Сетевая библиотекаСетевая библиотека
Een Bewind Van Staal Morgan Rice De Tovenaarsring #11 In EEN BEWIND VAN STAAL (BOEK #11 IN DE TOVENAARSRING), moet Gwendolyn haar mensen beschermen als het Koninklijk Hof bezet wordt. Ze wil hen uit de Ring evacueren – maar er is één probleem: haar mensen weigeren te vertrekken. Er ontstaat een machtsworsteling, en Gwens heerschap wordt voor het eerst uitgedaagd – terwijl de Ring in groot gevaar is. Achter de McClouds ligt de dreiging van Romulus en zijn draken, die zich, nu het Schild is uitgeschakeld, voorbereiden op een catastrofale invasie. Er staat niets meer tussen hen en de complete vernietiging van de Ring. Romulus is, met Luanda aan zijn zijde, niet te stoppen zolang de maancyclus nog niet voorbij is, en Gwen moet vechten voor haar leven – en dat van haar baby en haar mensen – in een epische strijd van draken en mannen. Kendrick leidt de Zilveren in een heldhaftige strijd, en wordt bijgestaan door Elden en de nieuwe rekruten van de Krijgsmacht, evenals zijn broer Godfrey, die iedereen verrast met zijn eervolle daden. Desondanks is dat misschien toch niet genoeg. Ondertussen is Thor in het Land van de Druiden op de missie van zijn leven. Hij reist door een geducht, magisch land, waar magische regels gelden. Hij moet al zijn kracht aanspreken en wordt gedwongen om dieper te graven, en zo de geweldige krijger – en Druide – te worden die hij voorbestemd is om te zijn. Hij wordt geconfronteerd met monsters en uitdagingen zoals hij nog niet eerder heeft meegemaakt, en moet zijn leven wagen om zijn moeder te vinden. Erec en Alistair reizen af naar de Zuidelijke Eilanden, waar ze worden begroet door zijn mensen, inclusief zijn competitieve broer en zijn jaloerse zus. Erec heeft een dramatische laatste ontmoeting met zijn vader, en het eiland bereid hem voor om de troon als Koning te bestijgen. Maar op de Zuidelijke Eilanden moet men vechten voor het recht om Koning te zijn, en in een epische strijd zal Erec de test van zijn leven ondergaan. In een dramatische wending leren we dat verraad zelfs hier, op een plek van nobele krijgers, op de loer ligt. Reece moet na zijn wraak op Tirus op de Hoge Eilanden vechten voor zijn leven. Pure wanhoop verenigt hem weer met Stara. Ze zijn beiden voorzichtig in elkaars aanwezigheid, maar op elkaar aangewezen om te overleven – en hun missie komt tot een hoogtepunt in een episch gevecht op zee, dat het hele eiland in gevaar brengt. Zal Gwen in veiligheid komen? Zal Romulus de Ring vernietigen? Zullen Reece en Stara samen eindigen? Zal Erec herrijzen als Koning? Zal Thor zijn moeder vinden? Wat zal er van Guwayne terecht komen? Zal er iemand overleven? EEN BEWIND VAN STAAL is een episch verhaal van vrienden en geliefden, rivalen en minnaars, ridders en draken, intriges en politieke machinaties, van volwassen worden, van gebroken harten, van bedrog, ambitie en verraad. Het is een verhaal van eer en moed, van lotsbestemming en tovenarij. Het is een fantasie die ons meeneemt naar een wereld die we nooit zullen vergeten, en die alle leeftijden zal aanspreken. Boek #12--#15 in deze serie zijn ook verkrijgbaar! E E N B E W I N D V A N S T A A L (Boek #11 in de Tovenaarsring) Morgan Rice Over Morgan Rice Morgan Rice is de #1 Bestverkopende auteur van DE VAMPIER DAGBOEKEN, een tienerserie die inmiddels bestaat uit elf boeken; DE SURVIVAL TRILOGIE, een post-apocalyptische actiethriller bestaande uit twee boeken; en de #1 bestverkopende epische fantasy serie DE TOVENAARSRING, die bestaat uit zeventien boeken. Morgans boeken zijn verkrijgbaar in audio en print edities, en vertalingen van de boeken zijn verkrijgbaar het Duits, Frans, Italiaans, Spaans, Portugees, Japans, Chinees, Zweeds, Nederlands, Turks, Hongaars, Tsjechisch en Slowaaks (met binnenkort meer talen). VERANDERD (Boek #1 in De Vampier Dagboeken), ARENA EEN (Boek #1 van De Survival Trilogie), DE OPKOMST VAN DE DRAKEN (Koningen En Tovernaars—Boek 1), en EEN ZOEKTOCHT VAN HELDEN (Boek #1 in De Tovenaarsring) zijn allemaal verkrijgbaar als gratis download! Morgan hoort graag van je, dus breng gerust een bezoekje aan www.morganricebooks.com om je in te schrijven voor de nieuwsbrief, een gratis boek te ontvangen, gratis giveaways te ontvangen, de gratis app de downloaden, op de hoogte te blijven van het laatste nieuws, en via Facebook en Twitter in contact te blijven. Geselecteerde bijvalsbetuigingen voor Morgan Rice “Een spirituele fantasie vervlochten met elementen van mysterie en intriges. Een Zoektocht van Helden gaat om moed en om het realiseren van een levensdoel dat leidt tot groei, volwassenheid, en excellentie… Voor wie op zoek is naar stevige fantasy avonturen, bieden de protagonisten en actie een krachtige serie ontmoetingen die zich richten op Thors evolutie van een dromerig kind tot een jonge man met een kleine overlevingskans… Slechts het begin van wat belooft een epische young adult serie te worden.” Midwest Book Review (D. Donovan, eBook Reviewer) DE TOVENAARSRING heeft alle ingrediënten voor direct succes: samenzweringen, intriges, mysterie, dappere ridders en opbloeiende relaties, compleet met gebroken harten, bedrog en verraad. Het zal je urenlang boeien, en is geschikt voor alle leeftijden. Aanbevolen voor de permanente collectie van alle liefhebbers van fantasy.” --Books and Movie Reviews, Roberto Mattos “Rice’ entertainende epische fantasy [DE TOVENAARSRING] bevat de klassieke eigenschappen van het genre—een sterke setting, geïnspireerd door het oude Schotland en haar geschiedenis, en volop intriges in het hof.” —Kirkus Reviews “Ik vond het geweldig hoe Morgan Rice Thors personage en de wereld waarin hij leefde heeft opgebouwd. Het landschap en de wezens die er leefden waren zeer goed beschreven… ik heb genoten [van het plot]. Het was kort en krachtig… Er waren precies genoeg minder belangrijke personages, zodat ik niet verward raakte. Er waren avonturen en hartverscheurende momenten, maar de actie die werd beschreven was niet te grotesk. Het boek zou perfect zijn voor tieners… Dit is het begin van een opmerkelijke serie…” --San Francisco Book Review “In dit met actie gevulde eerste boek uit de epische fantasy serie De Tovenaarsring (die op het moment 14 boeken bevat), laat Rice de lezers kennis maken met de 14-jarige Thorgrin “Thor” McLeod, die ervan droomt om zich aan te sluiten bij de Zilveren, de elite ridders die de koning dienen… Rice’ schrijven is solide en de premisse is intrigerend.” --Publishers Weekly “[EEN ZOEKTOCHT VAN HELDEN] is een boek dat snel en gemakkelijk weg leest. De hoofdstukken eindigen op een manier dat je niet anders kan dan verder lezen, en je legt hem niet zomaar weg. Er zitten wat typfouten in het boek en soms worden er namen door elkaar gehaald, maar dit leidt niet af van het verhaal. Het einde van het boek zorgde ervoor dat ik direct het volgende boek wilde lezen, en dat heb ik dan ook gedaan. Alle negen boeken uit De Tovernaarsring serie kunnen in de Kindle store worden aangeschaft en Een Zoektocht van Helden is gratis! Als je op zoek bent naar iets leuks om te lezen tijdens je vakantie, dan is dit boek zeker geschikt.” --FantasyOnline.net Boeken door Morgan Rice KONINGEN EN TOVERNAARS OPKOMST VAN DE DRAKEN (Boek #1) THE SORCERER’S RING (DE TOVENAARSRING) EEN ZOEKTOCHT VAN HELDEN (Boek #1) EEN MARS VAN KONINGEN (Boek #2) EEN LOT VAN DRAKEN (Boek #3) EEN SCHREEUW VAN EER (Boek #4) EEN GELOFTE VAN GLORIE (Boek #5) EEN AANVAL VAN MOED (Boek #6) EEN RITE VAN ZWAARDEN (Boek #7) EEN GIFT VAN WAPENS (Boek #8) EEN HEMEL VAN SPREUKEN (Boek #9) EEN ZEE VAN SCHILDEN (Boek #10) EEN BEWIND VAN STAAL (Boek #11) EEN LAND VAN VUUR (Boek #12) EEN HEERSCHAPPIJ VAN KONINGINNEN (Boek #13) EEN EED VAN BROEDERS (Boek #14) EEN DROOM VAN STERVELINGEN (Boek #15) EEN STEEKSPEL VAN RIDDERS (Boek #16) HET GESCHENK VAN DE STRIJD (Boek #17) DE SURVIVAL TRILOGIE ARENA EEN: SLAVERSUNNERS (Boek #1) ARENA TWEE (Boek #2) THE VAMPIRE JOURNALS-- DE VAMPIER DAGBOEKEN VERANDERD (Boek #1) GELIEFD (Boek #2) VERRADEN (Boek #3) VOORBESTEMD (Boek #4) VERLANGD (Boek #5) VERLOOFD (Boek #6) BELOOFD (Boek #7) GEVONDEN (Boek #8) HERREZEN (Boek #9) BEGEERT (Boek #10) VERDOEMD (Boek #11) Luister naar DE TOVENAARSRING serie als audioboek! Copyright © 2014 door Morgan Rice Alle rechten voorbehouden. Behalve zoals toegestaan onder de V.S. Copyright Act van 1976, mag geen enkel deel van deze publicatie worden gereproduceerd, gedistribueerd of overgedragen worden, in wat voor vorm dan ook, of worden opgeslagen in een database of zoeksysteem, zonder de voorafgaande toestemming van de auteur. Dit ebook is uitsluitend voor jou persoonlijk bedoeld. Dit ebook mag niet doorverkocht worden of weggeven worden aan andere mensen. Als je dit boek met iemand anders wil delen, schaf dan alsjeblieft een extra exemplaar aan voor elke ontvanger. Als je dit boek leest en je hebt het niet aangeschaft, of het is niet voor jouw gebruik aangeschaft, geef het dan terug en schaf je eigen exemplaar aan. Bedankt voor het respecteren van het harde werk van deze auteur. Dit is een werk van fictie. Namen, personages, bedrijven, organisaties, plaatsen, evenementen en incidenten zijn een product van de fantasie van de auteur of zijn fictief gebruikt. Enige overeenkomst met echte personen, levend of dood, is geheel toevallig. Omslagafbeelding Copyright Slava Gerj, gebruikt onder licentie van Shutterstock.com INHOUD HOOFDSTUK ÉÉN HOOFDSTUK TWEE HOOFDSTUK DRIE HOOFDSTUK VIER HOOFDSTUK VIJF HOOFDSTUK ZES HOOFDSTUK ZEVEN HOOFDSTUK ACHT HOOFDSTUK NEGEN HOOFDSTUK TIEN HOOFDSTUK ELF HOOFDSTUK TWAALF HOOFDSTUK DERTIEN HOOFDSTUK VEERTIEN HOOFDSTUK VIJFTIEN HOOFDSTUK ZESTIEN HOOFDSTUK ZEVENTIEN HOOFDSTUK ACHTTIEN HOOFDSTUK NEGENTIEN HOOFDSTUK TWINTIG HOOFDSTUK EENENTWINTIG HOOFDSTUK TWEEËNTWINTIG HOOFDSTUK DRIEËNTWINTIG HOOFDSTUK VIERENTWINTIG HOOFDSTUK VIJFENTWINTIG HOOFDSTUK ZESENTWINTIG HOOFDSTUK ZEVENENTWINTIG HOOFDSTUK ACHTENTWINTIG HOOFDSTUK NEGENENTWINTIG HOOFDSTUK DERTIG HOOFDSTUK EENENDERTIG HOOFDSTUK TWEEËNDERTIG HOOFDSTUK DRIEËNDERTIG “Er is een land waar ooit voedsel groeide—maar de plek veranderde en leek op vuur. Het was een plek waar stenen saffieren waren, en het had stof van goud.” “Het paard lacht om angst, bang voor niets; hij deinst niet terug voor het zwaard. Hij kan niet stilstaan wanneer de trompet klinkt. Bij het klinken van de trompet snuift hij: ‘Hoera!’ -- Het Boek Job HOOFDSTUK ÉÉN De dolk in Reece’ hand boorde zich in Tirus’ borst, en Reece verstijfde. Alles leek in slow motion te bewegen. Alles werd wazig. Hij had zojuist zijn grootste vijand gedood, de man die verantwoordelijk was voor Selese’ dood. En dat gaf Reece een enorm bevredigend gevoel. Eindelijk had hij wraak. Maar tegelijkertijd voelde hij dat het niet lang meer zou duren voor hij zelf de dood in de ogen zou kijken. De ruimte was gevuld met Tirus’ mannen, die allemaal getuige waren van de moord. Reece zette zich schrap voor de dood. Toch had hij geen spijt. Hij was dankbaar voor het feit dat hij de kans had gekregen deze man te doden, deze man die het lef had gehad om te denken dat Reece ooit zijn verontschuldigingen zou aanbieden. Reece wist dat de dood onvermijdelijk was; de enige mensen in de ruimte die aan zijn kant stonden waren Matus en Srog. Srog was gewond en vastgebonden met touwen, en Matus stond naast hem, onder het toeziend oog van de soldaten. Ze zouden weinig uit kunnen halen tegen het leger van Hoge Eilanders. Maar voor Reece zou sterven, wilde hij zijn wraak compleet maken en zoveel mogelijk Hoge Eilanders uitschakelen als hij kon. Tirus zakte voor Reece’ voeten in elkaar, dood, en Reece aarzelde geen seconde: hij trok zijn dolk terug, draaide om zijn as en sneed Tirus’ generaal, die naast hem stond, zijn keel door; in dezelfde beweging stak hij een andere generaal in zijn hart. Terwijl de mensen in de ruimte begonnen te beseffen wat er gebeurde, bewoog Reece sneller dan ooit. Hij trok de zwaarden uit de schedes van de twee dode generaals, en stormde op de groep soldaten tegenover hem af. Hij had vier van hen gedood voordat ze ook maar de kans hadden gehad om te reageren. Honderden krijgers kwamen van alle kanten op hem af. Reece putte kracht uit zijn training bij de Krijgsmacht, uit alle keren dat hij gedwongen was geweest om tegen grote groepen te vechten. Terwijl ze hem omsingelden, tilde hij zijn zwaard met beide handen op. Hij werd niet bezwaard door een wapenrusting, zoals de andere mannen, of door een riem vol met wapens, of door een schild; hij was lichter en sneller dan hen allemaal, hij was woedend, hij was in een hoek gedreven. En hij vocht voor zijn leven. Reece vocht dapper, sneller dan hen allemaal. Hij herinnerde zich alle keren dat hij had gespard met Thor, de beste vechter waar hij ooit tegen had gevochten. Hij schakelde de ene na de andere soldaat uit, en zijn zwaard kletterde tegen de zwaarden van de anderen. De vonken spatten alle kanten op. Hij zwaaide tot zijn armen zwaar werden, en wist nog een tiental mannen uit te schakelen voor ze zelfs maar met hun ogen konden knipperen. Maar er bleven steeds meer mannen toestromen. Ze waren simpelweg met teveel. Voor elke zes man die hij uitschakelde, verschenen er twaalf meer. En ze vielen hem van alle kanten tegelijk aan. Reece, buiten adem, voelde hoe een zwaard zijn arm sneed, en hij schreeuwde het uit terwijl het bloed van zijn biceps droop. Hij draaide om zijn as en stak de man in zijn ribben, maar het kwaad was al geschied. Hij was gewond nu, en er bleven mannen bij komen. Hij wist dat zijn tijd gekomen was. Hij was in ieder geval dankbaar dat hij ten onder kon gaan in een daad van moed. “REECE!” Er klonk een schreeuw, een schreeuw die Reece onmiddellijk herkende. De schreeuw van een vrouw. Reece’ lichaam werd gevoelloos toen hij zich realiseerde wiens stem het was. Het was de stem van de enige vrouw ter wereld die nog zijn aandacht kon trekken, zelfs in het heetst van de strijd, zelfs nu hij op het punt stond te sterven: Stara. Reece keek op en zag haar staan op de houten tribune aan de zijkant van de ruimte. Ze stond hoog boven de menigte, een onstuimige blik in haar ogen, de aderen in haar hals zichtbaar terwijl ze naar hem schreeuwde. Ze hield een boog vast, en hij zag hoe ze hem spande en richtte op een touw aan de andere kant van de ruimte. Reece volgde haar blik, en besefte waar ze op mikte: een dik touw, vijftien meter lang, waaraan een enorme metalen kroonluchter hing. Het touw was aan de andere kant verbonden met een ijzeren haak, die in de stenen vloer vast zat. De armatuur was zo dik als een boomstam, en er stonden enkele honderden brandende kaarsen op. Reece besefte dat Stara op het touw mikte. Als ze hem zou raken, zou de kroonluchter naar beneden vallen—en de helft van de mannen in de ruimte verpletteren. Reece keek op, en zag dat hij recht onder de kroonluchter stond. Ze wilde hem waarschuwen. Reece’ hart bonsde van paniek terwijl hij zich omdraaide, zijn zwaard liet zakken en zich een weg tussen zijn aanvallers door baande, in de hoop uit de weg te komen voor de kroonluchter zou vallen. Hij barstte door de groep soldaten heen en deelde links en rechts ellebogen en kopstoten uit. Reece herinnerde zich dat Stara een geweldige schutter was—ze was altijd al beter geweest dan de jongens—en hij wist dat ze niet zou missen. Ondanks het feit dat hij niet achterom kon kijken, vertrouwde hij haar. Hij wist dat ze het touw zou raken. Een seconde later hoorde Reece het geluid van een pijl die door de lucht zeilde, gevolgd door het geluid van een knappend touw, en het geluid van een massief stuk ijzer dat op volle snelheid naar beneden viel. Er volgde een luide klap. De hele ruimte trilde, en Reece verloor zijn balans. Hij voelde de wind in zijn rug. De kroonluchter miste hem op slechts enkele centimeters terwijl hij op zijn handen en knieën op de stenen vloer viel. Reece hoorde het geschreeuw van mannen. Hij keek over zijn schouder en zag de schade die Stara had aangericht: tientallen mannen waren onder het gewicht van de kroonluchter bezweken. Er lag overal bloed. Ze had zijn leven gered. Reece krabbelde overeind. Hij zocht Stara, en zag dat zij nu in gevaar was. Enkele mannen kwamen op haar af gestormd, en terwijl ze haar boog spande, wist hij dat ze slechts een beperkt aantal pijlen zou kunnen afvuren voor ze bij haar waren. Ze draaide zich om en wierp een nerveuze blik op de deur. Maar Reece’ hart viel toen hij tientallen van Tirus’ mannen naar de twee dubbele deuren zag stormen. Ze blokkeerden ze met een dikke houten balk. Ze zaten vast. Alle uitgangen waren versperd. Reece wist dat ze hier zouden sterven. Reece zag Stara wanhopig om zich heen kijken, tot haar blik bleef rusten op de bovenste tribunes bij de achterste muur. Ze gebaarde naar Reece terwijl ze er naartoe rende, en hij had geen idee wat ze in gedachten had. Hij zag daar geen uitgang. Maar zij kende dit kasteel beter dan hij, en misschien kende ze wel een ontsnappingsroute die hij niet kon zien. Reece begon te rennen. Hij vocht zich een weg door de mannen heen, minimaal, zodat hij niet te veel in het gevecht verwikkeld zou raken. Hij probeerde zo snel mogelijk naar de verste hoek van de kamer te komen. Terwijl hij rende, keek Reece naar Srog en Matus, vastberaden om hen ook te helpen. Tot zijn blijde verassing zat hij dat Matus de zwaarden van zijn bewakers had weten te ontfutselen, en hen beide had neergestoken; hij zag Matus snel Srogs touwen doorsnijden. Srog griste een zwaard van de grond en doodde enkele soldaten die op hen afkwamen. “Matus!” schreeuwde Reece. Matus draaide zich om en keek hem aan, en hij zag Stara naar de verste muur rennen. Matus trok Srog met zich mee, en ze begonnen er ook heen te rennen. Terwijl Reece zich een weg door de hal heen vocht, begon hij eindelijk wat ruimte te krijgen. Er waren in deze hoek van de ruimte niet zoveel soldaten als bij de versperde uitgang. Reece hoopte dat Stara wist dat ze deed. Stara rende over de houten tribunes terwijl ze mannen die haar probeerde te grijpen in hun gezicht trapte. Terwijl Reece zijn best deed om haar in te halen, wist hij nog steeds niet waar ze precies heen ging, of wat ze van plan was. Reece bereikte de andere kant en sprong op de tribunes, eerst op de eerste rij banken, toen op de volgende, steeds hoger, tot hij een goede drie meter boven de rest van de soldaten stond, op de hoogste houten bank die tegen de muur stond. Hij bereikte Stara, en ze renden samen naar Matus en Srog toe. Ze hadden een goede voorsprong op de andere soldaten, met uitzondering van één van hen: hij viel Stara van achteren aan, en Reece dook naar voren en stak hem in zijn hart, vlak voordat hij Stara in haar rug kon steken. Stara hief haar boog, mikte op twee soldaten die met getrokken zwaarden op Reece afkwamen, en schakelde hen beiden uit. Ze stonden met zijn vieren op de hoogste tribune, met hun rug naar de muur. Reece zag zo’n honderd man op hen af stormen. Ze zaten in de val, en ze konden geen kant op. Reece begreep niet waarom Stara hen hierheen had geleid. Hij zag geen uitweg, en hij wist zeker dat ze spoedig zouden sterven. “Wat is je plan?” schreeuwde hij haar haar, terwijl ze tegen de mannen vochten. “Er is geen uitweg!” “Kijk omhoog,” antwoordde ze. Reece keek omhoog en zag boven hen nog een ijzeren kroonluchter hangen, die was verbonden aan een lang touw dat naast hen aan de grond bevestigd was. Reece fronste. “Ik begrijp het niet,” zei hij. “Het touw,” zei ze. “Pak het vast. Allemaal. En hou je goed vast.” Ze deden wat ze zei, en pakten het touw stevig vast. Ineens realiseerde Reece zich wat Stara wilde doen. “Weet je zeker dat dit een goed idee is?” riep hij uit. Maar het was al te laat. Terwijl een tiental soldaten op hen af stormde, greep Stara Reece’ zwaard, sprong in zijn armen, en sneed het touw door. Reece voelde hoe zijn maag zich omdraaide terwijl ze met een duizelingwekkende snelheid de lucht in werden getrokken. Ze hielden zich vast voor hun leven terwijl de ijzeren kroonluchter naar beneden viel. Hij verpletterde de mannen onder hen en lanceerde de vier hoog de lucht in. Daar hingen ze, zwaaiend in de lucht, een goede vijftien meter boven de grond. Reece keek naar beneden. Hij zweette en verloor bijna zijn grip op het touw. “Daar!” riep Stara uit. Reece draaide zich om, zag het grote glas-in-lood raam voor hen, en realiseerde zich wat haar plan was. Het stugge touw sneed in zijn handpalmen, en hij begon weg te glijden. Hij wist niet hoe lang hij het nog vol zou kunnen houden. “Ik verlies mijn grip!” riep Srog uit, die zijn best deed om zich, ondanks zijn verwondingen, vast te houden. “We moeten zwaaien!” riep Stara. “We hebben momentum nodig! Zet je af vanaf de muur!” Reece volgde haar voorbeeld: hij leunde naar voren en zette zich met zijn voeten af van de muur. Het touw begon steeds wilder heen en weer te zwaaien. Ze zetten zich weer af, en toen nog een keer, tot ze helemaal terug zwaaiden, als een pendule, en ze schreeuwend op het enorme glas-in-lood raam afzwaaiden. Het glas explodeerde en regende op hen neer, en ze lieten het touw los, waarna ze op het brede stenen platform aan de onderkant van het raam landden. Ze stonden daar, vijftien meter boven de grond. De koude lucht waaide naar binnen. Reece keek naar beneden en zag aan de ene kant honderden soldaten naar hem opkijken, die zich afvroegen hoe ze hen moesten achtervolgen; aan de andere kant zag hij de buitenkant van het fort. Het regende hard, en de val was een goede negen meter naar beneden, hoog genoeg om een been te breken. Maar Reece zag ook dat er een aantal struiken onder hen stonden, en de grond was nat en zacht door de modder. Het zou een lange, harde val zijn; maar misschien zouden de struiken hun val breken. Ineens schreeuwde Reece het uit. Hij voelde hoe zijn vlees werd doorboord door metaal. Hij greep naar zijn arm en zag dat hij zojuist was geschampt door een pijl. Het was een kleine wond, maar het prikte. Reece wierp een blik over zijn schouder en zag dat tientallen van Tirus’ mannen hun bogen tevoorschijn hadden gehaald. De pijlen vlogen hen nu om de oren. Reece wist dat ze geen tijd meer hadden. Hij zag Stara aan zijn ene kant staan, Matus en Srog aan de andere. Ze waren allemaal doodsbang voor de val. Hij greep Stara’s hand. Het was nu of nooit. Ze wisten alle vier wat er moest gebeuren. Zonder nog een woord te wisselen sprongen ze. Ze schreeuwden het uit terwijl ze door de verblindende regen en wind naar beneden sprongen, en Reece vroeg zich af of hij niet van de ene dood naar de andere sprong. HOOFDSTUK TWEE Godfrey hief met trillende handen zijn boog, leunde over de rand van de borstwering, en mikte. Hij wilde een doel kiezen en meteen vuren—maar het zicht deed hem verstijven. Hij zag een goedgetraind leger van duizenden McCloud soldaten over het landschap spoelen, richting de poorten van het Koninklijk Hof. Tientallen van hen renden naar voren met een ijzeren stormram, en beukten hem keer op keer tegen het ijzeren valhek aan. De muren trilden. Godfrey verloor zijn balans terwijl hij vuurde, en de pijl zeilde onschuldig door de lucht. Hij greep een andere pijl en spande met een bonzend hart zijn boog. Hij wist zeker dat hij hier vandaag zou sterven. Hij leunde over de rand, maar voor hij kon vuren, werd zijn ijzeren helm met een luid gekletter geraakt door een steen. Godfrey viel achterover, en zijn pijl schoot recht de lucht in. Hij rukte zijn helm