ze konden verdedigen. Een plek waar zij kon regeren. En misschien—heel misschien—kon het MacGil koninkrijk weer oprijzen. Srog stond daar, zijn handen op zijn heupen, en nam het in zich op alsof hij zijn eigen stad voor het eerst zag, zijn ogen glanzend van trots. “Welkom in Silesia.” HOOFDSTUK ZES Thor opende zijn ogen en zag de zachte golven van de oceaan, stijgend en vallend, bedekt door het zachte licht van de eerste zon. Het lichtgele water van de Tartuvische zee glinsterde in de ochtendmist. De boot dobberde stilletjes in het water, het enige geluid was dat van de klotsende golven tegen de scheepsromp. Thor ging rechtop zitten en keek om zich heen. Zijn ogen waren zwaar van vermoeidheid—sterker nog, hij had zich nog nooit zo moe gevoeld. Ze hadden dagenlang gezeild, en alles voelde anders aan deze kant van de wereld. De lucht was zo vochtig en de temperatuur zoveel hoger, het was alsof je in een constante stroom van water ademde. Het zorgde dat hij zich sloom voelde, en zijn ledematen voelden zwaar. Het voelde alsof het Zomer was. Thor zag dat zijn vrienden, die doorgaans voor zonsopgang wakker waren, nog allemaal op het dek lagen te slapen. Zelfs Krohn, die altijd wakker leek te zijn, lag naast hem te slapen. Het tropische weer eiste zijn tol op hen allemaal. Geen van hen nam nog de moeite om het stuur te bemannen—dat hadden ze dagen geleden al op gegeven. Het had geen zin: hun zeilen waren constant gehesen en gevuld met een sterke westelijk wind, en het magische tij van de oceaan trok hun schip consistent in dezelfde richting. Het was alsof ze naar één locatie werden getrokken, en ze hadden meerdere keren getracht om te sturen en van koers te veranderen—maar het was nutteloos. Ze hadden besloten om de Tartuvische zee hen mee te laten voeren. Het was toch niet alsof ze wisten waar in het Rijk ze heen moesten, mijmerde Thor. Zolang het tij hen naar het vaste land bracht, dacht hij, dan was dat goed genoeg. Krohn werd piepend wakker, en likte Thors gezicht. Thor reikte in zijn zak, die bijna leeg was, en gaf Krohn de laatste van zijn gedroogde vleesstokken. Tot Thors verassing griste Krohn het niet uit zijn hand zoals hij gewoonlijk deed; in plaats daarvan keek Krohn van het vlees naar de lege zak, en toen naar Thor. Hij aarzelde om het voedsel aan te nemen, en Thor besefte dat Krohn niet het laatste stuk van hem wilde afnemen. Thor was geraakt door het gebaar, maar hij stond erop en duwde het vlees in de bek van zijn vriend. Thor wist dat ze spoedig geen eten meer zouden hebben, en bad dat ze het vaste land zouden bereiken. Hij had geen idee hoeveel langer de reis nog zou duren; wat als het maanden duurde? Wat moesten ze dan eten? De zon kwam hier snel op en werd al snel te fel en te sterk. Toen Thor ging staan zag hij dat de mist boven het water al begon op te trekken, en hij liep naar de boeg. Thor keek uit over de zee, het dek zachtjes wiegend onder hem, en keek toe hoe de mist optrok. Hij knipperde en vroeg zich af of hij zich dingen inbeeldde, terwijl de omtrek van een land aan de horizon verscheen. Zijn pols versnelde. Het was land. Echt land! Het land verscheen in een zeer ongewone vorm: twee lange, smalle schiereilanden staken uit de zee, als de uiteinden van een hooivork, en terwijl de mist optrok keek Thor om zich heen en zag hij tot zijn verbazing twee landstroken aan weerszijden, elk ongeveer vijftig meter van hem verwijderd. Ze werden echt een lange inham in gezogen. Thor floot, en zijn Krijgsmacht broeders werden wakker. Ze krabbelden overeind en haastten zich naar hem toe. Daar stonden ze, ademloos bij het