Сетевая библиотекаСетевая библиотека
Transmissie Morgan Rice De Invasie Kronieken #1 De wereldwijd #1 bestverkopende fantasy auteur Morgan Rice komt met een langverwacht science fiction debuut. Wat zal er gebeuren wanneer SETI eindelijk een signaal van een buitenaardse beschaving ontvangt?Een geweldig plot, het soort boek dat je ’s avonds maar met moeite zal kunnen neerleggen. Het einde was een cliffhanger die zo spectaculair was dat je meteen het volgende boek wil kopen, alleen om te zien wat er gaat gebeuren. The Dallas Examiner (over Geliefd) Wederom een briljante serie die ons meesleept in een fantasie over heldhaftigheid, eer, moed, magie en vertrouwen in je lotsbestemming. …Aanbevolen voor de permanente bibliotheek van iedereen die houdt van een goedgeschreven fantasy. Books and Movie Reviews, Roberto Mattos (over Opkomst van de Draken) Een boek dat snel en gemakkelijk wegleest… je moet lezen wat er daarna gaat gebeuren, en je zult het niet neer willen leggen. FantasyOnline. net (over Een Zoektocht van Helden) Een 13-jarige jongen, die stervende is vanwege een zeldzame hersenaandoening, is de enige die in staat is om signalen uit de ruimte te horen en te ontcijferen. SETI bevestigd dat het een echt signaal is. Wat is de boodschap? Hoe zal de wereld reageren?En bovenal: zullen de aliens komen?Vol actie… Rice schrijft goed en de premisse is intrigerend. Publishers Weekly (over Een Zoektocht van Helden) Een superieure fantasy… een aanbevolen winnaar voor iedereen die houdt van een epische fantasy, aangewakkerd door krachtige, geloofwaardige jonge protagonisten. Midwest Book Review (over Opkomst van de Draken) Een fantasy vol actie, die ongetwijfeld fans van Morgan Rice’s voorgaande novels zal bekoren, evenals fans van werken zoals THE INHERITANCE CYCLE van Christopher Paolini… Fans van Young Adult fictie zullen dit meest recente werk van Rice verslinden en smeken om meer. The Wanderer, A Literary Journal (over Opkomst van de Draken) Tevens verkrijgbaar zijn de vele series van Morgan Rice in het fantasy genre, inclusief (EEN ZOEKTOCHT VAN HELDEN (BOEK #1 IN DE TOVENAARSRING), een gratis download met meer dan 1,300 vijf-sterren recensies! TRANSMISSIE (DE INVASIE KRONIEKEN -- BOEK 1) MORGAN RICE Morgan Rice Morgan Rice is de #1 bestverkopende en USA Today bestverkopende auteur van de epische fantasy serie DE TOVENAARSRING, die bestaat uit zeventien boeken; van de #1 bestverkopende serie DE VAMPIERVERSLAGEN, die bestaat uit twaalf boeken; van de #1 bestverkopende serie DE SURVIVAL TRILOGIE, een post-apocalyptische actiethriller bestaande uit drie boeken; van de epische fantasy serie KONINGEN EN TOVENAARS, die bestaat uit zes boeken; van de nieuwe epische fantasy serie OVER KRONEN EN GLORIE, die bestaat uit acht boeken; van de nieuwe epische fantasy serie EEN TROON VOOR ZUSTERS, die momenteel bestaat uit vijf boeken; en van de nieuwe science fiction serie DE INVASIE KRONIEKEN. Morgans boeken zijn verkrijgbaar in audio en print edities, en vertalingen van de boeken zijn verkrijgbaar in meer dan 25 talen. Morgan hoort graag van je, dus breng gerust een bezoekje aan www.morganricebooks.com (http://www.morganricebooks.com) om je in te schrijven voor de nieuwsbrief, een gratis boek te ontvangen, gratis giveaways te ontvangen, de gratis app te downloaden, op de hoogte te blijven van het laatste nieuws, en via Facebook en Twitter in contact te blijven! Geselecteerde bijvalsbetuigingen voor Morgan Rice “Als je dacht dat er geen reden meer was om te leven na het einde van DE TOVENAARSRING serie, dan had je het mis. Met DE OPKOMST VAN DE DRAKEN komt Morgan Rice wederom met wat een briljante nieuwe serie belooft te zijn. We worden verzwolgen door een fantasie over trollen en draken, moed, eer, magie en geloof in je lotsbestemming. Morgan is er weer in geslaagd om sterke personages neer te zetten, voor wie we op elke pagina juichen… Aanbevolen voor de permanente bibliotheek van iedereen die houdt van een goed geschreven fantasy novel.” --Books and Movie Reviews, Roberto Mattos “Een fantasy vol actie, die ongetwijfeld fans van Morgan Rice’s voorgaande novels zal bekoren, evenals fans van werken zoals THE INHERITANCE CYCLE van Christopher Paolini… Fans van Young Adult fictie zullen dit meest recente werk van Rice verslinden en smeken om meer.” --The Wanderer, A Literary Journal (over De Opkomst van de Draken) “Een fantasy waarbij elementen van mysterie en intriges in de verhaallijn zijn verweven. Een Zoektocht van Helden draait om moed en om het besef dat een levensdoel leidt tot groei, volwassenheid, en excellentie… Voor degenen die op zoek zijn naar stevige fantasy avonturen bieden de protagonisten en de actie een krachtige verzamelingen ontmoetingen die zich richten op Thors evolutie van een dromerig kind naar een jonge volwassene, met onmogelijke overlevingskansen… Het begin van een veelbelovende epische tienerserie.” --Midwest Book Review (D. Donovan, eBook Reviewer) “DE TOVENAARSRING heeft alle ingrediënten voor direct succes: samenzweringen, intriges, mysterie, dappere ridders en opbloeiende relaties, compleet met gebroken harten, bedrog en verraad. Het zal je urenlang boeien, en is geschikt voor alle leeftijden. Aanbevolen voor de permanente collectie van alle liefhebbers van fantasy.” --Books and Movie Reviews, Roberto Mattos “In dit met actie gevulde eerste boek uit de epische Tovenaarsring serie (die nu 14 boeken bevat), stelt Rice de lezers voor aan de 14-jarige Thorgrin “Thor” McLeod, die ervan droomt om zich aan te sluiten bij de krijgsmacht van de Zilveren, de elite ridders die de koning dienen… Rice schrijft goed en de premisse is intrigerend.” --Publishers Weekly Boeken door Morgan Rice DE WEG VAN STAAL ALLEEN DE WAARDIGE (boek 1) EEN TROON VOOR ZUSTERS EEN TROON VOOR ZUSTERS (boek 1) EEN HOF VOOR DIEVEN (boek 2) EEN LIED VOOR WEZEN (boek 3) OVER KRONEN EN GLORIE SLAAF, KRIJGER, KONINGIN (boek 1) REBEL, GEVANGENE, PRINSES (boek 2) RIDDER, ERFGENAAM, PRINS (boek 3) OPSTANDELING, PION, KONING (boek 4) SOLDAAT, BROEDER, TOVENAAR (boek 5) HELD, VERRADER, DOCHTER (boek 6) HEERSER, RIVAAL, BANNELING (boek 7) OVERWINNAAR, VERLIEZER, ZOON (boek 8) KONINGEN EN TOVENAARS DE OPKOMST VAN DE DRAKEN (boek 1) DE OPKOMST VAN DE HELDHAFTIGE (boek 2) DE ZWAARTE VAN EER (boek 3) EEN SMIDSVUUR VAN MOED (boek 4) EEN RIJK VAN SCHADUWEN (boek 5) NACHT VAN DE DAPPEREN (boek 6) DE TOVENAARSRING EEN ZOEKTOCHT VAN HELDEN (boek 1) EEN MARS VAN KONINGEN (boek 2) EEN LOT VAN DRAKEN (boek 3) EEN SCHREEUW VAN EER (boek 4) EEN GELOFTE VAN GLORIE (boek 5) EEN AANVAL VAN MOED (boek 6) EEN RITE VAN ZWAARDEN (boek 7) EEN GIFT VAN WAPENS (boek 8) EEN HEMEL VAN SPREUKEN (boek 9) EEN ZEE VAN SCHILDEN (boek 10) EEN BEWIND VAN STAAL (boek 11) EEN LAND VAN VUUR (boek 12) EEN HEERSCHAPPIJ VAN KONINGINNEN (boek 13) EEN EED VAN BROEDERS (boek 14) EEN DROOM VAN STERVELINGEN (boek 15) EEN TOERNOOI VAN RIDDERS (boek 16) DE GAVE VAN STRIJD (boek 17) DE SURVIVAL TRILOGIE ARENA ÉÉN: SLAVENDRIJVERS (boek 1) ARENA TWEE (boek 2) ARENA DRIE (boek 3) VAMPIER, GEVALLEN VOOR ZONSOPKOMST (boek 1) DE VAMPIERVERSLAGEN VERANDERD (boek 1) GELIEFD (boek 2) VERRADEN (boek 3) VOORBESTEMD (boek 4) BEGEERD (boek 5) VERLOOFD (boek 6) GEZWOREN (boek 7) GEVONDEN (boek 8) Wist je dat ik meerdere series heb geschreven? Als je ze nog niet allemaal hebt gelezen, klik dan op de onderstaande afbeelding om een serie starter te downloaden! (http://www.morganricebooks.com/read-now/) Copyright © 2018 door Morgan Rice. Alle rechten voorbehouden. Behalve zoals toegestaan onder de V.S. Copyright Act van 1976, mag geen enkel deel van deze publicatie worden gereproduceerd, gedistribueerd of overgedragen worden, in wat voor vorm dan ook, of worden opgeslagen in een database of zoeksysteem, zonder de voorafgaande toestemming van de auteur. Dit ebook is uitsluitend voor jou persoonlijk bedoeld. Dit ebook mag niet doorverkocht worden of weggeven worden aan andere mensen. Als je dit boek met iemand anders wil delen, schaf dan alsjeblieft een extra exemplaar aan voor elke ontvanger. Als je dit boek leest en je hebt het niet