Сетевая библиотекаСетевая библиотека
Een Rite Van Zwaarden Morgan Rice De Tovenaarsring #7 In EEN RITE VAN ZWAARDEN (boek #7 in de Tovenaarsring), worstelt Thor met zijn nalatenschap. Hij moet onder ogen zien te komen wie zijn vader is en besluiten of hij zijn geheim zal vertellen. Met Mycoples aan zijn zijde en het Zwaard van het Lot in zijn handen, is Thor vastberaden om wraak te nemen op Andronicus’ leger en zijn thuisland te bevrijden – en eindelijk Gwen ten huwelijk te vragen. Maar hij komt erachter dat er nog sterkere machten dan hij in het spel zijn. Gwendolyn keert terug om de heerseres te worden die ze voorbestemd is om te zijn, haar wijsheid te gebruiken om de troepen te verenigen en Andronicus voorgoed weg te drijven. Herenigd met Thor en haar broers, is ze dankbaar voor de kans om hun vrijheid te vieren. Maar de zaken veranderen snel – te snel – en voor ze het weet ligt haar leven weer overhoop. Ze raakt verwikkelt in de rivaliteit met haar oudere zuster, Luanda. Ondertussen arriveert MacGils broer met zijn eigen leger, eveneens vastberaden om de macht over te nemen. Er lijken overal spionnen en huurmoordenaars te zijn, en Gwen leert dat het allesbehalve veilig is om Koningin te zijn. Reece zijn liefde voor Selese krijgt eindelijk een kans om op te bloeien. Maar dan verschijnt zijn oude liefde, en hij wordt verscheurd door twijfels. Al snel worden de rustige tijden verstoord door oorlog. Reece, Elden, O’Connor, Conven, Kendrick en zelfs Godfrey moeten gezamenlijk ten strijde trekken als ze willen overleven. Het wordt een race tegen de klonk om Andronicus te verslaan en de Ring te redden van complete verwoesting. Terwijl de troepen strijden voor de macht over de Ring, realiseert Gwen dat ze moet doen wat ze kan om Argon te vinden en hem terug te halen. In een schokkende plotwending leert Thor dat hoewel zijn krachten superieur zijn, hij ook een verborgen zwakte heeft – één die hem wel eens het leven zou kunnen kosten. Zullen Thor en de anderen er in slagen om de Ring te bevrijden en Andronicus te verslaan? Zal Gwen de koningin worden die haar volk nodig heeft? Wat zal er terecht komen van het Zwaard van het Lot, van Erec, Kendrick, Reece en Godfrey? En wat is het geheim dat Alistair verbergt? EEN RITE VAN ZWAARDEN is een episch verhaal van vrienden en geliefden, rivalen en minnaars, ridders en draken, intriges en politieke machinaties, van volwassen worden, van gebroken harten, van bedrog, ambitie en verraad. Het is een verhaal van eer en moed, van lotsbestemming en tovenarij. Het is een fantasie die ons meeneemt naar een wereld die we nooit zullen vergeten, en die alle leeftijden zal aanspreken. E E N R I T E V A N Z W A A R D E N (Boek #7 in de Tovenaarsring) Morgan Rice Over Morgan Rice Morgan Rice is de #1 Bestverkopende auteur van DE VAMPIER DAGBOEKEN, een tienerserie die inmiddels bestaat uit elf boeken; DE SURVIVAL TRILOGIE, een post-apocalyptische actiethriller bestaande uit twee boeken; en de #1 Bestverkopende epische fantasy serie DE TOVENAARSRING, die bestaat uit veertien boeken. Morgans boeken zijn verkrijgbaar in audio en print edities, en vertalingen van de boeken zijn verkrijgbaar het Duits, Frans, Italiaans, Spaans, Portugees, Japans, Chinees, Zweeds, Nederlands, Turks, Hongaars, Tsjechisch en Slowaaks (met binnenkort meer talen). Morgan hoort graag van je, dus breng gerust een bezoekje aan www.morganricebooks.com (http://www.morganricebooks.com) om je in te schrijven voor de nieuwsbrief, een gratis boek te ontvangen, gratis giveaways te ontvangen, de gratis app de downloaden, op de hoogte te blijven van het laatste nieuws, en via Facebook en Twitter in contact te blijven! Geselecteerde bijvalsbetuigingen voor Morgan Rice “Een spirituele fantasie vervlochten met elementen van mysterie en intriges. Een Zoektocht van Helden gaat om moed en om het realiseren van een levensdoel dat leidt tot groei, volwassenheid, en excellentie… Voor wie op zoek is naar stevige fantasy avonturen, bieden de protagonisten en actie een krachtige serie ontmoetingen die zich richten op Thors evolutie van een dromerig kind tot een jonge man met een kleine overlevingskans… Slechts het begin van wat belooft een epische young adult serie te worden.” Midwest Book Review (D. Donovan, eBook Reviewer) DE TOVENAARSRING heeft alle ingrediënten voor direct succes: samenzweringen, intriges, mysterie, dappere ridders en opbloeiende relaties, compleet met gebroken harten, bedrog en verraad. Het zal je urenlang boeien, en is geschikt voor alle leeftijden. Aanbevolen voor de permanente collectie van alle liefhebbers van fantasy.” --Books and Movie Reviews, Roberto Mattos “Rice’ entertainende epische fantasy [DE TOVENAARSRING] bevat de klassieke eigenschappen van het genre—een sterke setting, geïnspireerd door het oude Schotland en haar geschiedenis, en volop intriges in het hof.” —Kirkus Reviews “Ik vond het geweldig hoe Morgan Rice Thors personage en de wereld waarin hij leefde heeft opgebouwd. Het landschap en de wezens die er leefden waren zeer goed beschreven… ik heb genoten [van het plot]. Het was kort en krachtig… Er waren precies genoeg minder belangrijke personages, zodat ik niet verward raakte. Er waren avonturen en hartverscheurende momenten, maar de actie die werd beschreven was niet te grotesk. Het boek zou perfect zijn voor tieners… Dit is het begin van een opmerkelijke serie…” --San Francisco Book Review “In dit met actie gevulde eerste boek uit de epische fantasy serie De Tovenaarsring (die op het moment 14 boeken bevat), laat Rice de lezers kennis maken met de 14-jarige Thorgrin “Thor” McLeod, die ervan droomt om zich aan te sluiten bij de Zilveren, de elite ridders die de koning dienen… Rice’ schrijven is solide en de premisse is intrigerend.” --Publishers Weekly “[EEN ZOEKTOCHT VAN HELDEN] is een boek dat snel en gemakkelijk weg leest. De hoofdstukken eindigen op een manier dat je niet anders kan dan verder lezen, en je legt hem niet zomaar weg. Er zitten wat typfouten in het boek en soms worden er namen door elkaar gehaald, maar dit leidt niet af van het verhaal. Het einde van het boek zorgde ervoor dat ik direct het volgende boek wilde lezen, en dat heb ik dan ook gedaan. Alle negen boeken uit De Tovernaarsring serie kunnen in de Kindle store worden aangeschaft en Een Zoektocht van Helden is gratis! Als je op zoek bent naar iets leuks om te lezen tijdens je vakantie, dan is dit boek zeker geschikt.” --FantasyOnline.net Boeken door Morgan Rice THE SORCERER’S RING (DE TOVENAARSRING) A QUEST OF HEROES (Book #1)--EEN ZOEKTOCHT VAN HELDEN (Boek #1) A MARCH OF KINGS (Book #2)--EEN MARS VAN KONINGEN (Boek #2) A FATE OF DRAGONS (Book #3)--EEN LOT VAN DRAKEN (Boek #3) A CRY OF HONOR (Book #4)--EEN SCHREEUW VAN EER (Boek #4) A VOW OF GLORY (Book #5)--EEN GELOFTE VAN GLORIE (Boek #5) A CHARGE OF VALOR (Book #6)--EEN AANVAL VAN MOED (Boek #6) A RITE OF SWORDS (Book #7)--EEN RITE VAN ZWAARDEN (Boek #7) A GRANT OF ARMS (Book #8)--EEN GIFT VAN WAPENS (Boek #8) A SKY OF SPELLS (Book #9)--EEN HEMEL VAN SPREUKEN (Boek #9) A SEA OF SHIELDS (Book #10)--EEN ZEE VAN SCHILDEN (Boek #10) A REIGN OF STEEL (Book #11)--EEN BEWIND VAN STAAL (Boek #11) A LAND OF FIRE (Book #12)--EEN LAND VAN VUUR (Boek #12) A RULE OF QUEENS (Book #13)--EEN HEERSCHAPPIJ VAN KONINGINNEN (Boek #13) AN OATH OF BROTHERS (Book #14)--EEN EED VAN BROEDERS (Boek #14) THE SURVIVAL TRILOGY--DE SURVIVAL TRILOGIE ARENA ONE: SLAVERUNNERS (Book #1)--ARENA EEN: SLAVERSUNNERS (Boek #1) ARENA TWO (Book #2)--ARENA TWEE (Boek #2) THE VAMPIRE JOURNALS--DE VAMPIER DAGBOEKEN TURNED (Book #1)--VERANDERD (Boek #1) LOVED (Book #2)--GELIEFD (Boek #2) BETRAYED (Book #3)--VERRADEN (Boek #3) DESTINED (Book #4)--VOORBESTEMD (Boek #4) DESIRED (Book #5)--VERLANGD (Boek #5) BETROTHED (Book #6)--VERLOOFD (Boek #6) VOWED (Book #7)--BELOOFD (Boek #7) FOUND (Book #8)--GEVONDEN (Boek #8) RESURRECTED (Book #9)--HERREZEN (Boek #9) CRAVED (Book #10)--BEGEERT (Boek #10) FATED (Book #11)--VERDOEMD (Boek #11) Luister naar DE TOVENAARSRING serie als audioboek! Copyright © 2013 door Morgan Rice Alle rechten voorbehouden. Behalve zoals toegestaan onder de V.S. Copyright Act van 1976, mag geen enkel deel van deze publicatie worden gereproduceerd, gedistribueerd of overgedragen worden, in wat voor vorm dan ook, of worden opgeslagen in een database of zoeksysteem, zonder de voorafgaande toestemming van de auteur. Dit ebook is uitsluitend voor jou persoonlijk bedoeld. Dit ebook mag niet doorverkocht worden of weggeven worden aan andere mensen. Als je dit boek met iemand anders wil delen, schaf dan alsjeblieft een extra exemplaar aan voor elke ontvanger. Als je dit boek leest en je hebt het niet aangeschaft, of het is niet voor jouw gebruik aangeschaft, geef het dan terug en schaf je eigen exemplaar aan. Bedankt voor het respecteren van het harde werk van deze auteur. Dit is een werk van fictie. Namen, personages, bedrijven, organisaties, plaatsen, evenementen en incidenten zijn een product van de fantasie van de auteur of zijn fictief gebruikt. Enige overeenkomst met echte personen, levend of dood, is geheel toevallig. Omslagafbeelding copyright justdd, gebruikt onder licentie van Shutterstock.com. INHOUD HOOFDSTUK ÉÉN (#u918b723f-cf91-5d31-a017-744a62533e40) HOOFDSTUK TWEE (#u1608cabe-58af-5e20-a6cd-5fe61d4f7ad2) HOOFDSTUK DRIE (#u0159c582-eed1-5d88-9102-bfb4b60521ae) HOOFDSTUK VIER (#ua3f0703d-2793-5063-a917-e9b9b847cb63) HOOFDSTUK VIJF (#ub92bb796-56c4-522a-b4e6-42870e1711b2) HOOFDSTUK ZES (#u0516e06d-78c2-5a2c-9074-b920d1c43c1b) HOOFDSTUK ZEVEN (#ue376e516-fbdc-5861-be1f-db2f584c63d0) HOOFDSTUK ACHT (#u4abf0de5-7fa0-50ee-9638-3324a0c4facc) HOOFDSTUK NEGEN (#u0c73dbb2-850f-56aa-8f20-9219feb414f6) HOOFDSTUK TIEN (#u9892ca88-d71f-52c7-a99e-041efce1cb1a) HOOFDSTUK ELF (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TWAALF (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK DERTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VEERTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIJFTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZESTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZEVENTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ACHTTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK NEGENTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK EENENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TWEEËNTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK DRIEËNTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIERENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIJFENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZESENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZEVENENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ACHTENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK NEGENENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK DERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK EENENDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDTUK TWEEËNDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK DRIEËNDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIERENDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIJFENDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZESENDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZEVENENDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ACHTENDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK NEGENENDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VEERTIG (#litres_trial_promo) “Wat is het dat u mij in vertrouwen wilt mededelen? Als het iets is ten behoeve van het algemeen belang, Plaats dan eer in één oog, en dood in het andere, En ik zal beiden onpartijdig aankijken, Want, en zo helpen mij de goden, Eer is mij meer lief dan dat ik vrees voor de dood.” --William Shakespeare Julius Caesar HOOFDSTUK ÉÉN Thorgrin zat op de rug van Mycoples terwijl ze over het uitgestrekte platteland van de Ring naar het zuiden vlogen. Gwendolyn was daar ergens. Thor hield het Zwaard van het Lot stevig vast terwijl hij naar beneden keek. Onder zich zag hij het miljoenenleger van Andronicus, als een plaag van sprinkhanen die de Ring leek te verzwelgen. Hij voelde het Zwaard in zijn hand pulseren en wist dat het hem vertelde om de Ring te beschermen. Om de indringers te verdrijven. Het