Сетевая библиотекаСетевая библиотека
Een Land Van Vuur Morgan Rice De Tovenaarsring #12 In EEN LAND VAN VUUR (BOEK #12 IN DE TOVENAARSRING), zijn Gwendolyn en haar mensen door Romulus’ draken en zijn miljoenenleger omsingeld op de Hoge Eilanden. Alles lijkt verloren – tot er redding komt uit een onwaarschijnlijke hoek. Gwendolyn is vastberaden om haar baby terug te vinden, die verloren is op zee, en om een nieuw thuis te vinden voor haar verbannen natie. Ze reist over vreemde en exotische zeeën en moet ondenkbare gevaren, opstanden en honger doorstaan terwijl ze droomt van een veilige haven. In het Land van de Druiden ontmoet Thorgrin eindelijk zijn moeder. Hun ontmoeting zal zijn leven voorgoed veranderen, en maakt hem sterker dan ooit tevoren. Hij vertrekt op een nieuwe missie, vastbesloten om Gwendolyn te redden, zijn baby te vinden en zijn lotsbestemming te vervullen. In een epische strijd tussen draken en mensen, wordt Thor op elke mogelijke manier op de proef gesteld; terwijl hij vecht tegen monsters en zijn leven op het spel zet voor zijn broeders, ontdekt hij wat voor grote krijger hij was voorbestemd om te worden. Op de Zuidelijke Eilanden hangt Erecs leven aan een zijden draadje. Alistair, die van zijn moord word beschuldigd, moet doen wat ze kan om Erec te redden en haar onschuld te bewijzen. Er ontstaat een machtsstrijd om de troon, en Alistair zit er midden in. Haar lot, en dat van Erec, staan op het spel. Romulus is nog altijd vastberaden om Gwendolyn, Thorgrin en wie er nog over is uit de Ring te vernietigen; maar de maancyclus loopt ten einde, en zijn macht wordt op de proef gesteld. Ondertussen, in de Noordelijke provincie van het Rijk, rijst er een nieuwe held op: Darius, een 15-jarige krijger, die vastberaden is om zijn volk te bevrijden. Maar de Noordelijke hoofdstad wordt gerund door Volusia, een 18-jarig meisje, beroemd om haar schoonheid – maar ook om haar barbarische wreedheid. Zullen Gwen en haar mensen het overleven? Zal Guwayne gevonden worden? Zal Romulus overwinnen? Zal Erec het overleven? Zal Thorgrin op tijd terugkeren?EEN LAND VAN VUUR is een episch verhaal van vrienden en geliefden, rivalen en minnaars, ridders en draken, intriges en politieke machinaties, van volwassen worden, van gebroken harten, van bedrog, ambitie en verraad. Het is een verhaal van eer en moed, van lotsbestemming en tovenarij. Het is een fantasie die ons meeneemt naar een wereld die we nooit zullen vergeten, en die alle leeftijden zal aanspreken. E E N L A N D V A N V U U R (Boek #12 in de Tovenaarsring) Morgan Rice Over Morgan Rice Morgan Rice is de #1 bestverkopende en USA Today bestverkopende auteur van de epische fantasy serie DE TOVENAARSRING, die uit zeventien boeken bestaat; de #1 bestverkopende serie DE VAMPIER DAGBOEKEN, bestaande uit elf boeken; de #1 bestverkopende serie DE SURVIVAL TRILOGIE, een post-apocalyptische thriller bestaande uit twee boeken; en de nieuwe epische fantasy serie KONINGEN EN TOVERNAARS. Morgans boeken zijn verkrijgbaar in audio en print edities, en vertalingen zijn verkrijgbaar in meer dan 25 talen. VERANDERD (Boek #1 van de Vampierverslagen), ARENA EEN (BOEK #1 van de Overlevingstrilogie), DE OPKOMST VAN DE DRAKEN (Boek #1van de Koningen En Tovenaars), en EEN ZOEKTOCHT VAN HELDEN (Boek #1 van De Tovenaarsring) zijn allemaal gratis te downloaden! Morgan hoort graag van je, dus breng gerust een bezoekje aan www.morganricebooks.com om je in te schrijven voor de nieuwsbrief, een gratis boek te ontvangen, gratis giveaways te ontvangen, de gratis app de downloaden, op de hoogte te blijven van het laatste nieuws, en via Facebook en Twitter in contact te blijven! Geselecteerde bijvalsbetuigingen voor Morgan Rice DE TOVENAARSRING heeft alle ingrediënten voor direct succes: samenzweringen, intriges, mysterie, dappere ridders en opbloeiende relaties, compleet met gebroken harten, bedrog en verraad. Het zal je urenlang boeien, en is geschikt voor alle leeftijden. Aanbevolen voor de permanente collectie van alle liefhebbers van fantasy.” --Books and Movie Reviews, Roberto Mattos “Rice weet je vanaf het begin in het verhaal mee te slepen, en maakt gebruik van geweldige beschrijvende kwaliteiten die boven het schetsen van de setting uitstijgen… Goed geschreven en leest lekker snel weg.” --Black Lagoon Reviews (over Turned) “Een ideaal verhaal voor jonge lezers. Morgan Rice is erin geslaagd om een interessante twist aan het verhaal te geven… Verfrissend en uniek, heeft de klassieke elementen die je in veel paranormale Young Adult verhalen terugvindt. De serie gaat over een meisje… een heel bijzonder meisje! …Leest makkelijk weg maar in een zeer hoog tempo… Een aanrader voor iedereen die houdt van softe paranormale romances.” --The Romance Reviews (over Turned) “Had vanaf het begin mijn aandacht en liet die niet los… Dit verhaal is een ongelofelijk avontuur in een hoog tempo, vanaf het begin vol actie. Het wordt nooit saai.” --Paranormal Romance Guild {over Turned} “Boordevol actie, romantiek, avontuur en spanning. Haal deze in huis en wordt opnieuw verliefd.” --Vampirebooksite.com (over Turned) “Een geweldig plot, en dit is echt zo’n boek dat je ‘s avonds niet kan wegleggen. Het einde was een cliffhanger die zo spectaculair was dat je onmiddellijk het volgende boek wil kopen, alleen om erachter te komen wat er gebeurd.” --The Dallas Examiner {over Loved} “Een boek dat zich kan meten met TWILIGHT en THE VAMPIRE DIARIES, één die je in één ruk uit wil lezen! Als je houdt van avontuur, liefde en vampieren dat is dit het boek voor jou!” --Vampirebooksite.com {over Turned} “Morgan Rice bewijst wederom een extreem getalenteerde verhalenverteller te zijn… Dit zou een breed publiek aanspreken, inclusief de jongere fans van het vampier/fantasy genre. Het eindigde met een onverwachte cliffhanger die je zal schokken.” --The Romance Reviews {over Loved} Boeken door Morgan Rice KONINGEN EN TOVENAARS DE OPKOMST VAN DE DRAKEN (Boek #1) DE OPKOMST VAN DE HELDHAFTIGE (Boek #2) DE ZWAARTE VAN EER (Boek #3) DE TOVENAARSRING EEN ZOEKTOCHT VAN HELDEN (Boek #1) EEN MARS VAN KONINGEN (Boek #2) EEN LOT VAN DRAKEN (Boek #3) EEN SCHREEUW VAN EER (Boek #4) EEN GELOFTE VAN GLORIE (Boek #5) EEN AANVAL VAN MOED (Boek #6) EEN RITE VAN ZWAARDEN (Boek #7) EEN GIFT VAN WAPENS (Boek #8) EEN HEMEL VAN SPREUKEN (Boek #9) EEN ZEE VAN SCHILDEN (Boek #10) EEN BEWIND VAN STAAL (Boek #11) EEN LAND VAN VUUR (Boek #12) EEN HEERSCHAPPIJ VAN KONINGINNEN (Boek #13) EEN EED VAN BROEDERS (Boek #14) EEN DROOM VAN STERVELINGEN (Boek #15) EEN STEEKSPEL VAN RIDDERS (Boek #16) HET GESCHENK VAN DE STRIJD (Boek #17) DE SURVIVAL TRILOGIE ARENA EEN: SLAVERSUNNERS (Boek #1) ARENA TWEE (Boek #2) DE VAMPIER DAGBOEKEN VERANDERD (Boek #1) GELIEFD (Boek #2) VERRADEN (Boek #3) VOORBESTEMD (Boek #4) BEGEERD (Boek #5) VERLOOFD (Boek #6) GEZWOREN (Boek #7) GEVONDEN (Boek #8) HERREZEN (Boek #9) VERLANGD (Boek #10) VOORBESCHIKT (Boek #11) Luister naar DE TOVENAARSRING serie als audioboek! Copyright © 2014 door Morgan Rice Alle rechten voorbehouden. Behalve zoals toegestaan onder de V.S. Copyright Act van 1976, mag geen enkel deel van deze publicatie worden gereproduceerd, gedistribueerd of overgedragen worden, in wat voor vorm dan ook, of worden opgeslagen in een database of zoeksysteem, zonder de voorafgaande toestemming van de auteur. Dit ebook is uitsluitend voor jou persoonlijk bedoeld. Dit ebook mag niet doorverkocht worden of weggeven worden aan andere mensen. Als je dit boek met iemand anders wil delen, schaf dan alsjeblieft een extra exemplaar aan voor elke ontvanger. Als je dit boek leest en je hebt het niet aangeschaft, of het is niet voor jouw gebruik aangeschaft, geef het dan terug en schaf je eigen exemplaar aan. Bedankt voor het respecteren van het harde werk van deze auteur. Dit is een werk van fictie. Namen, personages, bedrijven, organisaties, plaatsen, evenementen en incidenten zijn een product van de fantasie van de auteur of zijn fictief gebruikt. Enige overeenkomst met echte personen, levend of dood, is geheel toevallig. ©iStock.com/© frentusha INHOUD HOOFDSTUK EEN (#u6287eae5-b436-59fa-b201-dffe6323b0b1) HOOFDSTUK TWEE (#u3ce3502a-0464-57d7-904b-24cf5acc5438) HOOFDSTUK DRIE (#uc6c61889-6c52-5897-b0d5-12df519e3382) HOOFDSTUK VIER (#u4d35b5f8-b845-5620-b7f3-e1faed2a2bc7) HOOFDSTUK VIJF (#u5a11a807-7976-516e-854a-7c077cc353f5) HOOFDSTUK ZES (#u5422cafd-327e-5496-bf7a-32396d452db5) HOOFDSTUK ZEVEN (#ue892f4a7-a865-5eab-b0ea-e5acb58eafd3) HOOFDSTUK ACHT (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK NEGEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ELF (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TWAALF (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK DERTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VEERTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIJFTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZESTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZEVENTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ACHTTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK NEGENTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK EENENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TWEEËNTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK DRIEËNTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIERENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIJFENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZESENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZEVENENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ACHTENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK NEGENENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK DERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK EENENDERTIG (#litres_trial_promo) “Derhalve draai ik mij om: Er is elders een wereld.” --William Shakespeare Coriolanus HOOFDSTUK EEN Gwendolyn stond op het strand van de Hoge Eilanden en staarde naar de oceaan terwijl haar baby werd verzwolgen door de mist. Haar hart brak in tweeën terwijl ze Guwayne steeds verder en verder weg zag drijven. Het tij voerde hem mee naar God wist waarheen, en elke seconde bracht hem verder bij haar vandaan. De tranen rolden over Gwendolyns wangen. Ze was verdoofd, niet in staat om weg te lopen. Ze verloor alle besef van tijd en plaats en voelde haar lichaam niet meer. Een deel van haar stierf nu ze de persoon waar ze het meest van hield verzwolgen zag worden door de zee. Alsof een deel van haar met hem mee de zee op werd getrokken. Gwen haatte zichzelf voor wat ze had gedaan; maar tegelijkertijd wist ze dat het het enige was dat haar kind zou kunnen redden. Gwen hoorde het gebrul en gedonder aan de horizon achter zich, en ze wist dat dit hele eiland spoedig door de vlammen verzwolgen zou worden—en dat niets hen kon redden. Niet Argon, die zich nog steeds in een hulpeloze toestand bevond; niet Thorgrin, die in het Land van de Druïden was; niet Alistair of Erec, die op de Zuidelijke Eilanden waren; en niet Kendrick of de Zilveren of de andere dappere mannen die hier zaten. Geen van hen was in staat om het op te nemen tegen een draak. Ze hadden magie nodig—en dat was het enige dat ze niet meer hadden. Ze hadden geluk gehad dat ze uit de Ring hadden kunnen ontsnappen, en nu, wist ze, had het lot hen ingehaald. Ze zouden niet meer vluchten, ze zouden zich niet meer verstoppen. Het was tijd om de confrontatie aan te gaan met de dood die hen