aangeschaft, of het is niet voor jouw gebruik aangeschaft, geef het dan terug en schaf je eigen exemplaar aan. Bedankt voor het respecteren van het harde werk van deze auteur. Dit is een werk van fictie. Namen, personages, bedrijven, organisaties, plaatsen, evenementen en incidenten zijn een product van de fantasie van de auteur of zijn fictief gebruikt. Enige overeenkomst met echte personen, levend of dood, is geheel toevallig. INHOUD HOOFDSTUK EEN (#u3601142d-e377-5cea-8d11-3bdfedcc4fac) HOOFDSTUK TWEE (#u1d035b52-a92a-5393-95ea-9460c091c6a8) HOOFDSTUK DRIE (#u44944c41-6efd-5f89-b15d-5552d3ac3fee) HOOFDSTUK VIER (#u2f4df535-711c-5fcb-b053-5309e8cbf6cd) HOOFDSTUK VIJF (#u58c3a42d-3462-4e7e-8d8f-b37625a841f7) HOOFDSTUK ZES (#ua8e6f329-189b-4780-b3d7-25bf573a9166) HOOFDSTUK ZEVEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ACHT (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK NEGEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ELF (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TWAALF (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK DERTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VEERTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIJFTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZESTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZEVENTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ACHTTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK NEGENTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK EENENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TWEEËNTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK DRIEËNTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIERENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIJFENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZESENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZEVENENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK EEN Kevin was er behoorlijk zeker van dat je op je dertiende niet te horen zou mogen krijgen dat je stervende was. Natuurlijk was er nooit een goede tijd om het te horen, maar zeker niet als je dertien was. “Kevin,” zei dr. Markham, die in zijn stoel naar voren leunde, “begrijp je wat ik tegen je zeg? Heb je vragen? Hebt ú vragen, mevrouw McKenzie?” Kevin keek naar zijn moeder en hoopte dat zij wist wat ze nu moest zeggen. Hij hoopte dat hij het misschien allemaal verkeerd had begrepen, en dat zij het hem zou uitleggen. Ze was klein en slank, met de harde uitstraling van iemand die hard had gewerkt om in haar eentje haar zoon op te voeden in Walnut Creek, Californië. Kevin was nu al langer dan zij, en één keer, slechts één keer, had ze gezegd dat hij precies op zijn vader leek. Op dit moment zag ze eruit alsof ze probeerde haar tranen te bedwingen. “Weet u zeker dat dit geen vergissing is?” vroeg ze. “We gingen alleen maar naar de dokter vanwege de dingen die Kevin zag.” De dingen die hij zag. Dat was voorzichtig uitgedrukt, alsof erover praten alles nog erger zou maken. Toen Kevin zijn moeder er voor het eerst over had verteld, had ze hem aangestaard en hem gezegd dat hij het moest negeren. Uiteindelijk, nadat hij was flauwgevallen, was hij ontwaakt met het nieuws dat hij een afspraak had bij de huisarts. De huisarts had hen snel doorgestuurd naar het ziekenhuis voor tests, en toen naar het kantoor van dr. Markham, met de witte muren en talloze herinneringen van wat leek op reizen naar alle uithoeken van de planeet. Toen Kevin er voor het eerst binnen was gelopen, had hij het gevoel gehad dat het een poging was om een kille, klinische plek huiselijk te laten lijken. Nu dacht hij dat dr. Markham er misschien aan herinnerd wilde worden dat er ook een leven bestond waarin hij mensen niet hoefde te vertellen dat ze stervende waren. “Hallucinaties kunnen een factor zijn als het op dit soort ziekten aankomt,” zei dr. Markham voorzichtig. Voor Kevin leek hallucinatie niet de juiste manier om het onder woorden te brengen. Dat deed het klinken alsof het onechte, spookachtige dingen waren, terwijl de dingen die hij zag de wereld leken te vullen als ze kwamen. Beelden van landschappen die hij nooit had gezien, stukjes horizon. En natuurlijk de cijfers. “23h 06m 29.283s, −05° 02′ 28.59,” zei hij. “Het moet iets betekenen. Dat moet wel.” Dr. Markham schudde zijn hoofd. “Ik weet dat het zo moet voelen, Kevin. Ik weet zeker dat je wil dat het allemaal iets betekent, maar op dit moment moet je begrijpen wat er met je aan de hand is.” Dat was deel van de reden waarom Kevin zijn moeder erover had verteld. Het had hem weken gekost om haar ervan te overtuigen dat hij geen grapje maakte, dat hij geen spelletje speelde. In het begin was ze er zeker van geweest dat hij niet serieus was. Toen de hoofdpijnen begonnen, had ze hem serieus genomen en hem thuis laten blijven wanneer de pijn hem verlamde. Toen hij de eerste keer was ingestort, had ze hem naar de huisarts gebracht. “Wat gebeurt er met me?” vroeg Kevin. Het was vreemd hoe kalm hij zich voelde. Nou, niet kalm. Misschien eerder soort van verdoofd. Verdoofd was waarschijnlijk het juiste woord. Zijn moeder zag eruit alsof ze op het punt stond om in te storten, maar voor Kevin leek alles veel te ver weg, alsof het nog moest binnenkomen. “Je hebt een soort degeneratieve hersenaandoening die valt onder een groep die bekendstaat als leukodystrofie,” zei dr. Markham. “Hier, ik schrijf het voor je op.” “Maar ik heb daar nog nooit van gehoord,” zei Kevins moeder op de toon van iemand voor wie dat betekende dat het niet echt kon zijn. Hij zag de tranen waartegen ze probeerde te vechten. “Hoe kan mijn zoon iets hebben waar ik nog nooit van heb gehoord?” Zijn moeder zo zien was waarschijnlijk nog het moeilijkste voor Kevin. Ze was altijd zo sterk geweest. Hij had nooit een probleem gehad dat zij niet had kunnen oplossen. Hij had het vermoeden dat zij dat ook dacht. “Het is een zeer zeldzame aandoening, mevrouw McKenzie,” zei dr. Markham. “Of eerder een verzameling van aandoeningen, die zich allemaal op een andere manier kunnen uiten. Er zijn verschillende vormen, allemaal veroorzaakt door een genetische afwijking die invloed heeft op de witte stof van de hersenen, wat we de myelineschede noemen. Er zijn doorgaans slechts een paar honderd mensen die aan deze aandoeningen lijden.” “Als u weet wat de oorzaak is, kunt u dan niet iets doen?” vroeg Kevins moeder. “Is er geen genentherapie of zoiets?” Kevin had gezien dat zijn moeder op internet had gezeten. Nu wist hij waar ze naar had zitten kijken. Ze had niets gezegd, maar misschien had ze gehoopt dat ze het bij het verkeerde eind had gehad. Misschien had ze gehoopt dat ze iets gemist had. “Er is therapie voor een aantal vormen van leukodystrofie,” zei dr. Markham. Hij schudde zijn hoofd. “En we hopen dat deze in de toekomst kunnen helpen, maar voor de vorm die Kevin heeft is er nog geen behandeling. De trieste waarheid is, hoe zeldzamer de aandoening, hoe minder onderzoek ernaar gedaan is, omdat er zo weinig financiering voor is.” “Er moet toch iets zijn,” zei zijn moeder. “Een experimentele optie, een of ander onderzoek…” Kevin strekte zijn arm om zijn hand op die van zijn moeder te leggen. Het was vreemd dat ze bijna even groot waren. “Het is goed, mam,” zei hij, terwijl hij probeerde te klinken alsof hij alles onder controle had. “Nee, dat is het niet.” Zijn moeder zag eruit alsof ze zou exploderen van de shock. “Als er niets gedaan kan worden, wat moeten we nu dan doen?” “We gebruiken de behandelingen die er zijn om Kevin de best mogelijke kwaliteit van leven te geven,” zei dr. Markham. “Voor de tijd die hij nog heeft. Het spijt me, ik wilde dat ik beter nieuws had.” Kevin zag dat zijn moeder zichzelf dwong om dapper te zijn, hoe ze zichzelf stukje bij beetje weer bij elkaar schraapte. Hij kon zien dat ze dat voor hem deed, en hij voelde zich bijna schuldig dat ze dat moest doen. “Wat betekent dat?” vroeg ze. “Wat wilt u voorstellen om te doen voor Kevin?” “Ik zal tabletten voorschrijven om de pijn onder controle te houden,” zei dr. Markham, “en de kans op aanvallen te reduceren. Kevin, ik weet dat