af en wreef over zijn pijnlijke hoofd. Hij had nooit gedacht dat een steen zoveel pijn kon doen; het ijzer leek tot in zijn schedel door te trillen. Godfrey vroeg zich af hoe hij in deze situatie terecht was gekomen. Goed, hij was heldhaftig geweest, en hij had geholpen door de hele stad op de komst van de McClouds te attenderen. Daardoor had hij kostbare tijd gewonnen. Hij had misschien zelfs wat levens gered. In ieder geval dat van zijn zus. Maar nu was hij hier, met nog slechts een paar overgebleven soldaten, geen van hen Zilveren, geen van hen ridders, en nu moest hij deze geëvacueerde stad tegen een heel leger McCloud soldaten verdedigen. Dit soldatenleven was niets voor hem. Er klonk een luide klap, en Godfrey wankelde op zijn benen terwijl het ijzeren valhek werd open geramd. Er stroomden duizenden mannen door de open stadspoorten naar binnen, schreeuwend, belust op bloed. Terwijl hij op de borstwering zat, wist Godfrey dat het slechts een kwestie van tijd was tot ze hierboven zouden komen, tot hij zou moeten vechten tot zijn dood. Was dit wat het betekende om een soldaat te zijn? Was dit wat het betekende om dapper en onbevreesd te zijn? Om te sterven, zodat anderen konden leven? Nu hij de dood in de ogen keek, wist hij niet zo zeker meer of dit wel een goed idee was. Het was geweldig om een soldaat te zijn, om een held te zijn; maar leven was beter. Terwijl Godfrey overwoog om te stoppen, om er vandoor te gaan en zich ergens te verstoppen, stormden ineens een aantal McClouds de borstweringen op. Godfrey zag hoe één van de andere soldaten werd neergestoken en kreunend op zijn knieën viel. En toen gebeurde het. Ondanks zijn rationele denken, ondanks het feit dat hij geen soldaat wilde zijn, knapte er iets in hem. Iets dat hij niet kon controleren. Er was iets in Godfrey dat het niet kon verdragen om anderen te zien lijden. Voor zichzelf kon hij de moed niet opbrengen; maar als hij zag dat zijn medemens in de problemen zat, dan werd hij overvallen door een bepaalde roekeloosheid. Misschien zelfs wel een soort ridderschap. Godfrey reageerde zonder na te denken. Hij greep een lange spies en stormde op de McClouds af die één voor één de borstwering op kwamen rennen. Hij schreeuwde en dreef het lange metalen mes door de borst van de eerste man heen. Godfrey bleef door rennen en gebruikte zijn gewicht om hen allemaal naar achteren te drijven. Tot zijn eigen verbazing lukte het hem. Hij dreef de mannen terug de stenen wenteltrap op, weg van de borstweringen, en wist in zijn eentje te voorkomen dat de McClouds de borstweringen bestormden. Godfrey liet stomverbaasd de spies vallen. Hij wist niet wat hem overkwam. Ook zijn medestrijders keken verbaasd, alsof ze niet hadden gedacht dat hij het in zich had. Terwijl Godfrey zich afvroeg wat hij nu moest doen, werd die beslissing voor hem gemaakt. Hij zag iets bewegen vanuit zijn ooghoek. Hij draaide zich om en zag nog een tiental McClouds op hem afstormen, vanaf de andere kant van de borstweringen. Voor Godfrey iets kon doen had de eerste soldaat hem al bereikt. Hij had een enorme strijdhamer en haalde uit naar Godfrey’s hoofd. Godfrey besefte dat de klap zijn schedel zou verpletteren. Godfrey dook uit de weg—één van de weinige dingen waarvan hij wist dat hij er goed in was—en de hamer zwaaide over zijn hoofd heen. Godfrey bracht zijn schouder omlaag, viel de soldaat aan en tackelde hem. Godfrey dreef hem terug, steeds verder naar achteren, naar de rand van de borstweringen. Ze vochten man tegen man en grepen naar elkaars keel. Deze man was sterk, maar dat was Godfrey ook; het was één van de weinige dingen waar hij in zijn leven mee gezegend was. De twee vochten tot ze ineens allebei over de rand vielen. Ze stortten door de lucht terwijl ze elkaar vastgrepen en vielen een goede vijf meter naar beneden. Godfrey draaide in de lucht, hopend dat de soldaat zijn val zou breken in plaats van andersom. Hij wist dat het gewicht van de man, en zijn wapenrusting, hem zou verpletteren. Godfrey wist op het laatste moment te draaien, en de soldaat kreunde terwijl Godfreys gewicht hem verpletterde. Hij raakte bewusteloos. Maar de val eiste ook van Godfrey zijn tol; hij stootte zijn hoofd, en terwijl hij van de man afrolde, deden alle botten in zijn lichaam pijn. Godfrey lag daar naast zijn vijand, en alles om hem heen begon te draaien. Het laatste dat hij zag toen hij opkeek was een leger van McClouds dat het Koninklijk Hof binnenstroomde. * Elden stond op het trainingsveld van de Krijgsmacht, samen met Conven en O’Connor, en keek naar de nieuwe rekruten die Thor voor hen had achtergelaten. Elden keek met een getraind oog toe hoe de jongens over het veld galoppeerden en hun best deden om over kuilen heen te springen en tegelijkertijd speren door hangende doelwitten te werpen. Sommige jongens haalden de sprongen niet, en vielen met hun paarden in de kuilen; anderen haalden de sprongen wel maar misten de doelwitten. Elden schudde zijn hoofd en dacht terug aan hoe hij was toen hij net bij de Krijgsmacht was gekomen. Hij trachtte bemoediging te halen uit het feit dat de jongens de afgelopen dagen al flink vooruit waren gegaan. Maar de jongens waren nog altijd ver verwijderd van de geharde krijgers die ze moesten zijn voor hij hen bij de Krijgsmacht kon accepteren. Hij had de lat hoog gelegd, voornamelijk omdat hij de verantwoordelijkheid had om Thorgrin en de anderen trots te maken; ook Conven en O’Connor zouden niet met minder genoegen nemen. “Heer, er is nieuws.” Elden werd uit zijn gedachten opgeschrikt en zag één van de rekruten, Merek, de voormalige dief, met grote ogen op hem af rennen. “Jongen, ik zei je niet te storen—” “Maar heer, u begrijpt het niet! U moet—” “Nee, JIJ begrijpt het niet,” zei Elden geïrriteerd. “Als de rekruten aan het trainen zijn, dan mag je niet—” “KIJK!” schreeuwde Merek. Hij greep hem vast en wees. Elden, die woedend was, stond op het punt om Merek bij zijn kraag te grijpen, toen hij uitkeek naar de horizon en verstijfde. Hij kon het niet bevatten. Daar, aan de horizon, resen grote zwarte rookpluimen de lucht in. Allemaal uit de richting van het Koninklijk Hof. Elden knipperde met zijn ogen. Hij begreep het niet. Stond het Koninklijk Hof in lichterlaaie? Hoe? Er rees geschreeuw op in de verte, het geschreeuw van een leger—en het geluid van een vallend valhek. Eldens hart zonk; de poorten van het Koninklijk Hof waren bestormd. Hij wist dat dat slechts één ding kon betekenen—er viel een professioneel leger binnen. Van alle dagen moest uitgerekend op Pelgrimage Dag het Koninklijk Hof aangevallen worden. Conven en O’Connor kwamen in actie en schreeuwden naar de rekruten dat ze moeste stoppen waar ze mee bezig waren. De rekruten haastten zich naar hen toe, en Elden stapte naar voren terwijl ze zwijgend in formatie gingen staan. “Mannen,” bulderde Elden. “Het Koninklijk Hof is aangevallen!” Er rees een verrast en opgewonden gemurmel op onder de jongens. “Jullie behoren nog niet tot de Krijgsmacht, en jullie zijn zeker niet de Zilveren of geharde krijgers waarvan verwacht zou worden dat ze het opnemen tegen een professioneel leger. Die mannen die daar binnenvallen, hebben de intentie om te doden, en als je de confrontatie met hen aangaat, kan dat je dood worden. Conven, O’Connor en ik zijn verplicht om onze stad te beschermen, en we moeten nu vertrekken om te vechten. Ik verwacht niet dat jullie je bij ons aansluiten; sterker nog, ik zou het afraden. Maar als er jongens zijn die mee willen, kom dan nu naar voren. Weet dat je vandaag wellicht zal sterven op het slagveld.” Er volgden een aantal momenten van stilte. Toen, ineens, stapte elke jongen naar voren, allemaal dapper, nobel. Eldens hart zwol van trots. “Jullie zijn vandaag allemaal mannen geworden.” Elden besteeg zijn paard en de anderen volgden hem, luid schreeuwend, terwijl ze op het punt stonden om hun levens te riskeren. * Elden, Conven en O’Connor reden voorop, met honderden rekruten achter zich, en galoppeerden met getrokken wapens op het Koninklijk Hof af. Terwijl ze naderden zag Elden tot zijn schok enkele duizenden McCloud soldaten de poorten bestormen. Een goed-gecoördineerd leger dat duidelijk gebruik maakte van Pelgrimage Dag om het Koninklijk Hof te overvallen. Ze waren met tien tegen één in de minderheid. Conven ging glimlachend voorop rijden. “Precies het soort kansen waar ik van hou!” schreeuwde hij terwijl hij voor de anderen uit ging rijden. Conven hief zijn strijdbijl, en Elden keek met bewondering en bezorgdheid toe terwijl Conven roekeloos op de achterhoede van het McCloud leger afreed. De McClouds hadden nauwelijks tijd om te reageren terwijl Conven zijn bijl neer bracht en twee man tegelijk uitschakelde. Hij reed het heetst van de strijd in, dook van zijn paard en tackelde drie soldaten, die van hun paarden afvielen. Elden en de anderen zaten vlak achter hem. Ze botsten met de rest van de McClouds, die te traag waren om te reageren en geen aanval van achteren hadden verwacht. Elden hanteerde zijn zwaard met woede en behendigheid, en liet de rekruten van de Krijgsmacht zien hoe het moest. Hij gebruikte zijn kracht om de één na de ander uit te schakelen. De strijd werd steeds heviger terwijl hun kleine strijdmacht de McClouds dwong om van richting te veranderen en zich te verdedigen. Alle rekruten van de Krijgsmacht reden onbevreesd de strijd in om de confrontatie met de McClouds aan te gaan. Elden zag de jongens vanuit zijn ooghoeken vechten, en was trots dat geen van hen ook maar een moment aarzelde. Ze vochten als echte mannen, honderd tegen één in de minderheid, en het kon hen niets schelen. De McClouds werden overrompeld, en vielen links en rechts. Maar al spoedig keerde het tij. Het leeuwendeel van de McCloud mannen kwam versterking bieden, en de Krijgsmacht moest het opnemen tegen professionele soldaten. Een aantal rekruten gingen tegen de grond. Merek en Ario kregen een paar flinke klappen, maar wisten op hun paard blijven te zitten en vochten dapper terug. Maar toen werden ze geraakt door strijdvlegels, en vielen ze toch. O’Connor, die naast Merek reed, wist een aantal soldaten uit te schakelen met zijn pijl en boog—voor hij in zijn zij werd geraakt met een schild en ook tegen de grond ging. Elden, die omsingeld was, raakte uiteindelijk zijn element van verrassing kwijt, en hij incasseerde een flinke hamerklap tegen zijn ribben en een slag van een zwaard op zijn onderarm. Hij keerde en sloeg de mannen van hun paarden—maar er verschenen er nog vier. Conven, die op de grond lag, vocht wanhopig en haalde wild uit naar voorbij rennende paarden en mannen—tot hij uiteindelijk van achteren werd geraakt door een strijdhamer en voorover in de modder viel. Er arriveerden tientallen McCloud versterkingen, die de poort achter zich lieten om de confrontatie aan te gaan. Elden zag steeds minder van zijn eigen mannen, en hij wist dat ze er spoedig geweest zouden zijn. Maar het kon hem niet schelen. Het Koninklijk Hof lag onder vuur, en hij zou zijn leven geven om het te verdedigen, om de jongens te verdedigen waar hij zo trots op was. Het maakte niet langer uit of het jongens of mannen waren—ze vergoten hun bloed naast hem, en vandaag, dood of levend, waren ze allemaal broeders. * Kendrick galoppeerde over de berg, gevolgd door duizend Zilveren, in de richting van de zwarte rook aan de horizon. Kendrick was kwaad op zichzelf. Hij wilde dat hij de poorten beter had beschermd. Hij had geen aanval verwacht op een dag als deze, en al helemaal niet van de McClouds, waarvan hij had gedacht dat ze wel gepacificeerd waren onder Gwens bewind. Hij zou hen laten boeten voor het binnenvallen van zijn stad, voor het feit dat ze misbruik maakten van deze