was bijna alsof het Zwaard hem vertelde wat hij moest doen—en Thor was meer dan bereid om naar het Zwaard te luisteren. Spoedig zou hij terug vliegen en de indringers laten boeten. Nu het Schild hersteld was, zaten Andronicus en zijn mannen vast; er konden geen versterkingen uit het Rijk meer de Ring in, en Thor zou niet rusten tot hij alle troepen in de Ring had gedood. Maar het was nu niet de tijd. Hij moest eerst naar zijn ware liefde, de vrouw waar hij naar had verlangd sinds hij de Ring had verlaten: Gwendolyn. Thor verlangde ernaar om haar weer te zien, om haar vast te houden, om te weten dat ze nog leefde. De ring van zijn moeder brandde in zijn shirt, en hij kon nauwelijks wachten om hem aan Gwendolyn te geven, om haar zijn liefde te verklaren, om haar ten huwelijk te vragen. Hij wilde dat ze wist dat er niets was veranderd tussen hen, ongeacht wat er met haar gebeurd was. Hij hield nog net zo veel van haar—meer zelfs—en dat moest ze weten. Mycoples maakte een diep spinnend geluid, en Thor kon de vibraties door haar schubben heen voelen. Hij voelde dat Mycoples ook Gwendolyn wilde bereiken, voordat haar iets zou overkomen. Mycoples dook door de wolken heen en klapperde met haar enorme vleugels. Ze leek gelukkig hier, in de Ring, met Thor. Hun band werd steeds sterker, en Thor voelde dat Mycoples al zijn gedachten en wensen deelde. Alsof hij op een extensie van zichzelf zat. Thors gedachten dwaalden af naar Gwendolyn. De woorden van de voormalige Koningin maalden door zijn hoofd, en hij kon ze niet van zich af zetten, hoe graag hij dat ook wilde. Haar onthulling had hem pijn gedaan, erger dan hij zich had kunnen voorstellen. Andronicus? Zijn vader? Het was onmogelijk. Een deel van hem hoopte dat het niets meer was dan een wreed psychologisch spelletje van de voormalige Koningin, die hem tenslotte al sinds het begin had gehaat. Misschien was het een leugen, en had ze het hem alleen maar verteld om hem bij haar dochter uit de buurt te houden. Thor wilde dat wanhopig graag geloven. Maar diep van binnen wist hij dat het waar was. Hoe graag hij ook wilde dat het niet zo was, op het moment dat ze het hem had verteld, had hij geweten dat Andronicus zijn vader was. De gedachte hing als een nachtmerrie over hem heen. Hij had altijd stiekem gehoopt dat Koning MacGil zijn vader was, en dat Gwen op de één of andere manier niet zijn ware dochter was, zodat ze samen konden zijn. Thor had altijd gehoopt dat op de dag dat hij erachter zou komen wie zijn echte vader was, dat alle puzzelstukjes op zijn plek zouden vallen, dat zijn lotsbestemming duidelijk zou worden. Erachter komen dat zijn vader geen held was, dat was één ding. Dat kon hij accepteren. Maar het feit dat zijn vader een monster was—de ergste van alle monsters—de man die Thor meer dan wie dan ook dood wilde hebben—het was teveel om te verwerken. Andronicus’ bloed stroomde door zijn aderen. Wat betekende dat voor Thor? Betekende dat dat hij ook voorbestemd was om een monster te worden? Betekende dat hij iets slechts in zich had? Was hij voorbestemd om zoals hij te worden? Of was het mogelijk dat hij anders was dan hij, ondanks het feit dat ze hetzelfde bloed deelden? Stroomde het lot door het bloed? Of maakte elke generatie zijn eigen lot? Thor vroeg zich ook af wat het betekende voor het Zwaard van het Lot. Als de legende waar was—dat alleen een MacGil het kon hanteren—betekende dat dan dat Thor een MacGil was? En zo ja, hoe kon Andronicus dan zijn vader zijn? Of was Andronicus ook een MacGil? Het ergste van alles was nog dat Thor geen idee had hoe hij het nieuws aan Gwendolyn moest vertellen. Hoe kon hij haar vertellen dat hij de zoon was van haar grootste vijand? Van de man die haar had aangevallen? Ze zou hem zeker haten. Ze zou Andronicus’ gezicht zien, elke keer dat ze Thor zag. En toch, Thor moest het haar vertellen—hij kon dit niet voor haar geheim houden. Zou het hun relatie ruïneren? Thors bloed kookte van woede. Hij wilde Andronicus hiervoor laten boeten. Terwijl ze vlogen, keek Thor naar beneden. Hij wist dat Andronicus daar ergens was. Spoedig zou hij hem ontmoeten. Hij zou hem vinden. Hem confronteren. En dan zou hij hem doden. Maar eerst moest hij Gwendolyn vinden. Terwijl ze over het Zuidelijke Bos vlogen, voelde Thor dat hij in de buurt kwam. Hij kreeg het gevoel dat haar iets afschuwelijks stond te overkomen. Hij spoorde Mycoples aan om sneller te gaan, en voelde dat elk moment haar laatste zou kunnen zijn. HOOFDSTUK TWEE Gwendolyn stond alleen op de bovenste borstweringen van de Toren van Vluchtelingen, gekleed in de zwarte gewaden die de nonnen haar hadden gegeven. Het voelde alsof ze er al een eeuwigheid was. Ze was in stilte begroet. Eén non, haar gids, had slechts eenmaal gesproken om haar de regels uit te leggen: er mocht niet gesproken worden, en men mocht niet met elkaar communiceren. Elke vrouw hier leefde in haar eigen universum. Elke vrouw wilde met rust gelaten worden. Dit was een toren voor vluchtelingen, een plek voor wie wilde helen. Gwendolyn zou hier veilig zijn voor alle gevaren in de wereld. Maar ook alleen. Compleet alleen. Gwendolyn begreep het allemaal maar al te goed. Zij wilde ook met rust gelaten worden. Nu stond ze boven in de toren, uitkijkend over boomtoppen van het Zuidelijke Bos van de Ring, en ze voelde zich eenzamer dan ooit. Ze wist dat ze sterk moest zijn, dat ze een vechter was. De dochter van een Koning, en de vrouw—nou ja, bijna de vrouw—van een grote krijger. Maar Gwendolyn moest toegeven dat hoewel ze er naar verlangde om sterk te zijn, haar hart en geest nog steeds open wonden hadden. Ze miste Thor verschrikkelijk en vreesde dat hij nooit meer naar haar terug zou keren. En zelfs als hij wel terug zou keren, vreesde ze dat hij niet meer bij haar zou willen zijn zodra hij erachter zou komen wat er met haar was gebeurd. Gwen voelde zich verdoofd bij de gedachte dat Silesia verwoest was, dat Andronicus had gewonnen, en dat iedereen waar ze om gaf waarschijnlijk al gevangen of gedood was. Andronicus was overal. Hij had de Ring volledig in zijn macht en er was nergens meer een veilige plek. Gwen voelde zich hopeloos en uitgeput; veel te uitgeput voor iemand van haar leeftijd. Bovenal had ze het gevoel dat ze iedereen had teleurgesteld; het voelde alsof ze al teveel levens had geleid, en ze wilde niet meer. Gwendolyn deed een stap naar voren, naar de rand van de borstweringen, voorbij waar ze eigenlijk zou moeten staan. Ze strekte langzaam haar armen uit. Ze voelde een koude windvlaag die haar bijna uit balans bracht. Ze keek naar beneden, naar de diepe afgrond. Gwendolyn keek omhoog naar de lucht en dacht aan Argon. Ze vroeg zich af waar hij was. Zat hij gevangen in zijn eigen universum, vanwege haar? Ze zou er alles voor over hebben om hem nu te zien, om nog één keer zijn wijze woorden te horen. Misschien zou dat haar redden, en haar van gedachten doen veranderen. Maar hij was weg. Ook hij had een prijs betaald, en hij kon niet terug. Gwen sloot haar ogen en dacht aan Thor. Als hij nu hier was, zou dat alles kunnen veranderen. Als er nog maar één persoon leefde die oprecht van haar hield, dat zou dat haar een reden geven om te blijven leven. Ze tuurde naar de horizon, naar de snel bewegende wolken. Even dacht ze dat ze vaag, in de verte, het gebrul van een draak hoorde. Maar het was zo ver weg, zo zacht, ze moest het zich ingebeeld hebben. Het waren slechts haar gedachten die haar voor de gek hielden. Ze wist dat er geen draken waren in de Ring. Net zoals dat ze wist dat Thor ver weg was, voor altijd verdwaald in het Rijk, ergens op een plek waarvan hij nooit terug zou keren. De tranen rolden over Gwens wangen terwijl ze aan hem dacht, aan het leven dat ze gehad zouden kunnen hebben. Hoe dichtbij het ooit was geweest. Ze dacht aan zijn gezicht, aan het geluid van zijn stem, aan zijn lach. Ze had zo zeker geweten dat ze onafscheidelijk waren, dat er nooit iets tussen hen zou kunnen komen. “THOR!” schreeuwde Gwendolyn. Ze wenste met alles dat ze had dat hij naar haar terug zou keren. Maar haar schreeuw werd meegevoerd door de wind en vervaagde. Thor was er niet meer. Gwendolyn reikte naar het amulet dat Thor haar had gegeven, het amulet dat haar leven had gered. Ze wist dat haar enige kans verbruikt was. Nu waren er geen kansen meer. Gwendolyn keek weer over de rand en zag haar vaders gezicht. Hij was omgeven door wit licht en lachte naar haar. Ze leunde naar voren en liet één voet over de rand hangen. Ze sloot haar ogen en voelde de wind op haar huid. Daar hing ze, tussen twee werelden, tussen de levenden en de doden. Ze was nu nog in balans, maar ze wist dat de volgende windvlaag voor haar zou beslissen in welke richting ze zou gaan. Thor, dacht ze. Vergeef me. HOOFDSTUK DRIE Kendrick reed voor het uitgestrekte en steeds groter wordende leger van MacGils, Silesianen en bevrijde boeren uit de Ring terwijl ze door de stadspoorten van Silesia barstten, de open weg op, richting het oosten, richting Andronicus’ leger. Naast hem reden Srog, Brom, Atme en Godfrey, en achter hen Reece, O’Connor, Conven, Elden, en Indra. Ze reden langs de verkoolde lichamen van duizenden soldaten van het Rijk, zwart en verstijfd door de adem van de draak; anderen waren gedood door het Zwaard van het Lot. Thor had golven van verwoesting losgelaten, als een eenmansleger. Kendrick bekeek vol verwondering de schade die hij had aangericht, verbijsterd over de omvang van Thors verwoesting, de kracht van Mycoples en het Zwaard van het Lot. Kendrick verwonderde zich ook over de wending van gebeurtenissen. Slechts enkele dagen geleden waren ze allemaal gevangen geweest, gedwongen om hun nederlaag te accepteren; Thor was nog in het Rijk geweest, het Zwaard van het Lot niets meer dan een verloren droom, en ze hadden nauwelijks nog hoop gehad op hun terugkeer. Kendrick en de anderen waren gekruisigd, niet ver van de dood, en het had geleken alsof alles verloren was. Maar nu reden ze als vrije mannen, als soldaten en ridders, aangemoedigd door Thors terugkeer. Het tij was gekeerd. Mycoples was een godsgeschenk geweest, een golf van verwoesting die uit de hemel was gekomen; Silesia was weer een vrije stad, en het platteland van de Ring was niet langer vergeven van soldaten van het Rijk, maar slechts met hun levenloze lichamen. De weg naar het oosten was bezaaid met lijken, zover het oog reikte. Hoe bemoedigend dit alles ook was, Kendrick wist dat er aan de andere kant van de Hooglanden een half miljoen van Andronicus’ mannen op hen wachtten. Ze hadden hen tijdelijk terug weten te drijven, maar ze hadden hen nog niet verslagen. En Kendrick en de anderen waren niet van plan om in Silesia af te wachten tot Andronicus’ leger zou hergroeperen en weer zou aanvallen—en ze wilden hen ook geen kans geven om te ontsnappen en zich terug te trekken naar het Rijk. Het Schild was weer ingeschakeld, en ondanks het feit dat Kendrick en de anderen nog steeds in de minderheid waren, hadden ze nu in elk geval een kans. Nu was Andronicus’ leger op de vlucht, en Kendrick en de anderen waren vastberaden om de sliert aan overwinningen die Thor was begonnen voort te zetten. Kendrick wierp een blik over zijn schouder naar de duizenden soldaten en vrije mannen die achter hem reden en zag de vastberadenheid op hun gezichten. Ze hadden allemaal geproefd van slavernij, van onderwerping, en nu kon hij zien hoe zeer ze het waardeerden om weer vrij te zijn. Niet alleen voor zichzelf, maar voor hun vrouwen en families. Ze waren allemaal verbitterd, vastberaden om Andronicus te laten boeten en ervoor te zorgen dat hij niet nog een keer zou aanvallen. Dit was een leger van mannen die bereid waren om tot de dood te vechten. Ze hadden steeds meer mannen bevrijd en absorbeerden een steeds groter groeiend leger. Kendrick zelf was nog steeds herstellende van zijn tijd aan het kruis. Zijn lichaam was niet zo sterk als voorheen, en hij was zich nog steeds bewust van de pijn in zijn polsen en enkels, waar de ruwe touwen in zijn huid hadden gesneden. Hij keek naar Srog en Brom en Atme, en zag dat ook zij niet zo sterk waren als ze ooit waren geweest. De kruisiging had van hen allemaal zijn tol geëist. Toch reden ze trots. Er ging niets boven een kans om te vechten voor wraak om je verwondingen even te