achtervolgde. Gwendolyn draaide zich om, en kon zelfs vanaf hier de zwarte massa van draken zien die haar kant op kwam. Ze had weinig tijd; ze wilde hier niet in haar eentje op deze stranden sterven, maar bij haar mensen, om hen zo goed te beschermen als ze kon. Gwen draaide zich om en wierp nog één keer een blik op de zee, hopend op een laatste glimp van Guwayne. Maar er was niets te zien. Guwayne was nu ver bij haar vandaan, ergens aan de horizon, op weg naar een wereld die ze nooit zou kennen. Alstublieft, God, bad Gwen. Wees met hem. Neem mijn leven voor het zijne. Ik zal alles doen. Zorg dat Guwayne veilig is. Laat me hem weer vasthouden. Ik smeek het u. Alstublieft. Gwendolyn deed haar ogen open, hopend op een teken, een regenboog misschien—wat dan ook. Maar de horizon was leeg. Er was niets te zien behalve zwarte, dreigende wolken, alsof het universum kwaad op haar was vanwege wat ze had gedaan. Snikkend keerde Gwen de zee en wat er van haar leven over was de rug toe. Ze begon te rennen, vastberaden om zich, samen met haar mensen, nog een laatste keer sterk te maken. * Gwen stond op de bovenste borstweringen van Tirus’ fort, omgeven door tientallen van haar mensen. Onder hen bevonden zich ook haar broers Kendrick en Reece en Godfrey, haar neefje Matus en haar nichtje Stara, Steffen, Aberthol, Srog, Brandt, Atme en de Krijgsmacht. Ze tuurden allemaal naar de lucht, zwijgend en somber, wetend wat er aan kwam. Ze luisterden naar het gebrul in de verte, het gebrul dat de grond deed trillen, en keken hulpeloos toe hoe Ralibar de strijd voor hen aan ging. De dappere draak deed zijn best om de groep vijandelijke draken op afstand te houden. Gwens hart zwol toen ze Ralibar zag vechten, zo dapper, zo stoutmoedig. Hij nam het in zijn eentje tegen tientallen anderen op, maar hij was onbevreesd. Ralibar spuwde vuur naar de andere draken, haalde uit met zijn enorme klauwen en liet zijn tanden in hun kelen zinken. Hij was niet alleen sterker, maar ook sneller dan de anderen. Het was een indrukwekkend schouwspel. Terwijl Gwen toekeek vulde haar hart zich met het laatste beetje hoop; een deel van haar waagde het te geloven dat Ralibar hen misschien kon verslaan. Ze zag Ralibar omlaag duiken terwijl drie draken vuur naar hem spuwden en hem op een haar na misten. Toen dook Ralibar naar voren en zette hij zijn klauwen in de borst van één van de draken, en gebruikte hij zijn momentum om hem naar beneden te trekken. Meerdere draken spuwden vuur naar Ralibars rug terwijl hij naar beneden dook, en Gwen keek vol afschuw toe hoe Ralibar en de andere draak in een bal van vuur veranderden en op de zee af stortten. De andere draak verzette zich, maar Ralibar gebruikte al zijn gewicht om hem naar beneden te trekken—en al spoedig vielen ze beiden in zee. Er rees een luid gesis op, vergezeld door wolken van stoom, terwijl het water het vuur doofde. Gwen keek toe, hopend dat hij in orde was—en enkele momenten later kwam Ralibar alleen boven. De andere draak kwam ook aan de oppervlakte, maar hij dobberde in het water, drijvend op de golven, dood. Zonder te aarzelen schoot Ralibar weer omhoog, naar de tientallen andere draken die op hem af kwamen. Terwijl ze naar beneden doken, hun grote kaken wijd open, viel Ralibar aan: hij haalde uit met zijn enorme klauwen, spreidde zijn vleugels en wist twee van de draken te grijpen. Toen draaide hij zich om en dreef hij hen de zee in. Ralibar hield ze onder water, en op dat moment werd hij door een tiental draken besprongen. De hele groep viel in de zee, en ze sleurden Ralibar met zich mee. Ralibar, hoe dapper hij ook vocht, was te zwaar in de minderheid, en hij viel maaiend met zijn klauwen en krijsend van woede in het water. Gwen slikte. Haar hart brak bij de aanblik van Ralibar die voor hen vocht, helemaal alleen; ze wilde niets liever dan hem helpen. Ze speurde het wateroppervlak af, wachtend en hopend op een teken van Ralibar. Hij moest weer boven komen. Maar tot haar grote afschuw deed hij dat niet. De andere draken kwamen boven, en ze vlogen omhoog, hergroepeerden, en zetten hun zinnen op de Hoge Eilanden. Ze leken Gwendolyn recht aan te kijken terwijl ze al brullend hun vleugels spreidden. Gwen voelde haar hart in tweeën splijten. Haar dierbare vriend Ralibar, hun laatste hoop, hun laatste verdediging, was dood. Gwen draaide zich om naar haar mannen, die geschokt voor zich uit staarden. Ze wisten al wat er komen ging: een onstuitbare golf van verwoesting. Gwen voelde zich zwaar; ze deed haar mond open om iets ze zeggen, maar de woorden bleven in haar keel steken. “Luid de klokken,” wist ze uit te brengen. Haar stem was schor. “Zeg tegen iedereen dat ze moeten schuilen. Iedereen die boven de grond zit moet naar beneden gaan, nu. De grotten in, de kelders—zolang ze maar niet hier zijn. Beveel het ze—nu!” “Luid de klokken!” riep Steffen. Hij rende naar de rand van het fort en schreeuwde het uit over de binnenplaats. Al snel werden de klokken geluiden. Honderden van haar mensen, overlevenden uit de Ring, gingen snel op zoek naar een schuilplaats. Ze begaven zich naar de grotten in de buitenwijken van de stad, of haastten zich hun kelders of ondergrondse schuilplaatsen in om zich voor te bereiden op de onvermijdelijke golf van vlammen die zou volgen. “Mijn Koningin,” zei Srog tegen haar, “misschien kunnen we allemaal in dit fort schuilen. Het is tenslotte gemaakt van steen.” Gwen schudde haar hoofd. “Je hebt geen weet van de toorn van de draken,” zei ze. “Boven de grond zal niets veilig zijn. Niets.” “Maar mijn vrouwe, misschien zijn we hier veiliger,” drong hij aan. “Het fort heeft de beproevingen van de tijd doorstaan. Deze stenen muren zijn dertig centimeter dik. Wilt u niet liever hier zijn dan onder de grond?” Gwen schudde haar hoofd. Er klonk gebrul, en toen ze naar de horizon keek kon ze de draken zien naderen. Haar hart brak weer toen ze zag hoe de draken een muur van vuur op haar vloot in de zuidelijke haven af spuwden. Ze zag hoe haar dierbare schepen, haar levenslijn naar het vasteland, prachtige exemplaren waarvan het tientallen jaren had gekost om ze te bouwen, gereduceerd werden tot niets dan aanmaakhout. Ze was blij dat ze hier op had geanticipeerd, en een aantal schepen aan de andere kant van het eiland had verborgen. Als ze het zouden overleven om er gebruik van te maken. “Er is geen tijd voor discussie. We gaan hier onmiddellijk weg. Volg mij.” Ze volgden Gwen terwijl ze zich van het dak af haastte, de wenteltrap af, vastberaden om hen hier zo ver mogelijk vandaan te krijgen; Gwen reikte instinctief naar Guwayne—en haar hart brak weer toen ze zich realiseerde dat hij weg was. Het was alsof er een deel van haarzelf miste. Ze rende met twee treden tegelijk de trap af en hoorde de voetstappen achter zich terwijl iedereen zich haastte om in veiligheid te komen. Gwen hoorde het gebrul van de draken steeds dichterbij komen. De grond trilde al onder haar voeten. Maar het enige dat ze wilde was dat Guwayne veilig was. Gwen stormde het kasteel uit en rende met de anderen over de binnenplaats, richting de ingang van de kerkers die reeds waren ontdaan van de gevangenen. Een aantal van haar soldaten openden de stalen deuren, die toegang boden tot trappen die naar beneden leidden. Voor ze naar binnen gingen, stopte Gwen. Ze draaide zich om naar haar mensen. Ze zag een aantal mensen nog over de binnenplaats rennen, gillend van angst, in paniek, niet wetend waar ze heen moesten. “Kom hier!” riep ze uit. “Kom ondergronds! Jullie allemaal!” Gwen stapte opzij en verzekerde zich er van dat ze allemaal in veiligheid werden gebracht. Eén voor één renden haar mensen langs haar heen, de stenen trappen af, de duisternis in. De laatsten die zich bij haar voegden waren haar broers, Kendrick en Reece en Godfrey, samen met Steffen. Met zijn vijven keken ze naar de lucht, en er kwam weer een oorverdovend gebrul. De groep draken was nu zo dichtbij dat Gwen ze kon zien, nauwelijks honderd meter bij hen vandaan. Ze zag hun enorme vleugels, hun woedende gezichten. Ze sperden hun grote kaken wijd open, alsof ze klaar waren om hen te verscheuren. Hun tanden waren elk zo groot als Gwendolyn zelf. Dus, dacht Gwendolyn, dit is hoe de dood eruit ziet. Gwen keek nog een laatste keer om zich heen en ze zag honderden van haar mensen toevlucht zoeken in hun nieuwe huizen. Ze weigerden om naar beneden te gaan. “Ik heb ze gezegd om ondergronds te gaan!” riep Gwen. “Een aantal van onze mensen willen wel luisteren,” observeerde Kendrick somber terwijl hij zijn hoofd schudde, “maar de meesten niet.” Gwen voelde zichzelf breken van binnen. Ze wist wat er zou gebeuren met degenen die bovengronds bleven. Waarom moesten haar mensen toch altijd zo koppig zijn? En toen gebeurde het—de eerste golf van het drakenvuur rolde op hen af, nog te ver om hen te kunnen verbranden, maar dichtbij genoeg voor Gwen om te voelen hoe de hitte haar gezicht schroeide. Ze hoorde het geschreeuw van haar mensen aan de andere kant van de binnenplaats, de mensen die hadden besloten om bovengronds te blijven, in hun huisjes of in Tirus’ fort. Het stenen fort, dat enkele seconden eerder nog onverwoestbaar had geleken, stond nu in vuur en vlam. De vlammen schoten er aan alle kanten uit, alsof het niet meer was dan een huis van vlammen. De stenen werden binnen een seconde verkoold en verschroeid. Gwen slikte. Ze wist dat als ze hadden getracht de aanval in het fort uit te zitten, ze nu allemaal dood waren geweest. Anderen hadden niet zoveel geluk: ze schreeuwden het uit, en renden in lichterlaaie door de straten voor ze in elkaar zakten. De afschuwelijke geur van verbrand vlees vulde de lucht. “Mijn vrouwe,” zei Steffen, “we moeten naar beneden. Nu!” Gwen kon het niet verdragen om zich om te draaien, maar ze wist dat hij gelijk had. Ze liet zichzelf met de anderen meevoeren. Terwijl er een golf van vlammen op haar afkwam, werd ze door de deuren gesleept, de trappen af, de duisternis in. De stalen deuren sloegen met een klap achter haar dicht, een seconde voor de vlammen haar bereikten, en terwijl ze de klap achter zich hoorde nagalmen, voelde het alsof er een deur in haar hart werd dichtgeslagen. HOOFDSTUK TWEE Alistair knielde snikkend naast Erec en hield hem stevig vast, haar trouwjurk doordrenkt met zijn bloed. Terwijl ze hem tegen zich aan drukte voelde ze het leven uit hem weg stromen. Erec, doorzeefd met steekwonden, kreunde van de pijn, en ze kon aan het ritme van zijn polsslag voelen dat hij stervende was. “NEE!” kreunde Alistair. Ze wiegde hem in haar armen. Ze voelde haar hart breken terwijl ze hem vasthield, en het voelde alsof zij zelf stervende was. De man met wie ze op het punt had gestaan te trouwen, de man die haar enkele momenten eerder nog met zoveel liefde had aangekeken, lag nu bijna levenloos in haar armen; ze kon het nauwelijks verwerken. Hij was zo gevuld geweest met liefde en vreugde; hij was overrompeld door haar. Door haar stomme spelletje, waarbij ze hem had gevraagd om zijn ogen te sluiten zodat ze hem kon verrassen met haar jurk. Alistair werd overspoeld door schuld, alsof het allemaal haar fout was. “Alistair,” kreunde hij. Ze keek naar beneden en zag dat zijn ogen half open waren, zag dat ze dof werden, dat de levenskracht eruit begon te stromen. “Je moet weten dat dit niet jouw schuld is,” fluisterde hij. “En hoeveel ik van je hou.” Alistair huilde. Ze drukte hem tegen haar borst aan en voelde dat hij steeds kouder werd. Op