heilige dag. Hij en zijn broeders vielen aan, duizend man sterk. Ze lieten hun heilige pelgrimage voor wat het was, vastberaden om de McClouds te laten zien wat ze Zilveren konden, en om ze voor eens en altijd te laten boeten. Kendrick zwoer dat wanneer de tijd rijp was, er geen McCloud meer in leven zou zijn. Hun kant van de Hooglanden zou nooit meer opleven. Terwijl Kendrick naderde spotte hij de rekruten van de Krijgsmacht, die dapper vochten. Hij zag Elden en O’Connor en Conven, allemaal zwaar in de minderheid, maar niet van plan om zich over te geven. Zijn hart zwol van trots. Maar ze zouden allemaal, kon hij zien, spoedig verslagen worden. Kendrick gaf een schreeuw en spoorde zijn paard nog harder aan, terwijl ze in een laatste aanval naar voren barstten. Hij pakte een lange speer, en toen hij dichtbij genoeg kwam, wierp hij; één van de McCloud generaals wist zich net op tijd om te draaien om de speer door de lucht te zien zeilen en zijn borst te zien doorboren. De worp was sterk genoeg om zijn wapenrusting te penetreren. De duizenden ridders achter Kendrick lieten een luide strijdkreet uit: de Zilveren waren gearriveerd. De McClouds draaiden zich om en zagen hen, en voor het eerst verscheen er echte angst in hun ogen. Duizend glimmende Zilveren ridders, een perfecte eenheid, als een storm die van de berg af raasde. Het waren allemaal geharde killers, en ze hadden geen greintje aarzeling in hun ogen. De McClouds keerden verward hun paarden om de confrontatie met hen aan te gaan. De Zilveren kwamen op hen af, Kendrick voorop. Hij trok zijn bijl tevoorschijn en zwaaide hem behendig in het rond, en enkele soldaten werden van hun paarden af geslagen; toen trok hij met zijn andere hand een zwaard, en reed hij het heetst van de strijd in. Hij stak enkele soldaten neer door hen in de kwetsbare punten in hun wapenrusting te raken. De Zilveren reden dwars door de massa soldaten heen, als een golf van verwoesting. Dit was waar ze goed in waren. Geen van de Zilveren was echt in zijn element als hij zich niet in het heetst van de strijd bevond. Dat was wat het betekende om thuis te zijn voor een lid van de Zilveren. Ze hakten vol overgave in op de McCloud soldaten om hen heen, die amateurs waren vergeleken met hen. Geschreeuw rees op terwijl er McClouds aan alle kanten vielen. Niemand kon de Zilveren stoppen. Ze waren te snel en te gestroomlijnd en te sterk en hun techniek was te goed. Ze vochten als een eenheid, waarvoor ze al van kleins af aan waren getraind. Hun vaardigheden joegen de McClouds angst aan. Zij waren slechts gewone soldaten vergeleken met deze goed getrainde ridders. Elden, Conven, O’Connor en de rest van de Krijgsmacht krabbelden overeind. Ze waren gewond, maar wierpen zich desondanks opnieuw de strijd in. Binnen enkele momenten lagen er honderden McClouds dood op het slagveld. Degenen die overbleven werden overspoeld door paniek. Eén voor één begonnen ze te vluchten. De McClouds stroomden de stadspoorten uit en trachtten weg te komen van het Koninklijk Hof. Kendrick was vastberaden om dat te voorkomen. Hij reed naar de stadspoorten toe, gevolgd door zijn mannen, en zorgde ervoor dat de McClouds de weg werd versperd. Het was een trechter effect, en de McClouds werden afgeslacht terwijl ze de flessenhals van de stadspoorten bereikten—dezelfde poorten die ze slechts enkele uren eerder hadden bestormd. Kendrick vocht inmiddels met twee zwaarden tegelijk, en doodde mannen links en rechts. Hij wist dat spoedig alle McClouds dood zouden zijn, en het Koninklijk Hof weer van hen zou zijn. Terwijl hij zijn leven riskeerde om zijn grondgebied te redden, wist hij dat dit was wat het betekende om te leven. HOOFDSTUK DRIE Luanda’s handen trilden terwijl ze stapje voor stapje over de uitgestrekte brug liep. Bij elke stap voelde ze het einde van haar leven dichterbij komen. Ze voelde hoe ze de ene wereld voor de andere verliet. Ze was nog maar enkele stappen van de andere kant verwijderd, en ze had het gevoel alsof het haar laatste stappen op aarde zouden zijn. Romulus stond op slechts enkele meters van haar af, en achter hem stonden een miljoen soldaten uit het Rijk. Hoog boven hen vloog een tiental krijsende draken, de meest woeste wezens die Luanda ooit had gezien. Ze sloegen wild met hun vleugels tegen het onzichtbare Schild aan. Luanda wist dat zodra ze de Ring zou verlaten, het Schild voorgoed uitgeschakeld zou worden. Luanda keek uit naar haar lotsbestemming, naar de zekere dood die ze zou vinden in de handen van Romulus en zijn brute mannen. Maar deze keer kon het haar niets meer schelen. Iedereen waar ze van hield was haar toch al afgenomen. Haar echtgenoot, Bronson, de man van wie ze meer hield dan van wie dan ook, was dood—en het was allemaal Gwendolyns schuld. Alles was Gwendolyns schuld. Nu was het tijd voor wraak. Luanda stopte vlak voor Romulus, en ze staarden elkaar door de onzichtbare muur aan. Hij was grotesk, twee keer zo breed als een man zou mogen zijn, één en al spieren. Zijn schouders waren zo gespierd dat zijn nek erin leek te verdwijnen. Zijn gezicht was één en al kaak, met grote zwarte ogen, als knikkers, en zijn hoofd was te groot voor zijn lichaam. Hij staarde haar aan als een draak die naar zijn prooi keek, en ze twijfelde er niet aan dat hij haar zou verscheuren zodra hij de kans kreeg. Ze staarden elkaar aan in de gespannen stilte, en er verscheen een wrede glimlach op zijn gezicht. Maar er lag ook verbazing in zijn ogen. “Ik had niet gedacht dat ik je ooit nog zou zien,” zei hij. Zijn stem klonk diep en grommend. Luanda sloot haar ogen en trachtte Romulus te laten verdwijnen. Trachtte haar leven te laten verdwijnen. Maar toen ze haar ogen opende was hij er nog. “Mijn zus heeft me verraden,” antwoordde ze zachtjes. “En nu is het tijd dat ik haar verraad.” Luanda sloot haar ogen en nam de laatste stap, de brug af. Op dat moment rees er een donderend geluid achter haar op; de wervelende mist schoot vanaf de bodem van het Ravijn de lucht in, als een enorme golf, en viel net zo plotseling weer naar beneden. Het klonk alsof de aarde kreunde, en Luanda wist zeker dat het Schild was uitgeschakeld. Dat er nu niets meer tussen Romulus’ leger en de Ring in stond. En dat het Schild voorgoed gebroken was. Romulus keek op haar neer terwijl Luanda dapper voor hem stond en hem uitdagend aankeek. Ze voelde angst, maar ze liet het niet zien. Ze gunde het Romulus niet. Ze wilde dat hij haar zou doden terwijl ze hem in zijn ogen keek. Dat zou haar tenminste iets van vrede bieden. Ze wilde dat het gewoon voorbij was. Maar Romulus grijnsde breed, en hij bleef haar recht aanstaren. Hij keek niet naar de brug, zoals ze had verwacht. “Je hebt wat je wilde,” zei ze. “Het Schild is uitgeschakeld. De Ring is van jou. Ga je me nu niet doden?” Hij schudde zijn hoofd. “Dit had ik niet van je verwacht,” zei hij uiteindelijk. “Wellicht laat ik je in leven. Misschien maak ik je zelfs tot mijn vrouw.” Luanda walgde bij de gedachte; dit was niet de reactie die ze had gewild. Ze spoog in zijn gezicht, hopend dat dat hem ertoe zou overhalen om haar te doden. Romulus veegde zijn gezicht af met de achterkant van zijn hand, en Luanda zette zich schrap. Ze verwachtte dat hij haar zou slaan, net als eerst, dat hij haar kaak zou verbrijzelen—dat hij haar zou laten boeten. Maar in plaats daarvan deed hij een stap naar voren, greep naar bij haar haren, trok haar naar zich toe en kuste haar hard. Ze voelde zijn lippen, grotesk, schraal. Ze bestonden puur uit spiermassa, net als een slang. Hij drukte haar tegen zich aan, steeds harder en harder, zo hard dat ze nauwelijks adem kon halen. Eindelijk trok hij terug—en toen gaf hij haar een klap in haar gezicht, zo hard dat haar huid leek te branden. Ze keek vol afschuw naar hem op. Ze begreep hem niet. “Bind haar vast en hou haar bij me in de buurt,” beval hij. Hij had zijn zin nog maar nauwelijks afgemaakt of zijn mannen hadden haar armen al achter haar rug vastgebonden. Romulus ogen werden groot van verrukking terwijl hij naar voren liep en zijn eerste stap op de brug zette. Er was geen Schild meer om hem tegen te houden. Hij stond daar veilig en wel. Romulus grijnsde breed en barstte in lachen uit. Het geluid galmde door het Ravijn. “Het is van mij,” bulderde hij. “Allemaal van mij!” Zijn stem echode keer op keer. “Mannen,” voegde hij toe. “Aanvallen!” Zijn troepen stormden langs hem heen, en hun geschreeuw werd beantwoord door de draken die boven het Ravijn vlogen. Ze zeilden door de wervelende mist, en hun gekrijs rees op naar de hemel, om de wereld te laten weten dat de Ring nooit meer hetzelfde zou zijn. HOOFDSTUK VIER Alistair lag in Erecs armen op het dek van het enorme schip, dat zachtjes op de golven deinde. Ze keek gefascineerd op naar de miljoenen rode sterren die als een deken over de nachtelijke hemel lagen, glinsterend in de verte; het warme zeebriesje streelde haar, en maakte haar slaperig. Ze voelde zich tevreden. Nu ze hier was, samen met Erec, voelde ze vrede; hier, in dit deel van de wereld, op deze uitgestrekte oceaan, voelde het alsof alle problemen in de wereld niet meer bestonden. Ze waren uit elkaar gehouden door oneindig veel obstakels, en nu kwamen haar dromen eindelijk uit. Ze waren samen, en er zou niets meer tussen hen in komen. Ze waren onderweg naar zijn eilanden, naar zijn thuisland, en als ze daar zouden arriveren, zou ze met hem trouwen. Ze wilde niets liever. Erec trok haar dicht naar zich toe, en ze kroop tegen hem aan terwijl ze opkeken naar de sterrenhemel en de zachte oceaanmist over hen heen spoelde. Ze voelde haar ogen zwaar worden. Terwijl ze naar de open hemel keek, dacht ze aan hoe groot de wereld was; ze dacht aan haar broer, Thorgrin, en ze vroeg zich af waar hij nu was. Ze wist dat hij onderweg was om hun moeder te zien. Zou hij haar vinden? Wat voor vrouw zou ze zijn? Bestond ze wel echt? Een deel van Alistair wilde met hem mee, zodat ze ook hun moeder kon ontmoeten; en een ander deel van haar miste de Ring, en wilde weer terug zijn op bekend terrein. Maar bovenal was ze opgewonden; opgewonden om samen met Erec een nieuw leven te beginnen, op een nieuwe plek, in een nieuw deel van de wereld. Ze wilde zijn mensen ontmoeten en zien hoe zijn thuisland eruit zag. Wie leefden er op de Zuidelijke Eilanden? vroeg ze zich af. Hoe waren zijn mensen? Zou zijn familie haar accepteren? Zouden ze haar verwelkomen, of zouden ze zich door haar bedreigd voelen? Zouden ze blij zijn dat ze zouden trouwen? Of hadden ze liever dat Erec met iemand van hun eigen volk trouwde? Waar ze zich nog het meest zorgen om maakte, was wat ze van haar zouden denken zodra ze erachter kwamen wat voor krachten ze had. Wat zouden ze doen als ze erachter kwamen dat ze een Druïde was? Zouden ze haar als een freak zien, een buitenstaander, net als de rest? “Vertel me weer over uw volk,” zei Alistair tegen Erec. Hij keek haar aan, en keek toen weer op naar de hemel. “Wat wilt u weten?” “Vertel me over uw familie,” zei ze. Erec dacht een tijdje zwijgend na. Toen sprak hij: “Mijn vader is een geweldige man. Hij is al koning van ons volk sinds hij net zo oud was als ik nu ben. Zijn naderende dood zal ons eiland voorgoed veranderen.” “En heeft u nog meer familie?” Erec aarzelde, en knikte toen. “Ja. Ik heb een zus… en een broer.” Hij aarzelde. “Mijn zus en ik, we hadden een hechte band toen we opgroeiden. Maar ik moet u waarschuwen, ze is erg territoriaal en snel jaloers. Ze vertrouwt buitenstaanders niet, en ze vindt het maar niets als er nieuwe mensen bij de familie komen. En mijn broer…” Erec dwaalde af. Alistair bleef aandringen. “Wat?” “Een betere vechter zult u niet ontmoeten. Maar hij is mijn jongere broertje, en hij wilde altijd