uitzicht: dit waren de meest exotische kusten die hij ooit had gezien, dicht bebost met jungle en torenhoge bomen aan de kustlijn, zo dik dat het vrijwel onmogelijk was om er doorheen te kijken. Thor spotte enorme varens, tien meter hoog, leunend over het water; gele en paarse bomen die tot in de hemel leken te reiken; en overal de vreemde en aanhoudende geluiden van dieren, vogels, insecten, en andere wezens, grommend en krijsend en zingend. Thor slikte hard. Het voelde alsof ze een ondoordringbaar dierenrijk binnen voeren. Alles voelde anders hier; de lucht rook anders, vreemd. Niets hier deed hem ook maar enigszins aan de Ring herinneren. De andere leden van de Krijgsmacht keken elkaar aan, en Thor kon de aarzeling in hun ogen zien. Ze vroegen zich allemaal af wat voor wezens er in die jungle op de loer lagen. Het was niet zo dat ze een keus hadden. De stroming bracht hen één kant op, en dit was overduidelijk waar ze moesten aanmeren om het Rijk te betreden. “Hierheen!” riep O’Connor. Ze renden naar O’Connors kant van de reling, terwijl hij voorover leunde en naar het water wees. Daar, naast het schip, zwom een gigantisch insect. Het was lichtgevend paars, drie meter lang, met honderden poten. Het gloeide onder de oppervlakte van het water, en zijn duizenden kleine vleugels begonnen te zoemen, waarna het tot het boven de oppervlakte opsteeg. Toen gleed het weer over het water, om vervolgens onder de duiken, waarna het weer boven kwam. Terwijl ze toekeken steeg het plotseling hoger op, op ooghoogte van de jongens, zwevend, en staarde hen aan met zijn vier grote groene ogen. Het siste, en ze deinsden onvrijwillig achteruit, grijpend naar hun zwaarden. Elden deed een stap naar voren en haalde uit. Maar tegen de tijd dat zijn zwaard de lucht in ging, bevond het insect zich alweer in het water. Thor en de anderen gleden ineens over het dek toen de boot plotseling met een klap tegen de kust aankwam. Thors hart begon sneller te slaan terwijl hij over de rand keek: onder hen lag een smal strand met duizenden fel paarse scherpe steentjes. Land. Ze hadden het gehaald. Elden ging voorop naar het anker, en ze tilden het met zijn alleen op en gooiden het over de rand. Eén voor één klommen ze over de ketting naar beneden, sprongen eraf. Vaste grond onder hun voeten. Thor gaf Krohn aan Elden over. Thor slaakte een zucht van opluchting toen zijn voeten de grond raakten. Het voelde zo goed om land—droog, vast land—onder zijn voeten te hebben. Het zou hem niets uitmaken als hij nooit meer een boot op zou hoeven. Ze grepen de touwen en sleepten de boot zo ver als ze konden het strand op. “Denk je dat het tij de boot zal meevoeren?” vroeg Reece, terwijl hij opkeek naar de boot. Thor keek ernaar; het leek behoorlijk stevig in het zand te liggen. “Niet met dat anker,” zei Elden. “Het tij zal het niet meenemen,” zei O’Connor. “De vraag is of iemand anders dat zal doen.” Thor wierp een laatste blik op de boot, en besefte dat zijn vriend gelijk had. Zelfs al zouden ze het zwaard vinden, dan was de kans groot dat ze naar een lege kust zouden terugkeren. “En hoe moeten we dan terugkeren?” vroeg Conval. Thor kon het niet helpen, maar het voelde alsof ze bij elke stap die ze zetten hun bruggen verbrandden. “We zullen een manier vinden,” zei Thor. “Tenslotte moeten er andere schepen in het Rijk zijn, nietwaar?” Thor trachtte om autoritair te klinken, om zijn vrienden gerust te stellen. Maar diep van binnen was hij niet zo zeker van zichzelf. Deze hele reis voelde steeds onheilspellender. Ze draaiden zich om en staarden naar de jungle. Het was als een muur van