dat moment knapte er iets in haar, iets dat de onrechtvaardigheid van de situatie niet langer kon verdragen, iets dat absoluut weigerde om hem te laten sterven. Alistair kreeg ineens een bekend, tintelend gevoel, als duizend speldenprikken in haar vingertoppen, en ze voelde haar hele lichaam van top tot teen overspoeld worden met warmte. Ze voelde een vreemde kracht, sterk en primordiaal, een kracht die ze niet begreep; het kwam sterker opzetten dan alle opwellingen van kracht die ze ooit in haar leven had gevoeld, als een uitwendig iets haar lichaam overnam. Ze voelde haar handen en armen heet worden, en ze legde instinctief haar handpalmen op Erecs borst en voorhoofd. Alistairs handen brandden heviger dan ooit tevoren, en ze sloot haar ogen. Beelden flitsten door haar hoofd. Ze zag Erec als kind. Hij verliet de Zuidelijke Eilanden en stond trots en nobel op een groot schip; ze zag hoe hij zich aansloot bij de Krijgsmacht; bij de Zilveren; ze zag hem deelnemen aan steekspellen, ze zag hem een kampioen worden, ze zag hem vijanden verslaan, de Ring verdedigen. Ze zag hem met een perfect postuur op zijn paard zitten, in een glimmende zilveren wapenrusting, een toonbeeld van nobelheid en moed. Ze wist dat ze hem niet kon laten sterven; de wereld kon het zich niet veroorloven. Alistairs handen werden steeds heter, en toen ze haar ogen open deed zag ze hem zijn ogen sluiten. Ze zag ook een wit licht uit haar handpalmen stralen, dat zich om Erec heen begon te verspreiden. En terwijl ze toekeek zag ze toe zijn bloederige wonden langzaam begonnen te helen. Erecs ogen schoten open, gevuld met licht, en ze voelde iets in hem veranderen. Zijn lichaam, dat enkele momenten eerder nog zo koud was geweest, begon op te warmen. Ze voelde zijn levenskracht terugkeren. Erec keek verrast en verwonderd naar haar op, en Alistair voelde haar eigen energie weg ebben, naar hem toe. Zijn ogen gingen dicht en hij viel in een diepe slaap. Haar handen werden ineens koel, en ze controleerde zijn pols, die weer normaal voelde. Ze slaakte een zucht van opluchting en wist dat ze hem had teruggebracht. Haar handen trilden, ze was leeg, en ze voelde zich uitgeput en dolblij tegelijk. Dank u, God, dacht ze. Ze leunde naar voren, legde haar gezicht op zijn borst, en knuffelde hem terwijl tranen van vreugde over haar wangen liepen. Dank u dat u mij mijn man niet heeft afgenomen. Alistair stopte met huilen, en ze keek om zich heen: ze zag Bowyers zwaard op de stenen vloer liggen, het heft en het mes bebloed. Ze haatte Bowyer met een passie die ze nauwelijks kon bevatten; en ze was vastberaden om Erec te wreken. Alistair pakte met bloederige handen het zwaard op, hield het omhoog en bestudeerde het. Ze stond op het punt om het door de kamer te smijten—toen de deur van de kamer ineens openvloog. Alistair draaide zich om, het bloederige zwaard nog in haar handen, en zag Erecs familie de kamer in stormen, geflankeerd door een tiental soldaten. Terwijl ze dichterbij kwamen en ze van haar naar de bewusteloze Erec keken, zag ze hun gealarmeerde gezichtsuitdrukkingen veranderen in afschuw. “Wat heb je gedaan?” riep Dauphine uit. Alistair keek naar niet-begrijpend aan. “Ik?” vroeg ze. “Ik heb niets gedaan.” Dauphine stormde naar haar toe. “Is dat zo?” zei ze. “Je hebt slechts onze beste ridder gedood!” Alistair besefte ineens dat ze haar aanstaarden alsof ze een moordenaar was. Ze keek naar beneden en zag het bebloede zwaard in haar hand, zag de bloedvlekken op haar handen en haar jurk, en realiseerde zich dat ze dachten dat zij het had gedaan. “Maar ik heb hem niet neergestoken!” protesteerde Alistair. “Nee?” zei Dauphine op beschuldigende toon. “Dus het zwaard is op magische wijze in jouw hand terecht gekomen?” Alistair keek om zich heen terwijl ze om haar heen kwamen staan. “Een man heeft dit gedaan. De man die hem op het slagveld heeft uitgedaagd: Bowyer.” De anderen wierpen elkaar een sceptische blik toe. “Oh ja?” beet Dauphine. “En waar is hij nu dan?” vroeg ze terwijl ze om zich heen keek. Alistair zag geen teken van hem, en besefte dat ze allemaal dachten dat ze loog. “Hij is gevlucht,” zei ze. “Nadat hij hem had neergestoken.” “En hoe is zijn bebloede zwaard dan in jouw hand terecht gekomen?” kaatste Dauphine terug. Alistair keek vol afschuw naar het zwaard in haar hand, en gooide het weg. Het kletterde over de stenen grond. “Maar waarom zou ik mijn aanstaande man doden?” vroeg ze. “Je bent een tovenares,” zei Dauphine, die zich over haar heen boog. “Jouw soort is niet te vertrouwen. Oh, mijn broer!” zei Dauphine, en ze liet zich naast Erec op haar knieën vallen, tussen hem en Alistair in. Dauphine knuffelde Erec. “Wat heb je gedaan?” kreunde Dauphine tussen haar tranen door. “Maar ik ben onschuldig!” riep Alistair uit. Dauphine wierp haar een hatelijke blik toe, en wendde zich toen tot de soldaten. “Arresteer haar!” beval ze. Alistair voelde hoe handen haar van achteren vastgrepen, en hoe ze overeind werd getrokken. Ze had geen energie meer, en was niet in staat zich te verzetten terwijl de wachters haar polsen achter haar rug vastbonden en haar mee begonnen te nemen. Het kon haar weinig schelen wat er met haar gebeurde—maar ze kon de gedachte om van Erec gescheiden te worden niet verdragen. Niet nu, niet nu hij haar zo hard nodig had. Ze had hem slechts tijdelijk genezen; ze wist dat hij nog een sessie nodig had, en dat als hij die niet zou krijgen, hij alsnog zou sterven. “NEE!” schreeuwde ze. “Laat me gaan!” Maar haar geschreeuw was zinloos. Ze sleurden haar mee, geboeid, alsof ze niemand meer was dan een doodgewone gevangene. HOOFDSTUK DRIE Thor bracht zijn handen naar zijn ogen, verblind door het licht, terwijl de glimmende, gouden deuren van zijn moeders kasteel wijd open vlogen. Het was zo intens dat hij nauwelijks iets kon zien. Er liep een figuur op hem af, een silhouet, een vrouw. Hij voelde met elke vezel in zijn lichaam dat het zijn moeder was. Thors hart ging hevig tekeer toen hij haar daar zag staan, haar armen langs haar zij. Langzaam begon het licht te vervagen, net genoeg voor hem om zijn handen te laten zakken en naar haar te kijken. Het was het moment waar hij al zijn hele leven op had gewacht, het moment dat hem in zijn dromen had achtervolgd. Hij kon het niet geloven: ze was het echt. Zijn moeder. In dit kasteel, boven op deze klif. Thor opende zijn ogen helemaal. Hij stond slechts een meter bij haar vandaan en staarde haar aan. Voor het eerst zag hij haar gezicht. Thors adem stokte in zijn keel terwijl hij de mooiste vrouw die hij ooit had gezien in de ogen keek. Ze zag er tijdloos uit, oud en jong tegelijk. Haar huid was bijna doorzichtig en haar gezicht straalde. Ze glimlachte lief naar hem. Haar lange blonde haar viel tot aan haar middel, en ze had grote, heldere grijze ogen en perfect geaccentueerde jukbeenderen. Wat Thor nog het meest verraste terwijl hij haar aanstaarde was dat hij veel van zijn eigen features in haar gezicht kon herkennen—de curve van haar kaaklijn, haar lippen, de tint van haar grijze ogen, zelfs haar trotse voorhoofd. Op een bepaalde manier was het alsof hij naar zichzelf keek. Ze leek ook ontzettend veel op Alistair. Thors moeder was gekleed in een wit zijden gewaad en een mantel, de kap naar achteren getrokken, en ze droeg geen sieraden. Haar handen waren glad, haar huid als die van een baby. Thor voelde een intense energie van haar af stralen, intenser dan hij ooit had gevoeld, als de zon die hem leek te verzwelgen. Terwijl hij daar stond voelde hij zich overspoeld worden met golven van liefde. Hij had nog nooit zoveel onvoorwaardelijke liefde en acceptatie gevoeld. Hij had het gevoel dat hij thuis kwam. Nu hij daar voor haar stond, had Thor eindelijk het gevoel alsof hij compleet was, alsof alles goed was in de wereld. “Thorgrin, mijn zoon,” zei ze. Het was de mooiste, zachtste stem die hij ooit had gehoord. De stem echode van de eeuwenoude stenen muren van het kasteel, en klonk alsof ze uit de hemel zelf kwam. Thor stond daar, niet wetend wat hij moest doen of zeggen. Was dit allemaal echt? Even vroeg hij zich af of het allemaal niet gewoon een creatie in het Land van de Druïden was, een droom, of zijn geest die hem voor de gek hield. Al zolang als hij zich kon herinneren had hij zijn moeder willen omhelzen, en hij deed een stap naar voren, vastberaden om erachter te komen of ze een geestverschijning was. Thor strekte zijn armen uit om haar te omhelzen, en hij vreesde dat zijn armen niets dan lucht zouden omhelzen, dat dit alles slechts een illusie zou zijn. Maar op dat moment voelde hij hoe zijn armen haar aanraakten, en hoe hij een echt persoon knuffelde—en hij voelde hoe ze hem terug knuffelde. Het was het meest geweldige gevoel in de hele wereld. Ze knuffelde hem stevig, en Thor was dolblij dat ze echt was. Dat dit allemaal echt was. Dat hij een moeder had, dat ze echt bestond, dat ze van vlees en bloed was, en dat ze hier voor hem stond, in dit land van illusies en fantasie—en dat ze echt om hem gaf. Na een lange tijd lieten ze elkaar los, en Thor keek haar met betraande ogen aan. Hij zag dat zij ook tranen in haar ogen had. “Ik ben zo trots op je, mijn zoon,” zei ze. Hij staarde haar sprakeloos aan. “Je hebt je zoektocht volbracht,” voegde ze toe. “Je bent het waardig om hier te zijn. Je bent de man geworden die ik wist dat je zou worden.” Thor keek haar aan, nog altijd verwonderd over het feit dat ze echt bestond. Hij wist niet wat hij moest zeggen. Hij had zijn hele leven lang zoveel vragen voor haar gehad; maar nu hij hier voor haar stond, was zijn geest leeg. Hij wist niet eens waar hij moest beginnen. “Kom met me mee,” zei ze terwijl ze zich omdraaide, “en ik zal je deze plek laten zien—de plek waar je bent geboren.” Ze stak glimlachend een hand naar hem uit, en Thor pakte hem vast. Ze liepen samen het kasteel in. Het licht straalde van zijn moeder af, van de muren. Thor nam het allemaal in zich op: het was de meest glansrijke plek die hij ooit had gezien. De muren waren gemaakt van goud, en alles glom, perfect, onwerkelijk. Hij had het gevoel alsof hij een magisch kasteel in de hemel had betreden. Ze liepen door een lange gang met hoge gewelfde plafonds, en het licht kaatste overal vanaf. Thor keek naar beneden en zag dat de vloer bedekt was met gladde, glinsterende diamanten, als miljoenen lichtpuntjes. “Waarom heb je me verlaten?” vroeg Thor ineens. Het waren de eerste woorden die Thor uitsprak, en ze verrasten hem. Van alle dingen die hij haar had willen vragen, flapte hij dit er om de één of andere reden als eerst uit, en hij schaamde zich dat hij niet iets aardigers had gezegd. Het was niet zijn bedoeling zo abrupt te zijn. Maar de meelevende glimlach van zijn moeder verdween niet. Ze liep naast hem en hij kon zoveel liefde en acceptatie in haar ogen zien. Hij kon voelen dat ze hem niet beoordeelde, wat hij ook zei. “Je hebt alle recht om boos op me te zijn,” zei ze. “Ik moet om je vergiffenis vragen. Jij en je zus betekenden alles voor me. Ik wilde jullie hier opvoeden—maar dat kon ik niet. Omdat jullie speciaal zijn. Jullie allebei.” Ze gingen een andere gang in, en zijn moeder stopte en keek hem aan. “Je bent niet slechts een Druïde, Thorgrin, niet slechts een krijger. Je bent de grootste krijger die ooit heeft bestaan en ooit zal bestaan—en de grootste Druïde. Je hebt een speciale lotsbestemming; jouw leven is voorbestemd om groter, veel groter te zijn dan deze plek. Het