de strijd met me aan gaan. Ik beschouwde hem altijd als mijn broertje, en hij heeft mij altijd als een tegenstander beschouwd, als iemand die hem in de weg stond. Ik weet niet waarom. Zo is het gewoon. Ik wou dat we een betere band met elkaar hadden.” Alistair keek hem verrast aan. Ze kon niet begrijpen hoe iemand niet van Erec kon houden. “Is het nog steeds zo?” vroeg ze. Erec haalde zijn schouders op. “Ik heb ze niet meer gezien sinds ik een kind was. Dit is de eerste keer dat ik terugkeer naar mijn thuisland; er zijn bijna dertig zonnecycli voorbij gegaan. Ik weet niet wat ik moet verwachten. Ik ben nu een product van de Ring. Maar als mijn vader sterft… ik ben de oudste. Mijn mensen verwachten van me dat ik de troon overneem.” Alistair zweeg even. Ze wilde niet opdringerig zijn. “En wilt u dat?” Erec haalde zijn schouders op. “Het is niet iets waar ik naar verlang. Maar als mijn vader het wenst… dan kan ik geen nee zeggen.” Alistair bekeek hem aandachtig. “U houdt heel veel van hem.” Erec knikte, en ze zag zijn ogen glinsteren in het licht van de sterren. “Ik hoop alleen dat ons schip arriveert voor hij sterft.” Alistair dacht na over zijn woorden. “En uw moeder?” vroeg ze. “Zal ze mij mogen?” Erec glimlachte breed. “Als een dochter,” zei hij. “Want ze zal zien hoeveel ik om u geef.” Ze kusten, en Alistair liet haar vingers in die van Erec glijden terwijl ze weer opkeek naar de sterrenhemel. “Onthoud dit, mijn vrouwe. Ik hou van u. Van u boven alles. Dat is het enige dat ertoe doet. Mijn mensen zullen ons de mooiste bruiloft schenken die de Zuidelijke Eilanden ooit hebben meegemaakt; ze zullen overladen met festiviteiten. En ze zullen allemaal van u houden.” Alistair hield Erecs hand stevig vast, en keek naar de sterren. Ze twijfelde niet aan zijn liefde voor haar, maar ze twijfelde aan zijn mensen, de mensen die hij zelf nauwelijks kende. Zouden ze haar echt omarmen, zoals hij dacht? Ze was er niet zo zeker van. Ineens hoorde Alistair zware voetstappen. Ze keek om en zag een bemanningslid naar de reling lopen en een grote vis overboord gooien. Er klonk een zachte plons, gevolgd door gespetter, terwijl een andere vis omhoog sprong en de eerste vis opat. Er rees een afschuwelijk geluid uit het water op, als een gekreun of een gehuil, gevolgd door meer geplons. Alistair wierp een blik op de zeeman. Hij was een onsmakelijk figuur, ongeschoren, gekleed in vodden, en hij miste flink wat tanden. Hij leunde over de rand en grijnsde breed. Hij draaide zich om en keek haar recht aan, zijn gezicht grotesk in het licht van de sterren. Alistair kreeg een onbehaaglijk gevoel. “Wat heb je overboord gegooid?” vroeg Erec. “De maag van een simka vis,” antwoordde hij. “Maar waarom?” “Het is vergif,” antwoordde hij grijnzend. “Elke vis die het opeet sterft ter plekke.” Alistair keek hem vol afschuw aan. “Maar waarom zou je de vissen willen doden?” De man grijnsde nog breder. “Ik vind het leuk om ze te zien sterven. Ik vind het leuk om ze te horen schreeuwen, en ik vind het leuk om ze te zien drijven, met hun buik omhoog. Het is leuk.” De man draaide zich om en liep langzaam terug naar de rest van de crew. Terwijl Alistair hem nakeek, voelde ze haar maag samentrekken. “Wat is er?” vroeg Erec. Alistair keek weg en schudde haar hoofd en probeerde het gevoel van zich af te schudden. Maar het ging niet weg; het was een afschuwelijk voorgevoel, en ze wist niet wat het betekende. “Niets, mijn heer,” zei ze. Ze nestelde zich weer in zijn armen en trachtte zichzelf te vertellen dat alles goed was. Maar diep van wist ze dat het tegenovergestelde waar was. * Erec werd wakker en voelde het schip langzaam op en neer deinen. Hij wist onmiddellijk dat er iets mis was. Het was de krijger in hem, het deel van hem dat hem altijd waarschuwde vlak voor er iets ergs gebeurde. Hij had altijd een zesde zintuig gehad, al sinds hij een jongen was. Hij ging rechtop zitten, alert, en keek om zich heen. Hij draaide zich om en zag Alistair naast hem liggen, diep in slaap. Het was nog donker, en de boot deinde zachtjes op de golven, maar toch wist hij dat er iets mis was. Hij keek weer om zich heen, maar kon niets vreemds ontdekken. Wat gevaar kon er hier, in de middle of nowhere, op de loer liggen, vroeg hij zich af? Was het slechts een droom? Erec, die op zijn instinct vertrouwde, reikte naar beneden om zijn zwaard te pakken. Maar voor hij het heft raakte, voelde hij ineens hoe er een zwaar net over hem heen viel. Het was gemaakt van het zwaarste touw dat hij ooit had gevoeld, bijna zwaar genoeg om iemand te verpletteren, en het viel helemaal over hem heen. Voor hij kon reageren, voelde hij hoe hij de lucht in werd getild. Hij zat als een wild dier gevangen in het net, de touwen zo strak om hem heen dat hij niet eens kon bewegen. Zijn schouders en armen en polsen en voeten werden strak tegen elkaar aan gedrukt. Hij werd steeds hoger en hoger getild, tot hij een goede zes meter boven het dek bungelde. Erecs hart ging hevig tekeer terwijl hij probeerde te begrijpen wat er aan de hand was. Hij keek naar beneden en zag Alistair onder zich, die net wakker werd. “Alistair!” riep Erec uit. Ze keek om zich heen, en toen ze eindelijk op keek en hem zag, betrok haar gezicht. “EREC!” riep ze. Erec kon slechts toekijken hoe enkele tientallen bemanningsleden met fakkels op haar afkwamen. Ze hadden een groteske grijns op hun gezicht en een kwade blik in hun ogen. “Het is hoog tijd dat hij haar met ons deelt,” zei één van hen. “Ik ga deze prinses leren wat het betekent om met een zeeman te leven!” zei een ander. De groep barstte in lachen uit. “Na mij,” zei een ander. “Niet voor ik mijn deel heb gehad,” zei een ander. Erec probeerde met alles dat hij had om vrij te breken terwijl ze op haar afkwamen. Maar het had geen zin. Zijn schouders en armen zaten zo strak vast, hij kon er geen beweging in krijgen. “ALISTAIR!” schreeuwde hij wanhopig. Hij kon niets anders doen dan hulpeloos toekijken. Drie zeemannen besprongen Alistair van achteren; Alistair schreeuwde het uit terwijl ze haar overeind trokken. Ze scheurden haar shirt en trokken haar armen achter haar rug. Ze hielden haar stevig vast terwijl er nog meer zeemannen aan kwamen lopen. Erec zocht naar een teken van de kapitein; hij zag hem vanaf het bovenste dek toekijken. “Kapitein!” schreeuwde Erec. “Dit is jouw schip. Doe iets!” De kapitein keek hem aan, en draaide zich toen om, alsof hij het niet wilde zien. Erec keek wanhopig toe terwijl één van de mannen een mes trok en hem tegen Alistairs keel hield. Alistair schreeuwde het uit. “NEE!” schreeuwde Erec. Het was alsof er zich een nachtmerrie onder hem ontvouwde—en er was niets dat hij kon doen. HOOFDSTUK VIJF Thorgrin stond tegenover Andronicus op het slagveld, omgeven door dode soldaten. Hij hief zijn zwaard en bracht hem neer naar Andronicus’ borst; Andronicus liet zijn wapens vallen, glimlachte breed, en wilde hem omhelzen. Mijn zoon. Thor probeerde zichzelf te stoppen, maar het was al te laat. Zijn zwaard sneed dwars door zijn vader heen, en terwijl Andronicus door tweeën werd gespleten, werd Thor overspoeld door verdriet. Thor knipperde met zijn ogen, en liep hand in hand met Gwen naar het altaar. Hij besefte dat het hun bruiloft was. Ze liepen richting een bloedrode zon, en terwijl Thor om zich heen keek, zag hij dat alle stoelen leeg waren. Hij draaide zich om naar Gwen, en terwijl ze hem aanstaarde zag hij haar huid uitdrogen. Ze werd een skelet, en viel in zijn hand uiteen, tot er niets meer van haar over was behalve een hoopje as aan zijn voeten. Thor stond ineens voor zijn moeders kasteel. Op de één of andere manier was hij de loopbrug overgestoken, en hij stond voor de immens grote, gouden dubbele deuren, die drie keer zo hoog waren als hij zelf. Er was geen deurknop, en hij begon op de deuren te slaan, tot zijn handpalmen begonnen te bloeden. Het geluid galmde door de leegte. Maar er kwam geen antwoord. Thor gooide zijn hoofd achterover. “Moeder!” schreeuwde hij. Thor liet zich op zijn knieën vallen, en op dat moment veranderde de grond in modder. Thor gleed van de klif af, zwaaiend met zijn armen. Hij gleed tientallen meters naar beneden, op de kolkende oceaan af. Hij strekte zijn armen uit naar de hemel en zag zijn moeders kasteel uit het zicht verdwijnen. Hij gilde. Thor opende zijn ogen, buiten adem. De wind streek langs zijn gezicht, en hij keek om zich heen terwijl hij erachter probeerde te komen waar hij was. Hij keek naar beneden en zag een oceaan onder zich voorbij glijden. Hij keek op en zag dat hij iets ruws vasthield, en toen hij het gefladder van vleugels hoorde, besefte hij dat het Mycoples was. Zijn handen waren koud van de nachtlucht, zijn gezicht gevoelloos van de zeewind. Mycoples vloog met grote snelheid, en Thor realiseerde zich dat hij in slaap was gevallen. Ze vlogen nog steeds, zoals ze al dagen hadden gedaan. De nachtelijke hemel was gevuld met een miljoen twinkelende rode sterren. Thor haalde diep adem en veegde zijn bezwete voorhoofd af. Hij had zichzelf beloofd om alert te blijven, maar ze hadden al zoveel dagen gevlogen, op weg naar het Land van de Druïden, dat hij zich niet tegen de slaap had kunnen verzetten. Gelukkig had Mycoples geweten dat hij sliep, en ze was gestaag doorgevlogen, terwijl ze ervoor had gezorgd dat hij niet van haar rug af viel. Het was alsof ze één waren. Hoe erg Thor de Ring ook miste, hij was in elk geval dolblij om weer bij zijn oude vriendin te zijn; hij kon voelen dat zij ook blij was om bij hem te zijn. Hij wist dat Mycoples hem nooit iets zou laten overkomen—en dat was wederzijds. Thor keek naar beneden en bestudeerde de schuimende, lichtgevende groene wateren; dit was een vreemde, exotische zee, een zee die hij nog niet eerder had gezien. Ze bleven naar het noorden vliegen en volgden de pijl op het reliek dat hij in zijn thuisstad had gevonden. Thor voelde dat ze steeds dichter bij zijn moeder kwamen, bij haar land, het land van de Druïden. Hij kon het voelen. Thor hoopte maar dat de pijl accuraat was. Diep van binnen wist hij dat dat het geval was. Hij kon met elke vezel in zijn lichaam voelen dat hij hem dichter bij zijn moeder bracht, bij zijn lotsbestemming. Thor wreef in zijn ogen, vastberaden om wakker te blijven. Hij had gedacht dat ze inmiddels wel het Land van de Druïden bereikt zouden hebben; het voelde alsof ze al de halve wereld over waren gevlogen. Eventjes maakte hij zich zorgen: wat als het allemaal maar een fantasie was? Wat als zijn moeder niet bestond? Wat als het Land van de Druïden niet bestond? Wat als hij gedoemd was om haar nooit te vinden? Hij probeerde die gedachten uit zijn hoofd te zetten. Sneller, dacht Thor. Mycoples spinde en bracht haar hoofd naar beneden. Ze doken de mist in, richting een punt aan de horizon waarvan Thor niet eens wist of het wel echt bestond. * De ochtend brak aan zoals Thor nog nooit had gezien. De hemel werd verlicht door niet twee maar drie zonnen, die alle drie opkwamen op verschillende punten aan de horizon, één rood, één groen, één paars. Ze vlogen vlak boven de wolken, die zich onder hen uit strekten als een deken van kleur, zo dichtbij dat Thor ze kon aanraken. Het was de mooiste zonsopkomst die Thor ooit had gezien. De verschillende kleuren van de zonnen vielen door de wolken heen, en het was een schitterend schouwspel. Het voelde alsof hij de geboorte van de wereld in vloog. Thor stuurde Mycoples naar beneden, en hij voelde het vocht terwijl ze het wolkendek in doken; even was zijn wereld gehuld in verschillende kleuren, en toen werd hij verblind. Terwijl ze de wolken uit vlogen, verwachtte Thor weer een oceaan te zien, een zoveelste eindeloze uitgestrektheid van niets. Maar deze keer