hallucinaties verontrustend kunnen zijn, dus ik zou graag willen dat je met iemand gaat praten over technieken om ze onder controle te houden, evenals je reacties erop.” “U wilt dat Kevin met een psycholoog gaat praten?” vroeg zijn moeder. “Linda Yalestrom is een expert in het helpen van mensen, vooral jonge mensen, om te leren omgaan met de symptomen die zeldzame aandoeningen zoals deze kunnen veroorzaken,” zei dr. Markham. “Ik raad u sterk aan dat u met haar een afspraak maakt voor Kevin, vanwege de dingen die hij ziet.” “Het zijn niet alleen hallucinaties,” hield Kevin vol. Hij wist zeker dat het meer was dan dat. “Ik ben ervan overtuigd dat het zo moet voelen,” zei dr. Markham. “Dr. Yalestrom kan msischien helpen.” “Wat… Wat u denkt dat het beste is?” vroeg Kevins moeder. Kevin kon zien dat ze niets liever wilde dan hier weggaan. Maar er was iets wat hij moest weten. Een voor de hand liggende vraag die hij waarschijnlijk moest stellen, zelfs al wilde hij het antwoord liever niet horen. “Hoe lang?” vroeg hij. “Ik bedoel, hoe lang tot ik… doodga?” Dat was nog steeds lastig te bevatten. Kevin betrapte zichzelf erop dat hij hoopte dat het allemaal een vergissing was, zelfs nu nog, maar hij wist dat dat niet het geval was. Dat kon niet. “Het is onmogelijk om dat te zeggen,” zei Dr. Markham. “De progressie van leukodystrofieën kan verschillen, en elk geval is anders.” “Hoe lang?” herhaalde Kevin. “Misschien zes maanden.” Dr. Markham spreidde zijn handen. “Het spijt me, Kevin. Ik kan je niet meer vertellen dan dat.” *** Kevin en zijn moeder gingen naar huis, en zijn moeder reed met de nauwkeurigheid van iemand die wist dat ze zou instorten als ze zich niet volledig concentreerde. Het grootste gedeelte van de rit naar de buitenwijken zwegen ze. Kevin wist niet wat hij moest zeggen. Zijn moeder sprak eerst. “We bedenken wel iets,” zei ze. “We gaan op zoek naar een andere arts, vragen een second opinion. We proberen alle behandelingen die ze kunnen bedenken.” “Dat kun je je niet veroorloven,” zei Kevin. Zijn moeder werkte hard bij een marketingbureau, maar ze hadden een klein huis, en Kevin wist dat er niet veel geld was voor extraatjes. Hij probeerde niet te veel te vragen, maar alleen omdat het zijn moeder verdrietig maakte als ze het hem niet kon geven. Hij haatte het om zijn moeder zo te zien, en dat maakte dit alleen maar moeilijker. “Denk je dat me dat nog iets kan schelen?” wilde zijn moeder weten. Kevin zag de tranen nu over haar wangen lopen. “Je bent mijn zoon, en je bent stervende, en… Ik kan niet… Ik kan je niet redden.” “Je hoeft me niet te redden,” zei Kevin, hoewel hij wenste dat iemand dat wel kon. Hij wilde dat er iemand voorbij zou komen die dit allemaal ongedaan kon maken. Het begon tot hem door te dringen wat dit betekende. Wat het zóú betekenen, nog voor het einde van het schooljaar. Hij zou dood zijn. Weg. Alles waar hij naar uit had gekeken zou afgekapt worden. Al zijn dromen voor de toekomst zouden beëindigd worden door het feit dat hij geen toekomst hád. Kevin wist niet hoe hij zich daarbij moest voelen. Verdrietig, ja, omdat dit het soort nieuws waar je je verdrietig om moest voelen, en omdat hij niet dood wilde. Boos, omdat wat hij wilde niet belangrijk bleek te zijn. Verward, omdat hij niet begreep waarom dit uitgerekend hem moest overkomen, terwijl er miljarden mensen op de wereld waren. Maar vergeleken met zijn moeder was hij kalm. Ze trilde terwijl ze reed, en Kevin was zo bezorgd dat ze zouden verongelukken dat hij opgelucht ademhaalde toen ze hun straat in reden. Het was een van de kleinste huizen van het blok, oud en bijeengehouden door reparaties. “Het komt wel goed,” zei zijn moeder. Ze klonk niet alsof ze het zelf geloofde. Ze pakte Kevins arm vast toen ze naar het huis liepen, maar Kevin had eerder het gevoel dat hij degene was die haar ondersteunde. “Dat komt het zeker,” antwoordde Kevin, want hij had het vermoeden dat zijn moeder dat moest horen. Het zou geholpen hebben als het waar was. Ze gingen naar binnen, en het voelde bijna verkeerd om daarna iets te doen, alsof iets normaals doen een soort van verraad was na het nieuws dat ze van dr. Markham hadden gehoord. Kevin deed een diepvriespizza in de oven, terwijl hij op de achtergrond zijn moeder op de bank hoorde snikken. Hij wilde naar haar toe gaan om haar te troosten, maar twee dingen hielden hem tegen. Het eerste was de gedachte dat zijn moeder dat waarschijnlijk niet wilde. Zij was altijd de sterke geweest, degene die voor hem had gezorgd nadat zijn vader was vertrokken toen hij nog een baby was. Het tweede was het visioen. Hij zag een landschap onder een hemel die eerder paars dan blauw leek, de bomen vreemd gevormd, met bladeren die Kevin herinnerden aan de palmbomen op de stranden, alleen dan met kronkelende stammen die hij nog nooit bij palmbomen had gezien. De hemel zag eruit alsof de zon onderging, maar de zon zag er op de een of andere manier verkeerd uit. Kevin wist niet op wat voor manier, want hij had nooit de tijd genomen om echt naar de zon te kijken. Maar hij wist dat het niet dezelfde zon was. In een hoek van zijn gedachten knipperden cijfers, keer op keer. Hij liep over een roodachtig zand, en nu voelde hij zijn tenen erin wegzakken. Er waren wezens daar, klein en leguaanachtig, die wegschoten wanneer hij te dicht bij ze in de buurt kwam. Hij keek om zich heen… …en de wereld ging in vlammen op. Kevin ontwaakte op de keukenvloer, en de piepende timer van de oven vertelde hem dat de pizza klaar was. De geur van brandend eten spoorde hem aan om overeind te komen en naar de oven te strompelen, voordat zijn moeder het moest doen. Hij wilde niet dat ze hem zo zag, hij wilde haar niet nog meer redenen geven om bezorgd te zijn. Hij haalde de pizza uit de oven, sneed hem in stukken, en nam hem mee naar de woonkamer. Zijn moeder zat nog steeds op de bank, en hoewel ze niet meer huilde waren haar ogen nog rood. Kevin zette de pizza op de salontafel, ging naast haar zitten en zette de tv aan zodat ze in elk geval konden doen alsóf alles normaal was. “Je zou dit niet hoeven doen,” zei zijn moeder, en Kevin wist niet of ze op de pizza doelde of op iets anders. Op dat moment maakte het niet uit. Maar de cijfers hingen nog steeds in zijn hoofd: 23h 06m 29.283s, −05° 02′ 28.59. HOOFDSTUK TWEE Kevin wist niet of hij zich ooit zo moe had gevoeld als toen hij en zijn moeder de parkeerplaats van de school op reden. Het plan was proberen om zo normaal mogelijk door te gaan, maar hij had het gevoel dat hij ieder moment in slaap kon vallen. Dát was allesbehalve normaal. Het kwam waarschijnlijk door de behandelingen. Hij had de laatste paar dagen veel behandelingen gehad. Zijn moeder had nog meer dokters gevonden, en ze hadden allemaal een ander plan gehad voor hoe ze hem in ieder geval meer tijd konden geven. Dat was wat ze hadden gezegd, elke keer. Hun woorden maakten duidelijk dat zelfs dat uitzonderlijk zou zijn, en dat ze niet konden hopen hem te genezen. “Fijne dag op school, lieverd,” zei zijn moeder. Er was iets onnatuurlijks aan haar toon, een broze rand die hem vertelde hoe hard ze haar best moest doen om een glimlach op haar gezicht te toveren. Kevin wist dat ze het voor hem deed, en hij deed zelf ook zijn best. “Ik zal mijn best doen, mam,” verzekerde hij haar, en hij kon horen dat zijn eigen stem ook niet natuurlijk klonk. Het was alsof ze allebei een andere rol speelden omdat ze bang waren voor de waarheid. Kevin speelde zijn rol omdat hij zijn moeder niet weer wilde zien huilen. Hoe vaak had ze nu al niet gehuild? Hoeveel dagen waren er verstreken sinds ze dr. Markham hadden gesproken? Kevin wist het niet meer. Hij was een dag of twee van school thuisgebleven, waarna het duidelijk was geworden dat ze dat allebei niet wilden. Dan waren er de schooldagen geweest, afgewisseld met tests en therapie. Er waren injecties en bloedtests geweest, supplementen omdat zijn moeder op internet had gelezen dat ze konden helpen, en gezond eten dat niets met pizza te maken had. “Ik wil gewoon dat alles zo normaal mogelijk is,” zei zijn moeder. Geen van beide sprak