Сетевая библиотекаСетевая библиотека
De Gave Van Strijd Morgan Rice De Tovenaarsring #17 DE TOVENAARSRING heeft alle ingrediënten voor direct succes: intriges, samenzweringen, mysteries, dappere ridders en opbloeiende relaties vol met gebroken harten, bedrog en verraad. Het houdt je uren bezig en is voor alle leeftijden geschikt. Aanbevolen voor de permanente bibliotheek van alle fantasie lezers. – Books and Movie Reviews, Roberto Mattos (regarding A Quest of Heroes) DE GAVE VAN STRIJD (Boek #17) is de finale van de bestseller serie DE TOVENAARSRING, die met EEN ZOEKTOCH VAN HELDEN begint (boek #1) ! In DE GAVE VAN STRIJD heeft Thor zijn grootste en laatste uitdaging, terwijl hij verder het Land van Bloed ingaat in zijn poging om Guwayne te redden. Hij komt vijanden tegen die machtiger zijn dan hij ooit had gedacht en Thor beseft zich al snel dat hij een leger van duisternis voor zich heeft, één waar zijn macht niet mee kan evenaren. Wanneer hij hoort over een heilig voorwerp dat hem de macht kan geven die hij nodig heeft – een voorwerp die eeuwenlang geheim is gebleven – moet hij een laatste queeste aangaan om het te krijgen voordat het te laat is. Het lot van de Ring staat op het spel. Gwendolyn houdt zich aan haar belofte aan de Koning van de Bergrug. Ze gaat de toren binnen en ontmoet de sekteleider om erachter te komen welk geheim hij verborgen houdt. De onthulling brengt haar naar Argon en uiteindelijk naar de meester van Argon – waar ze het grootste geheim te weten komt. Eén die het lot van haar mensen kan veranderen. Wanneer de Bergrug door het Keizerrijk wordt ontdekt, begint de invasie. Als ze onder vuur liggen door het grootste leger die men kent, ligt de verantwoordelijkheid bij Gwendolyn om haar mensen te verdedigen en op een laatste, massale uittocht te leiden. De Legioen broeders van Thor zien onvoorstelbare risico’s onder ogen, terwijl Engel door haar melaatsheid stervende is. Darius vecht voor zijn leven naast zijn vader in de Keizerlijke hoofdstad, totdat het een verrassende wending krijgt. Hij heeft niets meer te verliezen en moet uiteindelijk zijn eigen macht aanboren. Erec en Alistair bereiken Volusia en vechten hun weg stroomopwaarts. Ze gaan met hun queeste voor Gwendolyn en de bannelingen door, terwijl ze onverwachte veldslagen tegenkomen. En Godfrey beseft zich dat hij de uiteindelijk een beslissing moet nemen om de man te worden die hij zijn wil. Volusia is omsingeld door alle krachten van de Ridders van de Zeven. Ze moet zichzelf als godin op de proef stellen en erachter komen of ze alleen de macht heeft om mannen te vermorzelen en over het Keizerrijk te heersen. Terwijl Argon, aan het einde van zijn leven, beseft dat de tijd gekomen is om zichzelf op te offeren. Terwijl goed en kwaad in onbalans zijn, zal één laatste epische veldslag – de grootste veldslag van allemaal – de uitkomst voor de Ring voor altijd beslissen. Met zijn geraffineerde wereld-opbouw en karakterbeschrijving, is DE GAVE VAN STRIJD een episch verhaal van vrienden en geliefden, van rivalen en minnaars, van ridders en draken, van intriges en politieke spelletjes, van ouderdom, van gebroken harten, van verraad, ambitie en oplichterij. Het is een verhaal van eer en heldendom, van noodlot, van tovenarij. Het is een fantasie die ons in een wereld brengt die we nooit zullen vergeten, en die voor alle leeftijden aantrekkelijk is. DE GAVE VAN STRIJD is de langste van alle boeken in de serie, 93. 000 woorden! Vol met aktie … Rice's schrijven is solide en stelling intrigerend. – Publishers Weekly (regarding A Quest of Heroes) D E G A V E V A N S T R I J D (BOEK #17 VAN DE TOVENAARSRING) MORGAN RICE Over Morgan Rice Morgan Rice is de #1 bestseller en USA Today bestseller auteur van de epische fantasie serie DE TOVENAARSRING, bestaande uit zeventien boeken: van de #1 bestseller serie DE VAMPIERVERSLAGEN, bestaande uit elf boeken (en nog meer onderweg); van de #1 bestseller serie DE OVERLEVINGSTRILOGIE, een post-apocalyptische thriller bestaande uit twee boeken (en nog meer onderweg); en van de nieuwe epische fantasie serie KONINGEN EN TOVENAARS, bestaande uit zes boeken. Morgan’s boeken zijn beschikbaar in audio en gedrukte edities en vertalingen zijn beschikbaar in ruim 25 talen. Morgan hoort graag van u, dus ga naar www.morganricebooks.com (http://www.morganricebooks.com/) en schrijf je in voor de e-mail lijst, ontvang een gratis boek, ontvang gratis weggevers, download de gratis app, ontvang het laatste exclusieve nieuws, connect op Facebook en Twitter en hou contact! Morgan Rice in de pers “DE TOVENAARSRING heeft alle ingrediënten voor direct succes: intriges, samenzweringen, mysteries, dappere ridders en opbloeiende relaties vol met gebroken harten, bedrog en verraad. Het houdt je uren bezig en is voor alle leeftijden geschikt. Aanbevolen voor de permanente bibliotheek van alle fantasie lezers.” --Books and Movie Reviews, Roberto Mattos “[Een] vermakelijke epische fantasie.” —Kirkus Reviews “Het begin van opmerkelijke dingen zijn aanwezig.” --San Francisco Book Review “Vol met actie …. Rice's schrijven is solide en de stelling intrigerend.” --Publishers Weekly “Een levendige fantasie ….Het begin van wat een episch jong volwassen serie belooft.” --Midwest Book Review Boeken door Morgan Rice KONINGEN EN TOVENAARS DE OPKOMST VAN DE DRAKEN (Boek #1) DE OPKOMST VAN DE HELDHAFTIGE (Boek #2) DE ZWAARTE VAN EER (Boek #3) EEN SMIDSVUUR VAN MOED (Boek #4) EEN RIJK VAN SCHADUWEN (Boek #5) NACHT VAN DE DAPPEREN (Boek #6) DE TOVENAARSRING EEN ZOEKTOCHT VAN HELDEN (Boek #1) EEN MARS VAN KONINGEN (Boek #2) EEN LOT VAN DRAKEN (Boek #3) EEN SCHREEUW VAN EER (Boek #4) EEN GELOFTE VAN GLORIE (Boek #5) EEN AANVAL VAN MOED (Boek #6) EEN RITE VAN ZWAARDEN (Boek #7) EEN GIFT VAN WAPENS (Boek #8) EEN HEMEL VAN SPREUKEN (Boek #9) EEN ZEE VAN SCHILDEN (Boek #10) EEN BEWIND VAN STAAL (Boek #11) EEN LAND VAN VUUR (Boek #12) EEN HEERSCHAPPIJ VAN KONINGINNEN (Boek #13) EEN EED VAN BROEDERS (Boek #14) EEN DROOM VAN STERVELINGEN (Boek #15) EEN TOERNOOI VAN RIDDERS (Boek #16) DE GAVE VAN STRIJD (Boek #17) DE OVERLEVINGSTRILOGIE ARENA EEN: SLAVENDRIJVERS (Boek #1) ARENA TWEE (Boek #2) DE VAMPIERVERSLAGEN VERANDERD (Boek #1) GELIEFD (Boek #2) VERRADEN (Boek #3) VOORBESTEMD (Boek #4) BEGEERD (Boek #5) VERLOOFD (Boek #6) BELOOFD (Boek #7) GEVONDEN (Boek #8) HERREZEN (Boek #9) HUNKEREND (Boek #10) LOT (Boek #11) Luister naar DE TOVENAARSRING serie in audio boek format! Copyright © 2014 by Morgan Rice All rights reserved. Except as permitted under the U.S. Copyright Act of 1976, niets van deze uitgave mag worden gereproduceerd, gedistribueerd of doorgegeven in enige vorm of via enige middelen, of in een database systeem opgeslagen worden zonder voorafgaande toestemming van de auteur. Dit e-book is alleen voor uw persoonlijk genot bedoeld. Dit e-book mag niet doorverkocht of aan anderen weggegeven worden. Als u dit boek met anderen wilt delen, koopt u dan een extra kopie voor iedere ontvanger. Als u dit e-book leest en u heeft het niet gekocht, of het is niet voor uw gebruik gekocht, geeft u het dan terug en koop uw eigen kopie. Dank u dat u het harde werk van de auteur respecteert. Deze roman is fictie. Namen, karakters, zaken, ondernemingen, plaatsen, gebeurtenissen en voorvallen zijn ofwel het product van de verbeelding van de auteur ofwel fictief gebruikt. Enige overeenkomsten met bestaande personen, levend of dood, berusten geheel op toeval. Jacket image Copyright Photosani, used under license from Shutterstock.com. Vertaald door: Francis Isken INHOUD HOOFDSTUK ÉÉN (#u6402b7d9-c7ee-57f4-bfa7-cead257c635a) HOOFDSTUK TWEE (#ue4565714-0aac-5bae-9b66-0e52da3561c0) HOOFDSTUK DRIE (#u10dd5cec-7149-5057-9640-be53dae441c1) HOOFDSTUK VIER (#u9123034c-3af3-5078-9538-2b9a038773d5) HOOFDSTUK VIJF (#u73c897b3-eb32-57a4-bff0-8297f3d0e946) HOOFDSTUK ZES (#u64d394fd-3d17-5188-bd7a-837bbf12a36e) HOOFDSTUK ZEVEN (#u3cfae63d-77ff-5005-a0b0-84e656c866fc) HOOFDSTUK ACHT (#ub87e412a-e014-5a5d-b194-cb568cd07c73) HOOFDSTUK NEGEN (#u34880bd2-5321-5dd0-9653-6094d51fc5c2) HOOFDSTUK TIEN (#ua71493a6-3db7-57b0-acad-37bcecad666b) HOOFDSTUK ELF (#ubbac6451-5887-50bb-a1d2-fff187809716) HOOFDSTUK TWAALF (#ud4684748-74d5-51de-83f8-6a0db7589741) HOOFDSTUK DERTIEN (#ue145a5ea-5fba-5d5c-9127-011e4cac799d) HOOFDSTUK VEERTIEN (#uc77ed33a-ee29-50e2-9d22-1a054bec33c7) HOOFDSTUK VIJFTIEN (#u8555251a-cec8-55d8-b6ec-1c3182e001c8) HOOFDSTUK ZESTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZEVENTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ACHTTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDTUK NEGENTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK EENENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TWEEËNTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK DRIEËNTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIERENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIJFENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZESENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZEVENENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ACHTENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK NEGENENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK DERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK EENENDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TWEEËNDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK DRIEËNDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIERENDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIJFENDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZESENDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZEVENENDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ACHTENDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK NEGENENDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VEERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK EENENVEERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TWEEËNVEERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK DRIEËNVEERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIERENVEERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIJFENVEERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZESENVEERTIG (#litres_trial_promo) Voor Jake Maynard. Een echte krijger. “You come to me with a sword, a spear, and a javelin— but I come to you with the Name of the Lord, Master of Legions, God of the battalions.” --David to Goliath I Samuel, 17:45 HOOFDSTUK ÉÉN Thorgrin stond op het heftig schommelende schip en keek voor zich uit. Vol afschuw realiseerde hij zich langzaamaan wat hij zojuist gedaan had. Hij keek geschokt naar zijn eigen hand die nog steeds het Zwaard des Doods vasthield. Toen keek hij op en zag van een paar centimeter afstand het gezicht van Reece, zijn beste vriend, die naar hem terugstaarde. Zijn ogen stonden wagenwijd van pijn en verraad open. Thor’s hand trilde hevig terwijl hij zich besefte dat hij zijn beste vriend in de borst had gestoken en zag hoe hij voor zijn ogen stierf. Thor begreep niet wat er gebeurd was. Terwijl het schip tekeer ging, trok de stroming ze verder door de Straten van Waanzin totdat ze eindelijk aan de andere kant tevoorschijn kwamen. De stroming werd rustiger, het schip kwam weer recht te liggen en de dikke wolken verdwenen. Ze kwamen in rustiger vaarwater. Zodra ze eruit kwamen, verdween de mist die de gedachten van Thor omhulde en hij voelde zich weer zichzelf, hij zag de wereld weer helder. Hij keek naar Reece die voor hem stond en zijn hart brak toen hij zich realiseerde dat het niet het gezicht van een vijand was, maar van zijn beste vriend. Hij besefte langzaam wat hij gedaan had, hij besefte dat hij in de greep van iets groter dan hemzelf zat. Het was een geest van gekte die hij niet onder controle had, die hem tot deze verschrikkelijke daad gedwongen had. “NEE!” schreeuwde Thorgrin. Thor trok de Zwaard des Doods uit de borst van zijn beste vriend. Toen hij dit deed, hijgde Reece en stortte in elkaar. Thor gooide het zwaard weg, hij wilde er nu niet eens naar kijken, en het kwam met een holle plof op het dek terecht. Thor viel op zijn knieën en ving Reece op. Hij hield hem in zijn armen, vastbesloten om hem te redden. “Reece!” riep hij verslagen van schuld. Thor drukte zijn handpalm tegen de wond en probeerde het bloeden te stoppen. Maar het bloed liep door zijn vingers en hij voelde hoe het leven van Reece uit hem vloeide terwijl hij hem in zijn armen hield. Elden, Matus, Indra en Engel renden naar voren, zij waren ook eindelijk bevrijd van hun gekte en ze kwamen om hem heen staan. Thor sloot zijn ogen en bad met alles wat hij had dat zijn vriend terug zou komen, dat hij, Thor, één kans zou krijgen om zijn fout te herstellen. Thor hoorde voetstappen en hij zag Selese aan komen rennen. Haar huid was bleker dan hij ooit had gezien, haar ogen gloeiden met een licht dat niet van deze wereld was. Ze viel voor Reece op haar knieën en nam hem in haar armen. Toen er een gloed om haar heen verscheen, liet Thor hem los. Hij herinnerde zich haar krachten als heler. Selese keek naar Thor en haar ogen brandden krachtig. “Alleen jij kan hem redden,” zei ze dringend. “Leg nu je hand op zijn wond!” beval ze. Thor legde een handpalm op de borst van Reece en Selese legde haar hand bovenop die van hem. Hij kon de hitte en kracht door haar handpalm voelen lopen, door zijn hand heen, de wond van Reece in. Ze sloot haar ogen en begon te neuriën. Thor voelde een golf van hitte in het lichaam van zijn vriend opkomen. Hij bad uit alle macht dat zijn vriend terug zou komen, dat hij vergeven zou worden voor wat voor gekte hem ook tot deze daad gedreven had. Tot grote opluchting van Thor opende Reece langzaam zijn ogen. Hij knipperde, keek naar de lucht en ging toen langzaam zitten. Thor keek verbaasd terwijl Reece een paar keer knipperde en naar zijn wond keek: het was helemaal geheeld. Thor was sprakeloos en overmand met ontzag voor de krachten van Selese. “Mijn broeder!” schreeuwde Thorgrin. Hij reikte uit en omhelsde hem. Reece was gedesoriënteerd en omhelsde hem rustig terug terwijl Thor hem overeind hielp. “Je leeft!” riep Thor uit. Hij durfde het nauwelijks te geloven en sloeg hem op zijn schouder. Thor dacht aan alle gevechten die ze samen meegemaakt hadden, alle avonturen, en hij kon de gedachte om hem te verliezen niet verdragen. “En waarom zou ik dat niet zijn?” Reece knipperde verbaasd. Hij keek om zich heen naar de verbaasde gezichten van het Legioen en hij leek in de war. De anderen stapten naar voren en omhelsden hem, één voor één. Terwijl de anderen naar voren stapten, keek Thor om zich heen en nam de schade op. Plotseling besefte hij met afschuw dat er iemand miste: O’Connor. Thor rende naar de zijreling en zocht panisch het water af. Hij herinnerde zich dat O’Connor op het hoogtepunt van zijn gekte van het schip gesprongen was, de razende stroming in. “O’Connor!” riep hij. De anderen kwamen naast hem staan en zochten ook het water af. Thor staarde naar beneden en rekte zijn nek uit om de Straat weer in te kijken, naar het razende rode water, dik van bloed – toen zag hij O’Connor, om zich heen maaiend. Hij werd recht naar de grens van de Straat gezogen. Thor verspilde geen tijd; hij reageerde instinctief en sprong op de reling. Hij dook over de rand, zo de zee in. Eenmaal onder, geschokken door de hitte ervan, voelde Thor hoe dik het water was, alsof hij door bloed zwom. Het water was zo warm, dat het net was alsof hij in modder zwom. Het kostte Thor alle kracht om door het stroperige water te zwemmen, terug naar het oppervlak. Hij richtte zijn blik op O’Connor, die begon te zinken en hij kon de paniek in zijn ogen zien. Hij zag ook dat, toen O’Connor de grens overkwam naar de open zee, de gekte hem verliet. Maar terwijl hij om zich heen maaide, begon hij te zinken. Thor wist dat als hij hem niet snel zou bereiken, hij naar de bodem van de Straat zou zakken en nooit meer gevonden worden. Thor verdubbelde zijn inspanningen, hij zwom uit alle macht, hij zwom door de intense pijn en vermoeidheid die hij in zijn schouders voelde heen. Maar net toen hij dichterbij kwam, begon O’Connor onder water te verdwijnen. Thor voelde een stoot adrenaline door zich heen stromen toen hij zijn vriend onder het oppervlak zag verdwijnen. Hij wist dat het nu of nooit was. Hij schoot naar voren, dook onder water en schopte fel. Hij zwom onder water, deed met moeite zijn ogen open en keek door het dikke vloeistof door; hij kon er niet doorheen kijken. Het prikte te erg. Thor sloot zijn ogen en ging op zijn gevoel af. Hij riep een diep deel van zichzelf op die kon zien zonder te kijken. Met nog een laatste wanhopige trap, reikte Thor naar voren en taste het water af. Hij voelde iets: een mouw. Hij greep O’Connor en hield hem stevig vast, verbaasd over zijn gewicht terwijl hij zonk. Thor trok terwijl hij