vergeten. Kendrick was dolblij dat zijn jongere broer Reece en de andere broeders van de Krijgsmacht waren teruggekeerd van hun missie, en weer aan zijn zijde reden. De afslachting van de Krijgsmacht in Silesia had hem verscheurd, en hun terugkeer bood hem troost. Hij was altijd al close geweest met Reece, en erg beschermend geweest. Hij had de rol van een tweede vader op zich genomen gedurende de tijden dat Koning MacGil het te druk had gehad. Op een bepaalde manier had het feit dat Kendrick Reece zijn halfbroer was hen alleen maar dichter tot elkaar gebracht; er was geen druk om close te zijn, ze waren naar elkaar toe gegroeid omdat ze daarvoor hadden gekozen. Kendrick was nooit zo close geweest met zijn andere jongere broers—Godfrey had zijn tijd in de taverne doorgebracht, en Gareth—wel, Gareth was Gareth. Reece was de enige van zijn broers geweest die de strijd had omarmd, die het leven wilde dat Kendrick had gekozen. Kendrick was trots op hem. In het verleden was Kendrick altijd erg beschermend geweest als hij samen met Reece reed; maar sinds zijn terugkeer kon Kendrick zien dat Reece zelf een ware, geharde krijger was geworden. Hij voelde niet langer de noodzaak om hem in de gaten te houden. Hij vroeg zich af wat voor gevaren Reece in het Rijk moest hebben doorstaan om hem te transformeren in de geharde en vaardige krijger die hij nu was. Hij keek er naar uit om zijn verhalen aan te horen. Kendrick was dolblij dat ook Thor weer terug was, en niet alleen omdat Thor hem had bevrijd, maar ook omdat hij Thor ontzettend graag mocht en hem respecteerde. Hij gaf om hem als een broer. Het beeld van Thors terugkeer met het Zwaard bleef door Kendricks hoofd malen. Hij kon het nog steeds niet bevatten. Het was iets waarvan hij nooit had gedacht dat hij het zou mogen aanschouwen; hij had nooit verwacht ook maar iemand het Zwaard van het Lot te zien optillen, laat staan Thor, zijn eigen schildknaap, een kleine, nederige jongen uit een boerendorpje aan de rand van de Ring. Een buitenstaander. En hij was niet eens een MacGil. Of wel? Kendrick vroeg het zich af. Hij bleef denken aan de legende: alleen een MacGil kon het Zwaard hanteren. Diep van binnen moest Kendrick toegeven dat hij altijd had gehoopt dat hij zelf degene zou zijn om het Zwaard op te tillen. Hij had gehoopt dat het de ultieme stempel op zijn rechtmatigheid als een ware MacGil zou zijn, als de eerst geboren zoon. Hij had altijd gedroomd dat op de één of andere manier, op een dag, de omstandigheden hem de kans zouden bieden om het te proberen. Maar die kans was hem nooit gegund, en hij misgunde het Thor niet. Kendrick was niet hebzuchtig; integendeel, hij bewonderde Thor. Hij begreep het alleen niet. Klopte de legende niet? Of was Thor een MacGil? Hoe kon dat? Tenzij Thor ook een zoon van MacGil was. Zijn vader had erom bekend gestaan buiten zijn huwelijk met vele vrouwen te hebben geslapen—hij zelf was daar het levende bewijs van. Was dat soms de reden dat Thor zo snel Silesia was ontvlucht, nadat hij met zijn moeder had gesproken? Waar hadden ze het precies over gehad? Zijn moeder wilde er niets over loslaten. Het was de eerste keer dat zijn moeder iets voor hem geheim hield. Waarom uitgerekend nu? Wat was het geheim dat ze achterhield? Wat kon ze hebben gezegd dat ervoor had gezorgd dat Thor was weggerend, zonder een woord tegen hen te zeggen? Het deed Kendrick denken aan zijn eigen vader, aan zijn eigen afkomst. Hoe graag hij ook wilde dat het anders was, hij brandde bij het idee dat hij onrechtmatig was, en voor de miljoenste keer vroeg hij zich af wie zijn ware moeder was. Hij had gedurende zijn leven verschillende geruchten gehoord over de vrouwen waar zijn vader mee had geslapen, maar hij had het nooit zeker geweten. Als de rust in de Ring weer was teruggekeerd—als die ooit zou terugkeren—zou Kendrick erachter komen wie zijn moeder was, nam hij zich voor. Hij zou haar confronteren. Hij zou haar vragen waarom ze hem had laten gaan, waarom ze nooit een deel van zijn leven was geweest. Hoe ze zijn vader had ontmoet. Hij wilde haar gewoon ontmoeten, haar gezicht zien; om te zien of hij op haar leek; en zodat ze hem kon vertellen dat hij wel rechtmatig was, net zo rechtmatig als iedereen. Kendrick was blij dat Thor was vertrokken om Gwendolyn op te halen, maar een deel van hem wenste ook dat hij was gebleven. Ze waren zwaar in de minderheid en zouden het straks moeten opnemen tegen tienduizenden mannen van Andronicus. Kendrick wist dat ze Thor en Mycloples nu goed hadden kunnen gebruiken. Maar Kendrick was een geboren en getogen krijger, en hij was niet iemand die anderen zijn strijd voor hem liet uitvechten. Hij deed wat zijn instinct hem vertelde dat hij moest doen: te paard gaan en zoveel mogelijk troepen van het Rijk uitschakelen, met zijn eigen mannen. Hij had geen speciale wapens zoals Mycoples of het Zwaard van het Lot, maar hij had zijn eigen twee handen, dezelfde handen die hij al had gebruikt sinds hij een kleine jongen was. En dat was altijd genoeg geweest. Ze reden een heuvel op en toen ze de top bereikten, zag Kendrick aan de horizon een kleine MacGil stad liggen: Lucia. Het was de eerste stad ten oosten van Silesia. De weg was bezaaid met lijken van het Rijk, en het was duidelijk te zien dat Thors golf van verwoesting hier was geëindigd. In de verte kon Kendrick zien hoe een bataljon van Andronicus’ leger naar het oosten reed. Hij veronderstelde dat ze terugkeerden naar Andronicus’ kamp, aan de andere kant van de Hooglanden. Het grootste deel trok zich terug—maar ze hadden een divisie achtergelaten om Lucia te behouden. Er waren enkele duizenden van Andronicus’ mannen in de stad gestationeerd. Kendrick zag ook de inwoners van de stad, door de soldaten tot slaven gemaakt. Kendrick herinnerde zich wat er met hen in Silesia was gebeurd, hoe ze waren behandeld, en hij verlangde naar wraak. “AANVALLEN!” schreeuwde Kendrick. Hij hief zijn zwaard hoog en achter hem rees het geschreeuw van duizenden soldaten op. Kendrick spoorde zijn paard aan en als één galoppeerden ze van de heuvel, recht op Lucia af. De twee legers bereidden zich voor op de confrontatie, en hoewel ze met gelijke aantallen waren, was er een groot verschil tussen hen. Deze achtergebleven divisie van Andronicus’ leger bestond uit indringers, terwijl Kendrick en zijn mannen bereid waren hun leven te geven om hun thuisland te beschermen. Kendricks strijdkreet rees op terwijl ze op de poorten van Lucia af stormden. Ze verschenen zo snel dat enkele soldaten van het Rijk, die op wacht stonden, elkaar verward aankeken. Ze hadden duidelijk geen aanval verwacht. De soldaten van het Rijk draaiden zich om, renden door de poorten en begonnen verwoed aan de zwengels te draaien om het valhek omlaag te doen. Maar ze waren niet snel genoeg. Een aantal van Kendricks boogschutters vuurden en doodden hen. Hun pijlen landden in hun borsten en ruggen. Kendrick wierp een speer, en Reece, die naast hem reed, volgde zijn voorbeeld. Kendrick raakte zijn doelwit—een grote krijger die op het punt stond een pijl af te vuren—en was onder de indruk toen hij zag dat Reece moeiteloos zijn doelwit raakte en zijn speer zich door het hart van een soldaat boorde. De poorten bleven open, en Kendricks mannen aarzelden geen seconde. Met een enorme strijdkreet galoppeerden ze onder het valhek door, recht op het hart van de stad af. Het gekletter van metaal rees op terwijl Kendrick en de anderen hun zwaarden en bijlen en speren en hellebaarden tevoorschijn haalden en op de duizenden soldaten van het Rijk afreden. Kendrick bereikte hen als eerste. Hij hief zijn schild en blokkeerde een aanval, terwijl hij uithaalde met zijn zwaard en twee soldaten tegelijk doodde. Zonder te aarzelen draaide hij om zijn as en blokkeerde een zwaard, om vervolgens het zijne in de buik van een soldaat van het Rijk te steken. Terwijl de man stierf, dacht Kendrick aan wraak; hij dacht aan Gwendolyn, aan zijn mensen, aan alle mensen in de Ring die hadden geleden. Reece, die naast hem reed, haalde uit met zijn strijdknots en raakte een soldaat tegen de zijkant van zijn hoofd, waardoor hij van zijn paard viel. Toen hief hij zijn schild en blokkeerde hij een zijlingse aanval. Hij zwaaide zijn strijdknots rond en schakelde ook die aanvaller uit. Elden, naast hem, galoppeerde naar voren en bracht zijn bijl neer op een soldaat die op Reece afkwam. Hij hakte in zijn borst, recht door zijn schild heen. O’Connor vuurde met een dodelijke precisie zijn pijlen af, zelfs op korte afstand. Ondertussen wierp Conven zich in de strijd. Hij vocht roekeloos, en nam niet eens de moeite om zijn schild te gebruiken. Hij vocht met twee zwaarden en ging recht op de massa soldaten van het Rijk af, alsof hij wilde sterven. Maar wonder boven wonder stierf hij niet. Hij schakelde links en rechts soldaten uit. Indra lag niet ver achter hen. Ze was onbevreesd, moediger zelfs dan de meeste mannen. Ze gebruikte haar dolk en haar sluwheid, en werkte zich als een vis door de rangen heen terwijl ze soldaten van het Rijk in hun keel stak. Ze dacht aan haar thuisland, aan hoe haar mensen hadden geleden onder de toorn van het Rijk. Een soldaat van het Rijk haalde met zijn bijl uit naar Kendricks hoofd voor hij hem kon ontwijken; maar Kendrick hoorde een luid gekletter boven zijn hoofd en keek op naar zijn vriend Atme, die de aanval met zijn schild blokkeerde. Atme stak zijn korte speer in de maag van de aanvaller. Kendrick wist dat hij voor de zoveelste keer zijn leven had gered. Terwijl een andere soldaat met een boog en pijl recht op Atme afkwam, reed Kendrick naar voren en sloeg hij met zijn zwaard de boog uit de handen van de soldaat, waardoor de pijl doelloos over Atme’s hoofd heen zeilde. Kendrick raakte de soldaat op de brug van zijn neus met het heft van zijn zwaard, waardoor de man van zijn paard viel en vrijwel meteen werd vertrapt. Nu stonden ze quitte. En zo ging de strijd verder. Er vielen aan beide kanten mannen, maar het Rijk had de meeste slachtoffers. Kendricks mannen waren bezeten van woede en drongen steeds verder de stad binnen. Uiteindelijk vonden ze hun momentum en spoelden ze als een enorme golf door de stad. De mannen van het Rijk waren sterke krijgers, maar ze waren het niet gewend om zich te hoeven verdedigen; meestal waren zij degenen die aanvielen. Ze waren overrompeld. Al spoedig waren ze niet meer in staat om Kendricks leger tegen te houden. Ze werden teruggedreven en er vielen steeds meer mannen aan hun kant. Na bijna een uur lang intens gevochten te hebben, trok het Rijk zich terug. Iemand aan hun kant blies op een hoorn, en ze begonnen zich om te draaien en gingen ervandoor, in een poging de stad te verlaten. Kendrick en zijn mannen achtervolgden hen door de stad, de achterste poorten door. De overgebleven troepen van het bataljon van het Rijk, nog enkele honderden mannen sterk, reden voor hun leven in een georganiseerde chaos. De bevrijde gevangenen in Lucia juichten. Kendricks mannen sneden hun touwen door en bevrijdden hen. De gevangenen verspilden geen tijd. Ze stripten de lichamen van hun wapens en renden naar de paarden van de gevallen soldaten van het Rijk, om ze te bestijgen en zich bij Kendricks mannen te voegen. Kendricks leger was nu twee keer zo groot als bij hun aankomst in Lucia, en ze zetten de achtervolging in. O’Connor en de andere boogschutters slaagden er in om er een paar uit te schakelen, en hier en daar vielen wat soldaten van hun paard. De achtervolging ging door, en net toen Kendrick zich begon af te vragen waar de soldaten van het Rijk heen vluchtten, bereikten ze de top van een heuvel. Beneden zich zag hij, genesteld in een vallei tussen twee heuvels, één van de grootste MacGil steden ten oosten van Silesia—Vinesia. Het was een substantiële stad, veel groter dan Lucia, met dikke stenen stadsmuren en versterkte ijzeren poorten. Nu begreep Kendrick waar de overgebleven troepen van het bataljon van het Rijk heen vluchtten. Deze stad was beschermd door tienduizenden van Andronicus’ mannen. Kendrick en zijn mannen hielden halt op de heuvel en observeerden de situatie. Vinesia was een grote stad, en ze waren zwaar in de minderheid. Hij wist dat het roekeloos was om het te proberen, en dat het veiliger was om terug te keren naar Silesia en