over het feit dat als dit een normale dag was geweest, Kevin de bus zou hebben genomen naar school, en ze zich geen zorgen hadden hoeven maken over wat er normaal was en wat niet. Of dat hij op een normale dag niet had hoeven verbergen wat er met hem aan de hand was, of dat hij dankbaar moest zijn dat zijn beste vriendin naar een andere school was gegaan na de laatste keer dat hij en zijn moeder waren verhuisd, zodat ze dit niet hoefde te zien. Hij had Luna al dagen niet gebeld, en haar berichten stapelden zich op. Kevin negeerde ze, omdat hij niet wist hoe hij ze moest beantwoorden. Kevin voelde de ogen op zich branden vanaf het moment waarop hij de school binnenging. Er gingen geruchten rond, ondanks het feit dat niemand zeker wist wat er met hem aan de hand was. Een stukje verderop zag hij een leraar, meneer Williams. Op een normale dag had Kevin langs hem heen kunnen lopen zonder de aandacht te trekken. Kevin was niet een van de scholieren die de leraren goed in de gaten hielden omdat ze altijd problemen veroorzaakten. Nu hield de leraar hem tegen. Hij bekeek hem van top tot teen, alsof hij verwachtte dat Kevin elk moment dood kon neervallen. “Hoe voel je je, Kevin?” vroeg hij. “Ben je in orde?” “Het gaat prima, meneer Williams,” verzekerde Kevin hem. Het was makkelijker om dat te zeggen dan de waarheid: dat hij zich zorgen maakte over zijn moeder, dat hij constant moe was door alle behandelingen, dat hij bang was voor wat er ging gebeuren. Dat de cijfers nog steeds door zijn hoofd spookten. 23h 06m 29.283s, −05° 02′ 28.59. Ze bleven in zijn hoofd zitten, als een pad op de weg die niet opzij wilde gaan, onmogelijk om te vergeten, onmogelijk om te negeren, hoe hard Kevin het ook probeerde. “Nou, laat het ons maar weten als je iets nodig hebt,” zei de leraar. Kevin wist niet wat hij daarop moest zeggen. Het was een van die dingen die mensen zeiden waar hij eigenlijk niets aan had. Het enige wat hij nodig had was wat ze hem niet konden geven: dit allemaal ongedaan maken, hem weer een normaal leven geven. Leraren wisten heel veel, maar dat wisten ze niet. Toch probeerde hij te doen alsof alles normaal was gedurende zijn wiskundeles, en het grootste deel van de geschiedenisles daarna. Mevrouw Kapinski vertelde hun over de vroege Europese geschiedenis, waarvan Kevin zeker wist dat het niet in een tentamen behandeld zou worden. Maar het was blijkbaar waar ze op was afgestudeerd, dus ze hadden het er vaker over dan nodig was. “Wisten jullie dat de meeste Romeinse resten die in Noord-Europa zijn gevonden niet echt Romeins zijn?” zei ze. Over het algemeen vond Kevin de lessen van mevrouw Kapinski wel leuk. Ze was niet bang om af te dwalen en dieper in te gaan op allerlei fragmenten uit het verleden die in haar op kwamen. Het herinnerde hem aan hoeveel er was gebeurd voordat zij op de wereld waren gekomen. “Dus ze zijn nep?” vroeg Francis de Longe. Normaal gesproken zou Kevin degene zijn geweest die zo’n vraag had gesteld, maar nu genoot hij van de kans om stil te zijn, bijna onzichtbaar. “Niet precies,” zei mevrouw Kapinski. “Als ik zeg dat ze niet Romeins zijn, bedoel ik dat het restanten zijn die zijn achtergelaten door mensen die nooit in de buurt zijn geweest van wat nu Italië is. Het waren lokale mensen, maar naarmate de Romeinen meer gebieden veroverden, besefte de bevolking dat ze zich het best konden aanpassen aan de Romeinse gebruiken. De manier waarop ze zich kleedden, de huizen waarin ze woonden, de taal die ze spraken… Ze veranderden alles om duidelijk te maken aan welke kant ze stonden, omdat ze dan meer kans hadden op een goede positie in die nieuwe orde.” Ze glimlachte. “Maar toen de opstanden tegen Rome begonnen, werd het heel belangrijk om die symbolen níét te gebruiken.” Kevin probeerde het zich voor te stellen: dezelfde mensen op een plek, die veranderden wie ze waren terwijl het politieke tij veranderde. Hun hele identiteit veranderde afhankelijk van wie er regeerde. Hij bedacht zich dat het een beetje was zoals bij de populaire groepjes op school, waar de leerlingen probeerden de juiste kleren te dragen en de juiste dingen te zeggen. Toch kon hij het zich lastig voorstellen, en niet alleen vanwege de beelden van landschappen die zijn hoofd binnensijpelden. Dat was waarschijnlijk het enige positieve aan wat er met hem aan de hand was: de symptomen waren onzichtbaar. Tegelijkertijd was het ook wat hem het meest beangstigde. Er was iets wat hem doodde, en als men er nog niet van afwist, zouden ze er nooit achter hoeven komen. Hij kon hier gewoon zitten en niemand zou ooit… Kevin voelde het visioen komen. Het welde in hem op als een soort van druk die zich in zijn lichaam opbouwde. Hij werd overspoeld door een golf van duizeligheid, het gevoel van de wereld die leek weg te zwemmen terwijl hij verbinding maakte met iets… anders. Hij wilde opstaan om te vragen of hij weg mocht, maar het was al te laat. Hij voelde zijn benen onder zich wegzakken en zakte in elkaar. Hij keek naar dezelfde landschappen als voorheen, waar de lucht een rare kleur had en de bomen te verdraaid waren. Hij zag het verblindende vuur dat van alle kanten tegelijk leek te komen. Hij had het allemaal al eerder gezien. Maar nu was er een nieuw element: een vaag pulseren dat zich in regelmatige intervallen leek te herhalen, zo precies als een tikkende klok. Een deel van Kevin wist dat het een klok moest zijn, net zoals hij instinctief wist dat het een klok was die naar iets aftelde, in plaats van alleen de tijd aan te geven. De pulsen leken geleidelijk aan intenser te worden, alsof ze opbouwen naar een ver crescendo. Hij hoorde een woord in een taal die hij niet had kunnen begrijpen, maar hij begreep het wel. “Wacht.” Kevin wilde vragen wat het was waar hij op moest wachten, of hoe lang, of waarom. Maar dat deed hij niet, deels omdat hij niet wist aan wie hij het moest vragen, en deels omdat het moment net zo snel voorbijging als dat het gekomen was. Kevin rees op uit de duisternis en merkte dat hij op de vloer van het klaslokaal lag. Ms. Kapinski stond over hem heen gebogen. “Blijf nog even rustig liggen, Kevin,” zei ze. “Ik heb de schoolarts geroepen. Hal komt er zo aan.” Ondanks haar instructies ging Kevin rechtop zitten. Hij wist inmiddels wel hoe dit voelde. “Ik ben in orde,” verzekerde hij haar. “Ik denk dat we dat door Hal moeten laten beoordelen.” Hal was een grote, ronde voormalige paramedicus. Het was zijn werk om de leerlingen van St. Brendan’s School door medische noodgevallen te slepen. Soms had Kevin het vermoeden dat ze het deden omdat de gedachte aan zorg van de verpleger ervoor zorgde dat ze de ergste verwondingen liever negeerden. “Ik heb dingen gezien,” bracht Kevin uit. “Er was een planeet, en een brandende zon, en een soort boodschap… als een aftelling.” Als zijn leven een film was geweest, zou iemand erop hebben aangedrongen om contact op te nemen met een belangrijk persoon. Ze zouden de boodschap hebben herkend voor wat het was. Er zouden vergaderingen zijn geweest, en onderzoeken. Iemand zou er iets aan gedaan hebben. Maar dit was geen film. Kevin was gewoon een dertienjarige jongen, en Ms. Kapinski keek hem aan met een mix van medelijden en wilde verbijstering. “Wel, ik denk dat het niets ernstigs is,” zei ze. “Het is waarschijnlijk normaal om van alles te zien bij zo’n… episode.” Kevin hoorde het gemompel van de anderen in de klas om zich heen. Hij voelde zich er niet bepaald beter door. “…viel gewoon op de grond en begon te stuiptrekken…” “…ik hoorde dat hij ziek is, ik hoop dat het niet besmettelijk is…” “…Kevin denkt dat hij planeten ziet…” Dat laatste deed pijn. Het klonk alsof ze dachten dat hij gek werd. Kevin werd niet gek. Tenminste, hij dacht van niet. Ondanks zijn pogingen om hen ervan te overtuigen dat hij in orde was, moest Kevin toch met Hal mee. Hij moest in zijn kantoor zitten terwijl de man met lampjes in Kevins ogen scheen en vragen stelde over een aandoening die zo zeldzaam was dat hij duidelijk geen idee had wat er met Kevin aan de hand was. “De directeur wilde ons spreken zodra ik zeker wist dat je in orde was,” zei