is een leven en een lotsbestemming die met de wereld gedeeld moet worden. Dat is waarom ik jullie moest loslaten. Ik moest je de wereld insturen zodat je de man kon worden die je bent, zodat je de ervaringen kon hebben die je hebt gehad en zodat je kon leren om de krijger te worden die je moet worden.” Ze haalde diep adem. “Zie je, Thorgrin, een krijger wordt niet gevormd door afzondering en privileges—maar door hard werken en ontberingen, lijden en pijn. Lijden boven alles. Het verscheurde me om je te zien lijden—maar dat was wat je het meest nodig had om de man te worden die je nu bent. Begrijp je dat, Thorgrin?” Thorgrin begreep het. Voor het eerst begreep hij het. Hij dacht aan hoeveel hij had doorstaan in zijn leven: hij was opgegroeid zonder moeder, door zijn broers als slaafje gebruikt en opgevoed door een vader die hem haatte, in een klein, benauwend dorpje waar hij door iedereen als niemand werd beschouwd. Zijn hele jeugd was één lange aaneenschakeling van vernederingen geweest. Maar nu begon hij in te zien dat hij dat nodig had gehad; dat al zijn gezwoeg en tegenspoed voorbestemd waren. “Al je ontberingen, je onafhankelijkheid, je worsteling om je eigen weg te vinden,” voegde zijn moeder toe, “was mijn geschenk aan jou. Het was mijn geschenk om je sterker te maken.” Een geschenk, dacht Thorgrin bij zichzelf. Hij had er nog nooit zo over nagedacht. Het had allesbehalve een geschenk geleken—maar nu hij erop terugkeek, wist hij dat dat precies was wat het was. Terwijl ze het zei, besefte hij dat ze gelijk had. Alle tegenspoed die hij in zijn leven had moeten doorstaan—het was allemaal een gift om hem te helpen te worden wie hij nu was. Zijn moeder draaide zich om, en ze vervolgden hun weg door het kasteel. Er maalden een miljoen vragen door Thors hoofd. “Ben je echt?” vroeg Thor. Wederom schaamde hij zich voor het feit dat hij zo lomp was. Wederom stelde hij een vraag die hij niet had verwacht te stellen. Maar hij voelde een intens verlangen om het te weten. “Is deze plek echt?” voegde Thor toe. “Of is het allemaal slechts een illusie, een hersenspinsel, net als de rest van dit land?” Zijn moeder glimlachte naar hem. “Ik ben net zo echt als jij,” antwoordde ze. Thor knikte. Haar antwoord stelde hem gerust. “Het Land van de Druïden is inderdaad een land van illusies, een magisch land in jezelf,” voegde ze toe. “Ik ben helemaal echt—maar ik ben ook, net als jij, een Druïde. Druïden zijn niet zo gehecht aan een fysieke plek als mensen. Dat betekent dat een deel van mij hier leeft, terwijl een ander deel van mij ergens anders is. Dat is waarom ik altijd bij je ben, zelfs al kun je me niet zien. Druïden zijn overal en nergens tegelijk. We zitten aan weerszijden van twee werelden.” “Net als Argon,” antwoordde Thor. Hij herinnerde zich Argons afwezige blik, hoe hij soms verscheen en weer verdween. Hij was ook overal en nergens tegelijk. Ze knikte. “Ja,” antwoordde ze. “Net als mijn broer.” Thor gaapte haar aan. “Je broer?” herhaalde hij. Ze knikte. “Argon is je oom,” zei ze. “Hij houdt erg veel van je. Dat heeft hij altijd al gedaan. En ook van Alistair.” Thor was overweldigd. Toen bedacht hij ineens iets, en hij fronste. “Maar voor mij is het anders,” zei Thor. “Ik ben niet helemaal zoals jij. Ik ben meer gehecht aan plaatsen dan jij. Ik kan niet zo vrij tussen werelden reizen als Argon.” “Dat komt doordat je half mens bent,” antwoordde ze. Thor dacht erover na. “Ik ben nu hier, in dit kasteel, thuis,” zei hij. “Dit is mijn thuis, of niet?” “Ja,” antwoordde ze. “Dat is het. Je ware thuis. Maar Druïden zijn niet zo gehecht aan het concept van thuis.” “Dus als ik hier zou willen blijven, om hier te wonen, dan zou dat kunnen?” vroeg Thor. Zijn moeder schudde haar hoofd. “Nee,” zei ze. “Omdat je tijd hier, in het Land van de Druïden, eindig is. Je was voorbestemd om hier te komen—maar je kunt het Land van de Druïden slechts één keer bezoeken. Wanneer je vertrekt, kun je nooit meer terugkeren. Deze plek, dit kasteel, alles dat je hier ziet, deze plek die je al zo veel jaren in je dromen hebt gezien, zal verdwijnen. Als een rivier waar je niet twee keer in kunt stappen.” “En jij?” vroeg Thor, ineens angstig. “Je zult mij ook niet meer zien. Niet op deze manier. Maar ik zal altijd bij je zijn.” De gedachte verscheurde Thor. “Maar ik begrijp het niet,” zei Thor. “Ik heb je eindelijk gevonden. Ik heb eindelijk mijn thuis gevonden. En nu vertel je me dat het slechts eenmalig is?” Zijn moeder zuchtte. “Het thuis van een krijger is in de buitenwereld,” zei ze. “Het is je plicht om daar te zijn, om anderen te helpen, om ze te beschermen—en om een nog betere krijger te worden. Je kunt altijd beter worden. Krijgers zijn niet voorbestemd om op één plek te blijven—zeker geen krijger met een grote lotsbestemming zoals die van jou. Je zal geweldige dingen zien in je leven: geweldige kastelen, geweldige steden, geweldige mensen. Maar je moet je nergens aan vastklampen. Het leven is een stroming, en je moet je mee laten voeren.” Thor fronste en probeerde het te begrijpen. Het was zoveel om in één keer te kunnen bevatten. “Ik dacht altijd dat, zodra ik je gevonden had, ik mijn grootste zoektocht volbracht zou hebben.” Ze glimlachte naar hem. “Dat is het leven,” antwoordde ze. “We krijgen grote zoektochten toebedeeld, of we kiezen ze zelf, en we gaan op weg om ze te volbrengen. We kunnen ons nooit echt voorstellen dat we ze voltooien—en toch doen we het. Zodra één zoektocht volbracht is, verwachten we dat onze levens klaar zijn. Maar dan beginnen ze pas. Het beklimmen van één berg is een fantastische voltooiing op zich—maar het leidt ook tot een andere, hogere berg. Het voltooien van één zoektocht leidt ertoe dat je op een andere, grotere zoektocht vertrekt.” Thor keek haar verrast aan. “Dat klopt,” zei ze terwijl ze zijn gedachten las. “Het feit dat je me hebt gevonden zal je nu leiden naar een andere—nog belangrijkere—zoektocht.” “Wat voor andere zoektocht zou dat kunnen zijn?” vroeg Thor. “Wat kan er nu belangrijker zijn dan jou vinden?” Ze glimlachte terug, haar ogen gevuld met wijsheid. “Je hebt geen flauw idee van de zoektochten die je te wachten staan,” zei ze. “Sommige mensen worden geboren met de lotsbestemming om één zoektocht te volbrengen. Anderen geen een. Maar jij—Thorgrin—bent geboren met de lotsbestemming van twaalf zoektochten.” “Twaalf?” herhaalde Thor verbijsterd. Ze knikte. “Het Zwaard van het Lot was er één. Die heb je wonderlijk volbracht. Mij vinden was een ander. Je hebt nu twee zoektochten voltooid. Je hebt er nog tien te gaan, tien zoektochten die nog belangrijker zijn dan de eerste twee.” “Nog tien?” vroeg hij. “Nog belangrijker? Hoe is dat mogelijk?” “Ik laat het je zien,” zei ze terwijl ze een arm om zijn schouder legde en hem vriendelijk door de gang leidde. Ze liep met hem een glimmende saffieren deur door, die leidde naar een kamer die geheel van sprankelende groene saffieren was gemaakt. Thors moeder liep met hem de kamer door naar een enorm geweld raam, gemaakt van kristal. Thor legde een hand op het kristal. Hij voelde dat hij dat moest doen. Op dat moment gingen de twee raampanelen zachtjes open. Thor keek uit over de oceaan, die bedekt was met een verblindende mist. Het witte licht kaatste overal vanaf, en het leek alsof ze zich in de hemel bevonden. “Kijk,” zei ze. “Vertel me wat je ziet.” Thor keek, en in de eerste instantie zag hij niets dan de oceaan en een witte mist. Maar al snel werd de mist feller en begon de oceaan te verdwijnen. Hij begon beelden voor zich te zien. Het eerste dat Thor zag was zijn zoon, Guwayne, die op zee dreef in een kleine boot. Thors hart versnelde van paniek. “Guwayne,” zei hij. “Is het waar?” “Hij is nu verloren op zee,” zei ze. “Hij heeft je nodig. Hem vinden zal één van de grote zoektochten van je leven zijn.” Terwijl Thor zag hoe Guwayne weg dreef, voelde hij een drang om meteen te vertrekken en hem te zoeken. “Ik moet hem vinden—nu!” Zijn moeder legde kalmerend een hand op zijn pols. “Zie wat je nog meer moet zien,” zei ze. Thor keek en zag Gwendolyn en haar mensen; ze zaten opeengepakt op een rotsachtig eiland en zetten zich schrap terwijl er een groep draken als een deken uit de hemel neerdaalde. Hij zag een muur van vuur, brandende lichamen, schreeuwende mensen. Thors hart ging hevig tekeer. “Gwendolyn,” riep hij. “Ik moet naar haar toe.” Zijn moeder knikte. “Ze heeft je nodig, Thorgrin. Ze hebben je allemaal nodig—en ze hebben ook een nieuw thuis nodig.” Thor bleef kijken en zag het landschap veranderen. Hij zag de verwoeste Ring, een zwartgeblakerd landschap, krioelend met miljoenen van Romulus’ mannen. “De Ring,” zei hij vol afschuw. “Het bestaat niet meer.” Thor voelde een brandend verlangen om iedereen te redden. Zijn moeder sloot de raampanelen, en hij draaide zich naar haar om. “Dat zijn slechts een aantal van de zoektochten die de toekomst voor je in petto heeft,” zei ze. “Je kind heeft je nodig, Gwendolyn heeft je nodig, je mensen hebben je nodig—en afgezien daarvan moet je je voorbereiden op de dag dat je Koning wordt.” Thors ogen sperden zich wijd open. “Ik? Koning?” Zijn moeder knikte. “Het is je lotsbestemming, Thorgrin. Jij bent de laatste hoop. Jij bent degene die Koning van de Druïden moet worden.” “Koning van de Druïden?” vroeg hij. “Maar… ik begrijp het niet. Ik dacht dat ik in het Land van de Druïden was.” “De Druïden wonen hier niet meer,” legde zijn moeder uit. “We zijn een natie in ballingschap. Ze leven nu in een ver koninkrijk, in de buitenste uithoeken van het Rijk, en ze zijn in groot gevaar. Jij bent voorbestemd om hun Koning te worden. Ze hebben je nodig, en jij hebt hen nodig. Je zal kracht nodig zijn om te vechten tegen de grootste macht die er bestaat. Een veel grotere bedreiging dan de draken.” Thor staarde haar verwonderd aan. “Ik ben zo verward, Moeder,” gaf hij toe. “Dat komt omdat je training nog niet voltooid is. Je hebt veel vooruitgang geboekt, maar je bent nog niet op het niveau waar je moet zijn om een grote krijger te worden. Je zal machtige nieuwe leraren ontmoeten die je zullen begeleiden en je verder zullen brengen dan je je kunt voorstellen. Je hebt nog geen flauw benul van de krijger die je zult worden. “En je zal hun training nodig hebben,” vervolgde ze. “Je zal de confrontatie aangaan met monsterachtige rijken, koninkrijken groter dan je ooit hebt gezien. Je zal woeste tirannen tegenkomen waar Andronicus bij in het niet valt.” Zijn moeder bekeek hem, haar ogen vol medeleven. “Het leven is altijd groter dan je je voor kunt stellen, Thorgrin,” vervolgde ze. “Altijd groter. In jouw ogen is een Ring een groot koninkrijk, het middelpunt van de wereld. Maar het is slechts een klein koninkrijk vergeleken met de rest van de wereld; een vlekje in het Rijk. Er zijn werelden, Thorgrin, die je verbeelding te boven gaan. Je leven is nog niet eens begonnen.” Ze zweeg even. “Je zal dit nodig hebben.” Thor voelde iets op zijn pols, en toen hij naar beneden keek zag hij dat zijn moeder een armband bij hen om deed. De armband was enkele centimeters breed en bedekte de helft van zijn onderarm. Hij was gemaakt van glimmend goud, met één zwarte diamant in het midden. He was het mooiste en meest machtige object dat hij ooit had gezien, en hij voelde de kracht door zijn lichaam stromen. “Zolang je dit draagt,” zei ze, “zal geen door een vrouw gebaarde man je iets aan kunnen doen.” Thor keek haar aan, en de beelden die hij