zich omdraaide en met al zijn macht richtte hij zich weer op het oppervlak. Hij had zoveel pijn, iedere spier in zijn lichaam protesteerde, terwijl hij schopte en naar vrijheid zwom. Het water was zo dik en zorgde voor zoveel druk, dat zijn longen aanvoelden alsof ze konden barsten. Met iedere slag van zijn hand, had hij het gevoel alsof hij de wereld voorttrok. Net toen hij dacht dat hij het nooit zou halen, dat hij samen met O’Connor terug naar de diepten zonk en in deze afschuwelijke plek zou sterven, kwam Thor plotseling boven het oppervlak uit. Happend naar lucht keek hij om zich heen en zag opgelucht dat ze aan de andere kant van de Straten van Waanzin boven water waren gekomen, in het open water. Hij zag O’Connor’s hoofd boven water komen en zag hoe hij ook naar adem hapte. Zijn opluchting was compleet. Thor keek toe hoe de gekte bij zijn vriend verdween en de helderheid langzaam weer in zijn ogen terugkeerde. O’Connor knipperde een paar keer, hoestend en het water uitspugend, en keek toen vragend Thor aan. “Wat doen we hier?” vroeg hij verward. “Waar zijn we?” “Thorgrin!” riep een stem. Thor hoorde een plons in het water en zag een stevig touw naast hem in het water terecht komen. Hij keek omhoog en zag Engel bij de reling van het schip staan, samen met de anderen. Ze waren teruggevaren om ze tegemoet te komen. Thor greep het touw, greep O’Connor met zijn andere hand en het touw kwam in beweging. Elden had het met zijn grote kracht vast en trok ze beiden langs de romp omhoog. De anderen van het Legioen hielpen en trokken, één ruk tegelijk, totdat Thor voelde hoe hij door de lucht omhoog getrokken werd en, eindelijk, over de reling heen. Ze landden allebei met een plof op het dek. Thor was uitgeput en buiten adem. Hij hoestte zeewater op en lag languit naast O’Connor op het dek; O’Connor draaide zich om en keek hem aan, hij was net zo uitgeput. Thor kon de dankbaarheid in zijn ogen zien, hij zag dat O’Connor hem bedankte. Woorden waren niet nodig – Thor begreep het. Ze hadden een stille code. Ze waren Legioen broeders. Zich voor elkaar opofferen was wat ze deden. Het was waar ze voor leefden. Plotseling begon O’Connor te lachen. Eerst maakte Thor zich ongerust, zich afvragend of de gekte nog over hem heen hing. Maar toen realiseerde hij zich dat O’Connor in orde was. Hij was gewoon weer zichzelf. Hij lachte uit opluchting, hij lachte van vreugde dat hij nog leefde. De anderen van het Legioen stapten naar voren en grepen O’Connor en Thor en trokken ze overeind. Ze sloegen hun handen ineen, omhelsden elkaar. Hun schip was eindelijk in rustig water gekomen. Thor keek voor zich uit en zag opgelucht dat ze verder en verder van de Straten afvoeren. De helderheid was weer over hen heen gekomen. Ze hadden het gehaald; ze waren door de Straten gekomen, ofschoon het tegen een grote prijs was. Thor dacht niet dat ze het nog een keer er doorheen zouden halen. “Daar!” riep Matus. Thor draaide zich met de anderen om en volgde zijn vinger toen hij wees – en hij was verbijsterd bij het aanzicht. Er lag een compleet nieuw panorama voor hem aan de horizon, een nieuw landschap in dit Land van Bloed. Het was een landschap dat dik van duisternis was, donkere wolken hingen laag aan de horizon en het water was nog steeds dik van het bloed – maar nu was de omtrek van de kust dichterbij, zichtbaarder. Het was zwart, zonder enig teken van bomen of leven. Het zag er als as en modder uit. Thor’s hartslag versnelde toen hij daar voorbij, in de verte, een zwart kasteel zag. Het leek erop alsof het van aarde en as en modder gemaakt was, opkomend vanuit de grond alsof het er één mee was. Thor voelde hoe het kwaad er vanaf straalde. Een smal kanaal leidde naar het kasteel, langs de waterweg stonden fakkels en het werd door een ophaalbrug geblokkeerd. Thor zag in de ramen van het kasteel fakkels branden en hij voelde met zekerheid, met zijn hele hart, dat Guwayne in dat kasteel was, op hem wachtend. “Volle zeilen!” riep Thor. Hij had zichzelf weer onder controle, hij voelde een hernieuwd gevoel van doel. Zijn broeders kwamen in actie, ze hezen de zeilen en ze pakten de sterke bries van achteren op en werden naar voren geleid. Voor het eerst sinds ze dit Land van Bloed waren binnen gekomen, voelde Thor optimisme en had hij het gevoel dat hij zijn zoon echt kon vinden en hem hier vandaan redden. “Ik ben blij dat je leeft,” klonk een stem. Thor draaide zich om en zag Engel naar hem glimlachen, ze sjorde aan zijn shirt. Hij glimlachte, knielde naast haar neer en knuffelde haar. “En ik ben blij dat jij ook leeft,” antwoordde hij. “Ik begrijp niet wat er gebeurde,” zei ze. “Het ene moment was ik mijzelf en het volgende…het was net alsof ik mezelf niet meer kende.” Thor schudde langzaam zijn hoofd en probeerde het te vergeten. “Gekte is de ergste vijand van alle,” antwoordde hij. “Wij, wijzelf, zijn de enige vijand die we niet kunnen verslaan.” Ze fronste bezorgd. “Zal het ooit nog een keer gebeuren?” vroeg ze. “Is er nog zoiets als dat op deze plek?” vroeg ze en de angst klonk in haar stem terwijl ze de horizon bekeek. Thor bekeek het ook en vroeg zich hetzelfde af – toen, tot zijn grote schrik, kwam het antwoord maar al te snel op ze af. Er was een enorm gespetter, alsof er een walvis naar het oppervlak kwam, en Thor zag met verbazing het meest afschrikwekkende wezen ooit boven water komen. Het leek net een reusachtige octopus van vijftien meter hoog. Het was fel rood, de kleur van bloed, en het doemde over het schip heen terwijl het uit het water schoot. De eindeloze tentakels waren vijf meter lang en tientallen daarvan verspreidden zich naar alle kanten. De kralige, gele ogen keken dreigend op ze neer, vol met woede, en de enorme bek, compleet met scherpe gele hoektanden, opende zich met een misselijkmakend geluid. Het wezen blokkeerde het licht dat de duistere luchten nog doorlieten en het krijste een onaards geluid terwijl het recht op ze afkwam. De tentakels waren uitgespreid, het was klaar om het schip in zijn geheel te pakken. Thor keek bang toe, terwijl de schaduw over hem en de anderen heen viel. Hij wist dat ze van de ene zekere dood in de andere vielen. HOOFDSTUK TWEE De Keizerlijke aanvoerder sloeg zijn zerta telkens weer terwijl hij door de Grote Woestenij galoppeerde. Hij volgde al dagenlang het spoor wat over de woestijngrond liep. Zijn mannen volgden hem, hijgend en stonden op het punt van instorten. Hij had ze de hele tijd dat ze reden geen moment rust gegeven – zelfs ’s nachts niet. Hij wist hoe je zerta’s moest voortjagen – en hij wist ook hoe je mannen moest voortjagen. Hij kende geen genade voor zichzelf en al helemaal niet voor zijn mannen. Hij wilde dat ze niet vatbaar voor uitputting, hitte en kou zouden zijn – helemaal als ze op een heilige missie als deze waren. Tenslotte, als dit spoor echt leidde naar waar hij naartoe hoopte – naar de legendarische Bergrug – zou dit het lot van het Keizerrijk kunnen veranderen. De aanvoerder zette zijn hielen in de rug van de zerta totdat het krijste, hij dwong het nog sneller te gaan, totdat het bijna over zijn eigen benen struikelde. Hij kneep zijn ogen tegen de zon in en onderzocht het spoor terwijl ze doorgingen. Hij had al veel sporen in zijn leven gevolgd en veel mensen aan het einde ervan gedood – maar hij had nog nooit een spoor gevolgd wat zo boeiend als deze was. Hij voelde dat de grootste ontdekking in de geschiedenis van het Keizerrijk heel dichtbij was. Zijn naam zou herdacht worden, er zou generaties lang over gezongen worden. Ze beklommen een bergrug in de woestijn en hij hoorde in de verte een geluid, als een storm die in de woestijn woedde; bovenop de top aangekomen keek hij voor zich uit en verwachtte een zandstorm hun kant op te zien komen. Maar geschokt zag hij honderd meter voor zich in plaats daarvan een vaste muur van zand, het steeg recht omhoog vanuit de grond de lucht in. Het draaide en woelde, het was net een tornado. Hij stopte met zijn mannen naast zich en hij keek nieuwsgierig toe. Het leek niet te bewegen. Hij begreep het niet. Het was een muur van razend zand, maar het kwam niet dichterbij. Hij vroeg zich af wat er aan de andere kant lag. Hij voelde dat het de Bergrug zou zijn. “Je spoor eindigt hier,” zei één van zijn soldaten honend. “We komen nooit door die muur heen,” zei een ander. “Je hebt ons alleen maar naar nog meer zand geleid,” zei een ander. De aanvoerder schudde langzaam zijn hoofd en keek ze fronsend en stellig aan. “En wat als er een land aan de andere kant van dat zand ligt?” reageerde hij. “De andere kant?” vroeg een soldaat. “Je bent gek. Het is niets anders dan een stofwolk, een eindeloze verkwisting, net als de rest van deze woestijn.” “Geef je fout toe,” zei een andere soldaat. “Ga nu terug – zo niet, dan zullen wij zonder jou terugkeren.” De aanvoerder draaide zich om en keek zijn soldaten aan, hij was geschokt door hun brutaliteit – en hij zag minachting en rebellie in hun ogen. Hij wist dat hij snel moest handelen als hij dit wilde onderdrukken. In een vlaag plotselinge woede, greep de aanvoerder een dolk uit zijn riem en zwaaide het in één enkele beweging naar achteren. Het groef zich in de keel van een soldaat. De soldaat hijgde, viel achterover van zijn zerta af en kwam op de grond terecht. Een verse bloedplas spreidde zich over de woestijngrond uit. Binnen enkele seconden verscheen er een zwerm insekten uit het niets, ze bedekten zijn lichaam en aten het op. De andere soldaten keken hun aanvoerder nu angstig aan. “Is er nog iemand die mijn bevel durft te trotseren?” vroeg hij. De mannen staarden nerveus terug, maar dit keer zei niemand iets. “Of de woestijn dood jullie,” zei hij, “of ik doe het. Het is jullie keuze.” De aanvoerder racete naar voren, hield zijn hoofd laag en schreeuwde een strijdkreet terwijl hij recht op de zandmuur af galoppeerde. Hij wist dat het zijn dood kon betekenen. Hij wist ook dat zijn mannen hem zouden volgen en het volgende moment hoorde hij het geluid van hun zerta’s en hij lachte tevreden. Soms moesten ze gewoon in toom gehouden worden. Hij krijste toen hij de tornado van zand binnen ging. Hij had het gevoel alsof er kilo’s en kilo’s zand op hem drukte, het schuurde zijn huid aan alle kanten terwijl hij er steeds dieper in ging. Het geluid was zo hard, het klonk als duizenden horzels. Maar hij racete toch door, hij schopte zijn zerta en dwong het, zelfs terwijl het protesteerde, om er steeds dieper in te gaan. Hij kon het zand over zijn hoofd, ogen en gezicht voelen schrapen en hij had zelfs het gevoel alsof hij in stukken werd gescheurd. Maar hij bleef doorrijden. Net toen hij zich afvroeg of zijn mannen gelijk hadden, of deze muur naar niets leidde, of ze hier allemaal zouden sterven, stormde hij tot zijn grote opluchting, plotseling uit het zand. Hij was weer terug in het daglicht, geen zand wat hem schuurde, geen lawaai in zijn oren, niets anders dan de heldere hemel – waarvan hij nog nooit zo blij was geweest die te zien. Overal om hem heen stormden zijn mannen er ook uit. Ze zaten allemaal onder de schaafwonden en ze bloedden, net als hun zerta’s. Ze zagen er meer dood dan levend uit – maar ze leefden allemaal. En toen hij voor zich uit keek, ging het hart van de aanvoerder plotseling sneller slaan. Hij stopte ineens bij het verbazingwekkende uitzicht. Hij hapte naar adem terwijl hij het panorama in zich opnam en langzaam maar zeker zwol zijn hart met een gevoel van overwinning, van triomf op. Majestueuze pieken stegen recht omhoog en vormden een cirkel. Een plaats die maar één ding kon zijn: De Bergrug. Daar was het aan de horizon en het steeg de lucht in. Het was schitterend, groots en het strekte zich aan beide kanten tot het uit het zicht was uit. En boven aan de top, glinsterend in het zonlicht, zag hij verbaasd duizenden soldaten in glimmend harnas patrouilleren. Hij had het gevonden. Hij, en hij alleen, had het gevonden. Zijn mannen stopten abrupt naast hem en hij zag dat ze ook met ontzag en verbazing omhoog kijken. Hun monden stonden open en ze dachten allemaal hetzelfde: dit moment was geschiedenis. Ze zouden allemaal helden zijn, ze zouden generaties lang bekend staan in de boeken van het Keizerrijk. Met een brede glimlach draaide de aanvoerder zich om en keek zijn mannen aan. Ze bekeken hem nu aanbiddend aan. Toen trok hij aan zijn zerta en draaide het weer om. Hij bereidde zich voor om weer terug te rijden door de zandmuur – en de hele weg terug tot aan de Keizerlijke basis, zonder te stoppen. Hij zou aan de Ridders van de Zeven rapporteren wat hij persoonlijk ontdekt had. Hij wist dat binnen enkele dagen alle Keizerlijke machten naar deze plaats zouden afreizen en het zouden vernietigen. Ze zouden door deze zandmuur gaan, de Bergrug beklimmen en die ridders vermorzelen. Ze zouden het resterende vrije gebied van het Keizerrijk innemen. “Mannen,” zei hij, “onze tijd is gekomen. Bereid je voor om je naam in eeuwigheid gegraveerd te zien.” HOOFDSTUK DRIE Kendrick, Brandt, Atme, Koldo en Ludvig trokken door de Grote Woestenij, onder de opkomende zonnen van de dageraad van de woestijn. Ze liepen al de hele nacht, vastbesloten om de jonge Kaden te redden. Ze marcheerden somber en vervielen in een stil ritme. Ze hadden hun handen op hun wapens, tuurden naar de grond en volgden het spoor van de Zand Lopers. De honderden voetsporen leidden ze dieper en dieper het landschap van eenzaamheid in. Kendrick vroeg zich af of het ooit zou eindigen. Hij was verbaasd dat hij zich weer in deze situatie bevond, terug in de Woestenij waarvan hij had gezworen er nooit meer te komen – helemaal te voet, zonder paarden, zonder voorraden en geen weg terug. Ze hadden hun lot in handen van de andere ridders van de Bergrug gelegd, ze zouden met paarden naar ze terugkeren – maar als dat niet gebeurde, hadden ze een enkele reis in een zoektocht waarvan geen terugweg mogelijk was. Maar Kendrick wist dat dit heldendom was. Kaden, een prima jonge krijger met een groot hart, had edelmoedig de wacht gehouden. Terwijl hij op wacht stond was hij dapper de woestijn ingetrokken om zichzelf te bewijzen. En hij was door deze barbaarse beesten ontvoerd. Koldo en Ludvig konden hun jongere broer niet achterlaten, hoe klein de kans ook was – en Kendrick, Brandt en Atme konden hen weer niet laten vallen; hun plicht- en eergevoel dwong ze hiertoe. Deze goede ridders van de Bergrug hadden ze gastvrij en genadig opgenomen toen ze dit het hardste nodig hadden – maar eer was alles. “Vertel me over Kaden,” zei Kendrick tegen Koldo. Hij wilde de eentonigheid van de stilte verbreken. Koldo keek op, opgeschrokken uit de stilte, en zuchte. “Hij is één van de beste jonge krijgers die je ooit zal ontmoeten,” zei hij. “Zijn hart is groter dan zijn leeftijd. Hij wilde al een man zijn voor hij nog een jongen was, hij wilde een zwaard hanteren voordat hij er zelfs één kon vasthouden.” Hij schudde zijn hoofd. “Hij verbaast me niet doordat hij te ver is afgedwaalt, dat hij de eerste op een patrouille is. Hij schrok nergens voor terug – helemaal niet als hij anderen kon beschermen.” Ludvig viel in. “Als één van ons meegenomen was geworden,” zei hij, “zou onze kleine broer de eerste vrijwilliger zijn. Hij is de jongste en hij vertegenwoordigt wat het beste in ons is.” Kendrick had dit al gedacht toen hij met Kaden sprak. Hij had de krijgersgeest in hem herkend, zelfs op zijn jonge leeftijd. Kendrick wist, hij had altijd geweten, dat leeftijd niets te maken had met een krijger zijn: de krijgersgeest huisde in iemand of niet. De geest loog niet. Ze marcheerden lange tijd door en vervielen weer in hun stilte terwijl de zonnen hoger kwamen te staan, totdat Brandt uiteindelijk zijn keel schraapte. “En hoe zit het met die Zand Lopers?” vroeg Brandt aan Koldo. Koldo keek hem aan terwijl ze doorliepen. “Een gemene groep nomaden,” antwoordde hij. “Meer beest dan man. Ze staan erom bekend dat ze aan de buitenkant van de Zand Muur patrouilleren.” “Aaseters,” viel Ludvig in. “Ze staan erom bekend dat ze hun slachtoffers diep de woestijn intrekken.” “Waarheen?” Vroeg Atme. Koldo en Ludvig wisselden een onheilspellende blik uit. “Naar waar ze dan ook bij elkaar komen – waar ze een ritueel uitvoeren en ze in stukken scheuren.” Kendrick huiverde toen hij aan Kaden en het lot dat hem opwachtte dacht. “Dan is er geen tijd te verspillen,” zei Kendrick. “Zullen we rennen?” Ze keken elkaar allemaal aan. Ze kenden de grootsheid van deze plek en de lange ren die ze voor zich hadden – helemaal in de opkomende hitte en met hun uitrusting. Ze wisten allemaal hoe riskant het was om hun tempo niet aan te passen in dit meedogenloze landschap. Maar ze aarzelden niet en ze begonnen te rennen. Ze renden naar het niets en al snel liep het zweet langs hun gezichten. Ze wisten dat als ze Kaden niet snel zouden vinden, deze woestijn ze allemaal zou