gebladerte, met niets dan duisternis erachter. De dierengeluiden resen in een kakofonie om hen op, zo luid dat Thor zichzelf nauwelijks kon horen nadenken. Het voelde alsof elk beest in het Rijk het uitschreeuwde om hen te begroeten. Of te waarschuwen. * Thor en de anderen wandelden zij-aan-zij, allemaal op hun hoede, door de dikke, tropische jungle. Thor kon zichzelf nauwelijks horen denken, zo doordringend was het gekrijs van de insecten en dieren om hen heen. Toch kon hij ze, wanneer hij in de duisternis van het gebladerte tuurde, niet onderscheiden. Krohn volgde hem op zijn hielen, snauwend, de haren op zijn rug recht overeind. Thor had hem nog nooit zo alert gezien. Hij wierp een blik op zijn strijdbroeders en zag dat zij, net als hij, hun handen op de handvaten van zijn zwaard lieten rusten. Ook zij waren gespannen. Ze hadden al uren gelopen, dieper en dieper de jungle in. De lucht werd steeds heter, dikker en vochtiger, en ademhalen werd steeds zwaarder. De hadden iets gevolgd van wat vroeger een spoor leek te zijn geweest, een paar gebroken takken die wezen op een pad dat een groep mannen die hier was gearriveerd hadden genomen. Thor hoopte maar dat het het spoor was van de mannen die het zwaard hadden gestolen. Thor keek op en verwonderde zich over de natuur: alles hier was van epische proporties, elk boomblad net zo groot als hijzelf. Hij voelde zich als een insect in een land van reuzen. Hij zag iets ritselen tussen de bladeren maar hij kon het niet ontwaren. Hij had het onheilspellende gevoel dat ze bekeken werden. Het spoor voor hen eindigde abrupt in een solide muur van gebladerte. Ze hielden halt en keken elkaar verward aan. “Maar het spoor kan toch niet zomaar verdwijnen!” zei O’Connor hopeloos. “Dat is het niet,” zei Reece, die de bladeren inspecteerde. “De jungle is gewoon terug gegroeid.” “Dus welke kanten moeten we nu op?” vroeg Conval. Thor keek om zich en vroeg zich hetzelfde af. Er was meer dichte begroeiing in elke richting, en er leek geen weg uit te zijn. De moed begon Thor in de schoenen te zakken, en hij voelde zich hopeloos verdwaald. Toen kreeg hij een idee. “Krohn,” zei hij, terwijl hij knielde en in Krohns oor fluisterde. “Klim in de boom. Kijk voor ons. Vertel ons welke kant we op moeten.” Krohn keek naar hem op met zijn grote ogen, en Thor voelde dat hij het begreep. Krohn sprintte naar een enorme boom, de stam zo breed als tien mannen, en zette zonder te aarzelen zijn klauwen in het schors en klom omhoog. Krohn sprintte recht naar boven en sprong toen een van de bovenste takken op. Hij liep naar het uiteinde en keek uit, zijn oren rechtop. Thor had altijd al gevoeld dat Krohn hem begreep, en nu wist hij het zeker. Krohn maakte een vreemd spinnend geluid achterin zijn keel, klom de boom weer uit en ging ervandoor. De jongens wisselden een nieuwsgierige uit en volgden Krohn de jungle in terwijl ze de dikke bladeren wegduwden om erdoor heen te komen. Na een paar minuten pikte Thor het spoor weer op. Ze zagen de verraderlijke tekens van gebroken takken en gebladerte, die lieten zien welke kant de groep op was gegaan. Thor bukte om Krohn te aaien en kuste hem op zijn hoofd. “Ik weet niet wat we zonder hem gedaan zouden hebben,” zei Reece. “Ik ook niet,” antwoordde Thor. Krohn spinde, tevreden, trots. Terwijl ze dieper de jungle in liepen, arriveerden ze in een ander gebied, met enorme bloemen erom heen, net zo groot als Thor zelf, barstend van kleur. Andere bomen hadden vruchten zo groot als rotsen die aan de takken hingen. Ze stopten terwijl Conval naar één van de vruchten toeliep, gloeiend rood, en