aan de andere kant van die kristallen ramen had gezien schoten weer door zijn hoofd. Weer voelde hij de drang om Guwayne te vinden, om Gwendolyn te redden, om zijn mensen te redden. Maar een deel van hem wilde niet weg van de plek uit zijn dromen, de plek waar hij nooit meer naar terug kon keren, en hij wilde zijn moeder niet achterlaten. Hij bekeek zijn armband en voelde de overweldigende kracht die het hem gaf. Het voelde alsof hij een deel van zijn moeder bij zich droeg. “Is dat waarom we voorbestemd waren elkaar te ontmoeten?” vroeg Thor. “Zodat ik dit kon ontvangen?” Ze knikte. “En nog belangrijker,” zei ze, “om mijn liefde te ontvangen. Als krijger moet je leren te haten. Maar je moet ook leren om lief te hebben. Liefde is de sterkste van de twee krachten. Haat kan iemand doden, maar liefde kan hem doen leven, en het vergt meer kracht om te genezen dan om te doden. Je moet haat kennen, maar ook liefde—en je moet weten wanneer je ze moet kiezen. Je moet niet alleen leren om lief te hebben, maar ook om jezelf toe te staan liefde te ontvangen. We hebben liefde nodig, net zoals we maaltijden nodig hebben. Je moet weten hoeveel ik van je hou. Dat ik je accepteer. Hoe trots ik op je ben. Je moet weten dat ik altijd bij je ben. En je moet weten dat we elkaar zullen weerzien. Ondertussen moet je mijn liefde je hier door heen laten slepen. En boven alles, moet je leren van jezelf te houden en jezelf te accepteren.” Thors moeder deed een stap naar voren en knuffelde hem, en hij knuffelde haar terug. Het voelde zo goed om haar vast te houden, om te weten dat hij een moeder had, een echte moeder, een moeder die bestond. Terwijl hij haar vasthield, voelde hij hoe hij gevuld werd met liefde, en het hield hem op de been. Hij voelde zich herboren. Hij kon alles aan. Thor liet haar los en keek in haar ogen. Het waren zijn ogen, zijn grijze ogen. Ze legde haar handen tegen zijn slapen, leunde naar voren en kuste zijn voorhoofd. Thor sloot zijn ogen en wenste dat het moment nooit voorbij zou gaan. Ineens voelde Thor een koel briesje langs zijn armen glijden. Hij hoorde het geluid van de brekende golven, voelde de vochtige oceaanlucht. Hij deed zijn ogen open en keek verrast om zich heen. Tot zijn verbazing was zijn moeder verdwenen. Haar kasteel was verdwenen. De klif was verdwenen. Hij keek om zich heen en zag dat hij op het vuurrode strand stond dat bij de ingang naar het Land van de Druïden lag. Hij was op de één of andere manier het land uit gekomen. En hij was helemaal alleen. Zijn moeder was verdwenen. Thor keek naar zijn pols, naar zijn nieuwe gouden armband met de zwarte diamant in het midden, en hij voelde zich anders. Hij voelde dat zijn moeder bij hem was, hij voelde haar liefde, en hij voelde zich in staat om de wereld te veroveren. Hij voelde zich sterker dan ooit tevoren. Hij voelde zich klaar om het tegen elke vijand op te nemen en zijn vrouw en kind te redden. Thor hoorde een spinnend geluid, en toen hij omkeek zag hij tot zijn grote blijdschap Mycoples zitten, niet al te ver bij hem vandaan. Ze spinde, hief langzaam haar grote vleugels en liep naar hem toe. Thor voelde dat Mycoples er ook klaar voor was. Terwijl ze naar hem toe liep, zag Thor ineens iets op het strand liggen, iets dat onder Mycoples had gelegen. Het was wit, groot en rond. Thor zag dat het een ei was. Het ei van een draak. Mycoples keek Thor aan, en Thor keek geschokt terug. Mycoples keek verdrietig naar het ei. Ze wilde het niet achterlaten maar wist dat het moest. Thor staarde verwonderd naar het ei, en vroeg zich af wat voor draak er zou voortkomen uit Mycoples en Ralibar. Hij had het gevoel dat het de meest geweldige draak ter wereld zou worden. Thor klom op Mycoples’ rug, en ze wierpen een laatste plek op het Land van de Druïden, de mysterieuze plek die Thor had verwelkomt en hem had uitgezet. Het was een plek waar Thor zich over verwonderde, een plek die hij nooit helemaal zou begrijpen. Thor draaide zich om en keek naar de grote oceaan die voor hen lag. “Het is tijd voor oorlog, mijn vriendin,” zei Thor zelfverzekerd. Het was de stem van een man, een krijger, een aanstaande Koning. Mycoples krijste, klapperde met haar grote vleugels, en ze gingen de lucht in, de oceaan over, op weg naar Guwayne, Gwendolyn, Romulus, zijn draken, en de strijd van Thors leven. HOOFDSTUK VIER Romulus stond op de boeg van zijn schip. Hij voer voor de vloot uit, duizenden schepen uit het Rijk achter hem, en hij keek tevreden uit naar de horizon. Hoog in de lucht vocht zijn groep draken tegen Ralibar. Hun gekrijs vulde de lucht. Romulus greep de reling stevig vast en duwde zijn vingernagels in het hout terwijl hij zag hoe zijn beesten Ralibar aanvielen en met hem de zee in stortten. Toen hij zijn draken uit de zee omhoog zag schieten en er van Ralibar geen teken te bekennen was, schreeuwde Romulus het uit van vreugde en hij kneep zo hard in de reling dat die versplinterde. Romulus hief zijn handen boven zijn hoofd en voelde een kracht in zijn handpalmen branden. “Ga, mijn draken,” fluisterde hij met lichtgevende ogen. “Ga.” Hij had de woorden nauwelijks uitgesproken of zijn draken hadden hun zinnen al op de Hoge Eilanden gezet; ze stormden krijsend naar voren. Romulus kon voelen hoe hij hen stuurde. Hij was onoverwinnelijk, in staat om het hele universum te controleren. Zijn maancyclus was tenslotte nog steeds niet geëindigd. Zijn tijd van macht zou spoedig voorbij zijn, maar voor nu kon niets in de wereld hem stoppen. Romulus’ ogen lichtten op terwijl hij de draken naar de Hoge Eilanden zag vliegen. In de verte zag hij mannen en vrouwen en kinderen schreeuwen en rennen voor hun levens. Hij keek verrukt toe hoe de vlammen naar beneden rolden en de mensen levend werden verbrand en het hele eiland werd verzwolgen door een enorme bal van vlammen en verwoesting. Hij genoot ervan om toe te kijken hoe alles werd verwoest, net zoals hij ervan had genoten toen de Ring werd verwoest. Gwendolyn was erin geslaagd hem te ontvluchten—maar deze keer kon ze nergens meer heen. Eindelijk zou de laatste MacGil voorgoed verpletterd worden. Eindelijk zou er geen hoek in het universum meer over zijn waar men niet door hem onderdrukt werd. Romulus wierp een blik over zijn schouders naar zijn duizenden schepen. Zijn immense vloot vulde de horizon. Hij haalde diep adem en gooide zijn hoofd achterover, spreidde zijn armen, en schreeuwde. Overwinning. HOOFDSTUK VIJF Gwendolyn stond in de spelonkachtige stenen kelder, opeengepakt met tientallen van haar mensen, en luisterde naar de aardbeving en vlammenzee die boven de grond woedde. Ze kromp bij elk geluid in elkaar. De aarde beefde soms zo hard dat ze struikelden en vielen, terwijl buiten enorme stukken puin naar beneden vielen, als speeltjes van de draken. Het geluid galmde onophoudelijk in Gwens hoofd. Het klonk alsof de hele wereld werd verwoest. De hitte werd steeds intenser terwijl de draken keer op keer vuur spuwden naar de stalen deuren, alsof ze wisten dat ze zich daaronder hadden verborgen. Gelukkig werden de vlammen tegengehouden door het staal, maar er kwam zwarte rook door de kieren heen, wat het ademhalen bemoeilijkte en hen allemaal deed hoesten. Er klonk het afschuwelijk geluid van steen tegen staal, en Gwen zag de stalen deuren boven haar hoofd buigen en trillen. Ze gaven bijna mee. De draken wisten duidelijk dat ze hier beneden zaten, en ze deden hun uiterste best om naar binnen te komen. “Hoe lang zullen de deuren het houden?” vroeg Gwen aan Matus, die vlak bij haar stond. “Ik weet het niet,” antwoordde Matus. “Mijn vader heeft deze ondergrondse kelder gebouwd om aanvallen te doorstaan van vijandelijke troepen—niet van draken. Ik denk niet dat ze het erg lang zullen houden.” Gwendolyn voelde de dood steeds dichterbij komen terwijl de ruimte steeds heter werd. Ze had het gevoel alsof ze op een verschroeide aarde stond. Het werd steeds lastiger om te zien door de rook, en de grond trilde terwijl kleine stukken steen en stof op haar hoofd terecht kwamen. Gwen keek om zich heen. Ze zag de angstige gezichten in de ruimte, en ze begon zich af te vragen of ze niet hadden getekend voor een langzame, pijnlijke dood door zich hier beneden terug te trekken. Misschien waren de mensen die boven meteen waren gestorven wel degenen die geluk hadden gehad. Ineens vlogen de draken ergens anders heen. Gwen was verrast en vroeg zich af wat ze van plan waren. Enkele momenten later hoorde ze een oorverdovende klap, en de grond trilde zo hevig dat iedereen in de ruimte viel. De klap werd gevolgd door twee bevingen, als een aardverschuiving. “Tirus’ fort,” zei Kendrick, die naast haar kwam staan. “Ze moeten het vernietigd hebben.” Gwen keek op naar het plafond en besefte dat hij waarschijnlijk gelijk had. Wat zou anders zo’n lawine van vallende stenen kunnen veroorzaken? De draken waren duidelijk woedend en hadden de intentie om alles en iedereen op het eiland te verwoesten. Ze wist dat het slechts een kwestie van tijd was voor ze ook door de deuren van deze kamer zouden barsten. In de tijdelijke stilte hoorde Gwen tot haar schrik ineens het schelle geluid van babygehuil. Het geluid boorde zich als een mes door haar heen. Ze kon het niet helpen; ze moest onmiddellijk aan Guwayne denken. Terwijl het gehuil, ergens bovengronds, steeds luider werd, raakte een deel van haar ervan overtuigd dat het Guwayne was die om haar huilde. Rationeel gezien wist ze dat het onmogelijk was; haar zoon was op zee, ver hier vandaan. En toch smeekte haar hart dat het zo zou zijn. “Mijn baby!” schreeuwde Gwen. “Hij is daarboven. Ik moet hem redden!” Gwen rende naar de trap toe, en voelde ineens een sterke hand op de hare. Ze draaide zich om en zag dat haar broer Reece haar tegenhield. “Mijn vrouwe,” zei hij. “Guwayne is hier ver vandaan. Dat is het gehuil van een andere baby.” Gwen wilde dat het niet waar was. “Hij is nog maar een baby,” zei ze. “Hij is helemaal alleen daarboven. Ik kan hem niet laten sterven.” “Als u naar boven gaat,” zei Kendrick, hoestend van het roet, “dan moeten we de deuren achter je dichtdoen, en dan bent u helemaal alleen. U zal daar sterven.” Gwen dacht niet meer helder na. Er was daarboven een levende baby, helemaal alleen, en ze wist dat ze hem moest redden—ongeacht de prijs. Gwen schudde Reece’ hand van zich af en sprintte op de trap af. Ze rende met drie treden tegelijk naar boven, en voor iemand haar kon tegenhouden had ze de metalen paal die de deuren barricadeerde teruggetrokken. Ze zette haar schouder tegen de deur en duwde met al haar macht. Gwen schreeuwde het uit van de pijn. Het metaal was zo heet dat het haar handpalmen verbrandde, en ze trok ze snel terug; onverschrokken trok ze haar mouwen over haar handen heen en duwde deuren helemaal open. Gwendolyn begon hevig te hoesten terwijl ze de kelder uit barstte en de zwarte rookwolken uit de ondergrondse ruimte meenam. Terwijl ze struikelend aan de oppervlakte kwam, kneep ze haar ogen samen tegen het felle zonlicht. Ze bracht een hand naar haar ogen, en zag tot haar grote schok een enorme golf van verwoesting. Alles dat er enkele momenten geleden nog had gestaan was nu tot aan de grond toe afgebrand, gereduceerd tot hopen rokend en verkoold puin. Het gehuil van de baby klonk luider hierboven, en Gwen keek om zich heen, wachtend tot de zwarte rookwolken zouden optrekken; toen zag ze, aan de andere kant van het hof, een baby op de grond liggen, gewikkeld in een