doden. * Kendrick hijgde terwijl hij rende. De tweede zon stond nu hoog aan de hemel, het licht was verblindend en de hitte verstikkend. Maar hij en de anderen renden door, ze hijgden allemaal, hun uitrusting kletterde terwijl ze renden. Zweet stroomde langs het gezicht van Kendrick en prikte zo hevig in zijn ogen dat hij amper kon zien. Toen zijn longen bijna barstten, wist hij niet dat hij zo erg naar zuurstof zou gaan snakken. Kendrick had nog nooit zoiets als de hitte van deze zonnen ervaren, zo intens, het voelde alsof de huid van zijn lichaam afbrandde. Ze zouden het niet veel verder redden in deze hitte, met dit tempo, wist Kendrick; ze zouden al snel hier neervallen, sterven en voer voor de insecten worden. Terwijl ze renden hoorde Kendrick inderdaad een verre kreet. Hij keek omhoog en zag de gieren cirkelen, zoals ze al uren deden, alsmaar lager. Ze waren altijd slimmer: ze wisten wanneer een verse dood op handen was. Terwijl Kendrick naar de voetsporen van de Zand Lopers tuurde, ze verdwenen nog steeds aan de horizon, kon hij niet bevatten dat ze zo snel zo ver waren gekomen. Hij hoopte alleen maar dat Kaden nog in leven was, dat dit alles niet voor niets was. Maar, ondanks zichzelf, kon hij het niet helpen zich af te vragen of ze hem ooit zouden bereiken. Het was net alsof ze voetsporen naar een terugtrekkende oceaan volgden. Kendrick wierp een blik om zich heen en zag de anderen ook voorovergebogen verder gaan. Ze strompelden meer dan dat ze renden en stonden nog nauwelijks overeind – maar ze waren allemaal net als hij vastbesloten om niet te stoppen. Kendrick wist – ze wisten het allemaal – dat als ze zouden stoppen, ze dood zouden zijn. Kendrick wilde de eentonigheid van de stilte doorbreken, maar hij was te moe om tegen de anderen te praten. Hij dwong zijn benen om door te gaan, ze voelden zo zwaar aan. Hij durfde zelfs zijn energie niet te gebruiken om naar de horizon te kijken. Hij wist dat hij niets zou zien, wist dat hij hier uiteindelijk zou sterven. Dus in plaats daarvan keek hij naar de grond, naar het spoor en hield zich vast aan het beetje dierbare energie wat hij nog over had. Kendrick hoorde een geluid en eerst dacht hij dat het zijn verbeelding was. Maar toen klonk het weer, een geluid in de verte, net als het gebrom van bijen. Dit keer dwong hij zichzelf om omhoog te kijken, wetende dat het stom was, dat er niets kon zijn, en hij was bang om hoop te hebben. Maar dit keer bonkte zijn hart van opwinding bij het aanzicht. Misschien maar honderd meter voor ze was een samenkomst van Zand Lopers. Kendrick porde de anderen en ze keken ook op. Ze schrokken uit hun gemijmer op en ze zagen het allemaal met een schok. De strijd was daar. Kendrick greep zijn wapen en de anderen ook, hij kreeg de bekende stoot adrenaline. De Zand Lopers, tientallen, draaiden zich om en kregen ze in de gaten. Zij waren ook voorbereid en keken ze aan. Ze krijsten en kwamen op ze af rennen. Kendrick hief zijn zwaard hoog en schreeuwde een luide strijdkreet. Hij was er klaar voor om ten minste zijn vijanden te doden – of te sterven.. HOOFDSTUK VIER Gwendolyn liep statig door de hoofdstad van de Bergrug met Krohn aan haar zijde. Steffen volgde haar en haar gedachten tolden terwijl ze over de woorden van Argon nadacht. Aan de ene kant was ze blij dat hij hersteld was, weer zichzelf was – maar zijn noodlottige voorspelling bleef als een vloek in haar hoofd hangen, als een bel die haar dood aankondigde. Zijn onheilspellende, cryptische verklaringen klonken alsof ze niet voor altijd bij Thor zou zijn. Gwen vocht tegen haar tranen toen ze snel liep, ze had een doel en ging naar de toren. Ze probeerde zijn woorden uit te bannen en weigerde voorspellingen haar leven te laten beheersen. Zo was ze altijd geweest en ze had het nodig om sterk te blijven. De toekomst mocht dan wel al geschreven zijn, maar ze had het gevoel dat het kon veranderen. Ze had het gevoel dat het lot kneedbaar was. Men moest het alleen graag genoeg willen, bereid zijn om genoeg op te geven – wat de prijs ook was. Dit was zo een tijd. Gwen weigerde pertinent om Thorgrin en Guwayne uit haar vingers te laten glippen en ze was vastberaden. Ze zou haar lot trotseren, ongeacht de prijs, opofferen wat het universum ook van haar eiste. Ze zou onder geen beding leven zonder ooit weer Thor of Guwayne te zien. Alsof hij haar gedachten kon lezen, jankte Krohn bij haar benen. Hij wreef tegen haar aan terwijl ze door de straten liep. Gwen schrok uit haar gedachten wakker, ze keek op en zag de opdoemende toren voor haar. Het was rood, rond, steeg recht omhoog in het centrum van de stad en ze herinnerde het zich: de sekte. Ze had de Koning beloofd dat ze de toren zou ingaan en zijn zoon en dochter uit de greep van de sekte zou proberen te redden. Ze zou de leider met de oeroude boeken confronteren, de geheimen die ze verborgen die de Bergrug van vernietiging kon redden. Gwen’s hart bonkte toen ze de toren naderde; ze verwachtte de confrontatie. Ze wilde de Koning en de Bergrug helpen, maar ze wilde vooral daar buiten zijn. Ze wilde naar Thor en Guwayne zoeken voordat het te laat voor ze was. Ze wenste dat ze een draak aan haar zijde had, zoals ze gewend was; als Ralibar nu maar terug kwam en haar ver over de wereld bracht, weg van hier. Ver weg van de problemen van het Keizerrijk en terug naar de andere kant van de wereld, weer naar Thorgrin en Guwayne. Als ze allemaal maar naar de Ring konden terugkeren en leven zoals ze eens deden. Maar ze wist dat dit kinderachtige dromen waren. De Ring was vernietigd en de Bergrug was alles wat ze had. Ze moest de realiteit onder ogen zien en doen wat ze kon om deze plek te redden. “Mijn vrouwe, mag ik u de toren in begeleiden?” Gwen draaide zich naar de stem om en schrok uit haar gemijmer wakker. Ze was opgelucht om haar oude vriend Steffen aan haar zijde te zien met één hand op zijn zwaard. Hij liep beschermend naast haar, zoals altijd gretig om haar te bewaken. Ze wist dat hij de meest loyale adviseur was die ze had. Ze dacht aan hoe lang hij al bij haar was en voelde een vlaag van dankbaarheid. Toen Gwen voor de ophaalbrug die naar de toren leidde stopte, keek hij er wantrouwig naar. “Ik vertrouw deze plek niet,” zei hij. Ze legde een geruststellende hand op zijn pols. “Je bent een echte en loyale vriend, Steffen,” antwoordde ze. “Ik waardeer je vriendschap en je loyaliteit, maar dit is iets wat ik alleen moet doen. Ik moet uitzoeken wat ik kan en als je meegaat worden ze achterdochtig. Trouwens,” voegde ze toe toen Krohn jankte, “ik heb Krohn.” Gwen keek naar beneden, zag Krohn verwachtingsvol naar haar kijken en ze knikte terug. Steffen knikte. “Ik zal hier op je wachten,” zei hij, “en als er moeilijkheden binnen zijn, kom ik je halen.” “Als ik in die toren niet vindt wat ik nodig heb,” antwoordde ze, “ben ik bang dat er nog grotere moeilijkheden onze kant op komen.” * Gwen liep langzaam over de ophaalbrug, Krohn liep naast haar. Haar voetstappen echoden op het hout en ze stak het vriendelijk kabbelend water onder haar over. Langs de hele brug stonden tientallen monniken. Ze stonden er oplettend en stil bij, ze droegen scharlaken gewaden, hun handen erin verborgen en hun ogen waren gesloten. Het waren vreemde bewakers, ongewapend, ongelooflijk gehoorzaam en ze stonden al enorm lang op wacht. Gwen verbaasde zich over hun immense loyaliteit en toewijding aan hun leider en ze besefte dat het was zoals de Koning gezegd had: ze vereerden hem als een god. Ze vroeg zich af waar ze zich mee inliet. Terwijl ze naderbij kwam, keek Gwen naar de enorme, gewelfde deuren die voor haar opdoemden. Het was van oeroud eiken gemaakt, gekerfd met symbolen die ze niet begreep en ze keek verwonderd toe hoe een aantal monniken naar voren stapten en ze open trokken. Ze kraakten en legden een somber interieur alleen door fakkels verlicht bloot. Een koele bries kwam haar tegemoet en rook licht naar wierook. Krohn verstijfde naast haar en gromde. Gwen liep naar binnen en hoorde de deuren achter haar dichtslaan. Het geluid galmde binnen en Gwen had even nodig om zich te oriënteren. Het was donker, de muren werden alleen door fakkels en het gefilterde zonlicht wat door de glas-in-lood ramen viel verlicht. De lucht voelde heilig aan, stil, en ze had het gevoel alsof ze een kerk binnen liep. Gwen keek omhoog en zag dat de toren spiraalsgewijs steeds maar hoger liep. Het had geleidelijke, ronde hellingen die naar de verdiepingen gingen. Er waren geen ramen en de muren echoden het vage geluid van gezang. De wierook hing zwaar in de lucht en monniken verschenen en verdwenen, ze liepen de kamers in en uit alsof ze in trance waren. Sommigen waaierden met wierook en anderen zongen, terwijl weer anderen stil waren, in gedachten verloren. Gwen verbaasde zich nog meer over de cultuur van deze sekte. “Heeft mijn vader je gestuurd?” klonk een stem. Gwen schrok, draaide zich om en zag een paar meter verderop een man staan. Hij droeg een lang, scharlaken gewaad en glimlachte vriendelijk naar haar. Ze kon bijna niet geloven hoeveel hij op zijn vader, de Koning, leek. “Ik wist dat hij vroeg of laat iemand hierheen zou sturen,” zei Kristof. “Zijn pogingen om mij weer onder zijn hoede te nemen zijn eindeloos.” Alsjeblieft, kom,” wenkte hij, hij draaide zich om en gebaarde met zijn hand. Gwen liep naast hem door een stenen, gewelfde gang. Ze gingen geleidelijk en cirkelend de helling op naar de hogere niveaus van de toren. Gwen was overrompeld; ze had een gekke monnik verwacht, een religieuze fanatiekeling, en was verrast om een charmant en vriendelijk iemand tegen te komen en die duidelijk niet gek was. Kristof leek niet op de verloren, krankzinnige persoon waar zijn vader hem voor uitmaakte. “Je vader vraagt naar je,” zei ze tenslotte. Ze verbrak de stilte nadat ze een monnik, hij hield zijn ogen op de grond gericht, die de helling afliep passeerden. “Hij wil dat ik je naar huis breng.” Kristof schudde zijn hoofd. “Dat is het punt met mijn vader,” zei hij. “Hij denkt dat hij het enige, echte thuis in de wereld heeft gevonden. Maar ik heb iets geleerd,” voegde hij eraan toe en keek haar aan. “Er is veel echt thuis in deze wereld.” Hij zuchtte terwijl ze doorliepen. Gwen wilde hem de ruimte geven en niet teveel aandringen. “Mijn vader zal nooit accepteren wie ik ben,” voegde hij tenslotte toe. “Hij zal het nooit leren. Hij blijft in zijn oude, beperkte geloof steken – en hij wil ze aan mij opdringen. Maar ik ben niet zoals hem – en hij zal dat nooit accepteren.” “Mis je jouw familie niet?” vroeg Gwen. Ze was verrast dat hij zijn leven in deze toren doorbracht. “Ja,” antwoordde hij eerlijk tot haar verbazing. “Heel erg. Mijn familie betekent alles voor me – maar mijn spirituele roeping betekent meer. Mijn thuis is nu hier,” zei hij en sloeg een hoek om terwijl Gwen hem volgde. “Ik dien nu Eldof. Hij is mijn zon. Als je hem kent,” zei hij en staarde naar Gwen met een intensiteit die haar bang maakte, “zou hij ook die van jou zijn.” Gwen keek weg, ze vond de fanatieke blik in zijn ogen niet leuk. “Ik dien niemand behalve mijzelf,” antwoordde ze. Hij glimlachte naar haar. “Misschien is dat de bron van al jouw aardse zorgen,” antwoordde hij. “Niemand kan in een wereld waar ze een ander niet dienen leven. Ook nu dien je iemand anders.” Gwen staarde hem argwanend aan. “Hoe bedoel je?” vroeg ze. “Zelfs als je denkt dat je jezelf dient,” antwoordde hij, “wordt je misleid. De persoon die je dient is niet jezelf, maar meer de persoon waar je ouders je in gevormd hebben. Het zijn je ouders die je dient – en al hun oude geloven die door hun ouders zijn doorgegeven. Wanneer ben je dapper genoeg om hun geloven van je af te schudden en jezelf te dienen?” Gwen fronste, ze geloofde zijn filosofie niet. “En wiens geloof moet ik dan aannemen?” vroeg ze. “Die van Eldof?” Hij schudde zijn hoofd. “Eldof is alleen maar een verbinding,” antwoordde hij. “Hij helpt je om wie je was van je af te schudden. Hij helpt je met het vinden naar je echte ik, alles wat je moet zijn. Dat is wie je moet dienen. Dat is wie je nooit zal ontdekken, totdat je valse ik vrij is gelaten. Dat is wat Eldof doet: hij bevrijd ons allemaal.” Gwendolyn keek naar zijn glimmende ogen en zag hoe toegewijd hij was – en die toewijding maakte haar bang. Ze zag meteen dat hij niet voor rede vatbaar was, dat hij deze plek nooit zou verlaten. Het web dat deze Eldof gesponnen had om al deze mensen te lokken en ze hier vast te houden was eng – een goedkope filosofie met een klein beetje logica. Gwen wilde niet nog meer horen; het was een web die ze absoluut wilde vermijden. Gwen draaide zich om en liep verder. Ze schudde zijn woorden met een huivering van zich af en liep verder de helling op. Ze cirkelde de toren op en ging geleidelijk hoger en hoger, waar het ook was waar het ze heen leidde. Kristof kwam weer naast haar. “Ik ben niet gekomen om de verdiensten van jouw sekte te bespreken,” zei Gwen. “Ik kan jou er niet van overtuigen om naar je vader terug te keren. Ik had beloofd het je te vragen en dat heb ik gedaan. Als je jouw familie niet waardeert, kan ik je het ook niet aanleren. Kristof keek haar ernstig aan. “En denk je dat mijn vader familie waardeert?” vroeg hij. “Heel erg,” antwoordde ze. “Tenminste, van wat ik ervan kan zien.” Kristof schudde zijn hoofd. “Ik wil je iets laten zien.” Kristof pakte haar bij de elleboog en leidde haar door een andere gang aan de linkerkant. Hij ging daarna een lange trap op en stopte voor een dikke, eiken deur. Hij keek haar betekenisvol aan en deed de deur open. Er zaten ijzeren tralies. Gwen stond daar nieuwsgierig en nerveus om te zien wat hij haar dan ook wilde laten zien – toen keek ze door de tralies. Ze zag met afschuw een jong, mooi meisje alleen in de cel zitten. Ze staarde uit het raam en haar lange haren hingen voor haar gezicht. Alhoewel haar ogen wagenwijd open stonden, leek ze geen aandacht aan hun aanwezigheid te schenken. “Dit is hoeveel mijn vader om familie geeft,” zei Kristof. Gwen keek hem nieuwsgierig aan. “Zijn familie?” vroeg Gwen verbouwereerd. Kristof knikte. “Kathryn. Zijn jongste dochter. Degene die hij voor de wereld verborgen houdt. Ze is hierheen verbannen, naar deze cel. Waarom? Omdat ze geraakt is. Omdat ze niet perfect is, net als hem. Omdat hij zich voor haar schaamt.” Gwen werd stil. Ze voelde een knoop in haar maag toen ze verdrietig naar het meisje keek, ze wilde haar helpen. Ze begon aan de Koning te twijfelen en vroeg zich af of er enige waarheid zat in de woorden van Kristof. “Eldof waardeert familie,” ging Kristof verder. “Hij zou nooit één van zijn eigen verlaten. Hij waardeert onze echte ik. Niemand wordt hier uit schaamte weggestuurd. Dat is de schaduwzijde van trots. En degenen die geraakt zijn, zijn het meest dichtbij hun echte ik.” Kristof zuchtte. “Als je Eldof ontmoet,” zei hij, “zal je het begrijpen. Er is niemand zoals hem, er zal ook nooit iemand zoals hem zijn.” Gwen kon het fanatisme in zijn ogen zien, zag hoe hij in deze plek verloren was, deze sekte, en ze wist dat hij te ver heen was om ooit weer naar de Koning terug te keren. Ze keek weer en zag de dochter van de Koning zitten. Ze werd overspoeld met verdriet voor haar, voor deze hele plek, voor deze uit elkaar gevallen familie. Haar perfecte beeld van de Bergrug, van de perfecte koninklijke familie, viel uiteen. Deze plek had, net als ieder andere, zijn eigen donkere plekjes. Er was hier een stille strijd gaande en het was een strijd tussen geloven. Het was een strijd waarvan Gwen wist die ze niet kon winnen en ze had er ook geen tijd voor. Gwen dacht aan haar eigen verlaten familie en ze voelde de immense drang om haar man en zoon te redden. Haar hoofd tolde op deze plek, de wierook hing dik in de lucht en het gebrek aan ramen desoriënteerde haar. Ze wilde pakken wat ze nodig had en weggaan. Ze probeerde zich te herinneren waarom ze hier gekomen was en toen kwam het allemaal weer bij haar terug: de Bergrug redden, zoals ze het de Koning beloofd had. “Jouw vader denkt dat deze toren een geheim bewaart,” zei Gwen en kwam ter zake, “een geheim wat de Bergrug kan redden, jouw mensen kan redden.” Kristof glimlachte en kruiste zijn vingers. “Mijn vader en zijn geloven,” antwoordde hij. Gwen fronste haar wenkbrauwen. “Zeg je dat het niet waar is?” vroeg ze. “Dat er geen oeroud boek is?” Hij pauzeerde, keek de andere kant op, toen zuchtte hij diep en bleef lange tijd stil. Eindelijk ging hij door. “Wat er aan jou geopenbaard moet worden en wanneer,” zei hij, “dat weet ik niet. Alleen Eldof kan jouw vragen beantwoorden.” Gwen kreeg een dringend gevoel. “Kan je mij naar hem toebrengen?” Kristof glimlachte, draaide zich om en begon de gang door te lopen. “Natuurlijk,” zei hij. Hij liep snel en was al ver weg. “Als een mot naar een vlam.” HOOFDSTUK VIJF Stara stond op het hachelijk