zag hij iets anders. Thors hart begon te bonzen terwijl hij het uitzicht zag opdoemen waar hij al zolang naar verlangde, het uitzicht waarover hij gedroomd had. Daar, ver onder hem, kwam land in zicht. Het was een eiland, gehuld in de mist, midden in deze ongelofelijke oceaan gelegen. Zijn reliek vibreerde. Hij keek ernaar en zag de pijl recht naar beneden wijzen. Maar hij hoefde het niet eens te zien om het te weten. Hij voelde het, met elke vezel in zijn lichaam. Ze was daar. Zijn moeder. Het magische Land van de Druïden bestond echt, en hij was gearriveerd. Naar beneden, mijn vriendin, dacht Thor. Mycoples dook naar beneden, en terwijl ze dichterbij kwamen zag Thor eindeloze velden met bloemen, opmerkelijk vergelijkbaar met de velden die hij in het Koninklijk Hof had gezien. Hij begreep het niet. Het eiland voelde zo bekend, bijna alsof hij weer thuis was gekomen. Hij had verwacht dat het land exotischer zou zijn. Hoe kon het zo bekend aanvoelen? Het eiland werd omgeven door een uitgestrekt strand van glinsterend rood zand. Terwijl ze naderden, zag Thor iets dat hem verraste: er leek een entree naar het eiland te zijn, bestaande uit twee massieve pilaren, de hoogste pilaren die hij ooit had gezien. Ze leken in de wolken te verdwijnen. Het hele eiland werd omgeven door een muur, misschien zes meter hoog. Door de pilaren scheen de enige manier te zijn om te voet binnen te komen. Aangezien hij op Mycoples zat, besloot Thor dat hij niet tussen de pilaren door hoefde. Hij kon gewoon over de muur heen vliegen en op het eiland landen. Tenslotte was hij niet te voer. Thor vroeg Mycoples over de muur heen te vliegen, maar toen ze dichterbij kwam verraste ze hem. Ze krijste en deinsde achteruit, tot ze bijna verticaal vloog. Ze hield abrupt halt, alsof ze tegen een onzichtbaar schild aan vloog, en Thor moest zich vasthouden voor zijn leven. Thor stuurde haar aan om verder te vliegen, maar ze wilde niet verder. Toen besefte Thor dat het eiland omgeven was door een soort energieveld, één die zo krachtig was dat zelfs Mycoples er niet doorheen kon komen. Ze konden niet over de muur heen vliegen; ze moesten tussen de pilaren door, te voet. Thor en Mycoples doken naar beneden, naar de rode kust. Ze landden voor de pilaren, en Thor probeerde Mycoples door de grote poorten heen te sturen, om het Land van de Druïden binnen te gaan. Maar Mycoples hief haar klauwen. Ik kan niet naar binnen. Thor voelde Mycoples’ gedachten door zich heen stromen. Hij keek in haar enorme gloeiende ogen, en hij begreep het. Ze vertelde hem dat hij het Land van de Druïden alleen moest binnengaan. Thor sprong op het rode zand en bekeek de pilaren. “Ik kan je hier niet achterlaten, mijn vriendin,” zei Thor. “Het is te gevaarlijk voor je. Als ik alleen moet gaan, dan moet dat maar. Ga terug naar huis. Wacht daar op me.” Mycoples schudde haar hoofd en legde gelaten haar hoofd op de grond. Ik zal tot het einde van de wereld op je wachten. Thor kon zien dat ze vastberaden was om te blijven. Hij wist dat ze koppig was, en dat ze niet aan hem zou toegeven. Thor leunde naar voren, streelde de schubben op Mycoples’ lange neus, en kuste haar. Ze spinde, tilde haar hoofd op en duwde haar neus tegen zijn borst. “Ik zal voor je terugkomen,” zei Thor. Thor draaide zich om naar de massieve gouden pilaren. Ze glommen in de zon en verblindden hem bijna. Hij had zich nog nooit zo levend gevoeld als toen hij door de poort liep, en eindelijk het Land van de Druïden betrad. HOOFDSTUK ZES Gwendolyn zat achterin de wagen die over de landweg hobbelde, aan het hoofd van de expeditie die naar het westen trok. Gwendolyn was tevreden met hoe de evacuatie tot dusver was verlopen, en tevreden met de vooruitgang die haar mensen hadden geboekt. Ze haatte het dat ze haar stad moest achterlaten, maar ze was er in elk geval van overtuigd dat ze voldoende afstand hadden afgelegd om in veiligheid te zijn. En ze waren goed op weg naar hun uiteindelijke bestemming: ze zouden de Westelijke Oversteek van het Ravijn nemen, aan boord gaan van haar schepen aan de kust van de Tartuvische zee, en de oceaan oversteken naar de Hoge Eilanden. Ze wist dat het de enige manier was om haar mensen in veiligheid te brengen. Om haar heen liepen duizenden mensen te voet, en hobbelden nog eens duizenden anderen in hun wagens. Het geluid van de paardenhoeven, van de gestage bewegingen van de wagens, vulde Gwens oren. Ze raakte verdwaald in de eentonigheid van de tocht. Ze hield Guwayne tegen zich aan en wiegde hem zachtjes heen en weer. Naast haar zaten Steffen en Illepra, die haar de hele weg zouden vergezellen. Gwendolyn keek uit naar de weg die voor haar lag en probeerde zich in te beelden dat ze ergens anders was. Ze had zo hard gewerkt om dit koninkrijk te herbouwen, en nu moest ze het ontvluchten. De McClouds hadden haar gedwongen haar massa evacuatie plan uit te voeren—een plan dat ze had opgesteld naar aanleiding van alle eeuwenoude voorspellingen, Argons hints, haar eigen dromen. Maar wat als ze het verkeerd had? Wat als het allemaal niet meer dan dromen waren geweest? Wat als de situatie in de Ring niet uit de hand zou lopen? Wat als dit niets meer was dan een overdreven reactie, een onnodige evacuatie? Ze kon tenslotte ook haar mensen naar een andere stad binnen de Ring evacueren, zoals Silesia. Ze hoefde hen echt niet naar de andere kant van de oceaan te brengen. Tenzij ze een complete vernietiging van de Ring voorzag. En afgaande op alles dat ze had gelezen en gehoord en gevoeld, was dat onvermijdelijk. Een evacuatie was de enige manier, verzekerde ze zichzelf. Terwijl Gwen naar de horizon staarde, wenste ze dat Thor bij haar was. Ze keek op naar de lucht en vroeg zich af waar hij nu was. Had hij het Land van de Druïden al gevonden? Had hij zijn moeder gevonden? Zou hij voor haar terugkomen? En zouden ze ooit trouwen? Gwen keek in Guwaynes ogen en zag Thors grijze ogen haar aanstaren. Ze drukte hem steviger tegen zich aan. Ze probeerde niet te denken aan het offer dat ze had moeten maken in de Onderwereld. Zou het allemaal uitkomen? Kon het lot echt zo wreed zijn? “Mijn vrouwe?” Gwen schrok op; ze draaide zich om en zag Steffen omhoog wijzen, naar de lucht. Ze zag dat overal om hen heen mensen halt hielden, en ineens voelde ze ook haar eigen wagen halt houden. Ze vroeg zich af waarom de koetsier was gestopt zonder haar bevel. Gwen volgde Steffens vinger, en daar, aan de horizon, zag ze drie brandende pijlen hoog de lucht in schieten, waarna ze weer naar de grond vielen, als vallende sterren. Drie brandende pijlen. Dat kon maar één ding betekenen: het teken van de MacGils. De klauwen van de valk. Die werden gebruikt om het teken van overwinning te geven. Het was een signaal dat gebruikt was door haar vader en zijn vader voor hem, een signaal dat alleen voor MacGils bestemd was. Er was geen twijfel mogelijk: het betekende dat de MacGils hadden gewonnen. Ze hadden het Koninklijk Hof terug gewonnen. Maar hoe was dat mogelijk? vroeg ze zich af. Toen ze waren vertrokken, was er geen hoop op overleven geweest, laat staan op een overwinning. In de verte zag Gwen dat er een banner werd gehesen. Ze kneep haar ogen samen. Geen twijfel mogelijk: het was de banner van de MacGils. Dat kon alleen maar betekenen dat het Koninklijk Hof weer in handen van de MacGils was. Aan de ene kant was Gwen dolblij. Ze wilde direct weer terugkeren. Maar terwijl ze keek naar de afstand die ze hadden afgelegd, dacht ze aan Argons voorspellingen, aan de rollen die ze had gelezen, aan haar eigen voorgevoelens. Diep van binnen voelde ze dat haar mensen nog steeds geëvacueerd moesten worden. De MacGils hadden wellicht het Koninklijk Hof heroverd; maar dat betekende niet dat de Ring veilig was. Gwendolyn wist nog steeds zeker dat er iets veel ergers aankwam, en dat ze haar mensen hier vandaan moest zien te krijgen. “Het lijkt erop dat we hebben gewonnen,” zei Steffen. “Een reden voor feest!” riep Aberthol uit, die op haar wagen afliep. “Het Koninklijk Hof is weer van ons!” riep een burger uit. Er rees een gejuich op. “We moeten onmiddellijk terugkeren!” riep een ander. Weer gejuich. Maar Gwen schudde vastbesloten haar hoofd. Ze ging staan, en alle ogen richtten zich op haar. “We gaan niet terug!” riep ze naar haar mensen. “We zijn de evacuatie begonnen, en we moeten ons aan het plan houden. Ik weet dat de Ring in groot gevaar is. Ik moet jullie in veiligheid brengen nu het nog kan, nu we nog een kans hebben.” Haar mensen gromden ontevreden, en er stapten enkele burgers naar voren, die naar de horizon wezen. “Ik weet niet hoe het met jullie zit,” bulderde er één, “maar het Koninklijk Hof is mijn thuis! Het is alles dat ik ken! En ik ben niet van plan om de zee over te steken naar één of andere vreemd eiland, terwijl onze stad nog intact is én in handen van de MacGils! Ik ga terug naar het Koninklijk Hof!” Er rees een luid gejuich op, en de man begon terug te lopen. Honderden mensen volgden hem, lieten hun wagens keren, en begonnen hun reis terug naar het Koninklijk Hof. “Mijn vrouwe, moet ik hen tegenhouden?” vroeg Steffen paniekerig, trouw als altijd. “Dit is de stem van het volk, mijn vrouwe,” zei Aberthol, die naar haar toe liep. “Het zou dwaas zijn om hen te negeren. Dat kunt u niet. Het is hun thuis. Het is alles dat ze hebben. Verzet u niet tegen uw eigen mensen. Leidt hen niet zonder goede reden.” “Maar ik heb een goede reden,” zei Gwen. “Ik weet dat er verwoesting aan komt.” Aberthol schudde zijn hoofd. “Maar zij niet,” antwoordde hij. “Ik twijfel niet aan u. Maar een koningin plant vooruit, terwijl de massa handelt op instinct. En een koningin is slechts zo machtig als de massa wil dat ze is.” Gwen brandde van frustratie terwijl ze toekeek hoe haar mensen haar bevelen negeerden en terug naar het Koninklijk Hof keerden. Het was de eerste keer dat ze zich openlijk tegen haar hadden verzet, dat ze haar openlijk hadden getart. Ze vond het maar niets. Was dit een voorteken? Waren haar dagen als koningin geteld? “Mijn vrouwe, zal ik de soldaten bevelen om ze tegen te houden?” vroeg Steffen. Ze had het gevoel alsof hij de enige was die nog trouw aan haar was. Een deel van haar wilde ja zeggen. Maar terwijl ze hen nakeek, wist ze dat het zinloos zou zijn. “Nee,” zei ze zachtjes. Haar stem klonk gebroken. Wat haar nog het meest pijn deed was de gedachte dat hun acties alleen maar tot hun ondergang zouden leiden, en dat er niets was dat ze kon doen om hen tegen te houden. “Ik kan niet voorkomen wat het lot voor hen heeft bepaald.” * Gwendolyn was moedeloos terwijl ze haar mensen volgde en door de achterste poorten van het Koninklijk Hof reed. In de verte kon ze het geschreeuw en gejuich van de feestvierende mensen aan de andere kant al horen. Haar mensen waren dolblij. Ze dansten en juichten en gooiden hun hoeden in de lucht terwijl ze door de poorten heen stroomden, terug de stad in waar ze van hielden, de stad die ze hun thuis noemden. Iedereen haastte zich om de Krijgsmacht, Kendrick en de Zilveren te feliciteren met de overwinning. Maar Gwendolyn werd verscheurd door tegenstrijdige gevoelens. Aan de ene kant was ze natuurlijk dolblij om weer terug te zijn, dolblij dat ze de McClouds hadden verslagen, dolblij om te zien dat Kendrick en de anderen veilig waren. Ze was trots om de lijken van de McClouds te zien liggen, en ze was dolblij dat haar broer Godfrey, die ergens aan de kant zat en met zijn hoofd in zijn handen zijn wond verzorgde, het had overleefd. Maar tegelijkertijd kon Gwendolyn haar onheilspellende voorgevoel niet van zich af zetten. Ze wist zeker dat hen iets verschrikkelijks te wachten stond, en dat ze moesten evacueren voor het te laat was. Maar haar mensen werden