deken. Vlakbij zag ze zijn ouders liggen, levend verbrand. Op de één of andere manier had de baby het overleefd. Misschien, dacht Gwen met een steek van ellende, was de moeder gestorven terwijl ze haar kind tegen de vlammen beschermde. Ineens verschenen Kendrick, Reece, Godfrey en Steffen naast haar. “Mijn vrouwe, u moet nu terug komen!” smeekte Steffen. “U zal sterven hierboven!” “De baby,” zei Gwen. “Ik moet hem redden.” “Dat kan niet,” hield Godfrey vol. “U komt niet levend terug!” Het kon Gwen niets meer schelen. Haar geest werd bevangen door een laserscherpe focus. Het enige dat ze zag, het enige waar ze aan kon denken, was het kind. Ze zette de rest van de wereld van zich af en wist dat ze het kind moest redden. De anderen probeerden haar vast te grijpen, maar Gwen was onverschrokken; ze schudde zich los en rende op de baby af. Gwen sprintte met alles dat ze had. Haar hart bonkte in haar keel terwijl ze tussen het puin door rende, door de golvende wolken van zwarte rook, omgeven door vlammen. De zwarte rook fungeerde als schild, en gelukkig voor haar konden de draken haar nog niet zien. Ze rende door de wolken heen en zag alleen nog maar de baby. Ze hoorde alleen nog maar zijn gehuil. Ze rende en rende. Haar longen stonden op knappen toen ze eindelijk de baby bereikte. Ze pakte de baby op en bestudeerde zijn gezicht, alsof een deel van haar nog steeds verwachtte Guwayne te zien. Tot haar teleurstelling was hij het niet; het was een meisje. Ze had grote, prachtige blauwe ogen die gevuld waren met tranen. Ze huilde en trilde, haar handjes in vuistjes gebald. Toch was Gwen dolblij om een andere baby vast te kunnen houden, alsof ze zo het feit dat ze Guwayne had weggestuurd goed kon maken. En ze kon, na één blik in de glinsterende ogen van de baby, al zien dat ze prachtig was. De rookwolken trokken op en ineens stond Gwen open en bloot aan de andere kant van de binnenplaats, met de huilende baby in haar armen. Ze keek op en zag, nauwelijks honderd meter verderop, een tiental woeste draken. Ze hadden enorme, lichtgevende ogen en zetten vol verrukking en woede hun zinnen op haar. Ze kon zien dat ze zich al voorbereidden om haar te doden. De draken vlogen de lucht in en kwamen haar kant op. Hun vleugels waren zo enorm van dichtbij. Gwen zette zich schrap en trok de baby dicht tegen zich aan. Ze wist dat ze het niet zou redden om op tijd terug te komen. Plotseling klonk er het geluid van zwaarden die werden getrokken, en toen Gwen zich omdraaide zag ze haar broers Reece, Kendrick en Godfrey, vergezeld door Steffen, Brandt, Atme en alle leden van de Krijgsmacht, een cirkel om haar heen vormen om haar te beschermen. Ze bereidden zich voor om samen met haar te sterven. Gwen was diep geraakt en geïnspireerd door hun moed. De draken stormden op hen af en sperden hun enorme kaken wijd open. Ze zetten zich schrap voor de onvermijdelijke stroom van vlammen die hen zou doden. Gwen sloot haar ogen. Ze zag haar vader, zag iedereen ooit iets in haar leven had betekent, en bereidde zich voor op een weerzien. Ineens klonk er een afschuwelijk gekrijs, en Gwen kromp ineen, in de veronderstelling dat het de eerste aanval was. Maar toen besefte ze dat het een ander gekrijs was, een gekrijs dat ze herkende: het gekrijs van een oude vriendin. Gwen keek op naar de lucht, en ze zag een eenzame draak door de lucht vliegen, op weg om de strijd aan te gaan met de draken die op haar af kwamen. En op haar rug zag ze, tot haar grote blijdschap, de man van wie ze meer hield dan van wie dan ook: Thorgrin. Hij was terug. HOOFDSTUK ZES Thor zat op Mycoples’ rug terwijl de wolken in zijn gezicht sloegen. Ze gingen zo snel dat hij nauwelijks kon ademhalen, en stormden op de groep draken af. Thors armband pulseerde om zijn pols. Hij voelde dat hij met een nieuwe kracht was doordrongen, een kracht die hij niet echt kon begrijpen; het was alsof hij nauwelijks een gevoel voor tijd en ruimte had. Thor had nog maar nauwelijks gedacht aan terug vliegen, was nauwelijks vanaf de kust van het Land van de Druïden opgestegen, toen hij alweer hier was, boven de Hoge Eilanden, en recht op de groep draken af vloog. Thor had het gevoel alsof hij hier op magische wijze heen getransporteerd was, alsof ze door een gat in de tijd of de ruimte waren gereisd—alsof zijn moeder hem hierheen had gelanceerd, hen in staat had gesteld het onmogelijke te bereiken en sneller en verder te vliegen dan ooit tevoren. Alsof zijn moeder hem had weggestuurd met het geschenk van snelheid. Terwijl Thor zijn ogen samen kneep en tussen het wolkendek door tuurde, kwamen de draken in het zicht. Ze cirkelden boven de Hoge Eilanden, doken naar beneden en spuwden vuur. Thor keek naar beneden en zijn hart viel toen hij zag dat het eiland al door vlammen was verzwolgen. Hij vroeg zich angstig af of iemand het had overleefd; hij zou niet weten hoe. Was hij te laat? Maar toen Mycoples naar beneden dook werd Thor als een magneet tot één enkele persoon in de chaos onder hem aangetrokken: Gwendolyn. Daar was ze, zijn aanstaande bruid. Ze stond trots en onbevreesd op de binnenplaats, een baby in haar armen, omgeven door iedereen waar Thor van hield. Ze stonden in een cirkel om haar heen en hieven hun schilden naar de hemel terwijl de draken omlaag doken om aan te vallen. Thor keek vol afschuw toe hoe de draken hun enorme kaken openden en zich voorbereidden om vlammen te spuwen, vlammen waarvan Thor wist dat ze in slechts een moment Gwendolyn en iedereen waar hij van hield zouden verzwelgen. “DUIKEN!” schreeuwde Thor naar Mycoples. Mycoples had geen aansporing nodig: ze dook sneller naar beneden dan Thor zich kon voorstellen, zo snel dat het hem de adem benam, en hij hield zich, bijna ondersteboven, vast voor zijn leven. Voor hij het wist was ze bij de drie draken die op het punt stonden om Gwendolyn aan te vallen. Met een luid gebrul, wijd open kaken en uitgestrekte klauwen viel Mycoples de nietsvermoedende draken aan. Mycoples liet zich dragen door haar neerwaartse momentum en beukte tegen de draken in. Ze klapte tegen hun ruggen aan en klauwde naar de één en beet naar de ander—en haalde de derde met haar vleugels onderuit. Ze stopte hen vlak voor ze vuur konden spuwen en dreef ze met hun koppen de aarde in. Ze kwamen tegelijk op de grond terecht en de stofwolken stegen op terwijl Mycoples hun koppen zo ver de aarde in duwde dat ze vast kwamen te zitten. Op het moment dat ze landden draaide Thor zich om. Hij zag de geschrokken blik in Gwendolyns ogen, en hij dankte God dat hij haar net op tijd had gered. Er kwam een luid gebrul. Thor draaide zich om en keek recht in de ogen van de woeste draken. Mycoples vloog alweer omhoog en ging onbevreesd op de draken af. Thor was wapenloos, maar hij voelde zich anders: voor het eerst in zijn leven had hij het gevoel dat hij geen wapens nodig had. Hij voelde dat hij de kracht die in hem zat kon oproepen, en dat hij erop kon vertrouwen. Zijn ware kracht. De kracht van zijn moeder waar hij mee doordrongen was. Terwijl ze naderden stak Thor zijn pols omhoog en richtte zijn gouden armband. Er schoot een licht uit de zwarte diamant in het midden. De draak die het dichtst bij hen was, in het midden van de groep, werd door het gele licht verzwolgen. De draak vloog naar achteren en hij klapte tegen de anderen aan. Mycoples was ziedend en vastberaden om zich te wreken. Ze dook onbevreesd het nest draken in en vocht zich er een weg doorheen. Ze liet haar tanden in één van de draken zinken, smeet een ander door de lucht, en baande zich een pad door hen heen. Ze klampte zich aan één van de draken vast tot hij slap werd, en liet hem toen vallen; hij viel als een enorm rotsblok uit de lucht, en de klap deed de aarde beven. Thor kon de impact zelfs van hier horen. Thor wierp een blik naar beneden en zag Gwen en de anderen vluchten, en hij wist dat hij de draken weg van het eiland moest lokken, weg van Gwendolyn, om hen een kans te geven om te ontsnappen. Als hij de draken naar de zee kon lokken, kon hij het gevecht daar voortzetten. “Naar de open zee!” schreeuwde Thor. Mycoples gehoorzaamde, en ze keerden en vlogen door de groep draken heen naar de andere kant. Thor draaide zich om toen hij gebrul hoorde, en voelde de hitte terwijl er een muur van vlammen zijn kant op kwam. Tevreden zag hij dat zijn plan werkte: alle draken hadden de Hoge Eilanden verlaten en volgden hem nu naar de open zee. In de verte zag Thor Romulus’ vloot, die als een deken over de zee lag. Hij wist dat als hij het gevecht met de draken op de één of andere manier zou overleven, hij het nog steeds in zijn eentje zou moeten opnemen tegen een leger van een miljoen man. Hij wist dat hij die confrontatie niet zou overleven. Maar het zou de anderen in elk geval wat tijd geven. Gwendolyn zou het in ieder geval halen. * Gwen stond op de verwoeste, smeulende binnenplaats van wat er over was van Tirus’ hof, nog steeds met de baby in haar armen, en keek vol verwondering en opluchting en verdriet tegelijk op naar de hemel. Haar hart zwol bij het weerzien van Thor. De liefde van haar leven leefde nog, hij was terug, en nog wel op Mycoples. Nu hij weer hier was had ze het gevoel dat een deel van haar hersteld was. Nu was alles mogelijk. Ze voelde iets dat ze al een lange tijd niet meer had gevoeld: de wil om te leven. Haar mannen lieten langzaam hun schilden zakken terwijl ze de draken zagen keren en wegvliegen, weg van de Eilanden, naar de open zee. Gwen keek om zich heen en zag de verwoesting die ze hadden achtergelaten. De enorme bergen puin, de vlammen, en de dode draken. Het eiland zag eruit alsof het was geteisterd door oorlog. Gwen zag ook wat de ouders van de baby moesten zijn geweest. Twee lichamen lagen vlak bij waar ze haar had gevonden. Gwen keek de baby in haar ogen en besefte dat zij alles was dat ze nog had in de wereld. Ze drukte haar stevig tegen zich aan. “Dit is onze kans, mijn vrouwe!” zei Kendrick. “We moeten nu evacueren!” “De draken zijn afgeleid,” voegde Godfrey toe. “Voor nu, in elk geval. Wie weet wanneer ze zullen terugkeren? We moeten hier onmiddellijk weg.” “Maar de Ring is niet meer,” zei Aberthol. “Waar moeten we heen?” “Als het maar weg van hier is,” antwoordde Kendrick. Gwen hoorde vaag hun woorden; ze draaide zich om en speurde de lucht af. Ze zag Thor in de verte vliegen, en haar hart vulde zich met verlangen. “En Thorgrin dan?” vroeg ze. “Laten we hem alleen daarboven?” Kendrick en de anderen kregen een sombere uitdrukking op hun gezichten. De gedachte zat hen duidelijk ook dwars. “We zouden met Thorgrin tot de dood vechten als het kon, mijn vrouwe,” zei Reece. “Maar dat kan niet. Hij is hoog in de lucht, boven zee, ver hier vandaan. Geen van ons bezit een draak. En we hebben ook zijn kracht niet. We kunnen hem niet helpen. Nu moeten we degenen helpen die we wel kunnen helpen. Dat is waar Thor alles voor heeft opgegeven. Dat is waar Thor zijn leven voor heeft gegeven. We moeten de kans grijpen die hij ons heeft gegeven.” “De overblijfselen van onze vloot liggen nog steeds aan de andere kant van het eiland,” voegde Srog toe. “Het was wijs van u om die schepen te verbergen. Nu moeten we ze gebruiken. Iedereen die nog leeft moet hier onmiddellijk weg—voor ze terug komen.” Gwendolyn werd overspoeld door gemengde gevoelens. Ze wilde zo graag Thor redden; maar tegelijkertijd wist ze dat hier wachten, met al deze mensen, hem niet zou helpen. De anderen hadden gelijk: Thor had zojuist zijn