hij. “Denk je dat je naar zijn kantoor kunt lopen, of zullen we vragen of hij hierheen komt?” “Ik kan lopen,” zei Kevin. “Ik ben in orde.” “Als jij het zegt,” zei Hal. Ze liepen naar het kantoor van de directeur, en Kevin was niet verrast toen hij zijn moeder daar aantrof. Natuurlijk hadden ze haar gebeld, natuurlijk was ze gekomen nadat hij was ingestort. Maar dat was niet goed, niet nu ze eigenlijk op haar werk had moeten zijn. “Kevin, ben je in orde?” vroeg zijn moeder toen hij binnenkwam. Ze trok hem naar zich toe en knuffelde hem. “Wat is er gebeurd?” “Ik ben in orde, mam,” zei Kevin. “Ms. McKenzie, we zouden u niet gebeld hebben als het niets ernstigs was,” zei de directeur. “Kevin is flauwgevallen.” “Het gaat nu weer goed,” hield Kevin vol. Het leek echter geen verschil te maken hoe vaak hij dat zei. “Bovendien,” zei de directeur, “lijkt het erop dat hij behoorlijk verward was toen hij weer bijkwam. Hij had het over… wel, andere planeten.” “Planeten,” herhaalde Kevins moeder. Haar stem klonk vlak toen ze dat zei. “Ms. Kapinski zei dat het haar les behoorlijk heeft verstoord,” zei de directeur. Hij zuchtte. “Ik vraag me af of het misschien beter is als Kevin voorlopig thuisblijft.” Hij zei het zonder Kevin aan te kijken. Er werd een beslissing genomen, en hoewel het om Kevin ging, was het duidelijk dat hij er niets over te zeggen had. “Ik wil geen school missen,” zei Kevin tegen zijn moeder. Zij zou dat toch zeker ook niet willen? “Ik denk dat we onszelf moeten afvragen,” zei de directeur, “of naar school gaan op dit moment echt het beste is dat Kevin kan doen met de tijd die hij heeft.” Het was waarschijnlijk goed bedoeld, maar het herinnerde Kevin alleen maar aan wat de dokter gezegd had. Zes maanden. Het leek niet genoeg tijd voor wat dan ook, laat staat genoeg tijd om een heel leven in te proppen. Zes maanden aan seconden, die in een gestaag tempo voorbijgleden, op hetzelfde tempo als de aftelling in zijn hoofd. “U zegt dat het geen zin heeft om mijn zoon naar school te sturen omdat hij toch binnenkort dood gaat?” snauwde zijn moeder. “Is dat wat u zegt?” “Nee, natuurlijk niet,” zei de directeur haastig, terwijl hij zijn handen ophief. “Zo klinkt het anders wel,” zei Kevins moeder. “Het klinkt alsof u net zo bang bent voor de aandoening van mijn zoon als de leerlingen hier.” “Ik zeg dat het lastig zal worden om Kevin te onderwijzen naarmate zijn toestand verergerd,” zei de directeur. “We zullen het proberen, maar… wil je niet het meeste halen uit de tijd die je nog hebt?” Hij zei het op een vriendelijke toon, maar slaagde er toch in om dwars door Kevins hart te boren. Hij zei precies wat zijn moeder had gedacht, alleen in andere woorden. Het ergste was nog dat hij gelijk had. Kevin zou niet lang genoeg blijven leven om te studeren, of een baan te krijgen, of wat dan ook te doen waarvoor hij school nodig had, dus wat had het voor zin om nog te gaan? “Het is goed, mam,” zei hij, terwijl hij haar arm aanraakte. Dat leek voldoende te zijn om zijn moeder te overtuigen, en dat vertelde Kevin hoe ernstig dit allemaal was. In een ander geval zou ze ruzie gemaakt hebben. Nu leek het erop dat al haar vechtlust verdwenen was. Ze liepen zwijgend terug naar de auto. Kevin keek over zijn schouder naar de school. De gedachte dat hij hier waarschijnlijk nooit meer terug zou komen, raakte hem als een klap in zijn gezicht. Hij had niet eens de kans gehad om afscheid te nemen. “Sorry dat ze je op je werk hebben gebeld,” zei Kevin toen ze in de auto zaten. Hij kon de spanning in de lucht voelen. Zijn moeder startte de auto niet, maar bleef alleen zitten. “Dat is het niet,” zei ze. “Het is alleen… het werd makkelijk om te doen alsof er niets aan de hand was.” Ze klonk zo verdrietig, zo diep gekwetst. Kevin was gewend geraakt aan de uitdrukking op haar gezicht die hem vertelde dat ze haar best deed om niet te huilen. Ze slaagde er niet in. “Ben je in orde, Kevin?” vroeg ze, hoewel hij inmiddels degene was die haar vasthield, zo stevig als hij kon. “Ik ben… ik wou dat ik niet van school hoefde,” zei Kevin. Hij had nooit gedacht dat hij zichzelf dat zou horen zeggen. Hij had nooit gedacht dat hij iemand dat zou horen zeggen. “We kunnen terug naar binnen gaan,” zei zijn moeder. “Ik kan tegen de directeur zeggen dat ik je morgen gewoon weer terugbreng, en elke dag daarna, totdat…” Ze zweeg. “Tot het te erg wordt,” zei Kevin. Hij kneep zijn ogen dicht. “Ik denk dat het misschien al te erg is, mam.” Hij hoorde haar tegen het dashboard slaan, en de doffe klap galmde door de auto. “Ik weet het,” zei ze. “Ik weet het en ik haat het. Ik haat deze ziekte die mijn kleine jongen van me afneemt.” Ze huilde weer een tijdje. Ondanks zijn pogingen om sterk te blijven, deed Kevin dat ook. Het leek een lange tijd te duren voordat zijn moeder voldoende gekalmeerd was om weer iets te zeggen. “Ze zeiden dat je… planeten zag, Kevin?” vroeg ze. “Ik heb ze gezien,” zei Kevin. Hoe kon hij uitleggen hoe het voelde? Hoe echt het was? Zijn moeder keek hem aan, en nu kreeg Kevin het gevoel dat ze worstelde met de juiste woorden. Worstelde om geruststellend en ferm te zijn, allemaal tegelijk. “Je begrijpt dat dit niet echt is, toch, schatje? Het is alleen… het is alleen maar de aandoening.” Kevin wist dat hij dat zou moeten begrijpen, maar… “Zo voelt het niet,” zei Kevin. “Ik weet het,” zei zijn moeder. “En ik haat dat, want het is niets meer dan een herinnering aan het feit dat mijn kleine jongen tussen mijn vingers door glipt. Ik wou dat ik dit allemaal kon laten ophouden.” Kevin wist niet wat hij daarop moest zeggen. Hij wilde ook dat het ophield. “Het voelt echt,” zei Kevin toch. Zijn moeder zei een lange tijd niets. Toen ze uiteindelijk sprak, klonk haar stem fragiel en onzeker, op de manier dat ze had geklonken sinds de diagnose, een toon die inmiddels al veel te bekend was. “Misschien… Misschien is het tijd dat je met die psycholoog gaat praten.” HOOFDSTUK DRIE Dr. Linda Yalestroms kantoor zag er veel minder klinisch uit dan de kantoren van alle andere dokters die Kevin de laatste tijd had bezocht. Het was ten eerste haar huis, in Berkeley, met de universiteit zo dichtbij dat die een bewijs leek van haar kwalificaties, net zoals de certificaten die netjes ingelijst aan de muur hingen. De rest zag eruit als het soort thuiskantoor dat Kevin had verwacht, net als op tv, met zachte meubels die hier zichtbaar heen waren gebracht na een verhuizing, een bureau waar rommel uit de rest van het huis op terecht was gekomen, en een paar kamerplanten die hun tijd af leken te wachten, klaar om de boel over te nemen. Kevin mocht Dr. Yalestrom wel. Ze was een korte, donkerharige vrouw van een jaar of vijftig, wiens kleren felle patronen hadden en in niets leken op ziekenhuiskleding. Kevin had het vermoeden dat dat een bewuste keuze was, als ze veel werkte met mensen die al het ergst mogelijke nieuws van dokters hadden ontvangen. “Kom zitten, Kevin,” zei ze met een glimlach. Ze gebaarde naar een brede rode bank die versleten was door alle mensen die er door de jaren heen op hadden gezeten. “Ms. McKenzie, waarom geeft u ons niet even? Ik wil dat Kevin het gevoel heeft dat hij alles kan zeggen dat hij moet zeggen. Mijn assistent zal koffie voor u halen.” Zijn moeder knikte. “Ik ben vlakbij.” Kevin ging op de bank zitten, die net zo comfortabel bleek te zijn als hij eruitzag. Hij keek de kamer rond, naar foto’s van vistochtjes en vakanties. Het duurde even tot er iets belangrijks tot hem doordrong. “U staat niet op de foto’s die hier hangen,” zei hij. Dr. Yalestrom glimlachte. “De meeste van mijn cliënten merken dat niet op. De realiteit is, dit zijn veel plekken waar ik altijd al heen heb willen gaan, of plekken waarvan ik gehoord heb dat ze interessant zijn. Ik hang ze op omdat jonge mannen zoals jij vaak voor zich uit zitten te staren en alles doen behalve met me praten. En ik denk dat je dan tenminste iets moet hebben om naar te kijken.” Het leek een beetje valsspelen, vond Kevin. “Als u veel werkt met mensen die stervende zijn,” zei hij, “waarom heeft u dan foto’s van plekken waar u altijd al