platform. Ze probeerde niet naar beneden te kijken terwijl ze alsmaar hoger de lucht in werd gehesen. Ze zag met iedere ruk aan het touw het panorama zich uitweiden. Het platform ging hoger en hoger langs de rand van de Bergrug en Stara stond daar met bonkend hart en vermomd. De kap was ver over haar gezicht getrokken en zweet liep langs haar rug toen ze de woestijnhitte voelde opkomen. Het was benauwd op deze hoogte en de dag was nauwelijks aangebroken. Overal om haar heen was het eeuwig durende geluid van touwen en katrollen, wielen die kraakten, terwijl de soldaten trokken en trokken. Geen van hen had door wie ze was. Zodra het stopte en alles stil werd, stond ze aan de top van de Bergrug – het enige geluid wat ze hoorde was het huilen van de wind. Het uitzicht was overweldigend en ze had het gevoel alsof ze aan de top van de wereld stond. Het bracht herinneringen naar boven. Stara dacht aan de tijd dat ze voor het eerst bij de Bergrug aankwam, zo uit de Grote Woestenij, met Gwendolyn, Kendrick en alle andere achterblijvers. De meesten waren meer dood dan levend. Ze wist dat ze geluk had dat ze het overleefd had en eerst was het zicht van de Bergrug een geweldig geschenk geweest, een zicht van verlossing. Maar nu hier was ze, klaar om te vertrekken, om de Bergrug nogmaals af te dalen aan de andere kant. Om terug te gaan naar de Grote Woestenij, terug naar wat een zekere dood zou zijn. Naast haar steigerde haar paard, de hoeven klakten op het holle platform. Ze reikte uit en aaide geruststellend de manen. Dit paard zou haar redding zijn, haar ticket hier vandaan. Het zou haar terugreis door de Grote Woestenij anders maken dan de vorige keer. “Ik herinner me geen bevelen van onze aanvoerder over dit bezoek,” klonk de commanderende stem van een soldaat. Stara stond helemaal stil, wetende dat ze het over haar hadden. “Dan neem ik het met jouw aanvoerder zelf op – en met mijn neef, de Koning,” antwoordde Fithe zelfverzekerd. Hij stond naast haar en hij klonk overtuigend. Stara wist dat hij loog en ze wist wat hij voor haar riskeerde – en ze was hem daar eeuwig dankbaar voor. Fithe had haar verbaasd dat hij zich aan zijn woord hield, dat hij alles deed wat in zijn macht lag, zoals hij had beloofd, om haar te helpen de Bergrug te verlaten. Om haar te helpen met een kans om Reece te vinden, de man die ze liefhad. Reece. Stara`s hart brak toen ze aan hem dacht. Ze zou deze plek verlaten, hoe veilig het ook was. Ze zou de Grote Woestenij oversteken, oceanen oversteken, de wereld oversteken. Alleen maar voor deze ene kans om hem te vertellen hoeveel ze van hem hield. Hoeveel Stara het ook tegenstond om Fithe in gevaar te brengen, ze had dit nodig. Ze had het nodig om alles op alles te zetten om die ene te vinden die ze liefhad. Ze kon niet veilig in de Bergrug blijven, hoe prachtig en rijk en veilig het ook was, totdat ze herenigd was met Reece. De ijzeren poorten op het platform gingen krakend open en Fithe pakte haar bij de arm. Hij begeleidde haar, terwijl ze haar kap laag droeg. Haar vermomming werkte. Ze stapten van het houten platform af en op het harde stenen plateau bovenop de Bergrug. Een huilende wind trok erover heen en was sterk genoeg om haar bijna omver te blazen. Ze greep de manen van het paard vast, haar hart bonkte terwijl ze opkeek en de enorme uitgestrektheid zag, de krankzinnigheid van wat ze van plan was. “Hou je hoofd laag en je kap ook,” fluisterde Fithe dringend. “Als ze zien dat je een meisje bent, dan weten ze dat je hier niet boven hoort te zijn. Ze zullen je terugsturen. Wacht tot we de andere kant van de Bergrug bereiken. Er is daar nog een platform die je aan de andere kant naar beneden brengt. Het zal jou meenemen – alleen jou.” Stara begon sneller te ademen terwijl ze allebei het brede stenen plateau overstaken. Ze passeerden ridders, liepen snel en Stara hield haar hoofd naar beneden, weg van de priemende ogen van de soldaten. Eindelijk stopten ze en hij fluisterde: “Oké. Kijk maar voor je.” Stara trok haar kap naar achteren. Haar haar was bezweet en ze duizelde bij het uitzicht: twee enorme, schitterende zonnen, nog steeds rood, stegen op in de schitterende woestijn ochtend. De lucht was gevuld met miljoenen tinten roze en paars. Het leek op de dageraad van de wereld. Terwijl ze keek, zag ze de hele Grote Woestenij voor zich uitgespreid liggen. Het leek tot aan het einde van de wereld door te lopen. In de verte was de razende Zand Muur en ondanks zichzelf, keek ze recht naar beneden. Ze dacht aan haar hoogtevrees en wenste meteen dat ze het niet gedaan had. Beneden zag ze de steile val, helemaal tot aan de basis van de Bergrug. En voor haar lag een eenzaam platform, leeg, wachtend op haar. Stara draaide zich om en keek naar Fithe, hij keek betekenisvol terug. “Weet je het zeker?” vroeg hij zachtjes. Ze kon zijn angst voor haar in zijn ogen zien. Stara voelde een steek van bezorgdheid, maar toen dacht ze aan Reece en ze knikte zonder twijfel. Hij knikte vriendelijk naar haar terug. “Dank je,” zei ze. “Ik weet niet hoe ik je ooit kan terugbetalen.” Hij glimlachte terug. “Vind de man die je liefheb,” antwoordde hij. “Als ik het niet kan zijn, dan tenminste iemand anders.” Hij pakte haar hand, kuste het, boog, draaide zich om en liep langzaam weg. Stara zag hem weggaan, haar hart was vol dankbaarheid. Als ze niet zoveel van Reece had gehouden, misschien zou hij dan een man zijn waar ze van kon houden. Stara draaide zich om, zette zich schrap en pakte de manen van het paard. Ze nam de eerste noodlottige stap op het platform. Ze probeerde niet naar de Grote Woestenij te kijken, naar de reis die voor haar lag en bijna zeker haar dood zou betekenen. Maar ze deed het. De touwen kraakten, het platform zwaaide en de soldaten lieten de touwen zakken. Centimer voor centimeter begon ze af te dalen, helemaal alleen, het niets in. Reece, dacht ze, ik kan sterven. Maar ik zal de wereld voor je oversteken. HOOFDSTUK ZES Erec stond aan de boeg van het schip. Alistair en Strom stonden naast hem en ze tuurden naar het woelige water van de Keizerlijke rivier. Hij keek toen de razende stroming het schip naar links stuurde, weg van het kanaal dat hem naar Volusia, Gwendolyn en de anderen zou hebben geleid – en hij voelde zich verscheurd. Hij wilde natuurlijk Gwendolyn redden; maar hij had ook zijn heilige belofte aan de bevrijdde dorpelingen te vervullen, om hun aangrenzende dorp te bevrijden en het dichtbij gelegen Keizerlijke garnizoen weg te vagen. Als hij het niet zou doen, zouden de Keizerlijke soldaten uiteindelijk de bevrijdde mannen doden en alle pogingen van Erec om ze te bevrijden zouden voor niets zijn geweest. Hun dorp zou weer terug in de handen van het Keizerrijk zijn. Erec keek op en bestudeerde de horizon. Hij was zich erg bewust van het feit dat ze elke seconde, elke windvlaag, elke slag van de riemen, verder weg van Gwendolyn raakten, van zijn oorspronkelijke missie; maar hij wist dat men soms een omleiding van de missie moest maken om het meest eerbare en goede te doen. Hij besefte zich dat de missie niet altijd was wat je dacht dat het was. Soms veranderde het steeds; soms was het een zijsprong naast wat uiteindelijk de echte missie was. Maar Erec besloot voor zichzelf om het Keizerlijk garnizoen zo snel mogelijk te verslaan en weer stroomopwaarts richting Volusia verder zou gaan. Om Gwendolyn te redden voordat het te laat was. “Heer!” riep een stem. Erec keek omhoog en zag één van zijn soldaten, hoog boven in de mast, naar de horizon wijzen. Hij draaide zich om en toen hun schip om de bocht in de rivier ging en de stroming steviger werd, schrok Erec toen hij een Keizerlijk fort zag. Het wemelde van de soldaten en het stond aan de rand van de rivier. Het was een mistroostig, vierkant gebouw, gebouwd van steen en laag op de grond. Er stonden overal Keizerlijke opzieners opgesteld – maar niemand keek naar de rivier. In plaats daarvan keken ze allemaal naar het slavendorp beneden, vol met slaven en allemaal onder dwang gehouden door Keizerlijke opzieners. De soldaten sloegen de dorpelingen meedogenloos. Ze martelden ze met harde arbeid op de straten, terwijl de soldaten boven neerkeken en erom lachten. Erec werd rood van verontwaardiging, hij werd ziedend door de onrechtvaardigheid. Hij was blij dat hij zijn mannen deze kant van de rivier op had geleid en was vastbesloten de dingen recht te zetten en ze het betaald te zetten. Het mocht dan een druppel op de gloeiende plaat van het Keizerrijk zijn, maar Erec wist dat men het niet moest onderschatten. Erec wist wat zelfs voor een paar mensen vrijheid betekende. Erec zag dat de kust vol met Keizerlijke schepen lag, nonchalant bewaakt, want niemand verwachtte een aanval. Natuurlijk deden ze dat niet: er waren geen vijandelijke strijdmachten in het Keizerrijk, niet één waar het enorme Keizerlijk leger bang voor hoefde te zijn. Behalve die van Erec. Erec wist dat, ondanks dat hij en zijn mannen in de minderheid waren, ze het voordeel van verrassing hadden. Als ze snel genoeg konden toeslaan, misschien konden zij ze dan allemaal verslaan. Erec draaide zich naar zijn mannen om en zag Strom naast hem staan, ongeduldig wachtend op zijn bevel. “Neem het bevel over het schip naast me,” beval Erec zijn jongere broer – en hij had de woorden nog niet uitgesproken of zijn broer kwam in actie. Hij rende over het dek, sprong over de reling op het schip naast ze, waar hij snel naar de boeg ging en het bevel overnam. Erec keerde zich naar zijn soldaten die rondom hem op zijn schip stonden te wachten op zijn aanwijzing. “Ik wil ze niet van onze aanwezigheid bewust maken,” zei hij. “We moeten zo dichtbij mogelijk komen. Boogschutters – sta klaar!” riep hij. “En jullie allemaal, pak je speren en kniel!” De soldaten namen hun posities in, laag hurkend langs de reling. Rijen en rijen van Erec’s soldaten waren opgesteld, ze hielden allemaal speren en bogen vast. Ze waren goed gedisciplineerd en wachtten geduldig op zijn bevel. De stroming werd sterker, Erec zag de Keizerlijke strijdmachten opdoemen en hij voelde de bekende aandrang: er hing een veldslag in de lucht. Ze kwamen steeds dichterbij, nu nog maar honderd meter er vandaan. Erec’s hart bonkte, hij hoopte dat ze nog niet ontdekt waren. Hij voelde het ongeduld van al zijn mannen die wachtten om aan te vallen. Ze moesten alleen maar binnen bereik komen en hij wist dat iedere slag van het water, iedere meter die ze kregen, van onschatbare waarde was. Ze hadden maar één kans met hun speren en pijlen en ze mochten niet misssen. Kom op, dacht Erec. Nog een klein beetje dichterbij. Erec’s hart zonk toen een Keizerlijke soldaat zich plotseling omdraaide en het water bekeek – en toen knipperde hij van verwarring. Hij stond op het punt ze te zien – en het was te vroeg. Ze waren nog niet binnen bereik. Naast hem zag Alistair het ook. Voordat Erec het bevel kon geven om de strijd vroeg te beginnen, ging ze plotseling staan. En met een serene, overtuigende blik hief ze haar rechter handpalm omhoog en er verscheen een gele bal in. Toen trok ze haar arm naar achteren en gooide het naar voren. Erec keek verbaast toen de lichtbol hoog boven ze in de lucht vloog en, als een regenboog, op ze neerkwam. Al snel verscheen er een mist, het vervaagde hun zicht en beschermde ze tegen Keizerlijke ogen. De Keizerlijke soldaat tuurde nu in de mist, hij was in de war en zag niets. Erec draaide zich om en glimlachte naar Alistair. Hij wist dat ze zonder haar weer verloren zouden zijn. Erec’s vloot zeilde door, nu compleet verstopt, en Erec keek Alistair dankbaar aan. “Jouw handpalm is sterker dan mijn zwaard, mijn vrouwe,” zei hij met een buiging. Ze glimlachte terug. “Het is nog steeds jouw veldslag om te winnen,” antwoordde ze. De wind droeg ze verder en de mist bleef bij ze. Erec zag dat zijn mannen niet konden wachten om hun pijlen af te schieten en om hun speren te gooien. Hij begreep het; zijn speer jeukte ook in zijn handpalm. “Nog niet,” fluisterde hij tegen zijn mannen. Toen de mist uiteen ging, zag Erec steeds meer Keizerlijke soldaten. Ze stonden op de vestingmuren. Hun gespierde ruggen glinsterden, ze hieven hun zwepen en sloegen de dorpelingen, het was zelfs vanaf hier te horen. Andere soldaten stonden naar de rivier te turen, ze waren duidelijk door de man die op wacht stond opgeroepen. Ze tuurden allemaal argwanend in de mist, alsof ze iets verwachtten. Erec was nu zo dichtbij, hun schepen waren er nauwelijks dertig meter vandaan en zijn hart klopte in zijn keel. De mist van Alistair begon op te klaren en hij wist dat het tijd was. “Boogschutters!” riep Erec. “Vuur!” Tientallen van zijn boogschutters die over zijn hele vloot verspreid waren, stonden op, richtten en vuurden. De lucht was gevuld met het geluid van pijlen die door de lucht vlogen – en de lucht werd met een wolk van dodelijke pijlpunten verduisterd. Ze vlogen hoog in een boog, draaiden toen naar beneden richting de Keizerlijke kust. Het volgende moment klonken kreten in de lucht, terwijl de wolk van dodelijke pijlen op de Keizerlijke soldaten neervielen. De strijd was begonnen. Hoorns schalden overal toen het Keizerlijk garnizoen gewaarschuwd was en zich verzamelden voor de verdediging. “SPEREN!” riep Erec. Strom stond als eerste en gooide zijn speer, een schitterende zilveren speer. Het floot met een enorme snelheid door de lucht en boorde zich in het hart van een verbouwereerde Keizerlijke aanvoerder. Erec draaide op zijn hielen, hij gooide zijn gouden speer en velde een Keizerlijke aanvoerder aan de andere kant van het fort. Langs zijn hele vloot deden zijn mannen mee, ze gooiden hun speren en velden de geschrokken Keizerlijke soldaten die amper de tijd hadden om zich te verzamelen. Tientallen vielen neer en Erec wist dat het eerste salvo een succes was; maar er waren nog honderden soldaten over en Erec’s schip stopte. Het raakte de kust ruw en de tijd voor man-tegen-man strijd was gekomen. “AANVALLEN!” riep hij. Erec trok zijn zwaard en sprong over de reling. Hij vloog door de lucht en viel zeker vijftien meter voor hij op de zanderige kust van het Keizerrijk landde. Zijn mannen volgden hem overal om hem heen, honderden. Ze renden over het strand naar het Keizerlijk fort en ontweken Keizerlijke pijlen en speren terwijl ze uit de mist tevoorschijn barstten. De Keizerlijke soldaten vielen ook aan en renden ze tegemoet. Erec zette zichzelf schrap toen een grote Keizerlijke soldaat krijsend op hem afkwam, hij hief zijn bijl op en zwaaide het zijdelings naar Erec’s hoofd. Erec dook, stak hem in zijn buik en rende door. De strijdreflexen namen het over en Erec stak een andere soldaat in het hart. Hij stapte opzij om een slag van een bijl van een ander te ontwijken, draaide rond en sneed hem over de borst. Een andere viel hem van achteren aan en, zonder zich om te draaien, gaf hij hem een elleboog in de nier, waardoor hij op zijn knieën viel. Erec rende door de gelederen van soldaten, sneller en vlugger en sterker dan wie dan ook op het veld. Hij leidde zijn mannen als één, ze sloegen hun weg door de Keizerlijke soldaten heen en gingen naar het fort. Het gevecht werd zwaar, man-tegen-man, en deze Keizerlijke soldaten die bijna twee keer zo groot waren, waren geduchte tegenstanders. Erec’s hart brak toen hij veel van zijn mannen neer zag gaan. Maar Erec was vastberaden. Hij bewoog als een bliksemschicht met Strom naast zich. Hij ontweek ze links en rechts. Hij ging als een demon die uit de hel was losgelaten op het strand tekeer. Al snel was het voorbij. Alles was stil op het zand, terwijl het strand rood kleurde. Het lag vol met lijken, de meeste van de lichamen waren van Keizerlijke soldaten. Maar toch waren teveel van de lichamen van zijn eigen mannen. Vol met razernij, bestormde Erec het fort, wat nog wemelde van de soldaten. Hij ging de stenen treden tegen de zijkant op met zijn mannen achter hem aan en kwam een soldaat die naar beneden rende tegen. Hij stak hem in het hart, vlak voor hij een dubbele-greep hamer op zijn hoofd neerliet. Erec stapte opzij en de soldaat rolde dood langs de treden naar beneden. Een andere soldaat verscheen en sloeg naar Erec voor hij kon reageren – en Strom stapte naar voren. Met een enorm gekletter en in een regen van vonken, blokkeerde hij de slag voor het zijn broer bereikte en gaf hem een elleboog met het heft van zijn zwaard. Hij viel gillend van de rand zijn dood tegemoet. Erec ging verder met de aanval. Hij nam vier treden tegelijk tot hij het bovenste niveau van het stenen fort bereikte. De tientallen Keizerlijke soldaten die nog op het bovenste niveau over waren, waren doodsbang. Ze zagen dat al hun broeders dood waren – en bij het aanzicht van Erec en zijn mannen die de bovenste niveaus bereikten, draaiden ze zich om en vluchtten. Ze renden aan de andere kant van het fort naar beneden, de dorpsstraten