zijn hand uitstrekte om hem aan te raken. Plotseling klonk er een diep grommend geluid. Conval deinsde achteruit en greep naar zijn zwaard, terwijl de anderen elkaar angstig aankeken. “Wat was dat?” vroeg Conval. “Het kwam daar vandaan,” zei Reece, terwijl hij naar een ander deel van de jungle wees. Ze draaiden zich om en keken. Maar Thor zag niets dan bladeren. Krohn begon te grommen. Het geluid werd luider, doordringender, en de bladeren begonnen te ritselen. Thor en de andere name en stap terug, trokken hun zwaarden en wachtten. Ze verwachtten het ergste. Wat de jungle uitstapte overtrof zelfs Thors ergste verwachtingen. Voor hen stond een enorm insect, een soort sprinkhaan, vijf keer zo groot als Thor, met twee achterpoten, twee kleinere voorpoten die in de lucht bungelden, met lange klauwen. Zijn lichaam was fluorescerend groen, bedekt met schubben, en het had kleine trillende vleugels. Hij had twee ogen boven op zijn hoofd, en een derde oog op de top van zijn neus. Er verschenen meer klauwen—verstopt onder zijn keel. Hij torende boven hen uit, en er verscheen een andere klauw uit zijn maag, een lange, dunne arm; en plotseling, sneller dan ze konden reageren, greep de klauw O’Connor, en vouwde de drie klauwen om zijn middel heen. Het tilde hem hoog in de lucht, alsof hij een blaadje was. O’Connor zwaaide met zijn zwaard maar hij was bij lange na niet snel genoeg. Het beest schudde hem door elkaar en opende plotseling zijn mond. Het ontblootte rijen met scherpe tanden, en begon O’Connor naar zijn mond te brengen. O’Connor gilde terwijl hij een pijnlijke dood tegemoet ging. Thor reageerde. Zonder na te denken legde hij een steen in zijn slinger, mikte en wierp hem naar het derde oog van het beest, op de punt van zijn neus. Het was een voltreffer. Het beest gilde, een afschuwelijk geluid, luid genoeg om een boom door tweeën te splijten, en liet O’Connor vallen, die met een doffe bons op de zachte grond terecht kwam. Het beest was woedend en richtte zich tot Thor. Thor wist dat het nutteloos zou zijn om het tegen dit beest op te nemen. Ten minste één van zijn broeders zou gedood worden, en Krohn waarschijnlijk ook, en het zou hen alle kostbare energie kosten die ze nog hadden. Hij had het vermoeden dat ze zijn territorium waren binnen gedrongen, en dat als ze hier maar snel genoeg weg konden komen, het hen misschien zou laten gaan. “RENNEN!” schreeuwde Thor. Ze draaiden zich om en rennen—en het beest kwam hen achterna. Thor hoorde het geluid van zijn nagels die zich door het dichte gebladerte boorden, door de lucht gingen en zijn hoofd maar net misten. Versnipperde blaadjes dwarrelden door de lucht. Ze renden als één, en Thor dacht dat als ze maar ver genoeg konden komen ze waarschijnlijk wel ergens een schuilplaats zouden kunnen vinden. Zo niet, dan zouden ze moeten vechten. Maar Reece struikelde plotseling over een tak. Hij landde met zijn gezicht in het gebladerte, en Thor wist dat hij niet snel genoeg op zou kunnen staan. Thor stopte naast hen, trok zijn zwaard, en ging tussen hem en het beest staan. “BLIJF RENNEN!” riep Thor over zijn schouder naar de anderen. Hij was klaar om Reece te verdedigen. Het beest dook krijsend op hem af en haalde met zijn klauw uit naar Thors gezicht. Thor dook en haalde tegelijkertijd uit met zijn zwaard. Het beest liet een afschuwelijk gekrijs uit terwijl Thor één van zijn klauwen afhakte. Thor werd bedekt met een groene vloeistof, en keek vol afgrijzen op om te zien hoe de klauw net zo snel terug groeide als dat hij hem verloren had. Het was alsof Thor hem nooit verwond had. Thor slikte. Dit