heen wilde gaan? Waarom zou u het uitstellen, als u heeft gezien…” “Als ik heb gezien hoe snel het voorbij kan zijn?” vroeg Dr. Yalestrom voorzichtig. Kevin knikte. “Misschien vanwege het fantastisch menselijk vermogen om dat te weten, en toch deze dingen uit te stellen. Of misschien heb ik een aantal van deze plekken al bezocht, en is de reden dat ik niet op de foto’s sta gewoon dat ik vind dat het al genoeg is dat ik de hele tijd mensen aan zit te staren.” Kevin wist niet zeker of dat goede redenen waren of niet. Het leek om de een of andere reden niet te volstaan. “Waar zou jij heen gaan, Kevin?” vroeg Dr. Yalestrom. “Waar zou jij heen gaan als je overal heen kon?” “Ik weet het niet,” antwoordde hij. “Nou, denk er maar over na. Je hoeft het me niet meteen te laten weten.” Kevin schudde zijn hoofd. Het was vreemd om op deze manier met een volwassene te praten. Over het algemeen kwamen conversaties op je dertiende neer op vragen of instructies. Met de uitzondering van zijn moeder, die toch het grootste gedeelte van de tijd aan het werk was, waren volwassenen niet echt geïnteresseerd in wat iemand van zijn leeftijd te zeggen had. “Ik weet het niet,” herhaalde hij. “Ik bedoel, ik heb nooit gedacht dat ik de kans zou krijgen om ergens heen te gaan.” Hij probeerde plekken te bedenken waar hij graag heen zou willen gaan, maar dat was lastig, vooral nu hij nog maar een paar maanden te leven had. “Ik heb het gevoel dat, aan welke plek ik ook denk, wat heeft het voor zin? Ik ben binnenkort toch dood.” “Wat denk jij dat het voor zin heeft?” vroeg Dr. Yalestrom. Kevin deed zijn best om een reden te bedenken. “Ik denk… omdat binnenkort niet hetzelfde is als nu?” De psychologe knikte. “Ik denk dat dat een goede manier is om het te zien. Dus, is er iets dat jij binnenkort zou willen doen, Kevin?” Kevin dacht na. “Ik denk… ik denk dat ik Luna moet vertellen wat er aan de hand is.” “En wie is Luna?” “Ze is mijn vriendin,” zei Kevin. “We gaan niet meer naar dezelfde school, dus ze heeft me niet zien flauwvallen ofzo, en ik heb haar al een paar dagen niet meer gebeld, maar…” “Maar je moet het haar vertellen,” zei Dr. Yalestrom. “Het is niet gezond om je vrienden weg te duwen wanneer het slecht gaat, Kevin. Zelfs niet om ze te beschermen.” Kevin slikte een ontkenning in, want dat was wat hij deed. Hij wilde Luna hier niet mee lastig vallen, wilde haar geen pijn doen met het nieuws over wat er ging gebeuren. Het was deel van de reden dat hij haar al zo lang niet gebeld had. “Wat nog meer?” zei Dr. Yalestrom. “Laten we weer eens plekken proberen. Als je overal heen kon gaan, waar zou je geen gaan?” Kevin probeerde te kiezen uit alle foto’s in de kamer, maar de waarheid was dat er slechts een landschap was dat steeds in hem opkwam, met kleuren die geen gewone camera kon vastleggen. “Het zou stom klinken,” zei hij. “Er is niets mis met stom klinken,” verzekerde Dr. Yalestrom hem. “Ik zal je een geheimpje vertellen. Mensen denken vaak dat iedereen speciaal is behalve zij. Ze denken dat andere mensen slimmer, of moediger, of beter zijn, omdat ze alleen de delen van henzelf kunnen zien die dat niet zijn. Ze maken zich zorgen dat anderen altijd het juiste zeggen, en dat zij stom klinken. Maar dat is helemaal niet waar.” Toch zweeg Kevin even, terwijl hij de bekleding van de bank nauwkeurig observeerde. “Ik… ik zie plekken. Een plek. Dat is ook de reden dat ik hier moest komen.” Dr. Yalestrom glimlachte. “Je bent hier omdat een aandoening als de jouwe veel vreemde bijwerkingen kan hebben, Kevin. Ik ben er om je te helpen daarmee om te gaan, om te voorkomen dat ze je leven gaan overheersen. Zou je me iets meer willen vertellen over de dingen die je ziet?” Weer staarde Kevin naar de bank. Hij nam de topografie van het meubelstuk in zich op, plukken aan een klein draadje dat uitstak. Dr. Yalestrom zweeg; het was het soort stilte dat voelde alsof het de woorden uit hem trok, alsof het ze een ruimte gaf om in te vallen. “Ik zie een plek waar niets echt hetzelfde is als hier. De kleuren kloppen niet, de dieren en de planten zijn anders,” zei Kevin. “Ik zie dat het verwoest is… tenminste, dat denk ik. Er is vuur en hitte, een felle flits. Er zijn cijfers. En er is iets dat voelt als een aftelling.” “Waarom voelt het als een aftelling?” vroeg Dr. Yalestrom. Kevin haalde zijn schouders op. “Ik weet het niet. Omdat de pulsen elkaar sneller opvolgen, denk ik?” De psychologe knikte en liep toen naar haar bureau. Ze kwam terug met papier en potloden. “Hoe goed ben je in kunst?” vroeg ze. “Nee, geef maar geen antwoord. Het maakt niet uit of dit een mooi kunstwerk wordt of niet. Ik wil alleen dat je tekent wat je ziet, zodat ik een beeld krijg van hoe het eruit ziet. Denk er niet te veel over na, gewoon tekenen. Wil je dat voor me doen, Kevin?” Kevin haalde zijn schouders op. “Ik zal het proberen.” Hij pakte de potloden en het papier aan en probeerde zich het landschap dat hij had gezien te herinneren, probeerde zich alle details voor de geest te halen. Het was lastig, want ondanks het feit dat de cijfers in zijn hoofd waren blijven hangen, voelde het alsof hij diep moest graven om de beelden boven water te halen. Ze dreven net onder de oppervlakte, en om ze te zien moest Kevin zich in zichzelf keren. Hij concentreerde zich en liet het potlood bijna automatisch over het papier glijden… “Oké, Kevin,” zei ze, en nam het tekenblok weg voordat Kevin zijn tekening goed kon bekijken. “Laten we eens zien wat je…” Hij zag de geschokte blik in haar ogen, zo kort dat het bijna onmerkbaar was. Maar het was er, en Kevin vroeg zich af wat er nodig was om iemand die elke dag verhalen van stervende mensen aanhoorde te shockeren. “Wat is er?” vroeg Kevin. “Wat heb ik getekend?” “Dat weet je niet?” vroeg Dr. Yalestrom. “Ik probeerde niet te veel na te denken,” zei Kevin. “Heb ik iets verkeerd gedaan?” Dr. Yalestrom schudde haar hoofd. “Nee, Kevin, je hebt niets verkeerd gedaan.” Ze liet Kevins tekening zien. “Zou je even willen kijken naar wat je gemaakt hebt? Misschien helpt het je om dingen te begrijpen.” Ze gaf hem de gevouwen tekening, die ze slechts met haar vingertoppen vasthield, alsof ze hem niet meer wilde aanraken dan noodzakelijk was. Dat baarde Kevin een beetje zorgen. Wat kon hij getekend hebben dat een volwassene zo deed reageren? Hij pakte de tekening aan en vouwde hem uit. Het was een tekening van een ruimteschip, alleen een “tekening” was waarschijnlijk niet het juiste woord. Dit was eerder een blauwdruk, volledig in ieder detail, wat onmogelijk leek in de tijd die Kevin had gehad om te tekenen. Hij had dit nog nooit eerder gezien, en toch was dit was er op het papier stond. Het zag er groot en plat uit, als een stad op een schijf. Er zweefden kleinere schijven omheen, als werkbijen rondom een koningin. Het detail zorgde dat er iets nets, bijna klinisch was aan de manier waarop het getekend was, maar er was nog meer. Er was iets aan de geometrie dat gewoon… verkeerd leek. Iets dat onmogelijke dieptes en hoeken was die niet in een schets als deze zichtbaar hadden kunnen zijn. “Maar dit…” Kevin wist niet wat hij moest zeggen. Bewees dit niet wat er met hem gebeurde? Hoe konden mensen denken dat hij zoiets verzonnen had? Dr. Yalestrom was schijnbaar niet overtuigd. Ze pakte de tekening weer aan en vouwde hem voorzichtig op, alsof ze er niet naar wilde kijken. Kevin had het vermoeden dat ze het allemaal te vreemd vond. “Ik denk dat het belangrijk is dat we praten over de dingen die je ziet,” zei ze. “Denk je dat die dingen echt zijn?” Kevin aarzelde. “Ik… weet het niet zeker. Ze voelen echt, maar inmiddels hebben veel mensen me verteld dat dat niet mogelijk is.” “Dat is logisch,” zei Dr. Yalestrom. “Wat je voelt komt heel vaak voor.” “Is dat zo?” Wat hij ervoer voelde helemaal niet zo veelvoorkomend. “Ik dacht dat mijn aandoening heel zeldzaam was.” Dr. Yalestrom liep naar haar bureau en stopte Kevins dossier in een map. Ze pakte een tablet op en begon aantekeningen te maken. “Is het belangrijk dat andere mensen niet ervaren wat jij ervaart, Kevin?” “Nee, dat is het niet,” zei Kevin. “Het