leven gegeven voor hun veiligheid. Het zou allemaal voor niets zijn als ze niet zou proberen om deze mensen te redden nu het nog kon. Er kwam een andere gedachte bij haar op: Guwayne. Als ze nu zouden vertrekken en de zee op gingen, dan misschien, heel misschien, zouden ze hem vinden. En de gedachte dat ze haar zoon weer zou zien vulde haar met een nieuwe wil om te leven. Uiteindelijk knikte Gwen. Ze drukte de baby tegen zich aan en bereidde zich voor om te vertrekken. “Oké,” zei ze. “Laten we gaan en mijn zoon vinden.” * Het gebrul van de draken werd steeds luider en de groep kwam steeds dichterbij terwijl Thor en Mycoples steeds verder de zee op vlogen. Thor voelde een golf van vlammen naderen. Ze stonden op het punt hen te verzwelgen, en hij wist dat als hij niet snel iets zou doen, hij spoedig dood zou zijn. Thor sloot zijn ogen. Hij was niet meer bang om de kracht in zich op te roepen, en hij voelde niet langer de drang om op fysieke wapens te vertrouwen. Terwijl hij zijn ogen sloot, herinnerde hij zich zijn tijd in het Land van de Druïden. Hij herinnerde zich hoe machtig hij was geweest, hoe hij in staat was geweest om alles om zich heen met zijn geest te beïnvloeden. Hij herinnerde zich de kracht die in hem zat, en hoe het fysieke universum slechts een extensie van zijn geest was. Thor dwong zijn geestkracht naar de oppervlakte, en hij stelde zich een enorme muur van ijs voor die hem tegen het vuur beschermde. Hij stelde zich voor dat hij en Mycoples werden omgeven door een beschermende bol, veilig voor de muur van vuur. Thor deed zijn ogen open en voelde tot zijn verbazing dat hij omgeven was door kou. Hij zag een enorme muur van ijs om zich heen, net zoals hij zich had voorgesteld, een meter dik en glinsterend blauw. Hij draaide zich om en zag de muur van vlammen naderen—tot hij werd tegengehouden door de muur van ijs. De vlammen sisten en er resen enorme stoomwolken op. De draken waren furieus. Thor cirkelde rond terwijl de muur van ijs begon te smelten, en hij besloot de confrontatie met de groep draken aan te gaan. Mycoples vloog onbevreesd de draken tegemoet—die duidelijk geen aanval hadden verwacht. Mycoples dook naar voren, strekte haar klauwen uit en greep een draak bij zijn kaak. Ze draaide rond en gooide hem; de draak tolde door de lucht en viel in de zee. Voor ze zich kon herstellen werd Mycoples door een andere draak aangevallen, die zich vastbeet in haar zij. Mycoples krijste, en Thor reageerde onmiddellijk. Hij sprong van Mycoples’ rug op de neus van de draak, rende over zijn kop heen en ging op zijn rug zitten. De vijandige draak liet Mycoples niet los en bokte ondertussen hevig om Thor af te werpen. Thor hield zich vast voor zijn leven. Mycoples dook naar voren, beet zich vast in de staart van een andere draak, en scheurde hem af. De draak schreeuwde en viel in zee—en Mycoples werd besprongen door een aantal andere draken, die hun tanden in haar poten zetten. Ondertussen hield Thor zich nog steeds vast voor zijn leven, vastberaden om de draak onder controle te krijgen. Hij dwong zichzelf om kalm te blijven en zichzelf eraan te herinneren dat het allemaal een kwestie van de geest was. Hij kon de enorme kracht van dit primordiale beest door zijn aderen voelen stromen. En terwijl hij zijn ogen sloot, stopte hij zich met verzetten, en begon zich af te stemmen op de draak. Hij voelde zijn hartslag, zijn pols, zijn geest. Hij voelde hoe hij één met hem werd. Thor deed zijn ogen open, en de draak deed hetzelfde. Zijn ogen glommen nu in een andere kleur. Thor zag de wereld door de ogen van de draak. Deze draak, dit vijandige beest, werd een verlenging van Thor. Hij zag wat Thor zag. Thor gaf hem bevelen—en hij luisterde. De draak liet Mycoples op Thors bevel los; toen dook hij grommend naar voren en zette hij zijn tanden in de drie draken die Mycoples aanvielen, en verscheurde hen. De andere draken waren overrompeld en hadden duidelijk niet verwacht aangevallen te worden door één van hen; voor ze konden hergroeperen, had Thor er al zes aangevallen. Hij gebruikte zijn draak, die zich vastbeet in hun nek, en verminkte de ene na de andere. Thor liet de draak hen in hun vleugels bijten en in hun rug, en de draken stortten in zee. Plotseling werd Thor vanaf de zijkant aangevallen, en hij had het niet aan zien komen; de draak opende zijn kaken en zette zijn tanden in Thor. Thor schreeuwde het uit terwijl zijn ribbenkast werd doorboord door een lange, puntige tand. Hij viel van zijn draak en voelde hoe hij richting de zee viel, gewond, en besefte dat hij op het punt stond om te sterven. Vanuit zijn ooghoek zag Thor Mycoples naar beneden duiken—en voor hij het wist was hij op Mycoples’ rug geland, gered door zijn oude vriendin. Ze waren weer samen, beiden gewond. Thor greep hijgend naar zijn ribben en bekeek de schade die ze hadden aangericht: een tiental draken dobberde nu dood of verminkt in zee. Ze hadden het goed gedaan met zijn tweetjes, veel beter dan hij zich had kunnen voorstellen. Maar toen hoorde Thor een luid gekrijs, en toen hij op keek zag hij dat er nog enkele tientallen draken over waren. Snakkend naar adem besefte hij dat het een heldhaftig gevecht was geweest, maar dat het er somber uitzag voor hen. Toch aarzelde hij niet; hij vloog onbevreesd naar boven om de draken die hen uitdaagden tegemoet te vliegen. Mycoples krijste en spuwde vuur terwijl zij vuur spuwden naar Thor. Thor gebruikte zijn krachten om weer een muur van ijs te creëren en te voorkomen dat ze verzwolgen werden door de vlammen. Hij hield zich stevig vast aan Mycoples terwijl ze op de groep in vloog en al klauwend en bijtend vocht voor haar leven. Ze liep verwondingen op, maar dat vertraagde haar niet en ze wist zelf behoorlijk wat schade aan te richten. Thor hief zijn arm en richtte zijn armband. Stralen van wit licht schoten eruit terwijl hij de ene na de andere draak van Mycoples afstootte. Thor en Mycoples vochten en vochten, beide gewond, bloedend, uitgeput. En er waren nog altijd tientallen draken over. Terwijl Thor zijn armband omhoog hield, voelde hij de kracht wegstromen—uit zichzelf. Hij was machtig, wist hij, maar nog niet machtig genoeg; hij wist dat hij het gevecht niet tot aan het eind zou kunnen volhouden. Thor keek op en zag ineens enorme vleugels, gevolgd door lange scherpe klauwen, en hij keek hulpeloos toe terwijl de klauwen zich door Mycoples keel boorden. Thor hield zich vast voor zijn leven terwijl de draak Mycoples vastgreep, zijn kaken in haar staart zette, haar rondzwaaide en losliet. Thor hield zich vast terwijl hij en Mycoples door de lucht vlogen en op de zee af stortten. Ze belandden in het water en gingen kopje onder. Thor maaide wild met zijn armen tot ze eindelijk vaart minderden. Mycoples keerde en zwom naar boven, op het zonlicht af. Toen ze boven kwamen snakte Thor naar adem. Hij bleef zich stevig aan Mycoples vasthouden, dobberend in het ijskoude water. Thor keek opzij en zag toen iets wat hij nooit meer zou vergeten: daar, in het water, niet ver bij hem vandaan, met zijn ogen open, dreef het levenloze lichaam van de draak waar hij zo veel van was gaan houden: Ralibar. Mycoples zag hem op hetzelfde moment, en toen gebeurde er iets met haar, iets dat Thor nog nooit had meegemaakt: ze krijste van verdriet en tilde haar vleugels hoog op. Haar hele lichaam begon te beven en ze liet een afschuwelijk gejammer uit dat het hele universum leek te doen trillen. Thor zag haar ogen van kleur veranderen, tot ze glimmend geel en wit waren. Mycoples was een andere draak. Ze keek op naar de groep draken die op hen afkwam. Thor besefte dat er iets in haar was geknapt. Haar verdriet was getransformeerd in woede, en had haar een ongekende kracht gegeven. Ze was bezeten. Mycoples stormde omhoog. Ze bloedde nog steeds, maar het leek haar niets te kunnen schelen. Ook Thor voelde hoe hij overspoeld werd door een nieuwe golf van energie en een verlangen naar wraak. Ralibar was een goede vriend geweest en hij had zijn leven voor hen opgeofferd. Thor was vastberaden om wraak te nemen. Terwijl ze op de draken af vlogen, sprong Thor van Mycoples af en landde op de neus van de dichtstbijzijnde draak. Hij sloeg zijn armen stevig om zijn kaken heen. Thor riep het laatste beetje kracht dat hij had op, draaide de draak rond in de lucht, en wierp hem met al zijn kracht. De draak vloog door de lucht, klapte tegen twee andere draken aan, en ze vielen alle drie in zee. Mycoples draaide rond en ving Thor op terwijl hij viel. Hij belandde op haar rug en Mycoples ging op de overgebleven draken af. Ze begroette hen met een luid gebrul en beet harder en dieper dan zij. Hoe erger ze haar verwondden, hoe minder het haar leek te doen. Ze was een wervelwind van verwoesting, net als Thor, en tegen de tijd dat zij en Thor klaar waren, besefte Thor dat er geen enkele draak meer over was. Ze lagen allemaal in zee, dood of verminkt. Thor en Mycoples vlogen alleen door de lucht, cirkelend boven de gevallen draken. Ze hijgden en bloedden hevig. Thor wist dat Mycoples haar laatste adem zou uitblazen—het bloed droop uit haar bek, en elke ademtocht deed haar pijn. “Nee, mijn vriendin,” zei Thor terwijl hij moeite had om zijn tranen te bedwingen. “Je kunt niet doodgaan.” Mijn tijd is gekomen, hoorde Thor haar zeggen. Ik zal in elk geval waardig sterven. “Nee,” hield Thor vol. “Je mag niet sterven!” Mycoples ademde bloed, en haar vleugels verzwakten terwijl ze steeds lager ging vliegen. Er zit nog één laatste gevecht in me, zei Mycoples. En ik wil dat mijn laatste moment een moedig moment is. Mycoples keek op, en Thor volgde haar blik naar Romulus vloot, die zich langs de horizon uitstrekte. Thor knikte somber. Hij wist wat Mycoples wilde. Ze wilde de dood begroeten in één laatste grote strijd. Thor, die zwaargewond was en het gevoel had dat hij het ook niet zou halen, wilde ook op die manier ten onder gaan. Hij vroeg zich af of zijn moeders voorspellingen klopten. Ze had hem verteld dat hij zijn eigen lotsbestemming kon veranderen. Had hij hem veranderd? vroeg hij zich af. Zou hij nu sterven? “Laten we gaan, mijn vriendin,” zei Thorgrin. Mycoples krijste, en samen doken ze naar beneden, op Romulus’ vloot af. Thor voelde de wind en de wolken door zijn haar gaan en liet een luide strijdkreet uit. Mycoples’ gekrijs evenaarde zijn woede. Mycoples opende haar enorme kaken en spuwde vuur. Al snel verspreidde haar muur van vuur zich over de zee, en het ene na het andere schip vatte vlam. Er lagen nog tienduizenden schepen voor hen, maar Mycoples weigerde te stoppen en bleef vuur spuwen. De vlammen verspreidden zich als één enorme muur over het water, en het gekrijs van de mannen rees op. Mycoples’ vlammen werden zwakker, en na een tijdje kwam er nog maar weinig vuur uit. Thor wist dat ze stervende was. Ze ging steeds lager vliegen, te zwak om nog vuur te spuwen. Maar ze was niet te zwak om haar lichaam als wapen te gebruiken, en ze liet zich richting de schepen vallen, als een meteoor. Thor zette zich schrap en hield zich met al zijn macht vast terwijl ze recht op de schepen af dook en het geluid van krakend hout de lucht vulde. Ze beukte op het ene na het andere schip in en verwoestte de vloot. Thor hield zich vast terwijl stukken hout alle kanten op vlogen. Uiteindelijk kon Mycoples niet meer. Ze stopte in het midden van de vloot, dobberend in het water. Ze had zoveel schepen verwoest, maar werd nog altijd omgeven door duizenden andere