dankbaar te zijn voor de overwinning die ze hadden behaald. Maar Kendrick was niet in de stemming voor veilige keuzes—en zijn mannen ook niet. Ze wilden bloed. Ze wilden wraak. En op deze dag deden kansen er niet langer toe. Het was tijd om de mannen van het Rijk te laten voelen waar de MacGils van gemaakt waren. “AANVALLEN!” riep Kendrick. Met een luide strijdkreet barstten de duizenden mannen naar voren en galoppeerden ze roekeloos van de heuvel af, op weg naar de grote stad en de nog grotere tegenstander, bereid om hun levens te geven, om het allemaal te riskeren voor eer en voor moed. HOOFDSTUK VIER Gareth hoestte en hijgde terwijl hij door het eenzame landschap strompelde. Zijn lippen waren gebarsten door het gebrek aan water, en hij had donkere kringen onder zijn ogen. De afgelopen dagen waren afschuwelijk geweest, en hij was er meer dan eens van overtuigd geweest dat zijn dagen geteld waren. Gareth was in Silesia ter nauwer nood ontsnapt aan Andronicus’ mannen. Hij had zich verborgen in een geheime doorgang in de muur en afgewacht. Opgekruld als een rat in de duisternis had hij gewacht op het juiste moment. Het had gevoeld alsof hij er dagen had gezeten. Hij had alles gezien. Vol ongeloof had hij toegekeken hoe Thor was teruggekeerd op de rug van die draak, en al die mannen van het Rijk had gedood. In de verwarring en chaos die was ontstaan, had Gareth zijn kans gegrepen. Terwijl niemand keek, was Gareth door de achterpoort uit Silesia ontsnapt. Hij had de weg naar het zuiden genomen, langs de rand van het Ravijn. Hij was dicht bij het bos gebleven om te zorgen dat niemand hem zou zien. Het had niet uitgemaakt—de wegen waren verlaten. Iedereen was in het oosten aan het vechten om de Ring. De weg was bezaaid met verkoolde lichamen van Andronicus’ mannen, en Gareth wist dat de strijd hier, in het zuiden, al gevochten was. Gareth had zijn weg naar het zuiden vervolgd. Zijn instinct dreef hem terug naar het Koninklijk Hof—of wat er van over was. Hij wist dat het verwoest was door Andronicus’ mannen, dat het waarschijnlijk in puin lag, maar toch wilde hij erheen. Hij wilde zo ver mogelijk bij Silesia vandaan zien te komen en terugkeren naar de enige plek waar hij veilig was. De plek die iedereen had verlaten. De plek waar hij ooit had geheerst. Nu, na dagen gelopen te hebben, verzwakt en ijlend van de honger, kwam Gareth eindelijk het bos uit en zag hij het Koninklijk Hof in de verte liggen. De muren waren nog intact, of in elk geval gedeeltelijk. De stad was bezaaid met de levenloze lichamen van Andronicus’ mannen, bewijs dat Thor hier was geweest. Afgezien daarvan was de stad verlaten. Het enige geluid was dat van de huilende wind. Dat kwam Gareth goed uit. Hij was toch niet van plan om de stad binnen te gaan. Hij was hier gekomen voor een klein, verborgen gebouw dat zich net buiten de stadsmuren bevond. Het was een plek waar hij geregeld was heen gegaan toen hij nog klein was. Het was een circulaire, marmeren structuur, die slechts enkele meters boven de grond uit stak en versierd was met standbeelden op het dak. Het had er altijd eeuwenoud uitgezien, alsof het uit de aarde was gegroeid. Het was de crypte van de MacGils. De plek waar zijn vader was begraven—en zijn vader voor hem. De crypte was de enige structuur waarvan Gareth zeker wist dat hij nog intact zou zijn. Wie zou er tenslotte de moeite nemen om een graftombe aan te vallen? Het was de enige overgebleven plek waar van hij wist dat niemand te moeite zou nemen om hem te zoeken. Het was een plek waar hij zich kon verbergen. Een plek waar hij alleen zou zijn. Een plek waar hij bij zijn voorvaderen kon zijn. En hoe erg Gareth zijn vader ook haatte, hij had nu vreemd genoeg de drang om bij hem in de buurt te zijn. Gareth haastte zich door het open veld. Een koude windvlaag deed de rillingen over zijn lichaam lopen terwijl hij zijn gerafelde mantel strakker om zijn schouders trok. Hij hoorde de schrille kreet van een wintervogel, en toen hij omhoog keek zag hij het enorme zwarte beest hoog boven zich cirkelen. Het dier was ongetwijfeld op zoek naar zijn volgende maaltijd. Gareth kon het de vogel nauwelijks kwalijk nemen. Hij teerde op zijn laatste reserves, en hij zag er vast uit als een mooie maaltijd. Eindelijk bereikte Gareth het gebouw. Hij greep de massieve, ijzeren hendel met twee handen vast en trok. Zijn wereld begon te draaien, en hij was misselijk van de uitputting. De deur kraakte, en het kostte hem al zijn kracht om de deur open te trekken. Gareth haastte zich de duisternis in en sloeg de ijzeren deur achter zich dicht. De klap galmde door de ruimte. Hij greep de fakkel aan de wand, waar hij wist dat hij zat, en stak hem aan. Hij had nu net genoeg licht om te zien waar hij heen ging. Gareth ging de treden af en daalde dieper de duisternis in. Hoe dieper hij ging, hoe kouder en tochtiger het werd. De wind floot door de smalle kieren. Het voelde alsof zijn voorouders naar hem huilden, alsof ze hem berispten. “LAAT ME ALLEEN!” schreeuwde hij naar hen. Zijn stem galmde door de crypte. “JULLIE KRIJGEN SPOEDIG GENOEG WAT JE WIL!” De wind bleef hardnekkig volhouden. Gareth daalde af tot hij eindelijk de grote marmeren kamer betrad, waar zijn voorouders in marmeren sarcofagen lagen. Gareth liep met echoënde voetstappen door de ruimte, naar het einde, waar zijn vader lag. De oude Gareth zou zijn vaders sarcofaag aan diggelen hebben geslagen. Maar nu begon hij, om de één of andere reden, een affiniteit voor hem te voelen. Hij begreep het niet. Misschien kwam het doordat de opium uitwerkte; of omdat hij wist dat hij zelf ook spoedig zou sterven. Gareth leunde over de sarcofaag en boog zijn hoofd. Tot zijn eigen verassing begon hij te huilen. “Ik mis u, vader,” jammerde Gareth. Zijn stem echode in de leegte. Hij huilde en huilde en de tranen stroomden over zijn wangen, tot uiteindelijk zijn knieën het begaven en hij zich in zijn uitputting op de grond liet zakken, leunend tegen de tombe. Gareth legde de fakkel naast zich neer. De vlam werd steeds kleiner, een klein lichtje dat op het punt stond te worden opgeslokt door de duisternis. Gareth wist dat ook hij spoedig door de duisternis verzwolgen zou worden. En dan zou hij eindelijk bij zijn geliefde familie zijn. HOOFDSTUK VIJF Steffen liep somber over de eenzame bosweg. Het was hartverscheurend geweest om Gwendolyn zo achter te laten in de Toren van Vluchtelingen. Ze was de vrouw die hij had gezworen te beschermen. Zonder haar was hij niets. Sinds hij haar had ontmoet, had hij eindelijk het gevoel gehad dat hij weer een doel had in het leven: om over haar te waken, om zijn leven aan haar te wijden, als dank voor het feit dat ze hem, een simpele bediende, de kans had gegeven om iets van zijn leven te maken; en bovenal voor het feit dat ze de eerste persoon in zijn leven was die hem niet had veracht en onderschat op basis van zijn uiterlijk. Steffen was trots dat hij haar had kunnen helpen om veilig de Toren te bereiken. Maar sinds hij haar daar had achtergelaten, voelde hij zich leeg van binnen. Waar moest hij nu heen gaan? Wat moest hij doen? Nu hij haar niet meer hoefde te beschermen, voelde hij zich doelloos. Hij kon niet terug naar het Koninklijk Hof of naar Silesia: Andronicus had beide steden bezet, en hij herinnerde zich de vernieling die hij had gezien toen hij uit Silesia was gevlucht nog maar al te goed. Al zijn mensen waren tot slaven gemaakt. Het zou geen deugd zijn om terug te keren. Daarbij wilde Steffen niet te ver bij Gwendolyn uit de buurt gaan. Steffen had al uren lang gelopen, tot hij ineens wist waar hij heen most. Hij volgde de landweg naar het noorden en ging een heuvel op. Vanaf zijn uitkijkpunt zag hij een klein dorpje in de verte liggen. Hij liep erheen, en toen hij zich omdraaide zag hij dat dit dorp precies had wat hij nodig had: een perfect uitzicht op de Toren van Vluchtelingen. Als Gwendolyn de Toren ooit zou verlaten, dan wilde hij in de buurt zijn om haar te vergezellen. Tenslotte had hij trouw gezworen aan haar. Niet aan een leger of aan een stad, maar aan haar. Zij was zijn natie. Steffen besloot dat hij in het kleine, bescheiden dorpje zou blijven, zodat hij altijd een oogje kon houden op de Toren van Vluchtelingen. Terwijl hij door de poorten liep, zag hij dat het een onbeduidend, arm dorp was. Het lag in de verste buitenwijken van de Ring, zo diep verborgen in het Zuidelijke Bos dat Andronicus’ mannen waarschijnlijk niet eens de moeite zouden nemen om hierheen te komen. Steffen zag tientallen dorpelingen naar hem staren. Hun gezichten waren getekend door onwetendheid en een gebrek aan medeleven. Ze gaapten hem aan met de bekende verachtende, spottende blikken die hij al kende sinds zijn geboorte. Hij voelde hun ogen branden. Steffen wilde zich omdraaien en wegrennen, maar hij dwong zichzelf om het niet te doen. Hij moest dicht bij de Toren blijven, en voor Gwendolyn zou hij alles doen. Eén van de dorpelingen, een potige man van een jaar of veertig, net als de anderen gekleed in vodden, liep op hem af. “Wat hebben we hier, een soort misvormde man?” De anderen lachten en liepen ook naar hem toe. Steffen bleef kalm. Hij had een dergelijke begroeting wel verwacht. Hij had ondervonden dat hoe provincialer de mensen waren, hoe meer ze ervan genoten om hem te bespotten. Steffen verzekerde zichzelf ervan dat zijn boog klaar was, voor het geval deze dorpelingen niet alleen wreed maar ook gewelddadig waren. Hij wist dat hij meerdere van hen in een oogwenk uit kon schakelen als het nodig was. Maar hij was hier niet voor geweld. Hij was hier om onderdak te vinden. “Het lijkt erop dat hij meer is dan zomaar een freak, nietwaar?” vroeg een ander, terwijl hij omgeven werd door een steeds groter wordende groep dorpelingen. “Aan zijn markeringen te zien wel,” zei een ander. “Dat ziet er uit als een koninklijke wapenrusting.” “En die boog—dat is mooi leer.” “Om nog maar niet te spreken over de pijlen. Gouden pijlpunten, of niet?” Ze stopten een paar meter bij hem vandaan en keken hem dreigend aan. Ze herinnerden hem aan de pestkoppen die hem als kind hadden getreiterd. “Dus, wie ben je, freak?” zei één van hen. Steffen haalde diep adem, vastberaden om kalm te blijven. “Ik heb geen kwaad in de zin,” begon hij. De groep barstte in lachen uit. “Kwaad? Jij? Wat voor kwaad zou jij ons kunnen aandoen?” “Je zou onze kippen nog niet eens iets kunnen doen!” lachte een ander. Het gelach zwol aan en Steffen kleurde rood; maar hij liet zich niet provoceren. “Ik heb onderdak en voedsel nodig. Ik heb eeltige handen en een sterke rug. Geef me een taak, en ik zal niemand lastig vallen. Ik heb niet veel nodig. Niet meer dan een andere man.” Steffen wilde zichzelf weer verliezen in simpel werk, zoals hij al die jaren in de kelder van Koning MacGil had gedaan. Het zou hem afleiding bieden. Hij kon hard werken en een anoniem leven leiden, zoals hij had gedaan voordat hij Gwendolyn had ontmoet. “Jij noemt jezelf een man?” riep één van hen lachend uit. “Misschien kunnen we hem gebruiken,” riep een ander uit. Steffen keek hem hoopvol aan. “Om te vechten tegen onze honden of onze kippen!” Ze lachten allemaal. “Dat zou ik wel willen zien!” “Er is daarbuiten een oorlog gaande, voor het geval jullie het niet gemerkt hadden,” zei Steffen koeltjes. “Ik weet zeker dat zelfs een provinciaal dorpje als dit wel wat extra handen kan gebruiken bij het handhaven van de provisies.” De dorpelingen keken elkaar verbaasd aan. “Natuurlijk weten we van de oorlog,” zei één van hen, “maar ons dorp is te klein. De legers nemen de moeite niet eens om hier heen te komen.” “De manier waarop je praat bevalt me niets,” zei een ander. “Zo chique? Het klinkt alsof je een educatie hebt gehad. Denk je soms dat je beter bent dan ons?” “Ik ben niet beter een ander,” zei Steffen. “Dat lijkt me duidelijk,” lachte een ander. “Genoeg met die onzin!” riep één van de dorpelingen op serieuze toon. Hij liep naar voren en duwde de anderen uit de weg. Hij was ouder dan de rest en zag eruit als een serieuze man. De menigte zweeg in zijn aanwezigheid. “Als je meent wat je zegt,” zei de man in zijn diepe stem, “ik kan wel een extra paar handen gebruiken in mijn molen. Het betaalt een zak graan en kan met water per dag. Je kunt in de schuur slapen, bij de rest van de