beest was onmogelijk te doden. En nu had hij het boos gemaakt. Het beest haalde met een andere arm uit en raakte Thor hard in zijn ribben. Hij vloog door de lucht en landde tussen een paar bomen. Het beest bracht een andere klauw naar beneden, en Thor wist dat hij in de problemen zat. Elden, O’Connor en de tweeling raceten naar voren, en terwijl het beest zijn klauw op Thor af bracht, vuurde O’Connor een pijl af. De pijl boorde zich dwars door zijn mond in de achterkant van zijn keel en hij gilde. Elden nam zijn dubbele bijl en bracht hem neer in zijn rug, terwijl Conven en Conval elk een speer wierpen. Reece krabbelde weer overeind en boorde zijn zwaard in de buik van het beest. Thor sprong op, haalde uit en hakte één van de andere armen van het beest af. Krohn sprong door de lucht en boorde zijn tanden in de nek van het beest. Het beest krijste en krijste terwijl ze meer schade aanrichtte dan Thor dacht dat mogelijk was. Tot zijn grote verbazing stond het nog steeds overeind, met klapperende vleugels. Dit beest wilde gewoon niet sterven. Ze keken vol afgrijzen toe hoe het beest ineens alle speren, zwaarden en bijlen uit zijn lijf trok—en zijn verwondingen genazen voor hun ogen. Dit beest was onverslaanbaar. Het beest gooide zijn hoofd achterover en brulde, en Thors broeders keken geschokt omhoog. Ze hadden alles gegeven, en ze hadden nog geen deukje veroorzaakt. Het beest zette zich weer schrap om hen aan te vallen met zijn vlijmscherpe tanden en klauwen, en Thor besefte dat er niets was dat ze konden doen. Ze zouden allemaal gedood worden. “UIT DE WEG!” klonk ineens een schreeuw. De stem kwam van achter Thor, en klonk jong. Thor draaide zich om en zag een jongen, elf jaar oud misschien, iets dragen wat leek op een kruik met water. Thor dook en de jongen gooide het water over het gezicht van het beest heen. Het beest gooide zijn hoofd achterover en krijste. Stoom rees van zijn gezicht. Hij klauwde naar zijn wangen en ogen. Het krijste en krijste, het geluid zo hard dat Thor zijn oren moest bedekken. Eindelijk draaide het beest zich om en het verdween in de jungle. Ze draaiden zich om en bekeken de jongen vol bewondering en waardering. De jongen was gekleed in vodden. Hij had lang bruin haar en felgroene, intelligente ogen. Hij was bedekt met vuil en zag er, afgaande op zijn blote voeten en vieze handen, uit alsof hij hier leefde. Thor was nog nooit zo dankbaar geweest. “Wapens doen een Gathorbeest niets,” zei de jongen terwijl hij met zijn ogen rolde. “Gelukkig voor jullie hoorde ik het geschreeuw en was ik in de buurt. Zo niet, dan waren jullie nu dood geweest. Weten jullie dan niet dat je nooit een Gathorbeest moet confronteren?” Thor wierp een blik op zijn vrienden, die niet wisten wat ze moesten zeggen. “We hebben hem niet geconfronteerd,” zei Elden. “Hij heeft ons geconfronteerd.” “Ze gaan nooit de confrontatie aan,” zei de jongen, “tenzij je hun territorium betreedt.” “Wat hadden we moeten doen?” vroeg Reece. “Nou, ten eerste mag je hem nooit in de ogen kijken,” zei de jongen. “En als hij aanvalt, ga je met je gezicht naar beneden op de grond liggen tot hij je met rust laat. En bovendien moet je nooit proberen om te vluchten.” Thor deed een stap naar voren en legde een hand op de schouder van de jongen. “Je hebt onze levens gered,” zei hij. “We zijn je veel verschuldigd.” De jongen haalde zijn schouders op. “Jullie zien er niet uit als troepen van het Rijk,” zei hij. “Jullie zien eruit alsof jullie ergens anders vandaan komen. Dus waarom zou ik jullie niet helpen? Jullie lijken de markeringen te hebben van die groep die een