in – toen kregen ze een enorme verrassing: de dorpelingen waren nu aangemoedigd. Hun bange uitdrukkingen veranderden naar die van woede en als één stonden ze op. Ze keerden zich tegen hun Keizerlijke bewakers, grepen de zwepen uit hun handen en begonnen de vluchtende soldaten af te ranselen terwijl ze de andere kant op renden. De Keizerlijke soldaten hadden dit niet verwacht en één voor één vielen ze neer onder de aframmelingen van de slaven. De slaven bleven ze afranselen terwijl ze op de grond lagen, opnieuw en opnieuw en opnieuw. Totdat ze uiteindelijk niet meeer bewogen. Gerechtigheid was gedaan. Erec stond daar boven op het fort. Hij hijgde, zijn mannen stonden naast hem en hij nam in stilte de schade op. De strijd was over. Beneden duurde het nog even voor de overdonderende dorpelingen doorhadden wat er gebeurd was. Maar dat duurde niet lang. Eén voor één begonnen ze te juichen. Een enorm applaus steeg op, luider en luider, terwijl er pure vreugde op hun gezichten stond. Het was een applaus van vrijheid. Erec wist dat dit het allemaal waard maakte. Hij wist dat dit heldendom was. HOOFDSTUK ZEVEN Godfrey zat op de stenen vloer in de ondergrondse kamer van het paleis van Silis. Akorth, Fulton, Ario en Merek zaten naast hem, Dray lag aan zijn voeten en Silis en haar mannen zaten tegenover ze. Ze zaten er allemaal somber bij, met hun hoofden laag en hun handen over hun knieën geslagen. Ze wisten dat ze op een dodenwacht zaten. De kamer schudde van het gestamp boven, van de invasie van Volusia. Het geluid van de stad die geplunderd werd, galmde in hun oren. Ze zaten allemaal te wachten, terwijl de Ridders van de Zeven Volusia boven hun hoofden uiteen scheurde. Godfrey nam nog een grote slok uit zijn wijnzak, de laatste zak die nog in de stad over was, en hij probeerde de pijn te verdoven, de zekerheid van zijn naderende dood door de handen van het Keizerrijk. Hij staarde naar zijn voeten en vroeg zich af hoe het zo ver had kunnen komen. Manen geleden was hij veilig en geborgen binnen de Ring. Hij verdronk zijn leven, met geen andere zorgen dan welke taveerne en welk bordeel hij die avond zou gaan bezoeken. Nu was hij hier, aan de andere kant van de zee, in het Keizerrijk, onder de grond gevangen in een stad in puin. Hij had zijn eigen graf gegraven. Zijn hoofd duizelde en hij probeerde zijn hoofd leeg te maken, zich te concentreren. Hij voelde wat zijn vrienden nu dachten, hij kon het in de minachting van hun blikken zien: ze hadden nooit naar hem moeten luisteren. Ze hadden moeten ontsnappen toen ze nog een kans hadden. Als ze niet voor Silis waren terug gekomen, hadden ze de haven bereikt, aan boord van een schip gegaan en waren ze nu ver van Volusia vandaan. Godfrey probeerde troost te zoeken in het feit dat hij tenminste een gunst terug betaald had en het leven van deze vrouw had gered. Als hij haar niet op tijd had bereikt om haar te waarschuwen, zou ze zeker nog daarboven en dood zijn. Dat moest toch iets waard zijn. “En nu?” vroeg Akorth. Godfrey keerde zich om en zag dat hij beschuldigend keek, hij sprak de vraag uit die duidelijk in al hun gedachten was. Godfrey keek rond en speurde de kleine, duistere kamer af. De fakkels flikkerden en waren bijna uit. In een hoek lagen hun magere voorraden en een bierzak, het was alles wat ze nog hadden. Het was een dodenwake. Hij kon nog steeds het geluid van de oorlog boven horen, zelfs door deze dikke muren en hij vroeg zich af hoe lang ze deze invasie uit konden zitten. Uren? Dagen? Hoe lang zou het duren voordat de Ridders van de Zeven Volusia veroverd hadden? Zouden ze weggaan? “Ze zitten niet achter ons aan,” observeerde Godfrey. “Het is Keizerrijk tegen Keizerrijk. Ze hebben een vendetta tegen Volusia. Ze hebben geen probleem met ons.” Silis schudde haar hoofd. “Ze zullen deze plek bezetten,” zei ze somber, haar sterke stem sneed door de stilte. “De Ridders van de Zeven trekken zich nooit terug.” Ze werden allemaal stil. “Hoe lang kunnen we het hier beneden volhouden?” vroeg Merek. Silis schudde haar hoofd toen ze naar hun voorraden gluurde. “Misschien een week,” antwoordde ze. Plotseling klonk er een geweldig gedreun boven en Godfrey kromp ineen toen hij de grond onder zich voelde schudden. Silis sprong opgejaagd overeind, liep op en neer en bestudeerde het plafond terwijl stof er vanaf dwarrelde. Ze werden er allemaal door bedekt. Het klonk als een lawine van stenen boven hun hoofd en ze bekeek het als een bezorgde huiseigenaar. “Ze hebben mijn kasteel geschonden,”zei ze, meer tegen zichzelf dan tegen hen. Godfrey zag een gepijnigde blik in haar gezicht en hij herkende het als de blik van iemand die alles verliest wat ze heeft. Ze draaide zich om en keek Godfrey dankbaar aan. “Ik zou daar nu boven zijn als het niet dankzij jou was. Je hebt onze levens gered.” Godfrey zuchtte. “En waarvoor?” vroeg hij overstuur. “Wat heeft het voor nut gehad? Zodat we allemaal hier beneden kunnen sterven?” Silis keek beteuterd. “Als we hier blijven,” vroeg Merek, “zullen we dan allemaal sterven?” Silis keerde zich naar hem toe en knikte triest. “Ja,” antwoordde ze effen. “Niet vandaag of morgen, maar binnen een paar dagen, ja. Ze kunnen niet hier beneden komen – maar wij kunnen niet naar boven gaan. Onze voorraden zullen snel op zijn.” “En wat dan?” vroeg Ario en confronteerde haar. “Ben je van plan om hier beneden te sterven? Omdat ik dat niet ben.” Silis liep fronsend heen en weer en Godfrey zag haar lang en hard nadenken. Tenslotte stopte ze. “Er is een kans,” zei ze. “Het is riskant. Maar het kan werken.” Ze keek ze allemaal aan en Godfrey hield zijn adem van hoop en verwachting in. “In de dagen van mijn vader was er een ondergrondse doorgang onder het kasteel,” zei ze. “Het leidt door de kasteelmuren. We kunnen het vinden als het nog bestaat en ’s nachts weggaan, in de dekking van de nacht. We kunnen proberen om door de stad te komen, naar de haven. We kunnen één van mijn schepen nemen, als er nog één over is, en hier vandaan zeilen.” Er viel een lange, onzekere stilte in de kamer. “Riskant,” zei Merek tenslotte met een grafstem. “De stad wemelt van het Keizerrijk. Hoe komen we erdoor zonder gedood te worden?” Silis haalde haar schouders op. “Klopt,” antwoordde ze. “Als ze ons pakken, worden we gedood. Maar als we tevoorschijn komen zodra het donker genoeg is en iedereen die in de weg staat doden, zullen we misschien de haven bereiken.” “En als we die doorgang vinden en de haven bereiken en jouw schepen zijn daar niet?” vroeg Ario. Ze keek hem aan. “Geen enkel plan geeft zekerheid,” zei ze. “We kunnen daarbuiten sterven – en we kunnen hier beneden sterven.” “De dood komt ons allemaal halen,” viel Godfrey in. Hij had een nieuw doel terwijl hij daar stond en de anderen aankeek, hij voelde een wilskracht terwijl hij zijn angsten overwon. “Het is de vraag van hoe we willen sterven: hier beneden, zo laf als ratten? Of daar boven, met als doel onze vrijheid?” Langzaam, één voor één, stonden de anderen op. Ze keken hem aan en knikten plechtig terug. Op dat moment wist hij dat zich een plan gevormd had. Vannacht zouden ze ontsnappen. HOOFDSTUK ACHT Loti en Loc wandelden naast elkaar onder de brandende woestijnzon. Ze waren aan elkaar geketend, terwijl ze door de Keizerlijke opzieners naast hen met de zweep geslagen werden. Ze trokken door de woestenij en Loti vroeg zich weer af waarom haar broer ze had opgegeven voor deze gevaarlijke, rugbrekende klus. Was hij gek geworden? “Wat dacht je wel niet?” fluisterde ze tegen hem. Ze werden van achteren geduwd en Loc verloor zijn evenwicht en struikelde naar voren. Loti ving hem bij zijn goede arm op voordat hij viel. “Waarom heb je ons opgegeven?’ vroeg ze. “Kijk vooruit,” zei hij toen hij zijn evenwicht weer vond. “Wat zie je?” Loti keek vooruit en zag niets dan de eentonige woestijn die zich voor hen uitstrekte. Het was vol met slaven en de grond was hard van rotsen; daarachter zag ze een helling die naar een bergkam liep, waar tientallen meer slaven aan het werk waren. Overal waren opzieners, het geluid van zwepen hing zwaar in de lucht. “Ik zie niets,” antwoordde ze ongeduldig, “behalve meer van hetzelfde: slaven die zich dood werken.” Loti voelde plotseling een brandende pijn over haar rug, alsof haar huid eraf gescheurd werd, en ze gilde het uit terwijl ze over haar rug werd afgeranseld. De zweep sneed in haar huid. Ze draaide zich om en zag het dreigende gezicht van een opziener achter haar. “Mond houden!” commandeerde hij. Loti wilde huilen door de intense pijn, maar ze hield haar mond en liep verder naast Loc. Haar ketenen ratelden onder de zon. Ze maakte een belofte om al deze Keizerlijken zo snel als ze kon te doden. Ze liepen in stilte door, het enige geluid was dat van hun laarzen die op de rotsen kraakten. Uiteindelijk kwam Loc dichter naast haar lopen. “Het is niet wat je ziet,” fluisterde hij, “maar wat je niet ziet. Kijk goed. Daar boven, op de bergkam.” Ze bestudeerde het landschap, maar zag niets. “Er is maar één opziener daar boven. Eén. Voor twee dozijn slaven. Kijk achterom, in de vallei. Kijk hoeveel er daar zijn.” Loti gluurde stiekem over haar schouder. In de vallei die onder ze uitgespreid lag, zag ze tientallen opzieners op slaven die rotsen braken en het land bewerkten. Ze draaide zich om en keek weer naar de bergkam. Voor het eerste begreep ze wat haar broer in gedachten had. Er was niet alleen maar één opziener, maar beter nog, er stond een zerta naast hem. Een ontsnappingsmiddel. Ze was onder de indruk. Hij knikte ter bevestiging. “De bergtop is de gevaarlijkste klus,” fluisterde hij. “De heetste, de minst gewilde, zowel bij de slaven als bij de opzieners. Maar dat, mijn zuster, is een kans.” Loti werd plotseling in haar rug geschopt en ze struikelde met Loc naar voren. Ze gingen allebei weer rechtop staan en liepen verder de bergkam op. Loti hijgde en probeerde onder de opkomende hitte op adem te komen terwijl ze klommen. Maar toen ze dit keer omhoog keek, maakte haar hart een sprongetje van optimisme. Haar hart klopte sneller: eindelijk hadden ze een plan. Loti had nooit gedacht dat haar broer zo brutaal kon zijn, zo bereid zou zijn om een risico te nemen, om het Keizerrijk te trotseren. Maar nu ze naar hem keek kon ze de wanhoop in zijn ogen zien, zag ze dat hij uiteindelijk net als haar dacht. Ze zag hem in een nieuw daglicht en ze bewonderde hem er enorm om. Het was precies het soort plan dat zij bedacht zou kunnen hebben. “En hoe zit het met onze ketenen?” fluisterde ze terug, ze had zich verzekerd dat de opzieners niet keken. Loc gebaarde met zijn hoofd. “Het zadel,” antwoordde Loc. “Kijk goed.” Loti keek en zag het lange zwaard eraan bungelen; ze realiseerde zich dat ze het konden gebruiken om hun ketenen te verbreken. Ze konden daar vandaan ontsnappen. Met een optimistisch gevoel voor het eerst sinds ze gevangen waren, bekeek Loti de andere slaven boven aan de top zorgvuldig. Het waren allemaal gebroken mannen en vrouwen, ze stonden stom gebocheld over hun taken. Geen van hen had nog enige trots in hun ogen over; ze wist meteen dat ze van geen van hen hulp kon verwachten. Dat vond ze prima – ze had hun hulp niet nodig. Ze hadden maar één kans nodig en al deze andere slaven dienden als een afleiding. Loti voelde een laatste harde trap onder in haar rug. Ze struikelde naar voren en landde met haar gezicht in het vuil toen ze de top van de bergkam bereikten. Ze voelde hoe ze door ruwe handen overeind getrokken werd en ze draaide zich om en zag de opziener haar ruw een duw geven voordat hij zich omdraaide en terug naar beneden ging. Hij liet ze daar achter. “Ga in een rij staan!” riep een nieuwe opziener, de enige bovenop de bergkam. Loti voelde hoe zijn eeltige handen haar achter in de nek pakte en duwde; haar ketenen ratelden toen ze naar voren snelde, struikelend het werkveld in van de slaven. Ze kreeg een lange schoffel met een ijzeren einde en kreeg nog een laatste duw toen de Keizerlijke opziener wilde dat ze met de anderen aan het werk ging. Loti draaide zich om en zag hoe Loc haar een betekenisvolle knik gaf. Ze voelde het in haar aderen branden; ze wist dat het nu of nooit was. Loti gilde, hief de schoffel op, zwaaide het rond en bracht het uit alle macht neer. Ze schrok toen ze de dreun voelde, toen ze zag hoe het in de achterkant van het hoofd van de opziener boorde. Loti was zo snel omgedraaid en zo besluitvaardig, hij had het duidelijk nooit verwacht. Hij had niet eens tijd om te reageren. Geen enkele slaaf hier, omgeven door al deze opzieners en met geen kant op te gaan, zou ooit zo iets proberen. Loti voelde de trilling van de schoffel door haar handen en armen. Ze keek geschokt, daarna tevreden, toen de bewaker voorwaarts struikelde en viel. Met nog een brandende pijn in haar rug van de afranseling, voelde het als rechtvaardiging. Haar broer stapte naar voren, hief zijn schoffel hoog en de opziener begon te kronkelen. Hij bracht het recht op de achterkant van zijn hoofd neer. Eindelijk lag de opziener stil. Hijgend, bedekt in zweet, haar hart nog steeds bonkend, liet Loti de schoffel in ongeloof vallen. Het zat onder het bloed van de man en ze wisselde een blik met haar broer uit. Ze had het gedaan. Loti voelde de nieuwsgierige blikken van alle andere slaven rondom haar. Ze draaide zich om en zag dat ze allemaal met open mond staarden. Ze leunden op hun schoffels, stopten met werken en hadden een afschuwelijk blik van ongeloof. Loti wist dat ze geen tijd te verliezen hadden. Ze rende met Loc naast haar, aan elkaar vast geketend, naar de zerta. Ze pakte met beide handen het grootzwaard uit het zadel, hief het hoog en draaide. “Pas op!” riep ze naar Loc. Hij zette zichzelf schrap terwijl ze het uit alle macht omlaag bracht en hun ketenen doorsloeg. Het vonkte en ze voelde de tevreden vrijheid van hun ketenen die verbroken waren. Ze wilde weggaan toe ze een kreet hoorde. “En wij dan!?” riep een stem. Loti draaide zich om en zag de andere slaven eraan komen rennen met hun ketenen voor zich uit houdend. Ze zag de wachtende zerta en ze wist dat ze kostbare tijd verloor. Ze wilden naar het oosten zodra ze kon, naar Volusia, de laatste plek waarvan ze wist waar Darius heen was gegaan. Misschien zou ze hem daar vinden. Maar tegelijkertijd kon ze het niet uitstaan om haar broeders en zusters geketend te zien. Loti rende naar voren, door de menigte slaven en sloeg links en rechts ketenen door, totdat ze allemaal vrij waren. Ze wist niet waar ze heen zouden gaan nu ze vrij waren – maar ze hadden nu tenminste hun vrijheid om te doen wat ze wilden. Loti draaide zich om, steeg op de zerta en hield haar hand naar Loc uit. Hij gaf haar zijn goede hand en ze trok hem omhoog – toen gaf ze de zerta een flinke trap in de ribben. Toen ze wegreden, werd Loti vrolijk van haar vrijheid. Ze kon in de verte al het geschreeuw van de Keizerlijke opzieners horen, ze konden haar nog net zien. Maar ze wachtte niet. Ze leidde de zerta van de bergkam af, langs de tegenoverliggende helling. Zij en haar broer stormden de woestijn in, weg van de opzieners – naar de andere kant van vrijheid. HOOFDSTUK NEGEN Darius keek geschrokken op en staarde in de ogen van de mysterieuze man die over hem heen knielde. Zijn vader. Terwijl Darius in de ogen van de man staarde, verloor hij alle gevoel voor tijd en ruimte, zijn hele leven stond op dat moment stil. Alles viel ineens op zijn plaats: het gevoel dat Darius had vanaf het moment dat hij hem zag. Die bekende blik, wat in zijn onderbewustzijn verstopt zat, dat hem dwars zat vanaf hij hem had ontmoet. Zijn vader. Het woord leek niet eens echt. Daar zat hij, op zijn knieën over hem heen. Hij had zojuist het leven van Darius gered, had een dodelijke slag van de Keizerlijke soldaat geblokkeerd, één die Darius zeker gedood zou hebben. Hij had zijn leven geriskeerd door hier alleen te komen, op het moment dat Darius zou gaan sterven. Hij had het voor hem geriskeerd. Zijn zoon. Maar waarom? “Vader,” zei Darius met respect terug. Het was meer een gefluister. Darius voelde zich trots toen hij zich besefte dat hij verwant was aan deze man, deze uitmuntende krijger, de beste krijger die hij ooit had ontmoet. Hij kreeg het gevoel dat hij ook misschien een grote krijger zou kunnen zijn. Zijn vader greep Darius’s hand en het was een stevige, gespierde greep. Hij trok Darius overeind en Darius voelde zich als herboren. Hij had nu een reden om te vechten, een reden om door te gaan. Darius reikte onmiddellijk naar beneden, pakte zijn gevallen zwaard van de grond en draaide zich samen met zijn vader om. Ze gingen samen de confrontatie met de horde Keizerlijke soldaten aan. Nu die afgrijselijke wezens dood waren, zijn vader had ze allemaal gedood, klonken er hoorns en het Keizerrijk had een verse golf soldaten gestuurd. De menigte brulde en Darius keek naar de afgrijselijke