jongens. Als je het daar mee eens bent, zal ik je aannemen.” Steffen knikte terug, en was blij om eindelijk een serieuze man aan te treffen. “Ik vraag om niets meer,” zei hij. “Deze kant op,” zei de man, en bij baande zich een weg door de menigte. Steffen volgde hem. De man leidde hem naar een grote houten molen, waar tieners en mannen hard aan het werk waren. Ze zweetten en waren besmeurd met vuil. Ze liepen door de modderige sporen en duwden een enorm houten wiel aan. Steffen bekeek hen en besefte dat het zwaar werk was. Het was goed genoeg. Steffen draaide zich om naar de man om hem te vertellen dat hij de baan wilde aannemen, maar de man was al verdwenen. Hij ging er zeker vanuit dat hij het wel zou doen. De dorpelingen gingen weer verder met hun bezigheden en Steffen keek naar het wiel, naar het nieuwe leven dat voor hem lag. Hij had een moment van zwakte gehad, en zichzelf toegestaan om te dromen. Hij had zich een leven voorgesteld met kastelen en royalty. Hij had zichzelf als een belangrijk persoon gezien, als de rechterhand van de Koningin. Hij had beter moeten weten. Dat leven was niet voor hem bestemd. Dat was het nooit geweest. Het was een geluk geweest dat hij Gwendolyn had ontmoet. Nu was hij hiertoe gedwongen. Maar dit was in elk geval een leven dat hij kende. Een leven dat hij begreep. Een leven van ontbering. En zonder Gwendolyn was dit leven goed genoeg voor hem. HOOFDSTUK ZES Thor spoorde Mycloples aan om sneller te vliegen terwijl ze steeds dichter bij de Toren van Vluchtelingen kwamen. Thor voelde aan elke vezel in zijn lichaam dat Gwen in gevaar was. Hij voelde de vibratie door zijn vingertoppen stromen, door zijn hele lichaam heen, als een waarschuwing. Ga sneller, fluisterde het naar hem. Sneller. “Sneller!” riep Thor naar Mycoples. Mycolples brulde zachtjes als antwoord en ging sneller vliegen. Thor had de woorden niet eens hoeven uitspreken—Mycoples begreep alles, zelf nog voor hij het zei—maar hij deed het toch. Zijn eigen woorden waren geruststellend. Hij voelde zich hulpeloos. Hij voelde dat er iets mis was met Gwen, en dat elke seconde telde. Toen ze door een wolkendek heen braken, werd Thor overspoeld door opluchting. Eindelijk. In de verte kwam de Toren van Vluchtelingen in het zicht. Het was een eeuwenoud, naargeestig staaltje architectuur, een perfect ronde, smalle toren die bijna de wolken leek te raken, gebouwd van een glimmend zwart gesteente. Thor kon zelfs vanaf een afstand de kracht voelen. Terwijl ze dichterbij kwamen, zag hij ineens iets boven in de toren. Het was een persoon. Ze stond op de rand, haar armen uitgestrekt. Haar ogen waren gesloten, en ze zwaaide heen en weer in de wind. Thor wist onmiddellijk wie het was. Gwendolyn. Zijn hart bonsde terwijl hij haar daar zag staan. Hij wist wat ze dacht. En hij wist waarom. Ze dacht dat hij haar had opgegeven, en hij kon het niet helpen, maar het voelde alsof het zijn schuld was. “SNELLER!” schreeuwde Thor. Ze vlogen zo snel dat het Thor de adem benam. Terwijl ze naderden, zag Thor Gwen naar achteren stappen, van de rand af, terug het dak op, en hij werd overspoeld door opluchting. Zelfs zonder dat ze hem gezien had, was ze van gedachten veranderd en had ze besloten om niet te springen. Mycoples brulde en Gwen keek op, en zag Thor voor het eerst. Hun ogen ontmoetten elkaar, en hij zag de schok op haar gezicht. Mycoples landde op het dak. Thor sprong van haar rug af en rende naar Gwendolyn. Gwen draaide zich om en staarde naar hem, haar ogen wijd open gesperd. Ze keek alsof ze een geest zag. Thor rende naar haar toe, zijn hart bonzend, overspoeld door opwinding, en hij strekte zijn armen uit. Ze omhelsden elkaar en hielden elkaar stevig vast terwijl Thor haar optilde en haar tegen zich aandrukte en haar ronddraaide. Thor hoorde haar huilen en voelde haar hete tranen over zijn nek stromen, en hij kon nauwelijks geloven dat hij echt hier was, en dat hij haar echt vast hield. Dit was echt. Dit was de droom die hij elke nacht had gehad toen hij in het Rijk was geweest, toen hij zeker had geweten dat hij nooit meer zou terugkeren, dat hij Gwendolyn nooit meer zou zien. En nu was hij hier, en hield hij haar in zijn armen. Hij was zo lang bij haar vandaan geweest, alles aan haar voelde nieuw. Het voelde perfect. En hij zwoer dat hij nooit meer een moment met haar voor lief zou nemen. “Gwendolyn,” fluisterde hij in haar oor. “Thorgrin,” fluisterde ze terug. Ze hielden elkaar een lange tijd vast, en toen kusten ze elkaar. Het was een gepassioneerde kus, en geen van hen wilde loslaten. “Je leeft nog,” zei ze. “Je bent hier. Ik kan niet geloven dat je hier bent.” Mycoples snoof en Gwendolyn keek over Thors schouder. Mycoples klapperde met haar vleugels en Gwen keek angstig naar haar. “Wees niet bang,” zei Thor. “Haar naam is Mycoples. Ze is mijn vriendin. En ze zal ook jouw vriendin worden. Kom.” Thor nam Gwens hand en leidde haar over de borstwering. Hij kon Gwens angst voelen terwijl ze naderden. Hij begreep het. Dit was tenslotte een echte, levende draak, en Gwen was nog nooit zo dicht bij een draak in de buurt geweest. Mycoples staarde Gwen aan met haar grote, rode, gloeiende ogen en snoof zachtjes. Ze klapperde met haar vleugels en kromde haar nek. Thor voelde iets dat leek op jaloezie. En ook nieuwsgierigheid. “Mycoples, dit is Gwendolyn.” Mycoples draaide trots haar hoofd weg. Toen draaide ze plotseling terug en ze staarde recht in Gwendolyns ogen, alsof ze dwars door haar heen keek. Ze strekte haar nek uit en haar kop raakte bijna Gwendolyns gezicht. Gwen snakte naar adem, verrast, verwonderd—en wellicht bang. Ze strekte haar arm uit, en legde een trillende hand op Mycloples’ lange neus, en raakte haar paarse schubben aan. Na enkele gespannen seconden knipperde Mycople. Ze duwde haar neus tegen Gwens buik aan, als teken van genegenheid. Mycloples bleef haar neus tegen Gwens buik wrijven, alsof ze erop gefixeerd was, en Thor begreep niet waarom. Toen draaide Mycoples haar hoofd weer weg, en keek naar de horizon. “Ze is prachtig,” fluisterde Gwen. Ze draaide zich om en keek Thor aan. “Ik had de hoop opgegeven,” zei ze. “Ik dacht dat je niet meer terug zou terugkeren.” “Ik ook niet,” zei Thor. “De gedachte aan jou heeft me erdoor heen gesleept. Het gaf me een reden om te overleven. Om terug te komen.” Ze omhelsden elkaar weer en hielden elkaar een lange tijd stevig vast, terwijl de wind hen streelde. Gwendolyn keek naar beneden en zag ineens het Zwaard van het Lot aan Thors heup hangen. Haar ogen sperden zich open en ze snakte naar adem. “Je hebt het Zwaard mee terug genomen,” zei ze. Vol ongeloof keek ze hem aan. “Jij bent degene die het kan optillen.” Thor knikte terug. “Maar hoe…” begon ze, en toen zweeg ze. Ze was te overweldigd. “Ik weet het niet,” zei Thor. “Ik kon het gewoon.” Haar ogen lichtten op terwijl ze zich iets anders realiseerde. “Dan is het Schild ook weer ingeschakeld,” zei ze hoopvol. Thor knikte ernstig. “Andronicus kan geen kant op,” zei hij. “We hebben het Koninklijk Hof en Silesia al bevrijd.” Gwendolyns gezicht werd overspoeld door opluchting en vreugde. “Jij was het,” zei ze. “Jij hebt onze steden bevrijd.” Thor haalde bescheiden zijn schouders op. “Het was vooral Mycoples. En het Zwaard. Ik ging alleen mee.” Gwen straalde. “En onze mensen? Zijn ze veilig? Zijn er overlevenden?” Thor knikte. “De meesten zijn levend en wel.” Gwen straalde, en ze zag er ineens weer jonger uit. “Kendrick wacht op je in Silesia,” zei Thor, “evenals Godfrey, Reece, Srog, en nog vele anderen. Ze zijn allemaal levend en wel, en de stad is vrij.” Gwen sloeg haar armen om Thor heen en hield hem stevig vast. Hij kon de opluchting door haar heen voelen stromen. “Ik dacht dat het allemaal verwoest was,” huilde ze zachtjes, “voor altijd verloren.” Thor schudde zijn hoofd. “De Ring heeft het overleefd,” zei hij. “Andronicus is op de vlucht geslagen. We zullen terugkeren en voorgoed met hem afrekenen. En dan zullen we alles herbouwen.” Gwendolyn draaide zich plotseling om en keek weg. Ze staarde naar de lucht en veegde een traan weg. Ze trok haar mantel dichter om haar schouders heen. “Ik weet niet of ik terug kan keren,” zei ze aarzelend. “Er is me iets overkomen. Toen je weg was.” Thor greep haar schouders vast en keek haar aan. “Ik weet wat er met je is gebeurd,” zei hij. “Je moeder heeft het me verteld. Je hoeft je nergens voor te schamen,” zei hij. Gwendolyn keek hem verwonderd aan. “Je weet het?” vroeg ze geschokt. Thor knikte. “Het betekent niets,” zei hij. “Ik hou net zo veel van je. Meer zelfs. Onze liefde—dat is wat er toe doet. Dat is wat onbreekbaar is. Ik zal je wreken. Ik zal Andronicus zelf doden. En onze liefde zal nooit sterven.” Gwen omhelsde Thor innig, en haar tranen liepen langs zijn nek. Hij kon voelen hoe opgelucht ze was. “Ik hou van je,” zei Gwen in zijn oor. “Ik hou ook van jou,” antwoordde hij. Terwijl Thor haar tegen zich aan hield, bonsde zijn hart. Hij wilde het haar nu meer dan ooit vragen. Haar ten huwelijk vragen. Maar hij wist dat hij dat niet kon doen tot hij haar zijn geheim had vertelt, tot hij haar had vertelt wie zijn vader was. De gedachte vulde hem met schaamte en vernedering. Hij had zojuist gezworen om de man te doden die ze beiden het meest haatten. Hoe kon hij haar nu vertellen dat Andronicus zijn vader was? Thor wist zeker dat Gwen hem voor altijd zou haten. En hij kon het niet riskeren haar te verliezen. Niet na alles dat er was gebeurd. Hij hield zo veel van haar. Met trillende handen reikte hij in zijn shirt en haalde de ketting tevoorschijn die hij bij de schatten van de draken had gevonden. Hij was gemaakt van goud en voorzien van een glimmend gouden hartje, bedekt met diamanten en robijnen. Hij hield het op tegen het licht, en Gwen snakte naar adem. Thor ging achter haar staan en deed de ketting bij haar om. “Een klein teken van mijn liefde en affectie,” zei hij. De ketting stond haar prachtig. Het goud glom in het licht en weerspiegelde alles. De ring brandde in zijn zak, en Thor zwoer dat hij haar de ring zou geven als de tijd rijp was. Als hij de moed kon opbrengen om haar de waarheid te vertellen. Maar nu was het niet de tijd. “Dus zie je, je kunt terugkeren,” zei Thor terwijl hij haar wang streelde. “Je moet terugkeren. Je mensen hebben je nodig. Ze hebben een leider nodig. De Ring is niets zonder leider. Ze kijken op naar jou. Andronicus heeft nog steeds de helft van de Ring in zijn bezit. Onze steden moeten nog herbouwd worden.” Hij keek in haar ogen en zag haar nadenken. “Zeg ja,” drong Thor aan. “Ga met me mee terug. Deze Toren is geen plek voor een jonge vrouw om de rest van haar leven door te brengen. De Ring heeft je nodig. Ik heb je nodig.” Thor hield zijn hand uit en wachtte. Gwen keek twijfelend naar beneden. Toen legde ze haar handen in de zijne. Haar ogen werden lichter en lichter, en glommen van liefde en warmte. Hij kon zien dat ze langzaam weer de Gwendolyn werd die hij ooit kende, gevuld met leven en liefde en vreugde. Het was alsof ze een bloem was, die zich voor zijn ogen herstelde. “Ja,” zei ze zachtjes, en ze glimlachten. Hij nam haar in zijn armen en hield haar stevig vast. En hij zwoer dat hij haar nooit meer zou laten gaan. HOOFDSTUK ZEVEN Erec opende zijn ogen en bemerkte dat hij in Alistairs armen lag. Hij keek op, recht in haar kristalblauwe ogen, die straalden van liefde en warmte. Er speelde een klein glimlachje rond haar mond, en hij voelde de warmte van haar handen afstralen en door zijn lichaam heen stromen. Hij voelde zich geheel genezen, herboren, alsof hij nooit gewond was geweest. Ze had hem teruggebracht uit de dood. Erec ging rechtop zitten en keek Alistair vol bewondering aan. Weer vroeg hij zich af wie ze echt was, en hoe ze zulke krachten kon hebben. Terwijl Erec over zijn hoofd wreef, herinnerde hij het zich: Andronicus’ mannen. De aanval. De kloof. De rots. Erec sprong overeind en zag al zijn mannen naar hem kijken, alsof ze zijn weder opstand hadden afgewacht—en zijn bevel. Hij zag de opluchting in hun ogen. “Hoe lang ben ik bewusteloos geweest?” vroeg hij wanhopig aan Alistair. Hij voelde zich schuldig dat hij zijn mannen zo lang alleen had gelaten. Maar ze glimlachte lief naar hem. “Slechts een seconde,” zei ze. Erec begreep het niet. Hij voelde zich zo