aantal dagen geleden aankwam.” Thor en de anderen wisselden een blik uit. “Weet je waar die groep heen ging?” vroeg Thor. De jongen haalde zijn schouders op. “Het was een grote groep, en ze droegen een wapen. Het leek zwaar: ze moesten het met zijn alleen dragen. Ik heb ze dagenlang gevolgd. Het was makkelijk. Ze bewogen langzaam. Ze waren ook slordig en onvoorzichtig. Ik weet waar ze heen gingen, hoewel ik ze niet verder ben gevolgd. Ik kan jullie erheen brengen en jullie in de goede richting wijzen, als je wil. Maar niet vandaag.” De anderen wisselende een verwarde blik uit. “Waarom niet?” vroeg Thor. “Over een paar uur is het donker. Je kunt niet buiten zijn na zonsondergang.” “Hoezo dat?” vroeg Reece. De jongen keek hem aan alsof hij gestoord was. “De Ethabugs,” zei hij. Thor deed een stap naar voren en bekeek de jongen. Hij mocht hem meteen. Hij was intelligent, serieus, onbevreesd, en hij had een groot hart. “Weet je een plek waar we kunnen schuilen vannacht?” De jongen keek Thor aan en haalde onzeker zijn schouders op. Hij stond daar, aarzelend “Ik weet het niet,” zei hij. “Opa zal boos worden.” Plotseling verscheen Krohn van achter Thor, en hij liep naar de jongen toe—wiens ogen oplichtten van verrukking. “Wow!” riep de jongen uit. Krohn likte het gezicht van de jongen, en de jongen giechelde en aaide Krohns hoofd. Toen knielde de jongen, liet zijn speer zakken, en knuffelde Krohn. Krohn leek hem terug te knuffelen, en de jongen lachte hysterisch. “Wat is zijn naam?” vroeg de jongen. “Wat is hij?” “Zijn naam is Krohn,” zei Thor glimlachend. “Hij is een zeldzaam wit luipaard. Hij komt van de andere kant van de oceaan. Uit de Ring. Waar wij vandaan komen. Hij mag je.” De jongen kuste Krohn een aantal keer, en stond toen op. Hij keek Thor aan. “Nou,” zei de jongen aarzelend. “Ik denk dat ik jullie wel naar mijn dorp kan brengen. Hopelijk zal opa niet al te kwaad worden. Als dat wel het geval is, hebben jullie geen geluk. Volg mij. We moeten opschieten. Het zal spoedig donker worden.” De jongen draaide zich om en baande zich een weg door de jungle, Thor en de anderen op zijn hielen. Thor verbaasde zich over hoe behendig de jongen was, over hoe goed hij de jungle kende. Het was lastig hem bij te houden. “Van tijd tot tijd komen er mensen hier,” zei de jongen. “De oceaan, het tij, leidt hen recht de haven in. Sommige mensen komen hier langs, op weg ergens anders heen. De meeste van hen halen het niet. Ze worden opgegeten door iets in de jungle. Jullie hebben geluk gehad. Er zijn veel ergere dingen dan een Gathorbeest.” Thor slikte. “Erger dan dat? Zoals wat?” De jongen schudde zijn hoofd en bleef doorlopen. “Dat wil je niet weten. Ik heb hier behoorlijk wat afschuwelijke dingen gezien.” “Hoe lang ben je hier al?” vroeg Thor nieuwsgierig. “Mijn hele leven,” zei de jongen. “Mijn opa heeft ons hier gebracht toen ik klein was.” “Maar waarom hier? Er moeten toch zeker wat meer leefbare plekken zijn.” “Je kent het Rijk niet, of wel?” vroeg de jongen. “De troepen zijn overal. Het is niet makkelijk om uit hun zicht te blijven. Als ze ons ooit te pakken krijgen, worden we gevangen genomen. Ze komen hier echter nauwelijks—ze gaan niet zo ver de jungle in.” Terwijl ze zich door een dicht begroeid stuk baanden, strekte Thor zijn hand uit om een blad uit de weg te houden, maar de jongen draaide zich met een ruk om en duwde Thors hand weg, schreeuwend: “NIET AANRAKEN!” Ze stopten, en Thor keek naar het blad dat hij bijna had aangeraakt. Het was groot en geel, en het zag er onschuldig uit. De jongen raakte met zijn stok de top van het blad