gezichten van de Keizerlijke soldaten die met lange speren op ze afkwamen. Darius concentreerde zich en hij merkte dat de wereld langzamer ging toen hij zich voor de strijd van zijn leven voorbereidde. Een soldaat viel aan en gooide een speer naar zijn gezicht. Darius ontweek het vlak voor het zijn oog raakte; toen draaide hij rond en toen de soldaat hem naderde om hem onderuit te halen, sloeg Darius hem met het heft van zijn zwaard tegen zijn slaap aan. Hij viel op de grond. Darius dook toen een andere soldaat een zwaard op zijn hoofd af liet komen. Toen sprong hij naar voren en stak hem in de buik. Een andere soldaat viel hem van de zijkant aan met zijn speer op de ribben van Darius gericht. Hij bewoog te snel voor Darius om te reageren; maar hij hoorde het geluid van hout tegen metaal. Hij draaide zich dankbaar om en zag zijn vader verschijnen die zijn staf gebruikte om de speer te blokkeren voor het Darius raakte. Toen stapte hij naar voren en stak de staf tussen de ogen van de soldaat en sloeg hem tegen de grond. Zijn vader zwaaide met zijn staf en keek de groep aanvallers aan. Het geluid van zijn staf vulde de lucht terwijl hij de ene na de andere stoot van een speer wegsloeg. Zijn vader danste tussen de soldaten door, net een gazelle die door mannen dartelde. Hij hanteerde zijn staf als een schoonheid, hij tolde rond en raakte de soldaten vakkundig met goed geplaatste stoten in de keel, tussen de ogen, in het middenrif. Hij velde mannen overal om zich heen. Hij was net een bliksemschicht. Darius raakte gemotiveerd, hij vocht als een bezetene naast zijn vader en haalde er energie uit. Hij sloeg en dook en stak, zijn zwaard kletterde tegen de zwaarden van soldaten, vonken vlogen rond terwijl hij onbevreesd door de groep soldaten vorderde. Ze waren groter, maar Darius had meer daadkracht en hij, in tegenstelling tot hen, vocht voor zijn leven – en voor dat van zijn vader. Hij weerde meer dan één slag bedoeld voor zijn vader af en redde hem voor een onverwachte dood. Darius velde links en rechts soldaten. De laatste Keizerlijke soldaat kwam op Darius af. Hij hief zijn zwaard met beide handen hoog boven zijn hoofd – maar Darius sprong naar voren en stak hem in het hart. De ogen van de man opende zich wagenwijd terwijl hij bevroor en dood op de grond neerviel. Darius stond bij zijn vader, met hun ruggen tegen elkaar. Ze hijgden en bekeken hun arbeid. Overal om hen heen lagen dode Keizerlijke soldaten. Ze hadden gewonnen. Darius voelde dat hij, naast zijn vader, alles aankon wat er op hem afkwam; hij voelde dat ze samen een ondoordringbare kracht waren. Het voelde onwerkelijk aan dat hij echt aan de zijde van zijn vader vocht. Zijn vader, waarvan hij altijd gedroomd had dat het een grote krijger was. Zijn vader was uiteindelijk geen gewoon persoon. Er klonk een geschal van hoorns en de menigte juichte. Eerst hoopte Darius dat ze om zijn overwinning juichten, maar toen gingen er enorme ijzeren deuren aan de andere kant van de arena open en hij wist dat het ergste nog moest komen. Er klonk getrompetter, luider dan Darius ooit gehoord had. Het duurde even voor hij besefte dat het niet de trompet van een man was – maar van een olifant. Toen hij naar de poort keek, zijn hart klopte van verwachting, verschenen er plotseling tot zijn schrik twee olifanten. Ze waren helemaal zwart, met lange lichtgevende slagtanden en hun gezichten waren verwrongen van razernij terwijl ze achterover leunden en trompetterden. Het geluid liet de lucht trillen. Ze tilden hun voorpoten op en lieten het met een bonk vallen. Ze stampten zo hard dat de grond schudde, Darius en zijn vader verloren hun evenwicht. Er boven op zaten Keizerlijke soldaten met speren en zwaarden, ze waren van top tot teen in harnas gekleed. Toen Darius ze goed bekeek, deze beesten die groter waren dan wat hij ooit in zijn leven gezien had, wist hij dat zijn vader en hij op geen enkele manier konden winnen. Hij draaide zich om en zag zijn vader onbevreesd staan. Hij trok zich niet terug en staarde de dood gelaten in het gezicht. Het gaf Darius kracht. “We kunnen niet winnen, Vader,” zei Darius. Hij sprak het voor de hand liggende uit terwijl de olifanten aan hun aanval begonnen. “Dat hebben we al gedaan, mijn zoon,” zei zijn vader. “Door hier te staan en ze onder ogen te zien, door niet om te draaien en weg te rennen hebben we ze verslagen. Onze lichamen zullen hier vandaag misschien sterven, maar onze herinnering leeft voort – en het is er één van moed!” Zonder verdere woorden, schreeuwde zijn vader een kreet en begon aan te vallen. Darius was geïnspireerd, schreeuwde ook en viel naast hem aan. Ze renden samen de olifanten tegemoet, ze renden zo snel als ze konden. Ze twijfelden niet eens om de dood onder ogen te zien. Het moment van de botsing was niet was Darius had verwacht. Hij ontweek een speer toen de soldaat, boven op de olifant, het recht op hem af gooide. Toen hief hij zijn zwaard en sloeg naar de voet van de olifant toen het recht op hem afkwam. Darius wist niet hoe je een olifant moest neerslaan, of dat de slag ook maar enig effect had. Dat had het niet. De slag van Darius maakte nauwelijks een kras op zijn huid. Het kolossale beest, razend, liet zijn slagtanden zakken en zwaaide het opzij. Darius werd in de ribben geraakt. Darius vloog dertig meter door de lucht en de adem werd hem ontnomen. Hij landde op zijn rug en rolde in het stof. Hij rolde en rolde en probeerde op adem te komen terwijl hij het geschreeuw van de menige in de verte hoorde. Hij draaide zich om en probeerde zijn vader te zien. Hij maakte zich zorgen om hem. In zijn ooghoeken zag hij hoe hij een speer recht omhoog gooide en op het enorme oog van één van de olifanten richtte. Toen rolde hij opzij terwijl de olifant hem aanviel. Het was een perfecte worp. Het zette zich stevig in het oog vast. De olifant krijste en trompetterde, toen zakte het door de knieën en viel op de grond. Het rolde en nam de andere olifant in een enorme stofwolk met zich mee. Darius kroop overeind, geïnspireerd en vastbesloten. Hij richtte zich op één van de Keizerlijke soldaten die gevallen was en over de grond rolde. De soldaat kroop op zijn knieën, draaide zich om en, nog steeds met zijn speer in zijn handen, richtte op de rug van Darius’s vader. Zijn vader stond daar en verwachtte het niet. Darius wist dat hij ieder moment dood kon zijn. Darius kwam in actie. Hij viel de soldaat aan, hief zijn zwaard en sloeg de speer uit zijn hand – toen draaide hij rond en onthoofdde hem. De menigte juichte. Maar Darius had geen tijd om van zijn overwinning te genieten: hij hoorde een enorm gerommel. Hij draaide zich om en zag dat de andere olifant weer overeind stond – en zijn rijder – en recht op hem afkwam. Darius had geen tijd om weg te komen, hij lag op zijn rug en pakte de speer. Hij hield het recht omhoog toen de voet van de olifant neerkwam. Hij wachtte tot op het laatste moment en rolde opzij toen de olifant hem in de grond wilde stampen. Darius voelde de wind van de voet van de olifant die hem op een paar centimeter na miste. Toen hoorde hij een gekrijs en het geluid van een speer in vlees. Hij draaide zich om en zag dat de olifant op de speer gestapt was. De speer stond rechtop, helemaal door het vlees heen en kwam er aan de andere kant uit. De olifant bokte en krijste, hij rende in cirkels rond. De Keizerlijke soldaat die er bovenop zat verloor zijn evenwicht en viel zeker vijftien meter. Hij gilde toen hij naar zijn dood viel en door de val verpletterd werd. De olifant was nog steeds gek van razernij, hij zwaaide de andere kant op en sloeg Darius met zijn slurf, waardoor hij weer door de lucht vloog. Darius had het gevoel alsof al zijn ribben braken. Terwijl Darius op handen en knieën kroop en op adem probeerde te komen, keek hij op en zag zijn vader heroïsch met meerdere Keizerlijke soldaten vechten. Ze waren door de poorten gelaten om de anderen te helpen. Hij draaide en sloeg en stootte met zijn staf. Hij velde er meerdere in alle richtingen. De eerste olifant die gevallen was, de speer zat nog in het oog, kwam weer overeind. Hij werd door een andere Keizerlijke soldaat overeind geranseld met zijn zweep en sprong op de rug. Onder zijn leiding, bokte de olifant en kwam toen recht op de vader van Darius af. Die verwachtte niets en bleef met de soldaten doorvechten. Darius zag het gebeuren en hij stond er hulpeloos bij. Zijn vader was te ver weg en hij kon er niet op tijd komen. De tijd vertraagde toen hij de olifant recht op hem af zag gaan. “NEE!” gilde Darius. Darius keek met afschuw toe terwijl de olifant naar voren rende, recht op zijn nietsvermoedende vader af. Darius rende over het slagveld, haastend om hem te redden. Maar hij wist dat het nutteloos was, ook al rende hij. Het was alsof hij zijn wereld in slow motion uiteen zag vallen. De olifant liet zijn slagtanden zakken, viel aan en doorboorde zijn vader door zijn rug. Zijn vader gilde, het bloed stroomde uit zijn mond terwijl de olifant hem hoog in de lucht hief. Darius voelde het in zijn eigen hart toen hij zijn vader zag, de dapperste krijger die hij ooit gezien had, hoog in de lucht, doorboord door de slagtand en worstelend om vrij te komen. Zelfs terwijl hij stierf. “VADER!” gilde Darius. HOOFDSTUK TIEN Thorgrin stond aan de boeg van het schip. Hij greep het heft van zijn zwaard stevig vast en keek geschrokken en met afschuw naar het enorme zeemonster die uit de dieptes van het water opdook. Het had dezelfde kleur als de bloedzee en het steeg hoger en hoger op. Het wierp een schaduw over het weinige licht in dit Land van Bloed. Het opende zijn enorme kaken en liet tientallen rijen hoektanden zien. De tentakels waren overal, sommigen waren langer dan het schip, alsof het wezen uit de diepten van de hel uitreikte om ze een knuffel te geven. Toen dook het onder water, naar het schip om ze te verzwelgen. Naast Thorgrin stonden Reece, Selese, O’Connor, Indra, Matus, Elden en Engel met hun wapens. Ze bleven onbevreesd voor het beest staan. Thor’s wilskracht werd bevestigd door het trillen van het Zwaard des Doods in zijn hand en hij wist dat hij in actie moest komen. Hij moest Engel en de anderen beschermen en hij wist dat hij niet kon wachten totdat het beest voor hen zou komen. Thorgrin sprong naar voren, bovenop de reling, om het tegemoet te komen. Hij hief zijn zwaard hoog boven zijn hoofd en toen één van de tentakels zijn kant op kwam zwaaien, zwaaide hij het rond en hakte het eraf. De enorme afgehakte tentakel viel met een hol geluid op het schip. De boot schudde en toen gleed het over het dek totdat het tegen de reling aansloeg. De anderen twijfelden ook niet. O’Connor schoot een salvo pijlen naar de ogen van het beest, terwijl Reece een andere tentakel die op Selese afkwam eraf hakte. Elden gebruikte zijn bijl en hakte er twee in één slag af. Als één daalde het Legioen op dit beest neer, ze vielen het aan als een goed geoliede machine. Het beest krijste woedend, het had een aantal tentakels verloren en was met pijlen en speren doorboord. Het had duidelijk niet zo een gecoördineerde aanval verwacht. De eerste aanval hield op, het krijste nog luider uit frustratie. Toen schoot het hoog de lucht in en verdween zo snel onder het oppervlak, waardoor het grote golven veroorzaakte en het schip schommelend achterliet. Thor staarde verward naar de plotseling stilte en voor een moment dacht hij dat het zich misschien had teruggetrokken, dat ze het verslagen hadden, helemaal toen hij het bloed van het beest aan de oppervlakte zag. Maar toen kreeg hij een beklemmend gevoel, het was te stil, het ging te snel. Hij realiseerde zich te laat wat het beest van plan was. “HOU JE VAST!” riep Thor naar de anderen. Thor had de woorden nog niet gezegd of hij voelde hoe het schip uit het water opsteeg, hoger en hoger, tot het in de tentakels van het beest in de lucht was. Thor keek naar beneden en zag het beest eronder, de tentakels waren van boeg tot achtersteven om het schip gewikkeld. Hij zette zichzelf voor de komende klap schrap. Het beest gooide het schip weg en het vloog als een speeltje door de lucht. Ze probeerden zich allemaal voor hun leven vast te houden, totdat het eindelijk terug in de oceaan landde en heftig schommelde. Thor en de anderen verloren hun greep en gleden alle kanten uit over het dek. Ze sloegen tegen het hout aan terwijl het schip draaide en woelde. Thor zag Engel over het dek naar de reling glijden. Ze zou over de rand vallen, hij greep haar kleine hand en hiel haar stevig vast terwijl ze in paniek naar hem keek. Eindelijk kwam het schip weer uit zichzelf recht te liggen. Thor en de anderen kropen overeind en ze zetten zich schrap voor de volgende aanval. Al snel kwam het met volle snelheid en maaiende tentakels op ze af gezwommen. Het greep het schip aan alle kanten, de tentakels kropen over de rand en over het dek en kwamen recht op ze af. Thor hoorde een kreet, hij keek achterom en zag Selese met een tentakel om haar enkel heen. Ze gleed over het dek en werd overboord getrokken. Reece draaide rond en hakte de tentakel door, maar net zo snel werd Reece door een andere tentakel bij zijn arm gepakt. Steeds meer tentakels kropen over het schip en terwijl Thor er één aan zijn eigen bovenbeen voelde, keek hij rond en zal al zijn Legioen broeders wild zwaaien en tentakels doorhakken. Voor iedere tentakel die ze doorhakten, kwamen er twee tevoorschijn. Het hele schip was bedekt en Thor wist dat hij snel iets moest doen of ze zouden voorgoed onder getrokken worden. Hij hoorde hoog in de lucht gekrijs. Toen hij omhoog keek zag hij één van de demonische wezens uit de hel vrijgelaten die hoog boven zijn hoofd vloog. Het keek met een spottende blik terwijl het weg vloog. Hij sloot zijn ogen en wist dat dit één van zijn proeven was, één van de belangrijke momenten in zijn leven. Hij probeerde de wereld buiten te sluiten en zich op zijn innerlijke te concentreren, op zijn training. Op Argon. Op zijn moeder. Op zijn krachten. Hij was krachtiger dan het universum, dat wist hij. Hij had diep binnen in hem krachten, krachten die boven de fysieke wereld stonden. Dit wezen was van deze aarde – maar de krachten van Thor waren groter. Hij kon de krachten van de natuur oproepen, dezelfde krachten die dit beest gecreëerd hadden en het terug naar de hel waar het vandaan kwam sturen. Thor voelde hoe de wereld om hem heen vertraagde. Hij voelde een hitte in zijn handpalmen opkomen die zich over zijn armen en zijn schouders verspreidde en toen weer terug. Het prikte helemaal tot aan zijn vingertoppen. Thor opende zijn ogen en voelde zich onoverwinnelijk. Hij voelde een ongelofelijk kracht door hem heen gaan, de kracht van het universum. Thor strekte zich uit en legde zijn handpalm op de tentakel van het beest en toen hij dit deed, verschroeide het. Het beest trok het onmiddellijk van zijn bovenbeen weg, alsof het zich gebrand had. Thor stond als een hernieuwd man. Hij draaide zich om en zag de kop van het beest langs de rand van het schip omhoog komen, de kaken openen en klaar om ze allemaal te verzwelgen. Hij zag zijn Legioen broeders en zusters glijden, ze waren bijna over de rand heen getrokken. Thor slaakte een luide strijdkreet en viel het beest aan. Hij dook ernaar voor het de anderen kon bereiken, liet zijn zwaard voor wat het was en reikte naar voren met zijn brandende handpalmen. Hij greep het gezicht van het beest vast en legde zijn handpalmen erop. Hij voelde hoe ze het gezicht van het beest verbranden. Thor hield stevig vast terwijl het beest krijste en kronkelde, het probeerde zich uit zijn greep te bevrijden. Langzaam begon het beest met één tentakel tegelijk de grip op het schip los te laten en Thor voelde zijn kracht binnen in hem opstijgen. Hij greep het beest stevig vast en hief zijn beide handpalmen. Hij voelde het gewicht van het beest, hoger en hoger de lucht in. Al snel zweefde het boven de handpalmen van Thor en de kracht binnen in Thor hield het daar. Het beest vloog naar voren, over het schip heen. Het krijste en tuimelde door. Het vloog zeker dertig meter door de lucht, totdat het eindelijk slap werd. Het viel met een grote plons in de zee en zonk onder het oppervlak. Dood. Thor stond daar in de stilte, zijn hele lichaam was nog warm. Langzaam, één voor één, hergroepeerde de anderen zich, ze kwamen overeind en naast hem staan. Thor stond daar hijgend en versuft, uitkijkend over de zee van bloed. Daarachter, aan de horizon, lag het zwarte kasteel. Het doemde over dit land uit, de plaats waarvan hij wist dat het zijn zoon vasthield. De tijd was daar. Er was nu niets meer wat hem kon stoppen en het was eindelijk tijd om zijn zoon terug te halen. HOOFDSTUK ELF Volusia stond voor haar adviseurs in de straten van de Keizerlijke hoofdstad. Ze staarde geschokt naar spiegel in haar handen. Ze bestudeerde haar nieuwe