is alleen dat Dr. Markham zei dat deze aandoening slechts bij een paar mensen voorkomt.” “Dat is waar,” stemde Dr. Yalestrom in. “Maar ik zie veel mensen die hallucinaties ervaren om andere redenen.” “U denkt dat ik gek ben,” raadde Kevin. Dat was wat iedereen leek te denken. Zelfs zijn moeder, waarschijnlijk, aangezien zij degene was geweest die hem hier had gebracht nadat hij erover gepraat had. Maar hij had niet het gevoel dat hij gek werd. “Dat is geen woord dat ik hier graag gebruik,” zei Dr. Yalestrom. “Ik denk dat het gedrag dat wij als gek bestempelen er is om een reden. Het is alleen dat die redenen vaak tot bezorgdheid leiden. Mensen doen dingen om zichzelf te beschermen tegen situaties die te lastig kijken om mee om te gaan, situaties die… ongebruikelijk lijken.” “U denkt dat dat de reden voor mijn visioenen is?” vroeg Kevin. Hij schudde zijn hoofd. “Ze zijn echt. Ik verzin het niet.” “Mag ik je vertellen wat ik denk, Kevin? Ik denk dat een deel van je gehecht is geraakt aan deze ‘visioenen’ omdat ze je helpen denken dat je ziek bent voor een soort van groter goed. Ik denk dat deze ‘visioenen’ een manier zijn voor jou om met je ziekte om te gaan. De beelden die je ziet… het is een vreemde plek die er niet uitziet als de normale wereld. Zou dat de veranderingen in je leven kunnen symboliseren?” “Het zou kunnen,” zei Kevin. Hij was niet overtuigd. De dingen die hij had gezien gingen niet om een of andere wereld waar hij niet ziek was. Ze gingen om een plek die hij helemaal niet begreep. “Dat heb je nog het gevoel van naderend onheil met vuur en licht,” zei Dr. Yalestrom. “Het gevoel dat dingen ten einde komen. Je hebt het zelfs over een aftelling, compleet met cijfers.” De cijfers maakten geen deel uit van de aftelling; dat was alleen het langzame pulseren, dat geleidelijk aan steeds sneller ging. Kevin had het vermoeden dat hij haar daar niet meer van zou kunnen overtuigen. Wanneer volwassenen hadden besloten wat de waarheid was, kon hij hen niet meer op andere gedachten brengen. “Dus wat kan ik doen?” vroeg Kevin. “Als u denkt dat ze niet echt zijn, moet ik er dan niet vanaf zien te komen?” “Wil je ervan af komen?” vroeg Dr. Yalestrom. Kevin dacht daarover na. “Ik weet het niet. Ik denk dat ze misschien belangrijk zijn, maar ik heb er niet om gevraagd.” “Op dezelfde manier dat je er niet om hebt gevraagd om gediagnosticeerd te worden met een degeneratieve hersenziekte,” zei Dr. Yalestrom. “Misschien zijn die twee dingen aan elkaar verbonden, Kevin.” Kevin had er ook al aan gedacht dat zijn visioenen op een bepaalde manier aan de ziekte gelinkt waren. Dat het zijn hersenen misschien dusdanig had veranderd dat hij ontvankelijk genoeg was voor de visioenen. Maar hij dacht niet dat dat was wat de psychologe bedoelde. “Dus wat kan ik doen?” vroeg Kevin weer. “Er zijn dingen die je kunt doen, niet om ervan af te komen, maar wel om mee om te leren gaan.” “Zoals?” vroeg Kevin. Hij moest toegeven dat hij hoop voelde bij de gedachte. Hij wilde niet dat dit maar door zijn hoofd bleef spoken. Hij had er niet om gevraagd boodschappen te ontvangen die niemand anders begreep, en het zorgde er alleen maar voor dat hij gestoord leek als hij erover praatte. “Je kunt dingen vinden om jezelf af te leiden van de hallucinaties als ze komen,” zei Dr. Yalestrom. “Je kunt proberen jezelf te herinneren aan het feit dat dit niet echt is. Als je twijfelt, zoek dan naar dingen om het te controleren. Misschien kun je iemand anders vragen of zij hetzelfde zien. Vergeet niet, het is niet erg om te zien wat je ziet, maar hoe je erop reageert is aan jou.” Kevin dacht dat hij dat wel kon onthouden. Toch deed het niets om de vage puls van de aftelling te sussen, roffelend op de achtergrond, steeds sneller. “En ik denk dat je het moet vertellen aan de mensen die het niet weten,” zei Dr. Yalestrom. “Het is niet eerlijk tegenover hen om het te verzwijgen.” Ze had gelijk. En er was een persoon die hij het eerder moest vertellen dan de rest. Luna. HOOFDSTUK VIER “Dus,” zei Luna terwijl zij en Kevin over een van de paden van het Lafayette Reservoir Recreatiegebied liepen, tussen de toeristen en gezinnen door, “waarom ontweek je me?” Je kon op Luna aan om direct ter zake te komen. Dat was een van de dingen die Kevin zo leuk vond aan haar. Niet dat hij haar leuk leuk vond. Daar leken mensen altijd vanuit te gaan. Ze dachten omdat ze mooi en blond was, en waarschijnlijk cheerleader materiaal, als ze dat niet allemaal stom vond, dat ze natuurlijk vriendje en vriendinnetje waren. Ze gingen er gewoon vanuit dat dat was hoe het leven in elkaar stak. Maar ze waren niet samen. Luna was zijn beste vriendin. De persoon waar hij, buiten school, de meeste tijd mee doorbracht. Waarschijnlijk de enige persoon in de wereld met wie hij werkelijk over alles kon praten. Behalve, zo bleek nu, over dit. “Ik heb niet…” Kevin dwaalde af toen hij Luna hem aan zag staren. Staren kon ze goed. Kevin had het vermoeden dat ze waarschijnlijk geoefend had. Hij had iedereen, van pestkoppen tot onbeschofte winkeleigenaren, zien terugdeinzen omdat ze niet langer tegen haar gestaar konden. Met die blik van haar was het onmogelijk om tegen haar te liegen. “Oké, dat heb ik, maar het is moeilijk, Luna. Ik heb iets… nou, iets waarvan ik niet weet hoe ik het je moet vertellen.” “Oh, doe niet zo stom,” zei Luna. Ze vond een achtergelaten frisdrank blikje en schopte het over het pad tussen haar voeten, met de vaardigheid van iemand die dat al veel te vaak had gedaan. “Ik bedoel, hoe erg kan het zijn? Ga je verhuizen? Moet je weer naar een andere school?” Misschien zag ze iets in zijn ogen, want ze zweeg even. Er was iets breekbaars aan die stilte, alsof ze allebei op hun tenen liepen om te voorkomen dat hij verbroken werd. Maar ze moesten wel. Ze konden niet eeuwig blijven doorlopen. “Iets ergs dus?” zei ze. Met een laatste beweging van haar voet schopte ze het blikje in een afvalbak. Kevin knikte. Erg was één manier om het te brengen. “Hoe erg?” “Erg,” zei hij. “Het reservoir?” Het reservoir was de plek waar ze heen gingen als ze wilde zitten en ergens over wilden praten. Ze hadden gepraat over dat Billy Hames Luna leuk had gevonden toen ze negen waren, en over de dood van Kevins kat, Tiger, toen ze tien waren. Niets van dat alles had hen hier op voor kunnen bereiden. Hij was geen kat. Ze liepen naar de waterkant, uitkijkend over de bomen aan de andere kant, de mensen met hun kano’s en hun roeiboten. Vergeleken met een aantal andere plekken waar ze vaak rondhingen was dit fijn. Mensen gingen ervan uit dat Kevin een jongen uit het verkeerde deel van de stad was die Luna op het verkeerde pad bracht, maar zij was degene die het talent had om zich tussen hekken door te wringen en op verlaten gebouwen te klimmen. Kevin volgde waar hij kon. Hier was er niets van dat, alleen het water en de bomen. “Wat is er?” vroeg Luna. Ze schopte haar schoenen uit en liet haar voeten in het water bungelen. Kevin had geen zin om hetzelfde te doen. Op dat moment wilde hij niets liever dan vluchten en zich verstoppen. Alles als hij haar maar niet de waarheid hoefde te vertellen. Het voelde alsof hoe langer hij het uitstelde, hoe langer het niet echt was. “Kevin?” zei Luna. “Je begin me bang te maken. Kijk, als je me niet wil vertellen wat er is, dan bel ik je moeder wel om het haar te vragen.” “Nee, niet doen,” zei Kevin snel. “Ik weet niet… Mam heeft er moeite mee.” Luna keek steeds bezorgder. “Wat is er aan de hand? Is ze ziek? Ben jij ziek?” Kevin knikte. “Ik ben ziek,” zei hij. Hij legde zijn hand op Luna’s schouder. “Ik heb iets dat leukodystrofie heet. Ik ben stervende, Luna.” Hij wist dat hij het te snel had gezegd. Bij iets als dit zou er een hele uitleg bij moeten komen, een gepaste opbouw. Maar om eerlijk te zijn was dat het belangrijkste. Ze staarde hem aan en schudde ongelovig haar hoofd. “Nee, je kan niet, dat is…” Ze knuffelde hem, stevig genoeg om Kevin de adem te benemen. “Zeg dat het een grapje is. Zeg dat het niet echt waar is.” “Ik wou dat het niet zo was,” zei Kevin. Hij wenste dat meer dan wat dan ook. Luna