meegesleurd door de overwinning. Ze waren niet voor rede vatbaar. Ze werd met duizenden anderen de uitgestrekte stad in geleid die ze zo goed kende. Terwijl ze naar binnen gingen zag Gwen tot haar opluchting dat de McClouds snel waren gedood, voordat ze de kans hadden gekregen om veel schade aan te brengen. “Gwendolyn!” Gwendolyn draaide zich om en zag Kendrick afstijgen en naar haar toe rennen. Hij omhelsde haar, en ze overhandigde Guwayne aan Illepra naast haar, waarna ze hem terug knuffelde. Zijn wapenrusting voelde hard en koud aan. “Mijn broer,” zei ze terwijl ze naar hem op keek. Zijn ogen glommen van de overwinning. “Ik ben trots op je. Je hebt meer gedaan dan onze stad behouden—je hebt onze aanvallers uitgeschakeld. Jij en je Zilveren. Je bent de belichaming van onze erecode. Vader zou trots op je zijn.” Kendrick boog grijnzend zijn hoofd. “Ik ben dankbaar voor je woorden, zus. Ik kon niet toelaten dat je stad, onze stad, vaders stad, door die heidenen vernietigd zou worden. Ik was niet alleen; je moet weten dat onze broer Godfrey het eerste verzet heeft gedaan. Hij en een handjevol anderen, en zelfs de Krijgsmacht—ze hebben allemaal geholpen om de aanvallers te verslaan.” Gwen draaide zich om en zag een glimlachende Godfrey naar hen toe lopen. Hij hield één hand tegen de zijkant van zijn hoofd aan, dat besmeurd was met opgedroogd bloed. “Je bent vandaag een man geworden, mijn broer,” zei ze tegen hem terwijl ze een hand op zijn schouder legde. “Vader zou trots zijn.” Godfrey glimlachte schaapachtig terug. “Ik wilde je alleen waarschuwen,” zei hij. Ze glimlachte. “Je hebt veel meer gedaan.” Godfrey werd op de voet gevolgd door Elden, O’Connor, Conven en tientallen leden van de Krijgsmacht. “Mijn vrouwe,” zei Elden. “Onze mannen hebben hier vandaag dapper gevochten. Helaas hebben we er ook veel verloren.” Gwen keek langs hem heen en zag de levenloze lichamen die verspreid door het Koninklijk Hof lagen. Er waren duizenden McClouds bij—maar ook tientallen rekruten van de Krijgsmacht. Zelfs een handjevol Zilveren. Het bracht pijnlijke herinneringen naar boven aan de laatste keer dat haar stad werd bezet. Het was moeilijk voor Gwen om naar te kijken. Ze draaide zich om en zag een tiental McClouds, gevangenen, nog steeds in leven, hun hoofden gebogen, hun handen achter hun ruggen vastgebonden. “En wie zijn dit?” vroeg ze. “De McCloud generaals,” antwoordde Kendrick. “We hebben ze in leven gehouden. Zij zijn de enigen die nog over zijn van hun leger. Wat wilt u dat we met ze doen?” Gwendolyn liet langzaam haar blik over hen heen glijden en keek hen in de ogen. Ze staarden allemaal trots en uitdagend terug. Het waren ruwe mannen, typische McClouds, en ze leken geen berouw te tonen. Gwen zuchtte. Er was een tijd geweest waar ze had gedacht dat vrede het antwoord was op alles, dat als ze maar vriendelijk en genadig genoeg was voor haar buren, als ze maar genoeg goodwill kon tonen, ze wel aardig zouden zijn voor haar en haar mensen. Maar hoe langer ze regeerde, hoe meer ze zag dat anderen haar ouvertures van vrede alleen maar als een teken van zwakte zagen, als iets waar ze misbruik van konden maken. Al haar inspanningen voor vrede waren uitgelopen in een verassingsaanval. Op Pelgrimage Dag nog wel, de heiligste dag van het jaar. Gwendolyn voelde zichzelf hard worden van binnen. Ze had niet meer dezelfde naïviteit, hetzelfde vertrouwen in de mens, als vroeger. Ze begon steeds meer vertrouwen te krijgen in een bewind van staal. Terwijl Kendrick en de anderen haar afwachtend aankeken, hief Gwendolyn haar stem: “Dood ze,” zei ze. Hun ogen sperden zich open van verassing. Ze hadden dit duidelijk niet verwacht van hun koningin, die altijd naar vrede had gestreefd. “Heb ik dat goed verstaan, mijn vrouwe?” vroeg Kendrick. Hij klonk geschokt. Gwendolyn knikte. “Dat heb je,” antwoordde ze. “Als je klaar bent, verzamel je hun lichamen, en zorg je dat ze buiten onze poorten komen.” Gwendolyn draaide zich om en liep weg over het binnenplein van het Koninklijk Hof, en hoorde het geschreeuw van de McClouds achter zich. Ondanks haar besluit kromp ze ineen. Gwen liep door een stad die bezaaid was met lijken, en tegelijkertijd werd gevuld met gejuich en muziek. Duizenden mensen keerden weer terug naar hun huizen, alsof er niets was gebeurd. Haar hart vulde zich met angst. “De stad is weer van ons,” zei Kendrick, die naast haar kwam staan. Gwendolyn schudde haar hoofd. “Niet voor lang.” Hij keek haar verbaasd aan. “Wat bedoel je?” Ze stopte en keek hem aan. “Ik heb de voorspellingen gezien,” zei ze. “De oude geschriften. Ik heb met Argon gesproken. Ik heb een droom gehad. We worden aangevallen. Het was een fout om hier terug te komen. We moeten onmiddellijk evacueren.” Kendricks gezicht betrok, en Gwen zuchtte terwijl ze naar haar mensen keek. “Maar mijn mensen willen niet luisteren.” Kendrick schudde zijn hoofd. “Wat als je het mis hebt?” zei hij. “Wat als je te veel naar voorspellingen hebt gekeken? We hebben de beste strijdmacht ter wereld. Er kan niets door onze poorten heen. De McClouds zijn dood, en we hebben geen andere vijanden in de Ring. Het Schild is sterk. En we hebben Ralibar, waar hij ook is. Je hebt niets te vrezen. Wij hebben niets te vrezen.” Gwendolyn schudde haar hoofd. “Dat is precies het moment waarop je het meest te vrezen hebt,” antwoordde ze. Kendrick zuchtte. “Mijn vrouwe, dit was slechts één aanval,” zei hij. “Ze hebben ons verrast op Pelgrimage Dag. We zullen het Koninklijk Hof nooit meer onbewaakt achterlaten. Deze stad is een fort. Hij staat al duizenden jaren. Er is niemand meer over om ons te onderwerpen.” “Je hebt het mis,” zei ze. “Nou, zelfs als dat zo is, je ziet dat de mensen niet weg willen. Mijn zus,” zei Kendrick zachtjes, “ik hou van je. Maar ik spreek als je commandant. Als de commandant van de Zilveren. Als je tracht je mensen te dwingen tot evacuatie, om iets te doen wat ze niet willen, dan komt er een opstand. Ze zien het gevaar niet dat jij ziet. En om eerlijk te zijn zie ik het ook niet.” Gwendolyn keek naar haar mensen en ze wist dat Kendrick gelijk had. Ze zouden niet naar haar luisteren. Zelfs haar eigen broer geloofde haar niet. En het brak haar hart. * Gwendolyn stond op de bovenste borstweringen van haar kasteel. Ze hield Guwayne stevig vast en keek uit naar de twee ondergaande zonnen. Beneden hoorde ze het gesmoorde gejuich en geschreeuw van haar mensen, die zich voorbereidden op een nacht van feestvieren. Ze zag de glooiende heuvels die het Koninklijk Hof omgaven. Een koninkrijk op zijn top. Eindeloze groene velden, boomgaarden. Een land van overvloed. Het volk was tevreden, herbouwd na zo veel tragedie, en ze zag een vredige wereld. Gwen fronste. Ze vroeg zich af hoe hier enige vorm van duisternis kon doordringen. Misschien was de duisternis die ze in haar dromen had gezien al gekomen in de vorm van de McClouds. Misschien was het kwaad al afgewend, dankzij Kendrick en de anderen. Misschien had Kendrick wel gelijk. Misschien was ze wel te voorzichtig geworden sinds ze Koningin was geworden. Misschien had ze wel teveel tragedie gezien. Misschien keek ze, zoals Kendrick zei, wel te veel naar voorspellingen. Tenslotte waren het drastische maatregelen, om haar mensen te evacueren, hen over het Ravijn te leiden en hen naar de kwetsbare Hoge Eilanden te brengen. Het waren maatregelen voor de grootste calamiteiten. Wat als ze het plan door zou zetten, en er geen tragedie zou plaatsvinden in de Ring? Ze zou voor altijd bekend staan als de Koningin die in paniek raakte zonder dat er gevaar dreigde. Gwendolyn zuchtte en trok Guwayne dichter tegen zich aan terwijl hij draaide in haar armen, en vroeg zich af of ze soms gestoord werd. Ze keek op en zocht naar een teken van Thorgrin, hopend, biddend. Ze hoopte ook op een teken van Ralibar, waar hij dan ook was. Maar ook hij was nog niet teruggekeerd. Gwen keek teleurgesteld naar een lege hemel. Wederom kon ze alleen op zichzelf rekenen. Zelfs haar mensen, die haar altijd hadden gesteund, die tegen haar hadden opgekeken, leken haar nu niet meer te vertrouwen. Haar vader had haar hier nooit op voorbereid. Wat voor Koningin was ze zonder de steun van haar mensen? Ze was machteloos. Gwen wilde wanhopig graag iemand om raad vragen. Maar Thorgrin was weg; haar moeder was weg; het leek of iedereen waar ze van hield weg was. Ze had het gevoel dat ze op een tweesplitsing stond, en ze had zich nog nooit zo verward gevoeld. Gwen sloot haar ogen en bad tot God om hulp. Ze probeerde hem met al haar wilskracht op te roepen. Ze was nooit iemand geweest die veel bad, maar haar geloof was sterk, en ze wist zeker dat hij bestond. Alstublieft, God. Ik ben zo door de war. Laat me zien hoe ik mijn mensen kan beschermen. Laat me zien hoe ik Guwayne kan beschermen. Laat me zien hoe ik goed kan regeren. “Gebeden zijn erg krachtig,” klonk een stem. Gwendolyn draaide zich met een ruk om, opgelucht bij het horen van de stem. Daar, slechts enkele meters bij haar vandaan, stond Argon. Hij was gekleed in zijn witte mantel en hield zijn staf vast terwijl hij naar de horizon staarde. “Argon, ik heb antwoorden nodig. Alsjeblieft. Help me.” “We hebben altijd behoefte aan antwoorden,” antwoordde hij. “En toch krijgen we ze niet altijd. Onze levens zijn bedoeld om uit te leven. We kunnen niet altijd weten wat de toekomst brengt.” “Maar er kan wel naar gehint worden,” zei Gwendolyn. “Alle voorspellingen die ik heb gelezen, alle rollen, de geschiedenis van de Ring—alles wijst nog steeds op een naderende duisternis. Je moet het me vertellen. Zal die duisternis komen?” Argon draaide zich om en staarde haar aan. Zijn ogen waren gevuld met vuur, donkerder en angstaanjagender dan ze ze ooit had gezien. “Ja,” antwoordde hij. De definiviteit van zijn antwoord joeg haar meer angst aan dat wat dan ook. Hij, Argon, die altijd in raadsels sprak. Gwen huiverde. “Zal het hierheen komen, naar het Koninklijk Hof?” “Ja,” antwoordde hij. Gwen voelde zich nog banger worden. Ze was er van overtuigd geweest dat het zou komen, en ze had gelijk gehad. “Zal de Ring vernietigd worden?” vroeg ze. Argon keek haar aan, en knikte langzaam. “Er zijn slechts weinig dingen die ik je nog kan vertellen,” zei hij. “Als je wil, kan dit er één van zijn.” Gwen dacht lang en hard na. Ze wist dat Argons wijsheid heel waardevol was. Maar dit was iets dat ze echt moest weten. “Vertel het me,” zei ze. Argon haalde diep adem en staarde naar de horizon. Zijn zwijgen leek eeuwig te duren. “De Ring zal vernietigd worden. Alles dat je kent, alles waar je van houdt, zal weggevaagd worden. Van de plek waar je nu staat zal niets meer over zijn dan smeulende resten en as. De hele Ring zal uit as bestaan. Je land zal verwoest worden. Er nadert een duisternis. Een duisternis die we niet kunnen bevatten.” Gwendolyn voelde zijn woorden door haar hoofd galmen, voelde zijn stem resoneren. Ze wist dat ieder woord waar was. “Mijn mensen zien het niet,” zei ze met een trillende stem. Argon haalde zijn schouders op. “Je bent Koningin. Soms moet er kracht gebruikt worden. Niet alleen tegen vijanden, maar ook tegen het eigen volk. Doe wat je kent. Je hoeft niet altijd naar de goedkeuring van je mensen te zoeken. Goedkeuring is een ongrijpbaar iets. Soms, als je mensen je haten, is dat een teken dat je doet wat voor hen het beste is. Je vader was gezegend met een bewind van vrede. Maar jij, Gwendolyn, wordt onderworpen aan een veel grotere test: je zult een bewind van staal hebben.” Terwijl Argon zich omdraaide om te vertrekken, liep Gwendolyn naar hem toe. “Argon,” zei ze. Hij stopte, maar draaide zich niet naar haar om. “Vertel me nog één ding. Ik smeek het je. Zal ik Thorgrin weer zien?” Hij