hersteld, alsof hij jaren had geslapen. Hij voelde zich energiek terwijl hij naar de ingang van de kloof rende en zijn werk zag: de enorme rots versperde nu de doorgang, en Andronicus’ mannen konden er niet meer doorheen komen. Ze hadden het onmogelijke gedaan en het veel grotere leger tegen weten te houden. In elk geval voor nu. Maar voor hij hun prestatie kon vieren, hoorde Erec ineens geschreeuw van boven zich komen. Hij keek omhoog. Eén van zijn mannen op de klif tuimelde achterover en landde met een doffe klap op de grond. Erec zag dat zijn lichaam was doorboord met een speer. Er klonk meer geschreeuw. Hij keek naar boven en zag tientallen van Andronicus’ mannen aan de top verschijnen, die met de mannen van de Hertog vochten. Erec besefte ineens wat er was gebeurd: de commandant van het Rijk had zijn troepen opgesplitst. Hij had de ene helft door de kloof heen gestuurd, en de anderen de berg op. “NAAR DE TOP!” commandeerde Erec. “KLIMMEN!” De mannen van de Hertog volgen hem terwijl hij recht de berg op rende, zijn zwaard in zijn hand. Het steile gebergte bestond uit rotsen en stof, en elke paar meter gleed hij uit en moest hij zich vastgrijpen om niet achterover te vallen. Het was zo steil dat het eerder een klim was; elke meter omhoog was een gevecht, en zijn mannen hijgden terwijl ze zich als berggeiten een weg naar boven baanden. “BOOGSCHUTTERS!” schreeuwde Erec. Beneden stopten enkele tientallen van de boogschutters van de Hertog, en vuurden een regen van pijlen af. Meerdere soldaten van het Rijk vielen schreeuwend van de klif af. Eén van de lichamen kwam op Erec af; hij dook en kon het lichaam nog net ontwijken. Eén van de mannen van de Hertog had echter niet zoveel geluk—hij werd geraakt door een lichaam en viel achterover van de berg af. De boogschutters van de Hertog stationeerden zichzelf rond de berg en vuurden pijlen af wanneer een soldaat van het Rijk zijn hoofd boven de rand uitstak. Maar het was een man tegen man gevecht daarboven, en niet alle pijlen raakten hun doelwit: één pijl miste, en raakte per ongeluk één van de mannen van de Hertog in zijn rug. De soldaat schreeuwde het uit, en een soldaat van het Rijk maakte van de gelegenheid gebruik om hem neer te steken. Hij viel schreeuwend van de klif af. Een andere boogschutter wist de soldaat van het Rijk in zijn maag te raken, en ook hij viel over de rand. Erec en de anderen klommen met alles dat ze hadden de klif op. Terwijl hij de top naderde, gleed hij ineens uit; hij strekte zijn arm uit en wist nog net een dikke boomwortel vast te grijpen. Hij hield zich stevig vast en trok zichzelf toen omhoog, waarna hij zijn weg naar de top vervolgde. Erec bereikte de top voor de anderen en rende met een strijdkreet naar voren, zijn zwaard hoog geheven, vastberaden om te helpen zijn mannen te verdedigen. Er waren slechts enkele tientallen van zijn mannen hierboven, en elk van hen was verwikkeld in een man tegen man gevecht met soldaten van het Rijk. Ze waren met twee tegen één in de minderheid, en elke seconde verschenen er meer soldaten van het Rijk aan de top. Erec vocht als een bezetene en stak twee soldaten tegelijk neer. Er was niemand sneller in de strijd dan hij, niet in de hele Ring, en met twee zwaarden in zijn hand putte Erec uit zijn unieke vaardigheden als kampioen van de Zilveren om het Rijk terug te drijven. Hij was een golf van vernietiging. Hij draaide rond en dook en haalde uit, steeds dieper de massa van soldaten van het Rijk in. Hij ontweek, en gaf kopstoten en pareerde, en ging zo snel dat hij zijn schild niet eens hoefde te gebruiken. Erec ging door hen heen als een wervelwind en schakelde al een tiental soldaten uit voor ze ook maar de kans hadden gekregen om zich te verdedigen. En de mannen van de Hertog deden met hem mee. Achter hem had de rest van de mannen van de Hertog inmiddels ook de top bereikt, met Brandt en de Hertog voorop. Al snel keerde het tij, en wisten ze de mannen van het Rijk terug te drijven. De lichamen stapelden zich op. Er was nog één soldaat van het Rijk op de top, en Erec dreef hem naar achteren. Toen gaf hij hem een trap en de soldaat viel de schreeuwend de kloof in. Erec en zijn mannen stonden hijgend op de klif, en probeerden op adem te komen; Erec liep naar voren, naar de rand van de klif waar het Rijk vandaan was gekomen. Hij wilde zien wat er beneden lag. Het Rijk had wijselijk geen mannen meer naar boven gestuurd, maar Erec had zo’n gevoel dat ze nog wel wat reserves hadden. Zijn mannen voegden zich bij hem en keken ook naar beneden. Zelfs zijn wildste nachtmerries hadden Erec niet kunnen voorbereiden op wat hij beneden zich zag. Ondanks de honderden mannen die ze hadden gedood, ondanks het feit dat ze erin waren geslaagd om de kloof af te sluiten, er waren nog tienduizenden soldaten van het Rijk daar beneden. Erec kon het niet geloven. Het had zoveel gekost om zo ver te komen, en alle schade die ze hadden aangericht had niet eens een deuk in het eindeloze leger van het Rijk veroorzaakt. Het Rijk zou gewoon meer mannen naar boven blijven sturen. Erec en zijn mannen zouden er nog tientallen kunnen houden, misschien zelfs honderden. Maar uiteindelijk zouden ze hen niet meer kunnen tegenhouden. Terwijl Erec daar stond, voelde hij zich hopeloos. Hij wist dat hij zou sterven, hier, vandaag. Er was geen uitweg. Hij had er geen spijt van. Hij had een heldhaftige verdediging opgezet, en als hij dan moest sterven was er geen beter plek dan hier. Hij greep zijn zwaard stevig vast en zette zich schrap. Zijn enige aarzeling was dat Alistair veilig moest zijn. Misschien, dacht hij, zou hij in een volgende leven meer tijd met haar kunnen doorbrengen. “Nou, het was een mooie tijd,” klonk een stem. Erec draaide zich om en zag Brandt naast zich staan, eveneens met zijn hand op het heft van zijn zwaard. Ze hadden samen talloze gevechten doorstaan, waren vele malen in de minderheid geweest—maar Erec had nog nooit de uitdrukking gezien die hij nu op het gezicht van Brandt zag. Het moest die van hem weerspiegelen: ook hij zag de dood. “We gaan tenminste ten onder met onze zwaarden in onze handen,” zei de Hertog. Hij zei precies wat Erec al dacht. Beneden keken de mannen van het Rijk omhoog, alsof ze hen hadden gehoord. Duizenden van hen begonnen zich te verzamelen en gingen met getrokken wapens op de klif af. Honderden boogschutters van het Rijk knielden, en Erec wist dat het bloedvergieten binnen enkele seconden zou beginnen. Hij zette zich schrap en haalde diep adem. Plotseling klonk er een krijsend geluid vanuit de lucht. Erec tuurde omhoog en vroeg zich af of hij dingen begon te horen. Hij had ooit eens de schreeuw van een draak gehoord, en dit geluid deed hem daar aan denken. Het was een geluid dat hij nooit meer was vergeten, een geluid dat hij tijdens zijn training had gehoord, tijdens de Honderd. Hij had niet verwacht het ooit nog een keer te horen. Het kon niet mogelijk zijn. Een draak? Hier in de Ring? Erec strekte zijn nek uit. In de verte, door de wolken, zag hij een beeld dat de rest van zijn leven in zijn geheugen gegrift zou staan: daar vloog een enorme paarse draak met grote, gloeiende rode ogen. Het zicht vulde Erec met angst, een grotere angst dan hij ooit had gevoeld. Maar toen hij beter keek, veranderde zijn angst in verwarring. Het leek wel over er twee mensen op de rug van de draak zaten. Terwijl Erec zijn ogen samenkneep, herkende hij ze. Probeerden zijn ogen hem voor de gek te houden? Daar, op de rug van de draak, zat Thorgrin. En achter hem, met haar armen om zijn middel, zat Koning MacGils dochter. Gwendolyn. Voor Erec kon verwerken wat hij zag, dook de draak naar beneden. Ze opende haar mond en krijste. Het geluid was zo scherp dat een rots naast Erec begon te splijten. De grond trilde terwijl de draak een duikvlucht maakte, haar mond opende en vuur spuwde. De vallei vulde zich met het geschreeuw van duizenden soldaten van het Rijk, terwijl ze verzwolgen werden door de vlammen. Binnen enkele seconden stond de hele vallei in lichterlaaie. Thor stuurde de draak over de mannen van Andronicus heen, en vaagde ze in een oogwenk van weg. De overgebleven soldaten sloegen op de vlucht. Maar Thor joeg achter hen aan, en zijn draak bleef vuur spuwen. Binnen enkele momenten waren alle mannen beneden Erec—de mannen van wie hij zo zeker had geweten dat ze tot zijn dood zouden leiden, zelf dood. Er bleef niets in de vallei over behalve verkoolde lichamen en vlammen. Het gehele bataljon van het Rijk was weg. Erec staarde met open mond omhoog en keek toe hoe de draak hoog de lucht in vloog, met haar enorme vleugels klapperde, en langs hen vloog. Zijn mannen juichten. Ze gingen naar het zuiden. Erec was sprakeloos van verwondering over Thors heldendaad, zijn onbevreesdheid, over hoe hij dit beest controleerde—en over de kracht van het beest. Erec had een tweede kans gekregen—en zijn mannen ook—en voor het eerst in een lange tijd voelde hij zich weer optimistisch. Nu konden ze winnen. Zelfs tegen een miljoen van Andronicus mannen. Met een beest zoals dat, konden ze winnen. “Mannen, mars!” commandeerde Erec. Hij was vastberaden om het spoor van de draak te volgen, de geur van zwavel, de vuurgloed in de lucht, waar het hen ook heen zou leiden. Thorgrin was teruggekeerd, en het was tijd om hem te volgen. HOOFDSTUK ACHT Kendrick reed op zijn paard, omgeven door duizenden van zijn mannen. Ze naderden Vinesia, de grote stad waar Andronicus’ bataljon zich had teruggetrokken. Een hoog, ijzeren valhek versperde de ingang. De stenen muren waren dik, en de stad was zowel van binnen als van buiten vergeven met Andronicus’ mannen. Kendrick’s leger was zwaar in de minderheid. En ze hadden het verassingselement niet meer. Maar dat was nog niet eens het ergste. Van achter de stad verschenen nog duizenden van Andronicus’ mannen, versterkingen. Net toen Kendrick dacht dat ze op de vlucht waren geslagen, was het tij weer gekeerd. Sterker nog, hun leger kwam nu hun kant op. Een enorme, gedisciplineerde golf van verwoesting. Het enige alternatief was terugtrekken naar Silesia, om de stad te houden tot het Rijk het weer zou bezetten, tot ze weer slaven waren. En dat mocht nooit gebeuren. Kendrick was nooit iemand geweest die terugdeinsde voor een confrontatie, zelfs niet wanneer hij in de minderheid was. Hetzelfde gold voor alle andere dappere krijgers van MacGils leger, van Silesia, van de Zilveren. Kendrick wist dat ze met hem tot de dood zouden vechten. Terwijl hij het heft van zijn zwaard stevig vast greep, wist hij precies wat hij moest doen. De mannen van het Rijk lieten een strijdkreet uit, die door Kendricks mannen met een nog luidere strijdkreet werd beantwoord. Terwijl Kendrick en zijn mannen de helling af galoppeerden om het tegemoetkomende leger te confronteren in een gevecht dat ze niet konden winnen, zetten Andronicus’ mannen de vaart erin. Kendrick voelde de wind door zijn haar gaan, de trilling van het zwaard in zijn hand, en hij wist dat het slechts een kwestie van tijd was voor hij zichzelf weer zou verliezen in dat enorme gekletter van metaal, in die bekende rite van zwaarden. Ineens hoorde Kendrick tot zijn verassing een gekrijs boven zich; hij keek op naar de hemel en zag iets door de wolken heen barsten. Hij had het al een keer eerder gezien—Thor die op de rug van Mycoples verscheen—maar toch benam het zicht hem de adem. Vooral omdat deze keer Gwen ook op de rug van de draak zat. Kendricks hart zwol toen hij ze een duikvlucht zag maken en besefte wat er ging gebeuren. Hij grijnsde breed, hief zijn zwaard hoog en spoorde zijn paard aan nog sneller te gaan. Voor het eerst wist hij dat de overwinning op deze dag toch voor hen zou zijn. * Thor en Gwen vlogen op de rug van Mycoples door de wolken heen. Haar grote vleugels klapperden sneller en sneller. Thor voelde dat Kendrick en de anderen in gevaar waren, en ze braken door de wolken heen. Onder zich zag hij, tussen de glooiende heuvels van de Ring, de uitgestrekte divisie van Andronicus, die op Kendricks mannen afrende. Thor stuurde Mycoples naar beneden. “Duiken!” fluisterde hij. Ze dook laag, zo dicht bij de grond dat Thor bijna van haar rug af kon springen. Toen opende ze haar bek en spuwde ze vuur. De hitte was verschroeiend. Vuurgolven rolden over de velden en smoorden het