schepen. Thor zat op haar rug terwijl ze daar dreef, zwakjes ademend. De overgebleven schepen zetten hun zinnen op hen. Al snel kleurde de hemel zwart. Thor zag een regenboog van pijlen zijn kant op komen. Ineens werd hij doorboord door pijlen en overspoeld door een afschuwelijke pijn. Ook Mycoples werd doorzeefd. Ze begonnen te zinken, twee grote helden die de strijd van hun leven hadden gevochten. Ze hadden de draken verslagen, evenals het grootste deel van de vloot van het Rijk. Ze hadden meer gedaan dan een heel leger had kunnen doen. Maar nu er geen kracht meer in hen zat, konden ze sterven. Terwijl Thor doorboord werd door pijlen en steeds dieper zonk, wist hij dat hij niets meer kon doen behalve wachten op de dood. HOOFDSTUK ZEVEN Alistair stond op een loopbrug, en terwijl ze erlangs naar beneden keek, zag ze de zee tegen de rotsen slaan. Het geluid vulde haar oren. Een sterke windvlaag bracht haar uit balans, en toen Alistair opkeek zag ze, zoals ze al in zoveel dromen in haar leven had gezien, een kasteel op de rand van een klif, voorzien van een glimmende gouden deur. Daarvoor stond een enkele figuur, een silhouet, met haar handen naar haar uitgestrekt, alsof ze haar wilde omhelzen—maar Alistair kon haar gezicht niet zien. “Mijn dochter,” zei de vrouw. Alistair probeerde naar haar toe te lopen, maar haar benen zaten vast. Ze keek naar beneden en zag dat ze vastgeketend zat aan de grond. Hoe hard ze het ook probeerde, Alistair was niet in staat om te bewegen. Ze strekte haar armen naar haar moeder uit en riep wanhopig: “Moeder, help me!” Ineens voelde Alistair de wereld langs zich voorbij glijden, voelde hoe ze viel, en ze zag de loopbrug onder haar voeten instorten. Ze viel richting het water en sleurde een heel stuk van de loopbrug met zich mee. Alistairs lichaam werd gevoelloos terwijl ze kopje onder ging in de ijskoude zee, nog altijd geboeid. Ze voelde hoe ze zonk, en toen ze opkeek zag ze het daglicht boven zich vervagen. Alistair deed haar ogen open en zag dat ze zich in een kleine, stenen cel bevond, een plek die ze niet herkende. Er zat iemand voor haar, en ze herkende hem vaagjes: Erecs vader. Hij keek dreigend op haar neer. “Je hebt mijn zoon vermoord,” zei hij. “Waarom?” “Dat heb ik niet!” protesteerde ze zwakjes. Hij fronste. “Je wordt veroordeeld tot de doodstraf,” voegde hij toe. “Ik heb Erec niet vermoord!” protesteerde Alistair. Ze ging staan en wilde naar hem toe lopen, maar merkte dat ze was vastgeketend aan de muur. Er verscheen een tiental wachters achter Erec, gekleed in volledig zwarte wapenrusting en voorzien van formidabele viziers. Het geluid van hun rinkelende sporen vulde de ruimte. Ze liepen naar haar toe, grepen haar vast en trokken haar weg bij de muur. Maar haar enkels waren nog altijd geboeid, en het deed pijn. “Nee!” gilde Alistair. Het voelde alsof ze werd verscheurd. Alistair schrok wakker, badend in het zweet. Ze keek gedesoriënteerd om zich heen en probeerde uit te vinden waar ze was. Ze herkende de kleine, schemerige cel met de stenen muren en metalen tralies voor de ramen niet. Ze draaide zich om en probeerde te lopen, maar ze hoorde geratel en toen ze naar beneden keek zag ze dat haar enkels aan de muur waren vastgeketend. Ze probeerde ze los ze schudden, maar het lukte niet. Het koude ijzer sneed in haar enkels. Alistair realiseerde zich dat ze in een kleine gevangenis zat, die zich gedeeltelijk onder de grond bevond. Het enige licht was afkomstig van het kleine raam, dat voorzien was van ijzeren tralies. Ze hoorde gejuich in de verte, en Alistair liep nieuwsgierig naar het raam, voor zover haar boeien dat toelieten. Ze leunde naar voren en keek er door heen in een poging een glimp van het daglicht op te vangen en te zien waar ze was. Alistair zag een grote menigte—en aan het hoofd stond Bowyer, met een zelfingenomen, triomfantelijke grijns op zijn gezicht. “Die tovenaarskoningin heeft geprobeerd haar aanstaande man te vermoorden!” bulderde Bowyer naar de menigte. “Ze benaderde me met een plot om Erec te doden en met mij te trouwen. Maar haar plannen zijn verijdeld!” Er rees een verontwaardigd gejuich op, en Bowyer wachtte tot de menigte was gekalmeerd. Hij hief zijn handen en begon weer te spreken. “Jullie kunnen gerust zijn: de Zuidelijke Eilanden zullen niet door Alistair geregeerd worden, of door iemand anders dan mijzelf. Nu Erec stervende is, zal ik, Bowyer, de eerstvolgende kampioen van de spelen, jullie beschermen.” Er volgde een goedkeurend gejuich, en de menigte begon te roepen: “Koning Bowyer, Koning Bowyer!” Alistair keek vol afschuw toe. Het gebeurde allemaal zo snel, ze kon het nauwelijks verwerken. Alleen al de aanblik van dat monster, die Bowyer, vulde haar met woede. Daar was de man die had getracht haar geliefde te vermoorden. En hij claimde onschuldig te zijn, en probeerde haar te beschuldigen. En wat nog het ergste was, hij zou tot Koning worden benoemd. Zou er dan nooit gerechtigheid komen? Maar wat er met haar gebeurde deed haar niet zoveel als de gedachte aan Erec die wegkwijnde in zijn bed, en nog altijd haar geneeskracht nodig had. Ze wist dat als ze niet snel de genezing zou voltooien, hij hier zou sterven. Het kon haar niet schelen als ze in deze kerker zou wegkwijnen voor een misdaad die ze niet had begaan—ze wilde alleen zeker weten dat Erec genezen was. Ineens sloeg de deur van haar cel open, en Alistair schrok op toen ze een grote groep mensen naar binnen zag wandelen. In het midden liep Dauphine, vergezeld door Erecs broer, Strom, en zijn moeder. Achter hen liepen enkele koninklijke wachters. Alistair wilde opstaan om hen te begroeten, maar de boeien sneden in haar enkels en er schoot een helse pijn door haar schenen. “Is Erec in orde?” vroeg Alistair wanhopig. “Vertel het me alsjeblieft. Leeft hij nog?” “Hoe durf je te vragen of hij nog leeft,” beet Dauphine. Alistair wendde zich tot Erecs moeder, hopend op haar genade. “Alstublieft, vertel me alleen of hij nog leeft,” smeekte ze. Haar hart brak van binnen. Zijn moeder knikte somber terug en keek haar teleurgesteld aan. “Ja,” zei ze zwakjes. “Maar hij is ernstig ziek.” “Breng me naar hem toe!” drong Alistair aan. “Alstublieft. Ik moet hem genezen!” “Je naar hem toe brengen?” herhaalde Dauphine. “De vermetelheid. Je komt niet bij mijn broer in de buurt—sterker nog, je gaat helemaal nergens heen. We kwamen alleen om je nog één keer te zien voor je executie.” Alistairs hart zonk. “Executie?” vroeg ze. “Is er geen rechter of jury op dit eiland? Is er geen gerechtigheid?” “Gerechtigheid?” zei Dauphine, die met een rood aangelopen gezicht naar haar toe liep. “Jij waagt het om te vragen om gerechtigheid? We vonden het bebloede zwaard in jouw hand, onze stervende broer in jouw armen, en jij waagt het om over gerechtigheid te spreken? Ik zou zeggen dat het recht is geschied.” “Maar ik zeg je, ik heb hem niet vermoord!” smeekte Alistair. “Dat klopt,” zei Dauphine. Haar stem droop van het sarcasme. “Een magische, onbekende man kwam de kamer binnen en doodde hem, om vervolgens te verdwijnen en het wapen in jouw handen te leggen.” “Het was geen onbekende man,” hield Alistair vol. “Het was Bowyer. Ik heb het zelf gezien. Hij heeft Erec neergestoken.” Dauphine grijnsde. “Bowyer heeft ons de rol laten zien die jij aan hem geschreven hebt. Je hebt hem gesmeekt om met hem te trouwen en een plan gesmeed om Erec te doden. Je bent ziek. Was het niet genoeg voor je om mijn broer en het Koningschap voor jezelf te hebben?” Dauphine overhandigde Alistair de rol, en Alistairs hart zonk terwijl ze las: Zodra Erec dood is, zullen we onze levens samen doorbrengen. “Maar dat is mijn handschrift niet!” protesteerde Alistair. “Die rol is nep!” “Ja, vast,” zei Dauphine. “Ik weet zeker dat je overal wel een verklaring voor hebt.” “Ik heb nooit zo’n rol geschreven!” hield Alistair vol. “Luisteren jullie wel naar jezelf? Waarom zou ik Erec vermoorden? Ik hou van hem met heel mijn ziel. We waren bijna getrouwd.” “En goddank waren jullie dat nog niet,” zei Dauphine. “U moet me geloven!” hield Alistair vol terwijl ze zich tot Erecs moeder wendde. “Bowyer probeerde Erec te vermoorden. Hij wil het koningschap. Ik wil niet eens Koningin zijn. Dat heb ik nooit gewild.” “Maak je geen zorgen,” zei Dauphine. “Dat wordt je ook niet. Sterker nog, je leven is voorbij. Hier op de Zuidelijke Eilanden vindt het recht sneller zijn beloop. Morgen zal je geëxecuteerd worden.” Alistair schudde haar hoofd. Ze besefte dat ze niet voor rede vatbaar waren. Ze zuchtte, haar hart zwaar. “Is dat waarom jullie hier zijn?” vroeg ze zwakjes. “Om me dat te vertellen?” Dauphine staarde haar zwijgend aan, en Alistair kon de haat in haar blik voelen. “Nee,” antwoordde Dauphine na een lange, gespannen stilte. “Het was om de uitspraak te doen, en nog één keer in je ogen te kijken voor je naar de hel wordt gestuurd. Je zal lijden, net zoals onze broer heeft geleden.” Ineens liep Dauphine rood aan, dook naar voren, en greep Alistair bij haar haren. Het gebeurde zo snel dat Alistair geen tijd had om te reageren. Dauphine gaf een luide schreeuw terwijl ze Alistairs gezicht bekraste. Alistair hief haar handen om zichzelf te beschermen, en de anderen trokken Dauphine van haar af. “Laat me los!” schreeuwde Dauphine. “Ik wil haar nu doden!” “Morgen zal het recht geschieden,” zei Strom. “Breng haar weg,” beval Erecs moeder. Wachters liepen naar voren en trokken Dauphine de ruimte uit terwijl ze schopte en schreeuwde uit protest. Strom liep achter hen aan, en al snel was de ruimte leeg, op Alistair en Erecs moeder na. Ze stopte bij de deur, draaide zich langzaam om en keek Alistair aan. Alistair speurde haar gezicht af, zoekend naar een laatste beetje vriendelijkheid en medeleven. “Alstublieft, u moet me geloven,” zei Alistair ernstig. “Het kan me niet schelen wat de anderen van me denken. Maar ik geef wel om u. U was aardig voor me vanaf het moment dat u me ontmoette. U weet hoeveel ik van uw zoon hou. U weet dat ik dit nooit zou kunnen.” Erecs moeder bekeek haar aandachtig, en terwijl de tranen in haar ogen sprongen, leek ze te aarzelen. “Dat is waarom u bent achtergebleven, nietwaar?” drong Alistair aan. “Dat is waarom u bleef hangen. Omdat u me wil geloven. Omdat u weet dat ik gelijk heb.” Na een lange stilte knikte zijn moeder. Ze deed een paar stappen naar haar toe, alsof ze tot een beslissing was gekomen. Alistair kon zien dat Erecs moeder haar echt geloofde, en ze was dolblij. Zijn moeder rende naar voren en omhelsde haar, en Alistair knuffelde haar terug en huilde op haar schouder. Erecs moeder huilde ook. Toen deed ze een stap naar achteren. “U moet naar me luisteren,” drong Alistair aan. “Het kan me niet schelen wat er met mij gebeurd, of wat anderen van me denken. Maar Erec—ik moet naar hem toe. Nu. Hij is stervende. Ik heb hem slechts gedeeltelijk kunnen genezen, en ik moet het afmaken. Als ik het niet doe, zal hij sterven.” Zijn moeder bekeek haar van top tot teen, alsof ze eindelijk besefte dat ze de waarheid sprak. “Na alles dat er is gebeurd,” zei ze, “is mijn zoon de enige waar je om geeft. Ik kan nu zien dat je echt van hem houdt—en dat je dit nooit gedaan zou kunnen hebben.” Конец ознакомительного фрагмента. Текст предоставлен ООО «ЛитРес». Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/pages/biblio_book/?art=43694591&lfrom=334617187) на ЛитРес. Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.
КУПИТЬ И СКАЧАТЬ ЗА: 399.00 руб.