aan; op dat moment wikkelde het blad zich plotseling met een ongelofelijke snelheid om de stok heen. Er volgde een sissend geluid, en de punt van de stok verdampte in het niets. Thor was geschokt. “Een Knaagblad,” zei de jongen. “Gif. Als je het had aangeraakt, miste je nu een hand.” Thor keek met een hernieuwd respect naar de jungle. Hij verwonderde zich over hoeveel geluk ze hadden gehad dat ze deze jongen waren tegengekomen. Ze liepen verder. Thor en de anderen hielden hun handen dicht bij hun lichaam en trachtten voorzichtiger te zijn en goed uit te kijken waar ze liepen. “Blijf dicht bij elkaar en volg mijn voetstappen,” zei de jongen. “Raak niets aan. Probeer niet om die vruchten te eten. En ruik niet aan die bloemen—tenzij je bewusteloos wil raken.” “Hee, wat is dat?” vroeg O’Connor, die keek naar een lange en smalle gele vrucht die aan een tak bungelde. O’Connor deed een stap naar voren en strekte zijn hand uit. “NEE!” schreeuwde de jongen. Maar het was al te laat. Op het moment dat hij de vrucht aanraakte, verdween de grond onder hun voeten. Thor voelde hoe hij weggleed, een modderige heuvel af. Ze zaten vast in de modderstroom en ze konden niet stoppen. Schreeuwend gleden ze weg in de modderstroom, recht de zwarte dieptes van de jungle in. HOOFDSTUK ZEVEN Erec zat hijgend op zijn paard en zette zich schrap om de tweehonderd soldaten voor hem aan te vallen. Hij had dapper gevochten en was erin geslaagd de eerste honderd uit te schakelen—maar nu waren zijn schouders zwak, en zijn handen trilden. Zijn geest was klaar om eeuwig door te vechten—maar hij wist niet hoe lang zijn lichaam het nog zou trekken. Toch zou hij vechten met alles dat hij had, zoals hij al zijn hele leven had gedaan, en hij zou het lot voor hem laten beslissen. Erec schreeuwde en schopte het onbekende paard dat hij van één van zijn tegenstanders had gestolen, en viel de soldaten aan. Ze kwamen op hem af en beantwoordden zijn eenzame strijdkreet met die van hen. Er was al veel bloed vergoten op het slagveld, en het was duidelijk dat niemand zou opgeven voordat de vijand dood was. Terwijl hij galoppeerde haalde Erec een werpmes van zijn riem en wierp het naar de soldaat voor hem. Het was een perfecte worp. Het mes boorde zich in de keel van zijn tegenstander, en de soldaat greep naar zijn keel. Hij liet de teugels vallen en viel van zijn paard. Zoals Erec had gehoopt viel de soldaat voor de voeten van de andere paarden, waaronder een aantal over hem heen struikelden en tegen de grond gingen. Erec hief een speer met één hand, een schild in zijn andere. Hij liet zijn frontplaat zakken en viel aan met alles wat hij had. Hij zou dit leger bevechten zo snel en hard als hij kon, incasseren wat er op hem afkwam, en recht tussen het door rijden. Erec reed schreeuwend de groep binnen. Al die jaren van steekspellen hadden hem goed in vorm gehouden en hij gebruikte de lange speer om de ene soldaat na de andere uit te schakelen. Hij bleef laag en beschermde zichzelf met het schild; hij voelde een regen aan klappen op zich neerdalen, op zijn schild, op zijn wapenrusting. Hij werd geraakt door zwaarden, bijlen en strijdknotsen, als een storm van metaal. Erec bad dat zijn bepantsering het zou houden. Hij greep zijn speer stevig vast en schakelde zoveel soldaten uit als hij kon terwijl hij tussen hen door reed. Конец ознакомительного фрагмента. Текст предоставлен ООО «ЛитРес». Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/pages/biblio_book/?art=43694647&lfrom=334617187) на ЛитРес. Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.
КУПИТЬ И СКАЧАТЬ ЗА: 199.00 руб.