doodsbange geschreeuw van de mannen van het Rijk. Mycoples zorgde voor een verwoesting zoals de mannen nog nooit hadden gezien. Ze zette het platteland in vuur en vlam, en duizenden van Andronicus’ mannen werden verzwolgen. Degenen die het overleefden sloegen op de vlucht. Thor zou de rest van hen aan Kendrick overlaten. Thor keerde om naar de stad en zag dat zich daar nog duizenden andere soldaten bevonden. Hij wist dat Mycoples niet in zo’n krap gebied kon manoeuvreren, met die steile muren, en dat het te riskant zou zijn om haar daar te laten landen. Thor zag honderden soldaten met pijlen en speren, en hij vreesde voor de schade die ze op zo’n korte afstand zouden kunnen aanrichten. Het beviel hem niets. Hij voelde het Zwaard van het Lot in zijn hand pulseren en hij wist dat dit een strijd was die hij zelf moest uitvechten. Thor stuurde Mycoples naar beneden en ze landde vlak voor de stad, buiten het enorme ijzeren valhek. Thor leunde naar voren en fluisterde in Mycoples’ oor: “Het hek. Brand het plat en ik zal het vanaf daar overnemen.” Mycoples zat daar en krijste naar hem. Ze klapperde ongewillig met haar vleugels. Ze wilde bij Thor blijven en aan zijn zijde vechten in de stad. Maar Thor wilde haar de kans niet geven. “Dit is mijn gevecht,” hield hij vol. “En ik heb jou nodig om Gwen in veiligheid te brengen.” Mycoples leek hem te begrijpen. Ineens kromde ze haar nek en ze spuwde vuur naar het ijzeren hek, dat begon te smelten. Thor boog zich naar Mycoples. “Ga!” fluisterde hij naar haar. “Breng Gwen in veiligheid.” Thor sprong van haar rug of en hij voelde het Zwaard van het Lot in zijn hand pulseren. “Thor!” riep Gwen uit. Maar Thor rende al naar de gesmolten hekken. Hij hoorde Mycoples opstijgen en wist dat ze Gwen in veiligheid zou brengen. Thor sprintte door de poorten, de binnenplaats op, recht het hart van de stad in, naar de duizenden soldaten. Het Zwaard van het Lot vibreerde in Thors hand als een levend wezen, en leek hem te dragen, alsof hij lichter was dan lucht. Het enige dat hij hoefde te doen was het vasthouden. Thor voelde zijn arm en pols en lichaam bewegen. Het zwaard sneed door de mannen heen alsof ze van boter waren en doodde er tientallen in één enkele slag. Thor draaide om zijn af en verwoestte alles om zich heen. Eerst trachtte het Rijk terug te vechten; maar toen Thor door schilden, wapenrustingen en wapens heen sneed alsof ze niet bestonden, nadat hij rijen van mannen had gedood, beseften ze waar ze het tegen op moesten nemen: een magische, niet te stoppen wervelwind van verwoesting. Er brak chaos uit in de stad. De duizenden soldaten van het Rijk probeerden te vluchten en bij Thor uit de buurt te komen. Maar ze konden nergens heen. Thor, die zich liet leiden door het zwaard, was veel te snel, als een bliksem die zich door de stad verspreidde. De soldaten renden in paniek tegen elkaar op, tegen de stadsmuren, en verdrongen zich om eruit te komen. Thor liet hen niet ontsnappen. Hij sprintte door alle hoeken van de stad met een snelheid die hij nooit voor mogelijk had kunnen houden. Hij dacht aan Gwendolyn, aan wat Andronicus haar had aangedaan, en hij wilde wraak. Het was tijd om alles te rectificeren wat Andronicus had gedaan. Andronicus. Zijn vader. De gedachte brandde in hem. Met elke uithaal van het zwaard beeldde Thor zich in dat hij hem doodde. Thor wilde iemand anders zijn, van iemand anders. Hij wilde een vader op wie hij trots kon zijn. Als het maar geen Andronicus was. En als hij genoeg van deze mannen doodde, kon hij misschien, heel misschien, eindelijk van hem verlost zijn. Thor vocht als in een waas. Hij sloeg alle kanten op, tot hij zich uiteindelijk realiseerde dat hij in het niets sloeg. Hij keek om zich heen en zag dat alle tienduizenden soldaten van Andronicus op de grond lagen, dood. De stad was gevuld met lichamen. Er was niemand meer om te doden. Thor stond alleen op de binnenplaats, hijgend, het zwaard gloeiend in zijn handen. Thor hoorde een gejuich in de verte; hij werd opgeschrikt uit zijn gedachten en rende de stad uit. In de verte zag hij Kendricks mannen, die de overgebleven troepen van het leger opjoegen. Terwijl Thor door de stadspoorten rende zag Mycoples hem. Ze had op zijn terugkeer gewacht en landde, Gwen nog steeds op haar rug. Thor steeg op en ze gingen weer de lucht in. Ze vlogen over Kendricks leger heen en Thor keek op hen neer, over de massa’s mannen en paarden en stof. Voor hen renden de overgebleven soldaten van Andronicus’ leger. “Omlaag,” fluisterde Thor. Ze doken omlaag en gingen achter de soldaten vliegen. Mycoples spuwde vuur en vaagde de ene na de andere rij uit. Er rees geschreeuw op, en al snel hadden ze de hele achterhoede weggevaagd. Eindelijk was er niemand meer over om te doden. Ze vlogen door over de uitgestrekte velden. Thor wilde er zeker van zijn dat er niemand meer over was. In de verte zag Thor het grote gebergte, de Hooglanden, die het Oosten van het Westen scheidde. Tussen hier en de Hooglanden was geen levende soldaat van het Rijk meer te bekennen. Thor was tevreden. Het hele Westelijk Koninkrijk van de Ring was bevrijd. Er waren vandaag genoeg doden gevallen. De zon begon onder te gaan, en wat er achter de Hooglanden lag, kon wachten. Thor cirkelde terug naar Kendrick. Het platteland gleed onder hem langs en al snel hoorde hij het geschreeuw en gejuich van de mannen die omhoog keken en zijn naam riepen. Hij landde voor het leger en steeg af, waarna hij Gwendolyn omlaag hielp. Ze werden toegejuicht door de grote groep, die naar voren rende. Kendrick, Godfrey, Reece en zijn andere broeders van de Krijgsmacht, de Zilveren—iedereen waar Thor om gaf kwam naar hen toerend om hen te omhelzen. Eindelijk waren ze weer herenigd. Eindelijk waren ze vrij. HOOFDSTUK NEGEN Andronicus stormde door zijn kamp. In een impuls van woede haalde hij uit met zijn lange klauwen en onthoofdde hij een jonge soldaat, die op dat moment helaas vlakbij stond. Andronicus onthoofdde de ene na de andere soldaat, tot zijn mannen uiteindelijk doorkregen dat ze bij hem uit de buurt moesten blijven. Ze hadden beter moeten weten wanneer hij in een bui als deze was. Soldaten doken uit de weg terwijl Andronicus door het kamp beende en bleven op een afstand. Zelfs zijn generaals bleven uit de buurt. Zij wisten inmiddels wel beter. Een nederlaag was één ding. Maar een nederlaag zoals deze—dat was nog nooit voorgekomen in de geschiedenis van het Rijk. Andronicus was nog nooit eerder verslagen. Zijn leven had bestaan uit een eindeloze serie van overwinningen, de ene nog wreder en bevredigender dan de vorige. Hij had nooit geweten hoe het voelde om verslagen te worden. Nu wel. En het beviel hem niets. De gebeurtenissen maalden door Andronicus’ hoofd. Hij kon niet begrijpen hoe het zo mis kon zijn gegaan. Gisteren had zijn overwinning nog compleet geleken, alsof de Ring al van hem was. Hij had het Koninklijk Hof vernietigd en Silesia veroverd; hij had alle MacGils onderworpen en hun leider, Gwendolyn, vernederd; hij had hun beste soldaten gemarteld aan de kruisen, hij had Kolk al vermoord, en hij had op het punt gestaan om Kendrick en de anderen te executeren. Argon had zich met zijn affaires bemoeid en Gwendolyn meegenomen voor hij haar had kunnen doden, en Andronicus had op het punt gestaan om dat recht te zetten, om haar terug te halen en haar samen met de anderen te executeren. Hij was nog maar een dag verwijderd geweest van een complete overwinning. En toen was alles veranderd. Thor en die draak waren aan de horizon verschenen en waren neergedaald als een wolk, en ze waren er met hun vlammen en Zwaard van het Lot in geslaagd om complete divisies weg te vagen. Andronicus had alles vanaf een veilige afstand gadegeslagen; het was een goed idee geweest om zich hier terug te trekken, aan deze kant van de Hooglanden, terwijl zijn verkenners hem nieuws brachten over de schade die Thor en de draak hadden aangericht. In het zuiden, vlak bij Savaria, was een compleet bataljon weggevaagd; in het Koninklijk Hof en in Silesia was het net zo erg. Nu was het Westelijk Koninkrijk van de Ring, dat hij een dag eerder nog volledig in zijn macht had gehad, bevrijd. Het was onbegrijpelijk. Hij werd ziedend bij de gedachte aan het Zwaard van het Lot. Hij had zoveel moeite gedaan om het weg te houden bij de Ring, en nu was het weer terug, en daarmee was ook het Schild weer ingeschakeld. Dat betekende dat hij hier vast zat met de mannen die hij had; hij kon natuurlijk weg, maar hij kon geen versterkingen meer naar binnen krijgen. Hij schatte dat hij nog ongeveer een half miljoen soldaten hier had, aan deze kant van de Hooglanden. Dat betekende dat ze in de meerderheid waren tegen de MacGils; maar tegen Thor, het Zwaard van het Lot en die draak, maakten aantallen niets meer uit. Nu waren, ironisch gezien, de kansen tegen hem gekeerd. Het was een positie waar hij zich nog niet eerder in had bevonden. Alsof dat allemaal nog niet erg genoeg was, hadden zijn spionnen hem ook vertelt over onrust aan het thuisfront, in de hoofdstad van het Rijk, over de samenzweringen van Romulus om de troon van hem af te nemen. Andronicus gromde van woede terwijl hij door zijn kamp stormde en op zoek ging naar iemand om de schuld te geven. Als commandant wist hij dat het nu tactisch gezien het slimst was om zich terug te trekken en de Ring te verlaten, voor Thor en zijn draak hem zouden vinden. Op die manier zou hij de troepen die hij nog overhad kunnen redden, zouden ze aan bood kunnen gaan van zijn schepen en terugvaren naar het Rijk, waar hij zijn plek op de troon veilig zou kunnen stellen. Tenslotte was de Ring niets meer dan een vlekje in het Rijk, en elke grote commandant had recht op tenminste één nederlaag. Hij zou nog steeds heersen over negenennegentig procent van de wereld, en hij wist dat hij daar tevreden mee zou moeten zijn. Maar dat was niet de denkwijze van de Grote Andronicus. Andronicus was niet iemand die voorzichtig of snel tevreden was. Hij was altijd zijn passies achterna gegaan, en hoewel hij wist dat het riskant was, was hij niet klaar om deze plek te verlaten, om zijn nederlaag te accepteren, en om de Ring uit zijn greep te laten glijden. Zelfs al zou hij zijn hele Rijk moeten opofferen, hij zou een manier vinden om deze plek te vernietigen en te domineren. Hoe dan ook. Andronicus had geen macht over de draak of het Zwaard van het Lot. Maar Thorgrin… dat was een ander verhaal. Zijn zoon. Andronicus stopte en zuchtte bij de gedachte. Hoe ironisch: zijn eigen zoon, het laatste obstakel voordat hij heerser was van de hele wereld. Op de één of andere manier was het passend. Onvermijdelijk. Het waren altijd, wist hij, de mensen die het dichtst bij je stonden die je het meeste pijn deden. Hij herinnerde zich de profetie. Het was natuurlijk een fout geweest om zijn zoon in leven te laten. Zijn grote fout in het leven. Maar hij had een zwakke plek voor hem gehad, ondanks het feit dat hij wist dat de profetie aangaf dat dat tot zijn eigen ondergang zou leiden. Hij had Thor laten leven, en nu was de tijd gekomen dat hij daar de prijs voor moest betalen. Andronicus, wiens generaals hem op een veilige afstand volgden, bereikte de rand van het kamp en zag de tent die kleiner was dan de anderen, de enige rode tent in een zee van zwart en goud. Er was slechts één persoon die de onbeschaamdheid had om tent in een andere kleur op te zetten, de enige die zijn mannen vreesden. Rafi. Rafi was Andronicus’ persoonlijke tovenaar. Hij was het meest sinistere wezen dat hij ooit had ontmoet. Rafi had Andronicus bij elke stap geadviseerd, had hem beschermd met zijn kwade energie, en hij was voor een groot deel verantwoordelijk voor zijn macht. Andronicus haatte het dat hij zich nu tot hem moest wenden, dat hij moest toegeven dat hij hem nodig had. Maar wanneer hij geconfronteerd werd met iets dat niet van deze wereld was, iets magisch, was Rafi altijd degene waar hij heen ging. Terwijl Andronicus de tent benaderde, werd hij aangestaard door twee kwaadaardige wezens, lang en dun, hun gezichten verborgen onder hun rode mantels. Hun gloeiende, gele ogen staarden hem aan van onder hun kappen. Zij waren de enige wezens in het hele kamp die het waagden om niet te buigen in zijn aanwezigheid. “Ik sommeer Rafi,” verklaarde