pauzeerde, een lange, zware stilte. In die stilte voelde ze haar hart breken, hopend en biddend dat hij haar nog één antwoord zou geven. “Ja,” antwoordde hij. Haar hart ging hevig tekeer. Ze verlangde naar meer. “Kun je me niets meer vertellen?” Hij draaide zich om en keek haar somber aan. “Herinner je de keus die je hebt gemaakt. Niet elke liefde is voorbestemd om eeuwig te duren. Hoog boven haar hoorde Gwen een valk krijsen, en ze keek op. Toen ze weer naar Argon keek, was hij verdwenen. Ze trok Guwayne dicht tegen zich aan en keek uit over haar koninkrijk. Ze wilde het zich herinneren zoals het nu was, nu het nog levendig was. Voor het allemaal in as zou veranderen. Ze vroeg zich af wat voor gevaar er schuil ging achter al die schoonheid. Ze huiverde toen ze zich realiseerde dat het niet lang meer zou duren voor ze daar achter zouden komen. HOOFDSTUK ZEVEN Stara schreeuwde het uit terwijl ze in de verblindende wind en regen door de lucht viel, Reece, Matus en Srog naast haar. Ze zette zich schrap terwijl ze de grote struiken snel op zich af zag komen, en ze besefte dat die struiken haar enige kans waren om deze val te overleven. Een moment later voelde het alsof alle botten in haar lichaam braken. Ze viel in de struiken—die maar nauwelijks haar val braken—en viel door tot ze de grond raakte. Ze voelde hoe de lucht uit haar longen werd geperst, en ze wist zeker dat ze minstens één rib had gekneusd. Tegelijkertijd besefte ze dat de grond zachter en modderiger was dan ze had gedacht. De anderen kwamen naast haar op de grond terecht, en de modder gleed onder hen vandaan. Stara had niet geanticipeerd op het feit dat ze op een steile helling terecht zouden komen, en voor ze door had wat er gebeurde waren ze in een modderstroom terecht gekomen. Ze rolden en gleden op volle snelheid van de berg af. Stara wierp een blik over haar schouder en zag haar vaders kasteel snel uit het zicht verdwijnen. De modderstroom bracht hen snel van hun aanvallers weg. Stara keek weer voor zich en wist de stenen die op haar pad lagen nog maar net te ontwijken. Ze gleed zo snel dat het haar de adem benam. De modder was ongelofelijk glad, en het begon steeds harder te regenen. Ze probeerde zichzelf af te remmen, maar het had geen zin. Net toen Stara zich afvroeg of er ooit een einde aan de modderstroom zou komen, werd ze overspoeld door paniek toen ze zich herinnerde waar de helling naar toe leidde: een klif. Als ze niet snel zouden stoppen, besefte ze, zouden ze allemaal dood gaan. Stara zag dat de anderen ook niet konden stoppen. Ze deden hun uiterste best, maar waren hulpeloos. Stara keek voor zich uit en zag tot haar afschuw de afgrond snel dichterbij komen. Ze konden met geen mogelijkheid stoppen, en stonden op het punt om over de afgrond te gaan. Ineens zag Stara dat Srog en Matus afweken naar links, richting een kleine grot aan de rand van de afgrond. Op de één of andere manier slaagden ze erin om houvast te vinden met hun voeten, en vlak voor ze over de rand zouden gaan tot stilstand te komen. Stara probeerde haar hielen in de modder te zetten, maar het werkte niet; ze bleef doorglijden, en begon te schreeuwen, wetende dat ze binnen één seconde van de klif zou storten. Plotseling voelde Stara hoe ze bij de achterkant van haar shirt werd vastgegrepen. Ze keek op en zag Reece. Hij klampte zich met één arm vast aan een dun boompje, en hield haar met zijn andere arm vast terwijl de modder haar probeerde mee te sleuren. Ze begon steeds verder weg te zakken en bungelde bijna over de rand. Hij had haar val gestopt, maar hij kon haar niet omhoog trekken. Reece kon haar zo niet blijven vasthouden, en ze wist dat als hij niet los zou laten, ze spoedig allebei de afgrond in zouden vallen. Ze zouden allebei sterven. “Laat me gaan!” riep ze naar hem. Maar hij schudde vastberaden zijn hoofd. “Nooit!” riep hij terug, terwijl de regen over zijn gezicht liep. Ineens liet Reece de boom los, en greep met beide handen haar polsen vast; tegelijkertijd sloeg hij zijn benen om de boom heen, waardoor hij zichzelf van achteren tegenhield. Hij trok haar met al zijn kracht naar zich toe. Met een laatste krachtsinspanning slaagde Reece erin om haar opzij te trekken, de stroming uit. Ook Reece rolde naar de grot toe. Toen ze de veiligheid van de grot bereikten, stortte Stara uitgeput in elkaar. Ze lag met haar gezicht naar beneden in de modder, dankbaar om in leven te zijn. Terwijl ze daar lag, hijgend, doorweekt, dacht ze niet aan hoe dicht ze bij de dood was gekomen, maar aan Reece. Hield hij nog steeds van haar? Ze besefte dat dat belangrijker voor haar was dan het feit of ze zou leven of sterven. * Stara zat bij het kleine vuur in de grot, de anderen vlakbij, en begon eindelijk een beetje op te drogen. Ze keek om zich heen en besefte dat ze eruit zagen als de overlevenden van een oorlog. Ze staarden in de vlammen en warmden hun handen, en probeerden zichzelf te beschermen tegen de aanhoudende regen en de kou. Ze luisterden naar de wind en de regen die buiten tekeer gingen. Het voelde alsof er nooit een einde aan zou komen. Het was nacht nu, en ze hadden, uit angst om ontdekt te worden, de hele dag gewacht voor ze het vuur hadden aangestoken. Uiteindelijk waren ze allemaal zo koud en moe en miserabel geweest dat ze besloten hadden om het te riskeren. Stara had het gevoel dat er genoeg tijd was verstreken sinds hun ontsnapping—en de kans dat de mannen helemaal naar beneden zouden afdalen was erg klein. Het was te steil en te nat, en als zelfs als ze het erop zouden wagen, dan zouden ze het waarschijnlijk toch niet overleven. Maar nu zaten ze hier vast, met zijn vieren, als gevangenen. Als ze de grot uit zouden gaan, zouden ze uiteindelijk worden gevonden door een leger van Hoge Eilanders, en die zouden hen doden. Haar broer zou ook geen genade hebben. Het was hopeloos. Ze zat vlakbij een afstandelijke, peinzende Reece, en dacht na over wat er was gebeurd. Ze had Reece’ leven gered in het fort, maar hij had dat van haar gered op de klif. Gaf hij nog steeds om haar? Op dezelfde manier waarop zij nog steeds om hem gaf? Of was hij nog steeds verbitterd door wat er met Selese was gebeurd? Gaf hij haar de schuld? Zou hij haar ooit vergeven? Stara kon zich niet voorstellen hoeveel pijn het hem moest doen. Hij zat daar, met zijn hoofd in zijn handen, en staarde verloren in de vlammen. Ze vroeg zich af wat er door zijn hoofd heen ging. Hij zag eruit als een man die niets te verliezen had, als een man die oneindig veel had geleden en zichzelf nog niet had terug gevonden. Een man die verscheurd werd door schuld. Hij zag er niet uit als de man die ze ooit had gekend, de man die gevuld was geweest met liefde en vreugde, die zo snel lachte, die haar had overspoeld met liefde en toewijding. Nu zag hij eruit alsof er binnen in hem iets was gestorven. Stara keek op. Ze was bang om Reece’ ogen te ontmoeten, maar ze moest zijn gezicht zien. Stiekem hoopte ze dat hij naar haar keek, dat hij aan haar dacht. Maar haar hart brak toen ze zag dat hij helemaal niet naar haar keek. Hij staarde in de vlammen, en hij had een eenzame blik in zijn ogen. Stara vroeg zich voor de miljoenste keer af of wat er ooit tussen hen was geweest nu voorbij was, geruïneerd door de dood van Selese. Voor de zoveelste keer vervloekte ze haar broers—en haar vader—voor het uitvoeren van een dergelijk sluw. Ze had Reece natuurlijk altijd voor zichzelf gewild; maar ze zou de voorwendselen die tot haar ondergang hadden geleid nooit goedgekeurd hebben. Ze had nooit gewild dat Selese zou sterven, of zelfs maar pijn zou lijden. Ze had gehoopt dat Reece haar op een vriendelijke manier het nieuws had vertelt, en dat ze het had begrepen—niet dat ze zich van het leven zou beroven. Of dat ze Reece’ leven zou verpesten. Stara’s hele toekomst was voor haar ogen verbrokkeld, dankzij haar afschuwelijke familie. Matus was de enige die nog rationeel was. Maar Stara vroeg zich af wat er nu van hem terecht zou komen. Wat er nu van hen allemaal terecht zou komen. Zouden ze sterven in deze grot? Uiteindelijk zouden ze de grot moeten verlaten. En de mannen van haar broer, wist ze, waren meedogenloos. Hij zou niet stoppen tot hij hen allemaal had gedood—zeker niet nadat Reece haar vader had gedood. Stara wist dat ze wroeging zou moeten voelen om de dood van haar vader—en toch voelde ze niets. Ze haatte hem, en dat was altijd al zou geweest. Ze voelde zich opgelucht, en was Reece zelfs dankbaar dat hij hem had gedood. Hij was zijn hele leven lang een verraderlijke, eerloze krijger en koning geweest. Geen vader. Stara liet haar blik over de drie krijgers in haar gezelschap glijden, die afwezig uit hun ogen keken. Ze hadden al uren geen woord meer gesproken, en ze vroeg zich af of één van hen een plan had. Srog was ernstig gewond. Matus en Reece hadden oppervlakkige verwondingen. Ze waren verkleumd tot op het bot, verslagen door het weer. “Blijven we hier voor altijd in deze grot zitten, tot we dood gaan?” verbrak Stara de stilte. Ze kon de eentonigheid en de somberheid niet langer verdragen. Langzaam keken Srog en Matus naar haar op. Maar Reece weigerde nog altijd haar blik te ontmoeten. “En waar zouden ze heen moeten gaan?” vroeg Srog op defensieve toon. “Het hele eiland is vergeven met mannen van je broer. We maken geen schijn van kans. Zeker niet na onze ontsnapping en de dood van je vader.” “Je hebt ons in een benarde situatie gebracht, mijn neef,” zei Matus glimlachend. Hij legde een hand op Reece’ schouder. “Dat was een moedige daad van je. Misschien wel de moedigste daad die ik in mijn hele leven heb aanschouwd.” Reece haalde zijn schouders op. “Hij heeft mijn bruid gestolen. Hij verdiende het om te sterven.” Stara schrok bij het woord bruid. Het brak haar hart. Zijn woordkeuze vertelde haar alles—Reece was overduidelijk nog steeds verliefd op Selese. Hij wilde Stara niet eens aankijken. Ze kon wel janken. “Maak je geen zorgen, neef,” zei Matus. “Ik ben blij dat mijn vader dood is, en ik ben blij dat jij degene was die hem hebt gedood. Ik beschuldig je niet. Ik bewonder je. Zelfs al waren we er bijna geweest.” Reece knikte. Hij had duidelijk waardering voor Matus’ woorden. “Maar niemand heeft mijn vraag beantwoord,” zei Stara. “Wat is het plan? Gaan we hier allemaal dood?” “Wat is jouw plan?” kaatste Reece terug. “Ik heb geen plan,” zei ze. “Ik heb gedaan wat ik moest doen. Ik heb ons allemaal gered daar.” “Ja, dat heb je,” gaf Reece toe zonder haar aan te kijken. “Ik ben je mijn leven verschuldigd.” Stara voelde een sprankje hoop bij zijn woorden, ondanks het feit dat hij nog altijd weigerde om haar aan te kijken. Ze vroeg zich af of hij haar misschien toch niet haatte. “En jij hebt het mijne gered,” antwoordde ze. “Bij de klif. We staan quitte.” Reece staarde nog steeds in de vlammen. Ze wachtte tot hij iets terug zou zeggen, tot hij zou zeggen dat hij van haar hield, wat dan ook. Maar hij zei niets. Stara voelde hoe ze rood aanliep. “Dus dat is het?” zei ze. “Hebben we dan niets meer tegen elkaar te zeggen? Is het over?” Reece keek op, en voor het eerst ontmoetten zijn ogen de hare. Hij had een verwarde uitdrukking op zijn gezicht. Stara kon het niet langer verdragen. Ze sprong op en stormde naar de rand van de grot, met haar rug naar de anderen toe. Ze keek uit naar de nacht, de regen, de wind, en vroeg zich af of het echt over was tussen haar en Reece. Als dat echt zo was, dan had ze geen reden meer om te leven. Конец ознакомительного фрагмента. Текст предоставлен ООО «ЛитРес». Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/pages/biblio_book/?art=43694623&lfrom=334617187) на ЛитРес. Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.
КУПИТЬ И СКАЧАТЬ ЗА: 299.00 руб.