gezicht vanuit iedere hoek – de helft nog steeds mooi en de andere helft mismaakt, weggesmolten – en ze voelde walging. Het feit dat de helft van haar schoonheid er nog was, maakte het op de een of andere manier nog erger. Ze besefte dat het makkelijker zou zijn als haar hele gezicht mismaakt was – dan zou ze zich niets meer kunnen herinneren van haar vorige uiterlijk. Volusia dacht aan haar adembenemende knappe uiterlijk, de bron van haar macht, die haar overal doorheen geleid had, die het haar mogelijk maakte om iedere man en vrouw te manipuleren, die mannen met een enkele blik op hun knieën liet vallen. Nu was dat allemaal weg. Nu was ze alleen maar een normaal zeventien jaar oud meisje – erger nog, een halve monster. Ze kon haar eigen gezicht niet meer zien. In een uitbarsting van woede en wanhoop gooide ze de spiegel op de grond en keek hoe het op de onberispelijke straten van de hoofdstad in stukken viel. Al haar adviseurs stonden er stil bij, ze keken de andere kant op en wisten beter dan op dit moment iets tegen haar te zeggen. Toen ze hun uitdrukking zag was het ook duidelijk voor haar dat niemand haar aan wilde kijken om de gruwel van wat nu haar gezicht was te zien. Volusia keek om zich heen naar de Volks, ze wilde ze uiteen scheuren – maar ze waren al weg. Ze waren verdwenen zodra ze die afschuwelijke vloek op haar gelegd hadden. Ze was gewaarschuwd dat ze niet met ze moest samenwerken en nu realiseerde ze zich dat alle waarschuwingen terecht waren. Ze had er zwaar de prijs voor betaald. Een prijs die niet terug gekeerd kon worden. Volusia wilde haar woede op iemand kwijt en haar blik viel op Brin, haar nieuwe aanvoerder. Het was een statige krijger die net een paar jaar ouder dan haar was en die haar manen lang het hof had gemaakt. Jong, lang, gespierd. Hij was adembenemend knap en zat zolang ze hem kende achter haar aan. Maar tot haar woede bekeek hij haar nu niet eens. “Jij,” siste Volusia naar hem en kon zichzelf nauwelijks onder controle houden. “Wil je niet eens meer naar me kijken?” Volusia bloosde toen hij opkeek, maar haar niet in de ogen wilde kijken. Ze wist dat dit nu haar lot was, voor de rest van haar leven bekeken te worden als een engerd. “Vind je me nu weerzinwekkend?” vroeg ze en haar stem brak van wanhoop. Hij liet zijn hoofd hangen, maar reageerde niet. “Goed dan,” zei ze tenslotte na een lange stilte, vastbesloten om wraak op iemand te nemen, “dan beveel ik je het volgende: je zal naar het gezicht staren van degene die je het meeste haat. Je zal aan mij bewijzen dat ik mooi ben. Je zal met me slapen.” De aanvoerder hief zijn hoofd en keek haar voor het eerst aan, met angst en afschuw. “Godin?” vroeg hij met krakende stem, bang en wetende dat hij dood zou zijn als hij haar bevel trotseerde. Volusia glimlachte breed, voor het eerst blij en realiseerde zich dat dit de perfecte wraak was: te slapen met de man die haar het meest weerzinwekkende vond. “Na jou,” zei ze en stapte opzij. Ze gebaarde hem naar haar kamer. * Volusia stond voor het grote, gewelfde open raam op de bovenste verdieping van het paleis van de Keizerlijke hoofdstad. En terwijl de vroege ochtendzonnen opkwamen en de gordijnen in haar gezicht bewogen, huilde ze stilletjes. Ze kon haar tranen langs de goede kant van haar gezicht voelen druppelen, maar niet aan de andere kant, de kant die weggesmolten was. Het was gevoelloos. Een licht gesnurk verbrak de stilte en Volusia keek over haar schouder. Ze zag Brin liggen, nog steeds in slaap. Zijn gezicht had een uitdrukking van walging, zelfs in zijn slaap. Hij haatte ieder moment dat hij met haar lag en dat had haar een klein beetje wraak gegeven. Maar ze voelde zich niet voldaan. Ze kon het niet op de Volks loslaten en ze wilde nog steeds vergelding. Het was een zwak stukje wraak, nauwelijks waar ze naar hunkerde. Uiteindelijk waren de Volks allemaal verdwenen, terwijl zij hier de volgende ochtend was. Nog steeds in leven, nog steeds met zichzelf opgezadeld, zoals ze de rest van haar leven zou zijn. Opgezadeld met dit uiterlijk, dit misvormd gezicht, die zelfs zij niet kon verdragen. Volusia veegde haar tranen weg en keek naar buiten, voorbij de stadsgrenzen, voorbij de stadsmuren, naar de horizon. Terwijl de zonnen opkwamen, zag ze een klein stukje van de legers van de Ridders van de Zeven, hun zwarte banieren waren over de horizon verspreid. Ze kampeerden daarbuiten en hun legers namen toe. Ze omsingelden haar langzaam, ze verzamelden miljoenen mannen uit alle hoeken van het Keizerrijk, ze bereidden zich voor om binnen binnen te vallen. Om haar te vermorzelen. Ze verwelkomde de confrontatie. Ze wist dat ze de Volks niet nodig had. Ze had niemand van haar mannen nodig. Ze kon ze zelf doden. Tenslotte was ze een godin. Ze had het rijk der stervelingen lang geleden verlaten en nu was ze een legende. Ze was een legende die niemand en geen enkel leger in de wereld kon tegenhouden. Ze zou ze zelf gaan begroeten en ze zou ze doden, voor altijd. Dan zou er eindelijk niemand meer zijn. Dan zouden haar krachten oppermachtig zijn. Volusia hoorde achter haar een geritsel en in haar ooghoeken zag ze een beweging. Ze zag Brin opstaan, hij sloeg de lakens van zich af en begon zich aan te kleden. Ze zag hem rondsluipen, zo voorzichtig mogelijk om stil te zijn en ze besefte dat hij uit haar kamer wilde wegglippen voor ze hem zag – zodat hij haar gezicht nooit meer hoefde te zien. Het voegde een belediging aan haar verwonding toe. “Oh, Aanvoerder,” riep ze terloops uit. Ze zag hem uit angst bevriezen; hij keerde zich om en keek haar schoorvoetend aan. Ze glimlachte terug en martelde hem met de monsterlijkheid van haar gesmolten lippen. “Kom hier, Aanvoerder,” zei ze. “Voordat je weggaat is er iets dat ik je wil laten zien.” Hij draaide zich langzaam om en liep de kamer door totdat hij bij haar was. Hij stond daar en keek naar buiten, hij keek overal heen behalve naar haar gezicht. “Heb je niet één lief afscheidskusje voor jouw Godin?” vroeg ze. Ze zag hem heel lichtjes ineen krimpen en ze voelde de woede in haar opkomen. “Geeft niets,” voegde ze met een donkere uitdrukking toe. “Maar er is in ieder geval iets wat ik je wil laten zien. Kijk maar. Zie je dat daar, aan de horizon? Kijk goed. Vertel me wat je daar beneden ziet.” Hij stapte naar voren en ze legde een hand op zijn schouder. Hij leunde voorover en bestudeerde de horizon en ze zag dat hij verward zijn wenkbrauwen fronste. “Ik zie niets, Godin. Niets bijzonders.” Volusia glimlachte. Ze voelde het oude wraakzuchtige gevoel in haar opstijgen, de oude behoefte naar geweld, naar wreedheid. “Kijk nog eens goed, Aanvoerder,” zei ze. Hij leunde nog een beetje verder naar voren en in één snelle beweging greep Volusia zijn shirt van achteren vast. Met alle kracht gooide ze hem met zijn hoofd eerst het raam uit. Brin gilde terwijl hij om zich heen maaide en door de lucht vloog. Hij viel dertig meter naar beneden, totdat hij tenslotte met zijn gezicht op de straten belandde, hij was meteen dood. De dreun weerkaatste in de anders zo stille straten. Volusia glimlachte breed, bekeek zijn lichaam en kreeg eindelijk een gevoel van wraak. “Je bent het zelf,” antwoordde ze. “Wie is nu de minst afschrikwekkende van ons?” HOOFDSTUK TWAALF Gwendolyn wandelde door de verduisterde gangen van de toren van de Licht Zoekers. Krohn liep aan haar zijde en ze liepen langzaam de cirkelvormige helling langs de zijkant van het gebouw op. Langs het pad waren fakkels en sekte aanbidders, ze stonden stil en alert met hun handen in hun gewaden verstopt. Gwen’s nieuwsgierigheid groeide terwijl ze verder omhoog ging. De zoon van de Koning, Kristof, had haar na hun ontmoeting halverwege gebracht. Daarna keerde hij zich om en ging naar beneden. Hij instrueerde haar dat ze de reis alleen moest afmaken om Eldof te zien, dat ze hem alleen onder ogen moest zien. Zoals ze over hem spraken, het was net alsof hij een god was. Zacht gezang en zwaar wierook vulde de lucht terwijl Gwen de geleidelijk oplopende helling opliep. Ze vroeg zich af welk geheim Eldof bewaakte. Zou hij haar ooit de kennis geven die ze nodig had om de Koning en de Bergrug te redden? Zou het haar ooit lukken om de familie van de Koning van deze plek te halen? Toen Gwen een hoek omsloeg, opende de toren zich plotseling en ze hijgde bij het uitzicht. Ze ging een enorme kamer in met een dertig meter hoog plafond, langs de muren tot aan het plafond waren glas-in-lood ramen. Een gedimd licht stroomde er doorheen, scharlaken, paars en roze en het gaf de kamer een etherische kwaliteit. En wat het helemaal onwerkelijk maakte was dat er één man alleen in deze enorme plek zat, in het midden van de kamer. De lichtstralen vielen op hem neer alsof ze hem en alleen hem verlichten. Eldof. Gwen’s hart bonkte toen ze hem daar aan het einde van de kamer zag zitten, als een god die uit de hemel was komen vallen. Hij zat daar met zijn handen in zijn glimmende, gouden mantel gevouwen. Zijn hoofd was kaal en hij zat op een grote en schitterende troon, ingesneden met ivoor. Er stonden aan beide zijden fakkels en op de helling er naar toe, het verlichtte de kamer. Deze kamer, die troon, de helling er naar toe – het was nog indrukwekkender dan bij een Koning. Ze wist meteen waarom de Koning zich door zijn aanwezigheid, deze sekte, deze toren bedreigd voelde. Het was ontworpen om te ontzag en nederigheid af te dwingen. Hij wenkte haar niet, noch erkende hij haar aanwezigheid. En Gwen wist niet wat ze moest doen. Ze begon het lange, gouden voetpad af te lopen naar zijn troon. Terwijl ze liep zag ze dat hij hier toch niet alleen was, want in de schaduwen stonden rijen aanbidders in een verborgen. Hun ogen waren gesloten, hun handen waren in hun mantels weggestopt en ze stonden langs de helling. Ze vroeg zich af hoeveel duizenden volgers hij had. Ze stopte tenslotte een paar meter voor zijn troon en keek op. Hij keek terug met ogen die oeroud leken, ijzig blauw en gloeiend. En hoewel hij op haar neer glimlachte, hadden zijn ogen geen warmte. Ze waren hypnotiserend. Het deed haar aan de aanwezigheid van Argon denken. Ze wist niet wat ze moest zeggen terwijl hij op haar neer staarde; ze had het gevoel alsof hij in haar ziel staarde. Ze stond daar in de stilte en wachtte tot hij klaar was, naast haar voelde ze hoe Krohn verstijfde. Hij was net zo gespannen. “Gwendolyn van het Westelijk Koninkrijk van de Ring, dochter van Koning MacGil, laatste hoop voor de redding van haar mensen – en onze,” verkondigde hij langzaam, alsof hij uit een of ander oeroud script las. Zijn stem klonk dieper dan ze ooit had gehoord, het klonk alsof het van de stenen afgalmde. Zijn ogen boorden zich in die van haar en zijn stem was hypnotisch. Terwijl ze erin staarde, verloor ze alle gevoel van ruimte en tijd en plaats en nu al voelde Gwen hoe ze door zijn persoonlijkheid in deze sekte werd gezogen. Ze voelde zich in trance, alsof ze geen andere kant op kon kijken, zelfs als ze het probeerde. Ze had onmiddellijk het gevoel alsof hij het middelpunt van haar wereld was en ze begreep meteen waarom al deze mensen hem aanbaden en volgden. Gwen staarde terug en wist even niets te zeggen, iets wat bijna nooit gebeurde. Ze was nooit zo onder de indruk van heersers geweest – zij, die al voor vele Koningen en Koninginnen had gestaan; zij, die zelf een Koningin was; zij, de dochter van een Koning. Deze man had iets over zich, iets wat ze niet kon beschrijven en heel even was ze vergeten waarom ze gekomen was. Eindelijk werd het weer helder in haar hoofd en was ze in staat om te praten. “Ik ben gekomen,” begon ze, “omdat-” Hij lachte en onderbrak haar met een kort diep geluid. “Ik weet waarom je gekomen bent,” zei hij. “Ik wist het al voordat jij het zelfs wist. Ik wist van je komst naar deze plek – inderdaad. Ik wist het al voordat je de Grote Woestenij overstak. Ik wist van je vertrek uit de Ring, jouw reis naar de Bovenste Eilanden en van je reizen over de zee. Ik weet van je man, Thorgrin, en van je zoon, Guwayne. Ik heb je met grote interesse bekeken, Gwendolyn. Al eeuwen lang heb ik je bekeken.” Gwen kreeg rillingen bij zijn woorden, bij de vertrouwdheid van deze persoon die ze niet kende. Ze voelde een tinteling in haar armen, in haar rug en vroeg zich af hoe hij dit allemaal kon weten. Ze voelde meteen dat ze in zijn kring was, ze kon niet ontsnappen. Zelfs al zou ze het proberen. “Hoe weet je dit allemaal?” vroeg ze. Hij glimlachte. “Ik ben Eldof. Ik ben zowel het begin als het einde van kennis.” Hij stond op en ze schrok toen ze zag dat hij twee keer zo groot was als welke man dan ook. Hij kwam een stap dichterbij, de helling af en met zijn hypnotiserende ogen voelde Gwen dat ze in zijn aanwezigheid niet kon bewegen. Het was zo moeilijk om zich voor hem te concentreren, om eigen gedachten te hebben. Gwen dwong zichzelf om haar hoofd leeg te maken en om zich op de in aantocht zijnde zaken te concentreren. “Jouw Koning heeft je nodig,” zei ze. “De Bergrug heeft je nodig.” Hij lachte. “Mijn Koning?” echode hij met minachting. Gwen dwong zichzelf om aan te dringen. “Hij gelooft dat jij weet hoe de Bergrug gered kan worden. Hij gelooft dat jij een geheim voor hem houdt, één die deze plek en al deze mensen kan redden.” “Dat heb ik,” antwoordde hij effen. Gwen was onthutst door zijn onmiddellijk, eerlijk antwoord en wist nauwelijks wat ze moest zeggen. Ze had verwacht dat hij het zou ontkennen. “Heb je dat?” vroeg ze verbouwereerd. Hij glimlachte, maar zei niets. “Maar waarom?” vroeg ze. “Waarom deel je dit geheim niet?” “En waarom zou ik dat doen?” vroeg hij. “Waarom?” vroeg ze kortaf. “Om dit koninkrijk natuurlijk te redden, om deze mensen te redden.” “En waarom zou ik dat willen doen?” drong hij aan. Gwen vernauwde verward haar ogen; ze had geen idee hoe ze moest reageren. Tenslotte zuchtte hij. “Jouw probleem,” zei hij, “is dat je gelooft dat iedereen gered moet worden. Maar dat heb je verkeerd. Jij kijkt door de lens van maar tientallen jaren naar tijd; ik bekijk het van eeuwenlang. Jij kijkt naar mensen als onmisbaar; ik zie ze als radars in een groot wiel van lot en tijd.” Hij kwam een stap dichterbij en zijn ogen brandden. “Sommige mensen, Gwendolyn, zijn bedoeld om te sterven. Sommige mensen moeten sterven.” “Moeten sterven?” vroeg ze verafschuwd. “Sommigen moeten sterven om anderen te bevrijden,” zei hij. “Sommigen moeten vallen, zodat anderen kunnen opstijgen. Waarom is de ene persoon belangrijker dan de andere? De ene plek belangrijker dan de andere?” Zij dacht over zijn woorden na en raakte steeds meer in de war. “Zonder vernietiging, zonder verspilling, kan groei niet volgen. Zonder het lege zand van de woestijn, kan er geen fundering zijn waar de grote steden op gebouwd worden. Wat is belangrijker: de vernietiging, of de groei die erop volgt? Begrijp je het niet? Wat is vernietiging anders dan een basis?” Gwen probeerde het te begrijpen, maar zijn woorden zorgden er alleen maar voor dat ze nog meer in de war raakte. “Dan ga je dus niets doen en laat je de Bergrug en de mensen sterven?” vroeg ze. “Waarom? Wat levert jou dat op?” Hij lachte. “Waarom moet altijd alles iets opleveren?” vroeg hij. “Ik ga ze niet redden, omdat het niet de bedoeling is dat ze gered worden,” zei hij nadrukkelijk. “Deze plek, deze Bergrug, is niet bedoeld om te overleven. Het is bedoeld om vernietigd te worden. En het is niet aan mij om in de weg van het lot te staan. Mij is de gave gegeven om de toekomst te zien – maar dat is een gave die ik niet zal misbruiken. Wat ik zie, ga ik niet veranderen. Wie ben ik om in de weg van het lot te staan?” Gwendolyn kon het niet helpen dat ze aan Thorgrin en Guwayne dacht. Eldof glimlachte breed. “Ah, ja,” zei hij en keek haar recht aan. “Jouw man. Jouw zoon.” Gwen keek geschokt terug en vroeg zich af hoe hij haar gedachten had gelezen. “Je wilt ze zo graag helpen,” voegde hij toe en schudde toen zijn hoofd. “Maar soms kan je het lot niet veranderen.” Ze verkleurde en schudde vastbesloten zijn woorden van zich af. “Ik zal het lot veranderen,” zei ze nadrukkelijk. “Wat de prijs ook is. Zelfs als ik mijn eigen ziel ervoor op moet geven.” Eldof keek haar lang en hard aan, hij bestudeerde haar. “Ja,” zei hij. “Dat ga je doen, toch? Ik kan die kracht in je zien. Een krijgersgeest.” Hij bekeek haar en voor het eerst zag ze een beetje zekerheid in zijn uitdrukking. “Ik had niet verwacht dit in je te zien,” ging hij met een nederige stem verder. “Er zijn er maar een paar, zoals jij, die de macht hebben om het lot te veranderen. Maar de prijs die je ervoor zal betalen is erg hoog.” Hij zuchtte, alsof hij een visioen van zich af schudde. “In ieder geval,” ging hij verder, “zal je het lot hier niet veranderen – niet in de Bergrug. De dood komt hier. Ze hebben geen redding nodig - maar een uittocht. Ze hebben een nieuwe leider nodig, om