Andronicus. De twee wezens trokken de tentflappen opzij. Op dat moment kwam er een afschuwelijke stank uit de tent, die Andronicus deed terugdeinzen. Hij wachtte. Alle generaals stopten achter Andronicus en keken verwachtingsvol toe. Er viel een gespannen stilte in het kamp. Eindelijk verscheen er een mager en lang wezen uit de tent, twee keer zo lang als Andronicus, en zo dun als de tak van een olijfboom. Hij was gekleed in donkerrode gewaden en zijn gezicht werd bedenkt door zijn kap. Rafi stond daar en staarde hem aan, en Andronicus ving een glimp op van zijn gele ogen, die verzonken lagen in zijn veel te bleke vlees. De spanning was te snijden. Uiteindelijk stapte Andronicus naar voren. “Ik wil Thorgrin dood hebben,” zei Andronicus. Na een lange stilte grinnikte Rafi. Het was een diep, verontrustend geluid. “Vaders en zoons,” zei hij. “Altijd hetzelfde.” Andronicus brandde van ongeduld. “Kun je helpen?” drong hij aan. Rafi bleef hem zwijgend aankijken, zo lang dat Andronicus overwoog om hem te doden. Maar hij wist dat dat zinloos was. Ooit had Andronicus in een woede bui getracht om hem neer te steken, en zijn zwaard was in zijn hand gesmolten. Het heft had zijn hand verbrand; het had maanden geduurd voor de pijn was verdwenen. Dus Andronicus bleef knarsetandend staan. Uiteindelijk maakte Rafi een spinnend geluid van onder zijn kap. “De energieën waar de jongen door omgeven wordt zijn erg sterk,” zei Rafi langzaam. “Maar iedereen heeft een zwakke plek. Hij is verheven door magie. Hij kan ook worden verslagen door magie.” Andronicus deed geïntrigeerd een stap naar voren. “Over welke magie spreek je?” Rafi pauzeerde even. “Een soort magie die je nog nooit hebt gezien,” antwoordde hij. “Het soort dat alleen voor een wezen als Thor is weggelegd. Hij is jouw probleem, maar hij is ook meer dan dat. Hij zal nog machtiger worden dan jij. Als hij het overleeft.” Andronicus was ziedend. “Vertel me hoe ik hem kan vangen,” wilde hij weten. Rafi schudde zijn hoofd. “Dat is altijd jouw zwakte geweest,” zei hij. “Jij kiest ervoor om hem gevangen te nemen, niet om hem te doden.” “Ik zal hem eerst gevangen nemen,” zei hij. “Daarna zal ik hem doden. Is er een manier of niet?” Er volgde een lange stilte. “Er is een manier om hem zijn krachten te ontnemen, ja,” zei Rafi. “Zonder zijn geliefde Zwaard, en zonder zijn draak, is hij slechts een gewone jongen.” “Laat me zien hoe,” eiste Andronicus. Stilte. “Voor een prijs,” antwoordde Rafi uiteindelijk. “Wat je wil,” zei Andronicus. “Ik geef je alles wat je wil.” Er volgde een lang, duister gegrinnik. “Ik denk dat je daar op een dag spijt van zult krijgen,” antwoordde Rafi. “Heel veel spijt.” HOOFDSTUK TIEN Terwijl Romulus over de met goud geplaveide weg liep die naar Volusia, de hoofdstad van het Rijk, leidde, gingen soldaten snel in formatie staan. Romulus liep voor de overgebleven troepen van zijn leger uit, dat nu nog maar uit een paar honderd soldaten bestond, allen verslagen door hun gevecht met de draken. Romulus was ziedend. Het was een beschamende wandeling. Zijn hele leven lang was hij als overwinnaar teruggekeerd en behandeld als een held; nu keerde hij terug naar stilte, naar schaamte. In plaats van trofeeën en gevangenen, nam hij nu alleen maar verslagen soldaten mee terug. Hij brandde van binnen. Het was zo stom geweest van hem om zo ver te gaan in achtervolging van het Zwaard, om de strijd met de draken aan te gaan. Zijn ego had hem in de maling genomen; hij had beter moeten weten. Hij had geluk gehad dat hij had kunnen ontsnappen, en nog wel met een aantal van zijn troepen. Hij kon het geschreeuw van zijn mannen nog horen, en hij kon hun verkoolde vlees nog ruiken. Zijn mannen waren gedisciplineerd en hadden dapper gevochten. Ze waren op zijn bevel hun dood tegemoet gegaan. Maar nadat zijn groep van duizenden soldaten was geslonken tot een paar honderd man, wist hij dat hij moest vluchten. Hij had het bevel gegeven tot terugtrekken, en zijn overgebleven troepen waren de tunnels in gevlucht, buiten het bereik van de vuurspuwende draken. Ze waren onder de grond gebleven en waren te voet terug gegaan naar de hoofdstad. Nu marcheerden ze door de stadspoorten heen. Terwijl ze de legendarische stad binnengingen, die geheel uit goud was gemaakt en waar de straten bemand werden door duizenden soldaten van het Rijk, haastten ze zich om in formatie te komen terwijl hij hen passeerde. Nu Andronicus weg was, werd Romulus beschouwd als de facto leider van het Rijk, de meest gerespecteerde van alle krijgers. In ieder geval, dat was het geval geweest. Hij wist niet hoe de mensen hem zagen na zijn nederlaag. De nederlaag had niet op een slechter tijdstip kunnen plaatsvinden. Romulus was net bezig met het treffen van zijn voorbereidingen om de macht te grijpen en Andronicus af te zetten. Terwijl hij zich een weg baande door de stad, langs fonteinen, nauwkeurig geplaveide tuinwegen, langs bedienden en slaven, verwonderde hij zich over het feit dat hij nu niet was teruggekeerd met het Zwaard van het Lot in zijn hand, zoals hij zich had voorgesteld. Hij bevond zich nu in een zwakke positie. In plaats van dat hij de macht kon grijpen die hij verdiende, zou hij zich voor de Raad moeten verontschuldigen en hopen dat hij niet zijn baan zou verliezen. De Hoge Raad. Hij kreeg een knoop in zijn maag bij de gedachte. Romulus was niet iemand die verantwoording aan iemand aflegde, laats staan aan een raad die bestond uit burgers die nog nooit in hun leven een zwaard hadden vastgehouden. Elk van de twaalf provincies van het Rijk stuurde twee vertegenwoordigers. Dat waren vierentwintig leiders uit elke hoek van het Rijk. Technisch gezien heersten zij over het Rijk; maar in werkelijkheid regeerde Andronicus hoe hij zelf wilde, en de Raad deed wat hij zei. Maar toen Andronicus naar de Ring was vertrokken, had hij de Raad meer autoriteit gegeven dan ooit; Romulus veronderstelde dat Andronicus dat had gedaan om zichzelf in te dekken en Romulus onder de duim te houden, om zichzelf ervan te verzekeren dat hij een troon zou hebben om naar terug te keren. Zijn actie had de Raad bemoedigd, en nu gedroegen ze zich alsof ze macht hadden over Romulus. En Romulus moest, voor nu in elk geval, verantwoording aan hen afleggen. Het waren allemaal zorgvuldig uitgekozen trawanten van Andronicus, mensen die Andronicus had aangesteld om ervoor te zorgen dat de troon van hem zou blijven. De Raad zocht constant naar manieren om potentiele bedreigingen uit de weg te ruimen. En Romulus’ nederlaag was een perfect excuus om hem uit de weg te ruimen. Romulus liep naar het glimmende Capitool gebouw, een enorm zwart rond gebouw met een glimmende gouden koepel dat hoog de lucht in rees en werd omgeven door gouden zuilen. De banner van het Rijk hing aan het gebouw, en boven de deur prijkte de afbeelding van een gouden leeuw met een adelaar in zijn bek. Terwijl Romulus de honderd gouden treden beklom, bleven zijn mannen op het plein wachten. Hij nam drie treden tegelijk en zijn wapens kletterden tegen zijn wapenrusting. Er waren twaalf bedienden nodig om de massieve deuren bovenaan de trap te openen. Elke deur was vijftien meter hoog, gemaakt van goud en versierd met zwarte studs en het embleem van het Rijk. Terwijl ze de deuren openden voelde Romulus de koude tocht erdoor heen waaien die de haartjes op zijn armen overeind deed staan terwijl hij het schemerige interieur binnenliep. De enorme deuren sloegen achter hem dicht en hij voelde zich, zoals altijd als hij dit gebouw binnenkwam, alsof hij een tombe binnenliep. Romulus beende met echoënde laarzen over de marmeren vloeren, knarsetandend. Hij wilde klaar zijn met deze meeting, zodat hij zich kon richten op belangrijkere zaken. Hij had een gerucht gehoord over een fantastisch wapen, vlak voor hij hierheen kwam, en hij moest weten of het waar was. Zo ja, dan zou dat alles veranderen. De macht zou voor hem zijn. Als het echt bestond, dan zou dit alles—Andronicus, de Raad—niets meer voor hem betekenen, Sterker nog, het hele Rijk zou eindelijk van hem zijn. De gedachte aan dit wapen was het enige dat Romulus nog geruststelde terwijl hij de trappen op liep en door nog twee grote deuren ging, de ronde kamer van de Hoge Raad in. In de uitgestrekte kamer stond een zwarte, circulaire tafel, leeg in het midden, met een smalle doorgang. Erom heen zat de Raad, in vierentwintig zwarte gewaden. Ze zaten met ernstige gezichten aan de tafel, allemaal oude mannen met grijzende hoorns en dieprode ogen, druipend rood van ouderdom. Het was vernederend voor Romulus om hen onder ogen te komen, om door de smalle doorgang naar het midden van de tafel te lopen, om omringd te worden door de mensen die hij moest aanspreken. Het was vernederend om geforceerd te zijn om zich heen te kijken om hen aan te spreken. Het hele ontwerp van deze ruimte, deze tafel, was slechts één van Andronicus’ intimidatie tactieken. Romulus stond zwijgend in het midden van de stille kamer en hij brandde van binnen. Het leek een eeuwigheid te duren. Hij kwam in de verleiding om weer weg te lopen, maar hij wist zichzelf te bedwingen. “Romulus van het Octakin Legioen,” verkondigde één van de raadsleden op formele toon. Romulus draaide zich om en zag een mager, ouder raadslid, met ingevallen wangen en grijzend haar, hem aanstaren met dieprode ogen. Deze man was een vriend van Andronicus, en Romulus wist dat hij alles zou zeggen om maar aan Andronicus’ kant te blijven. De oude man schraapte zijn keel. “Je bent verslagen naar Volusia teruggekeerd. In schande. Je hebt lef om hier te komen.” “Je bent een roekeloze commandant geworden,” zei een ander raadslid. Romulus draaide zich om en zag dat hij aan de andere kant van de cirkel met minachtende ogen werd aangestaard. “Je hebt duizenden van onze mannen verloren in je nutteloze zoektocht naar het Zwaard, in je roekeloze confrontatie met de draken. Je hebt gefaald. Wat heb je daarop te zeggen?” Romulus staarde uitdagend terug. “Ik ga me nergens voor verontschuldigen,” zei hij. “Het terughalen van het Zwaard was belangrijk voor het Rijk.” Een andere oude man leunde naar voren. “Maar je hebt het niet teruggehaald, of wel?” Romulus liep rood aan. Hij wilde de man doden. “Het was bijna gelukt,” antwoorde hij uiteindelijk. “Bijna betekent niets.” “We kregen met onverwachte obstakels te maken.” “Draken?” merkte een ander raadslid op. Romulus draaide zich naar hem om. “Hoe roekeloos kun je zijn?” zei het raadslid. “Dacht je echt dat je kon winnen?” Romulus schraapte zijn keel. Hij werd steeds kwader. “Nee. Mijn doel was niet om de draken te doden, maar om het Zwaard terug te halen.” “Maar dat heb je niet gedaan.” “En wat nog erger is,” zei een ander, “je hebt er nu voor gezorgd dat de draken zich tegen ons hebben gekeerd. Er komen vanuit het hele Rijk berichten binnen over aanvallen. Je bent een oorlog begonnen die we niet kunnen winnen. Dit is een groot verlies voor het Rijk.” Romulus zweeg; hij wist dat antwoorden alleen maar zou leiden tot meer beschuldigingen en verwijt. Dit waren tenslotte Andronicus’ mannen, en ze hadden allemaal een agenda. “Het is jammer dat de Grote Andronicus hier zelf niet is om je af te straffen,” zei een ander raadslid. “Ik weet zeker dat hij je hier niet levend mee zou laten wegkomen.” Hij schraapte zijn keel en leunde achterover. “Maar in zijn afwezigheid moeten we zijn terugkeer afwachten. Voor nu zal je het leger bevelen om versterking te sturen naar de Grote Andronicus in de Ring. Je zult gedegradeerd worden. Je mag je wapens inleveren. Blijf in de barakken en wacht op verdere orders.” Romulus staarde hen ongelovig aan. “Wees blij dat we je niet ter plekke executeren. Verlaat ons nu,” zei een ander raadslid. Romulus balde zijn vuisten. Zijn gezicht werd paars en hij staarde woedend naar de raadsleden. Hij zwoer elk van hen te doden. Maar hij dwong zichzelf om zich in te houden. Hij vertelde zichzelf dat nu niet de tijd was. Het zou hem misschien tijdelijk bevredigen, maar het zou zijn ultieme doel niet ten goede komen. Конец ознакомительного фрагмента. Текст предоставлен ООО «ЛитРес». Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/pages/biblio_book/?art=43694607&lfrom=334617187) на ЛитРес. Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.
КУПИТЬ И СКАЧАТЬ ЗА: 299.00 руб.