ze over de Grote Woestenij heen leiden. Ik denk dat je al weet dat jij die leider bent.” Gwen voelde een rilling bij zijn woorden. Ze dacht niet dat ze de kracht zou hebben om het nog een keer te doorstaan. “Hoe kan ik ze leiden?” vroeg ze uitgeput bij de gedachte. “En wat is er nog om naartoe te gaan? We zitten in niemandsland.” Hij draaide zich om en werd stil. En toen hij wegliep, had Gwen een brandend verlangen om nog meer te weten te komen. “Vertel het me,” zei ze. Ze rende en greep zijn arm. Hij draaide zich om en keek naar haar hand, alsof hij door een slang werd aangeraakt. Totdat ze het uiteindelijk weghaalde. Verschillende van zijn monniken snelden vanuit de schaduwen naar voren en bleven in de buurt. Ze keken haar kwaad aan – maar Eldof knikte naar ze en ze trokken zich weer terug. “Vertel me,” zei hij tegen haar, “ik geef je maar één antwoord. Eentje maar. Wat wil je weten?” Gwen nam wanhopig diep adem. “Guwayne,” zei ze ademloos. “Mijn zoon. Hoe krijg ik hem terug? Hoe wijzig ik het lot?” Hij keek lang en hard naar haar. “Het antwoord ligt al heel lang voor je en toch zie je het niet.” Gwen pijnigde haar hersenen, ze wilde het zo graag weten en ze begreep niet wat het was. “Argon,” voegde hij toe. “Er is nog één geheim die hij je niet durft te vertellen. Daar ligt jouw antwoord.” Gwen was geschokt. “Argon?” vroeg ze. “Weet Argon het?” Eldof schudde zijn hoofd. “Hij weet het niet. Maar zijn meester wel.” Gwen’s hoofd tolde. “Zijn meester?” vroeg ze. Gwen had er nooit aan gedacht dat Argon een meester zou hebben. Eldof knikte. “Eis dat hij je naar hem brengt,” zei hij. “De antwoorden die je zal krijgen, zullen zelfs jou verbazen.” HOOFDSTUK DERTIEN Mardig stapte kordaat door de gangen van het kasteel, zijn hart bonkte terwijl hij erover dacht wat hij ging doen. Hij greep met bezwete handpalmen de dolk die diep aan zijn middel verstopt zat. Hij had hetzelfde pad een miljoen keer eerder genomen – op weg naar zijn vader. De kamer van de Koning was nu niet meer ver weg en Mardig liep door de kronkelige bekende gangen, langs alle bewakers die eerbiedig bogen bij het aanzicht van de zoon van de Koning. Mardig wist dat hij weinig van hen te vrezen had. Niemand had enig idee van wat hij van plan was en niemand zou weten wat er gebeurde tot lang nadat de daad gedaan was – en het koninkrijk was van hem. Mardig voelde tegenstrijdige emoties terwijl hij zichzelf dwong de ene voet voor de andere te zetten. Zijn knieën knikten en hij dwong zichzelf wilskrachtig te blijven om de daad te plegen waar hij zijn hele leven over nagedacht had. Zijn vader had hem altijd overheerst, had hem altijd afgekeurd, terwijl hij zijn andere krijgerszonen goedkeurde. Hij keurde zijn zelfs dochter beter dan hem. Alleen maar omdat hij, Mardig, ervoor gekozen had om niet deel te nemen in deze cultuur van ridderlijkheid; alleen maar omdat hij liever wijn dronk en vrouwen achterna liep – in plaats van andere mannen te doden. In de ogen van zijn vader was hij daarom een mislukkeling. Zijn vader keurde alles wat Mardig deed af, zijn afkeurende ogen volgden hem overal en Mardig had altijd over de dag van de afrekening gedroomd. En tegelijkertijd kon Mardig zelf de macht grijpen. Iedereen verwachtte dat het koningschap naar één van zijn broers zou gaan, naar de oudste, Koldo. En als het niet naar hem ging, dan naar de tweelingbroer van Mardig, Ludvig. Maar Mardig had andere plannen. Toen Mardig de hoek omsloeg, bogen de soldaten die het bewaakten eerbiedig en draaiden zich toen om zodat ze de deuren voor hem konden openen zonder te vragen waarom. Maar plotseling stopte één van hen onverwachts en keek hem aan. “Mijn heer,” zei hij, “de Koning heeft ons niet op de hoogte gesteld van bezoekers deze ochtend.” Mardig’s hart begon te bonken, maar hij dwong zichzelf om brutaal en zelfverzekerd over te komen; hij staarde de soldaat met een blik van bevoegdheid aan, totdat hij eindelijk zag hoe de soldaat onzeker werd. “En ben ik alleen maar een bezoeker?” vroeg Mardig koel, hij deed zijn best om er niet bang uit te zien. De bewaker ging snel naar achteren en Mardig wandelde door de open deur, de bewakers sloten het achter hem. Mardig stapte de kamer in en hij zag de verraste ogen van zijn vader. Hij stond bij het raam en keek droevig naar zijn koninkrijk. Hij keek hem verward aan. “Mardig,” zei zijn vader,” waar heb ik dit voorrecht aan te danken? Ik heb je niet ontboden. Ook heb je niet de moeite genomen om me in de laatste manen te bezoeken – of er was iets dat je wilde.” Mardig’s hart bonkte in zijn keel. “Ik ben niet gekomen om iets van je te vragen, Vader,” antwoordde hij. “Ik kom om te nemen.” Zijn vader keek verward. “Te nemen?” vroeg hij. “Om te nemen wat van mij is,” antwoordde Mardig. Mardig nam een paar grote stappen door de kamer, hij verhardde zichzelf terwijl zijn vader hem verbouwereerd aankeek. “Wat is dan van jou?” vroeg hij. Mardig voelde zijn bezwete handpalmen met de dolk in zijn hand en hij wist niet of hij er mee door kon gaan. “Het koninkrijk,” zei hij. Mardig liet langzaam de dolk in zijn handpalm los, hij wilde dat zijn vader het zag voor hij hem stak. Hij wilde dat zijn vader uit de eerste hand zag hoeveel hij hem haatte. Hij wilde zijn vaders uitdrukking van angst, van schok, van woede zien. Maar zijn vader keek naar beneden en dat was niet wat Mardig verwachtte. Hij had verwacht dat zijn vader zou protesteren, terug zou vechten; maar in plaats daarvan keek hij hem met verdriet en medelijden aan. “Mijn jongen,” zei hij. “Je bent nog steeds mijn zoon, ondanks alles, en ik hou van je. Ik weet dat je dit diep in je hart niet meent.” Mardig vernauwde zijn ogen. “Ik ben ziek, mijn zoon,” ging de Koning verder. “Ik zal snel genoeg dood zijn. Wanneer ik dood ben, zal het Koninkrijk aan jouw broers doorgegeven worden, niet aan jou. Zelfs als je me nu dood, win je er niets mee. Je bent nog steeds de derde in lijn. Dus leg je wapen neer en omhels me. Ik hou van je, zoals iedere vader zou doen.” Mardig kreeg plotseling een vlaag van razernij, zijn handen trilden, hij sprong naar voren en stak de dolk diep in het hart van zijn vader. Zijn vader stond daar met uitpuilende ogen, terwijl Mardig hem stevig vasthield en in zijn ogen keek. “Jouw ziekte heeft je zwak gemaakt, Vader,” zei hij. “Vijf jaar geleden had ik dit nooit kunnen doen. En een koninkrijk verdient geen zwakke koning. Ik weet dat je snel zal sterven – maar dat is niet snel genoeg voor mij.” Zijn vader stortte eindelijk op de grond in elkaar, bewegingloos. Dood. Mardig keek neer, hij hijgde en was nog geschokt over wat hij zojuist gedaan had. Hij veegde zijn hand aan zijn gewaad af, gooide het mes neer en het kwam met een gekletter op de vloer terecht. Mardig keek dreigend op zijn vader neer. “Maak je maar geen zorgen over mijn broers, Vader,” voegde hij toe. “Ik heb voor hen ook plannen.” Mardig stapte over het lijk van zijn vader, liep naar het raam en keek op de hoofdstad neer. Zijn stad. Nu was het allemaal van hem. HOOFDSTUK VEERTIEN Kendrick hief zijn zwaard op en blokkeerde de slag van een vlijmscherpe klauw die een Zand Loper op zijn gezicht af liet komen. Hij stopte het met een gekletter, de vonken vlogen alle kanten op en Kendrick dook uit de weg terwijl het wezen de klauwen van het blad af liet glijden en op zijn gezicht afging. Kendrick draaide rond en hakte, maar het wezen was verrassend snel. Het trok zich terug en miste Kendrick’s zwaard net. Toen bewoog het naar voren, sprong hoog in de lucht en kwam recht op Kendrick af – maar nu was hij voorbereid. Hij had zijn snelheid onderschat, maar dat zou hij geen tweede keer doen. Kendrick bukte en tilde zijn zwaard omhoog – en hij liet het beest zichzelf doorboren, het viel recht door het blad. Kendrick kwam op zijn knieën en zwaaide zijn zwaard. Hij hakte de benen van twee Zand Lopers af toen ze op hem af kwamen. Toen draaide hij zich om, stootte zijn zwaard naar achteren en stak er één in de buik vlak voor het op zijn rug landde. De beesten kwamen van alle kanten op hem af en Kendrick stond midden in een verhitte strijd. Brandt en Atme stonden aan de ene kant van hem en Koldo en Ludvig aan de andere. Instinctmatig gingen ze met hun ruggen tegen elkaar aanstaan en vormden een kring. Rug tegen rug sloegen en staken en schopten ze, zo hielden ze de wezens op afstand terwijl ze elkaar in de gaten hielden. Ze vochten en vochten en vochten onder de brandende zonnen, ze konden zich in de enorme open ruimte nergens terugtrekken. Kendrick’s schouder deed zeer en hij zat tot aan zijn ellebogen in het bloed. Hij was uitgeput van zijn lange tocht, van de eindeloze veldslagen. Ze hadden geen reserves en ze konden nergens heen. En ze vochten allemaal voor hun leven. Het razende gekrijs van deze beesten vulde de lucht, terwijl ze links en rechts op ze af kwamen. Kendrick wist dat ze voorzichtig moesten zijn; het was nog een lange tocht terug en als één van hen gewond was, zou het een nijpende situatie worden. Terwijl hij vocht, ving Kendrick een glimp van de jongen, Kaden, op. Hij was opgelucht toen hij zag dat hij nog leefde. Hij worstelde, zijn handen en armen waren op zijn rug gebonden en hij werd door een aantal wezens tegen gehouden. De aanblik moedigde Kendrick aan en hij wist weer waarom hij hier gekomen was. Hij vocht verwoed en verdubbelde zijn pogingen. Hij probeerde zich een weg door al deze beesten te slaan en bij de jongen te komen. Hij vond het niet leuk hoe ze met hem omgingen en hij wist dat hij hem moest bereiken voordat deze wezens iets onbezonnen gingen doen. Kendrick kreunde van pijn toen hij plotseling een slag over zijn arm kreeg. Hij draaide zich om en zag een wezen nogmaals zwaaien en zijn vlijmscherpe klauwen naar beneden gooien, recht op zijn gezicht af. Hij kon niet op tijd reageren en hij zette zichzelf schrap voor de klap. Hij verwachtte dat zijn gezicht in tweeën gescheurd zou worden – toen Brandt plotseling naar voren sprong en het wezen met zijn zwaard in zijn borst doorboorde. Hij redde Kendrick op het laatste moment. Atme stapte tegelijkertijd naar voren en sloeg het wezen vlak voor het de hoektanden in Brandt’s keel kon zetten. Kendrick draaide rond en sloeg twee wezens voordat ze op Atme afkwamen. Hij ging rond en rond, draaide en sloeg, hij vocht tegen ieder wezen die nog over was. De wezens vielen aan zijn voeten neer en stapelden zich op het zand op. Het zand kleurde rood van het bloed. Kendrick zag in zijn ooghoeken dat een paar wezens Kaden grepen en met hem weg wilden rennen. Kendrick’s hart bonkte; hij wist dat het een nijpende situatie was. Als hij hem uit het oog verloor, zouden ze in de woestijn verdwijnen en konden ze Kaden nooit meer vinden. Kendrick wist dat hij zich moest haasten. Hij brak uit het gevecht, gaf onderweg meerdere wezens een elleboog en rende achter de jongen aan. Hij liet de anderen achter om met de wezens te vechten. Een paar wezens achtervolgden hem en Kendrick draaide zich om. Hij schopte en sloeg om ze af te schrikken terwijl hij door rende. Kendrick voelde hoe hij aan alle kanten gekrabt werd, maar hij stopte niet. Hij moest Kaden op tijd bereiken. Kendrick ontdekte Kaden en wist dat hij hem moest stoppen; hij wist dat hij maar één kans had. Kendrick reikte naar zijn middel, greep een mes en gooide het. Het landde in de nek van een wezen en doodde het vlak voor het de klauwen in Kaden’s keel liet zakken. Kendrick barstte door de menigte heen en dichtte het gat. Hij rende de hele weg naar Kaden en stak een ander neer vlak voor het hem vermoordde. Kendrick nam een beschermende houding over Kaden aan, die op de grond lag. Hij was vastgebonden en Kendrick doodde zijn belagers. Terwijl meer wezens hem insloten, blokkeerde Kendrick hun klauwen die van alle kanten op ze afkwamen. Hij was omsingeld en sloeg alle kanten op, maar hij was vastbesloten om Kaden te redden. Hij zag dat de anderen teveel met de strijd bezig waren om Kaden ook te komen helpen. Kendrick hief zijn zwaard hoog en sloeg de touwen van de jongen door en bevrijdde hem. “Neem mijn zwaard!” smeekte Kendrick. Kaden greep het extra korte zwaard uit de sabelschede van Kendrick, draaide zich om en stond naast Kendrick en keek naar de rest van de wezens. Alhoewel hij jong was, zag Kendrick dat de jongen snel en dapper en brutaal was. Kendrick was blij om hem aan zijn zijde te hebben tegen deze wezens. Ze vochten goed samen en velden links en rechts wezens. Maar hoe goed ze ook vochten, het waren er gewoon te veel. Al snel waren Kendrick en Kaden compleet omsingeld. Kendrick verloor zijn krachten, zijn schouder was moe, toen hij plotseling de wezens zag vallen en een enorme strijdkreet van achteren hoorde. Kendrick was blij om Koldo, Ludvig, Brandt en Atme door de linies te zien breken en wezens van alle kanten wezens te doden. Aangemoedigd vocht Kendrick met Kaden aan zijn zijde terug, hij putte uit het laatste beetje energie. Ze vochten met z’n zessen, ze waren niet te stoppen en velden alle wezens. Kendrick stond daar hijgend in de stilte op het woestijnzand en nam de schade op; hij kon nauwelijks geloven wat ze gedaan hadden. Overal om ze heen lagen de opgestapelde karkassen van de beesten, overal verspreid, het zand was rood van het bloed. Hij en de anderen zaten onder de wonden en krassen – maar ze stonden daar, levend. En Kaden, die van oor tot oor grijnsde, was vrij. Kaden omhelsde ze allemaal, één voor één, hij begon bij Kendrick en keek hem betekenisvol aan. Hij bewaarde zijn laatste omhelzing voor Koldo, zijn oudste broer. Koldo omhelsde hem terug, zijn zwarte rug rimpelde in de lucht. “Ik kan niet geloven dat jullie mij zijn komen halen,” zei Kaden. “Je bent mijn broer,” zei Koldo. “Waar zou ik anders moeten zijn?” Kendrick hoorde een geluid en keek over zijn schouder. Hij zag de zes paarden die deze wezens gepakt hadden en ze stonden met een touw aan elkaar vast gebonden – hij en de anderen wisselden een begrijpende blik uit. Als één renden ze er naartoe en bestegen de beesten. Ze zaten nauwelijks of ze porden met hun hielen en spoorden de beesten aan, terug de Woestenij in. Ze gingen terug naar de Bergrug, terug, eindelijk, naar huis. HOOFDSTUK VIJFTIEN Erec stond op het achtersteven van het schip en nam de achterkant van zijn vloot in zich op. Hij keek nog een keer ongerust over zijn schouder. Aan de ene kant was hij opgelucht dat het ze gelukt was het hele Keizerlijke dorp weg te vagen, terug stroomopwaarts naar Volusia te varen, naar Gwendolyn; maar aan de andere kant had hij er een flinke prijs voor moeten betalen. Niet alleen in het verlies van mannen, maar ook in het verlies van tijd – hij had de voorsprong die ze op het restant van de Keizerlijke vloot hadden verloren. Toen hij naar achteren keek, zag hij dat ze veel te dichtbij waren. Ze kronkelden stroomopwaarts en waren maar een paar honderd meter van ze verwijderd, ze voeren hun zwart en gouden banieren van het Keizerrijk. Hij had hun voorsprong van een dag verloren en nu volgden ze hem furieus, als een horzel die zijn prooi achterna zat. Ze hadden betere schepen, waren beter bemand en kwamen met ieder zuchtje wind dichterbij. Erec draaide zich weer om en bekeek de horizon. Hij wist van zijn verkenners dat Volusia net voorbij de bocht lag – maar met het tempo waarmee het Keizerrijk het gat dichtte, vroeg hij zich af of zijn kleine vloot het op tijd zou bereiken. Hij begon zich te beseffen dat als ze het niet op tijd zouden bereiken, ze om moesten keren en de strijd aangaan – en dat was een strijd, ze waren enorm in de minderheid, die ze niet konden winnen. Erec hoorde een geluid wat zijn nekharen rechtovereind deed staan. Hij keek omhoog en hij kreeg aan angstig gevoel bij wat hij zag: een golf van Keizerlijk pijlen was losgelaten en ze vlogen nu door de lucht. Ze verduisterden de lucht en kwamen, in een hoge boog, op zijn vloot af. Erec zette zichzelf schrap, maar zag tot zijn opluchting dat de eerste salvo in het water landde, misschien twintig meter van zijn schip vandaan. Het geluid van pijlen die het water raakten klonk als stevige regendruppels. “PIJLEN!” riep Erec en waarschuwde zijn mannen om dekking te zoeken. De meesten deden dat en niets te vroeg. Er volgde nog een salvo, deze werden door kruisbogen met een groter bereik afgeschoten, de enigen met een bereik groot genoeg om ze te raken. Erec was verontwaardigd. Het Keizerrijk was binnen bereik; ze zouden te snel ingehaald worden en met de Keizerlijke vloot van duizenden schepen was er eenvoudigweg geen manier dat Erec en zijn mannen tegen ze op konden. Erec moest snel iets bedenken. Конец ознакомительного фрагмента. Текст предоставлен ООО «ЛитРес». Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/pages/biblio_book/?art=43694559&lfrom=334617187) на ЛитРес. Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.
КУПИТЬ И СКАЧАТЬ ЗА: 599.00 руб.