deed een stap achteruit, en Kevin kon zien dat haar gezicht samentrok van de inspanning om niet te huilen. Normaal gesproken kostte het Luna weinig moeite om niet om dingen te huilen. Maar nu kon hij zien dat het haar alles kostte. “Dit… hoe lang nog?” vroeg ze. “Ze zeiden misschien zes maanden,” zei Kevin. “En dat was dagen geleden, dus nu is het minder,” kaatste Luna terug. “En jij stond er alleen voor, en…” Ze zweeg toen het tot haar doordrong. Kevin zag haar naar de mensen op het water kijken, met hun kleine bootjes en hun snelle duiken in het water. Ze leken zo gelukkig daar. Ze staarde naar hen alsof zij hetgeen waren dat ze niet kon geloven, in plaats van de ziekte. “Het is niet eerlijk,” zei ze. “Al die mensen, die gewoon doorgaan alsof de wereld hetzelfde is, die plezier hebben terwijl jij sterft.” Kevin glimlachte verdrietig. “Wat moeten we eraan doen? Tegen ze zeggen dat ze geen plezier mogen maken?” Hij besefte het gevaar van die uitspraak net te laat. Luna sprong op, zette haar handen naast haar mond en schreeuwde. “Hee, jullie allemaal, jullie moeten stoppen! Mijn vriend gaat dood, en ik eis dat jullie onmiddellijk stoppen met lol maken!” Een paar mensen keken om zich heen, maar niemand stopte. Kevin had het vermoeden dat dat niet het punt was. Luna bleef een paar seconden zo staan, en deze keer was hij degene die haar knuffelde. Hij hield haar vast terwijl ze huilde. Dat was zo zeldzaam dat Kevin te verbijsterd was om los te laten. Luna die naar mensen schreeuwde en zich gedroeg op manieren die ze nooit van iemand als zij zouden verwachten, dat was normaal. Luna die instortte was dat niet. “Voel je je beter?” vroeg hij na een tijdje. Ze schudde haar hoofd. “Niet echt. En jij dan?” “Nou, het is fijn om te weten dat er iemand bestaat die probeert de wereld voor me tegen te houden,” zei hij. “Weet je wat nog het ergste is?” Luna wist een glimlach op haar gezicht te toveren. “Dat wat je dood wordt niet kunnen spellen?” Kevin kon niet anders dan die glimlach beantwoorden. Luna wist dat hij het nodig had dat ze haar gewone zelf was die hem in de maling nam. “Dat kan ik, ik heb geoefend. Het ergste is dat dit betekent dat niemand me gelooft als ik vertel dat ik dingen zie. Ze denken allemaal dat het gewoon de ziekte is.” Luna hield haar hoofd schuin. “Wat voor dingen?” Kevin vertelde haar over de vreemde landschappen die hij had gezien, het verslindende vuur, het gevoel van een aftelling. “Dat…” begon Luna toen hij klaar was. Ze leek echter niet te weten hoe ze haar zin moest afmaken. “Ik weet het, het is gestoord, ik ben gestoord,” zei Kevin. Zelfs Luna geloofde hem niet. “Je liet me niet uitpraten,” zei Luna, en ze haalde diep adem. “Dat… is zo cool.” “Cool?” herhaalde Kevin. Het was niet de respons die hij verwacht had, zelfs niet van haar. “De rest denkt dat ik gek wordt, of dat mijn hersenen smelten, ofzo.” “De rest is dom,” verkondigde Luna, hoewel, om eerlijk te zijn, dat haar standaard instelling voor het leven was. Voor haar was iedereen dom, tot het tegendeel werd bewezen. “Dus je gelooft me?” zei Kevin. Zelfs hij was niet meer helemaal zeker van zijn zaak, na alles dat mensen tegen hem gezegd hadden. Luna pakte zijn schouders vast en keek hem recht in zijn ogen. Met een ander meisje zou Kevin misschien gedacht hebben dat ze op het punt stond hem te kussen. Maar niet met Luna. “Als jij tegen me zegt dat deze visioenen echt zijn, dan zijn ze echt. Ik geloof je. En het is echt supercool om in staat te zijn buitenaardse werelden te zien.” Kevins ogen werden groot. “Hoezo denk je dat het een buitenaardse wereld is?” Luna deed schouderophalend een stap achteruit. “Wat zou het anders moeten zijn?” Toen ze dat vroeg, kreeg Kevin het gevoel dat ze net zo verbijsterd was hierdoor als hij. Zij was alleen beter in staat om het te verbergen. “Misschien…” speculeerde ze, “…misschien heeft dit je brein dusdanig veranderd, dat je nu een directe lijn hebt naar die buitenaardse plek?” Als Luna ooit een superkracht kreeg, zou het waarschijnlijk het vermogen zijn om overhaaste conclusies te trekken. Dat vond Kevin leuk aan haar, vooral nu het betekende dat zij de enige was die hem geloofde. Toch voelde het als een grote beslissing, zo snel. “Je weet hoe gestoord dat klinkt, toch?” zei hij. “Niet gestoorder dan het idee dat de wereld me gewoon zonder reden mijn vriend afneemt,” kaatste Luna terug. Ze balde haar vuisten op een manier die suggereerde dat ze maar wat graag om de kwestie zou vechten. Of misschien was het alleen vanwege de inspanning om niet te huilen. Luna had vaak de neiging om kwaad te worden, of grapjes te maken, of gekke dingen te doen, in plaats van om van streek te raken. Op dat moment kon Kevin het haar niet kwalijk nemen. Hij zag haar terugkeren uit de plek waar ze bijna huilde, stukje bij beetje, tot ze uiteindelijk een glimlach wist te forceren. “Dus, afschuwelijke ziekte, coole visioenen van buitenaardse werelden… is er nog iets dat je me niet verteld hebt?” “Alleen de cijfers,” zei Kevin. Luna keek hem zichtbaar geërgerd aan. “Je snapt dat je daar geen ja op had moeten antwoorden?” “Ik wilde je alles vertellen,” zei Kevin, hoewel hij het vermoeden had dat het daar een beetje laat voor was. “Sorry.” “Oké,” zei Luna. Weer had Kevin het gevoel dat ze haar best deed om alles te verwerken. “Cijfers?” “Ik zie ze ook,” zei Kevin. Hij noemde de cijfers uit zijn hoofd op. “23h 06m 29.283s, −05° 02′ 28.59.” “Oké,” zei Luna. Ze kneep haar lippen op elkaar. “Ik vraag me af wat ze betekenen.” Dat ze misschien niets betekenden leek niet in haar op te komen. Dat vond Kevin geweldig aan haar. Ze haalde haar telefoon tevoorschijn. “Het is geen kenteken, en het zou vreemd zijn als wachtwoord. Wat nog meer?” Kevin had er niet over nagedacht, in ieder geval niet met het soort directheid dat Luna op het probleem leek toe te passen. “Misschien een item nummer, een serienummer?” suggereerde Kevin. “Maar er zitten uren en minuten in,” zei Luna. Ze leek volledig op te gaan in de vraag van wat de cijfers konden betekenen. Wat nog meer?” “Misschien een leveringstijd en een locatie?” stelde Kevin voor. “Dat tweede deel lijkt alsof het coördinaten zouden kunnen zijn.” “Het is niet helemaal correct voor een kaart referentie,” zei Luna. “Misschien als ik het gewoon Google… oh, cool.” “Wat?” vroeg Kevin. Eén blik op Luna’s gezicht vertelde hem dat ze de jackpot hadden. “Als je die cijfercombinatie in een zoekmachine intypt, krijg je over slechts één ding resultaten,” zei Luna. Ze klonk zo zeker van haar zaak. Ze draaide haar scherm om het hem te laten zien, de pagina’s in een nette rij. “Het Trappist 1 star systeem.” Kevin voelde zijn opwinding groeien. Meer dan dat, hij voelde zijn hoop groeien. Hoop dat dit misschien echt iets kon betekenen, en dat het niet alleen maar zijn ziekte was, ongeacht wat mensen zeiden. Hoop dat het misschien echt kon zijn. “Maar waarom zou ik die cijfers zien?” vroeg hij. “Misschien omdat het Trappist systeem een van de sterrenstelsels is waar kans op leven is?” zei Luna. “Van wat ik hier lees, bevinden zich meerdere planeten in wat we denken dat een bewoonbare zone is.” Ze zei het alsof het het meest voor de hand liggende gegeven ter wereld was. De gedachte aan planeten waar wellicht leven kon bestaan leek veel te toevallig nu Kevin dat leven had gezien. Of in ieder geval een vreemd leven had gezien. “Je moet hier met iemand over praten,” verkondigde Luna. “Je bent… nou, het eerste bewijs van buitenaards contact, of zoiets. Wie waren die mensen die op zoek waren naar aliens, de wetenschappers? Ik heb iets over hen gezien op tv.” “SETI?” vroeg Kevin. “Dat zijn ze,” zei Luna. “Zijn zij niet gevestigd in San Francisco, of San Jose, of zoiets?” Dat wist Kevin niet, maar hoe meer hij erover nadacht, hoe meer het idee hem aantrok. “Je moet gaan, Kevin,” zei Luna. “Je moet op zijn minst met ze praten.” *** “Nee,” zei zijn moeder. Ze zette haar beker zo hardhandig neer dat de koffie over de rand klotste. “Nee, Kevin, absoluut niet!” “Maar mam—” “Ik rij je niet naar San Francisco zodat je een stelletje gekken kunt gaan lastigvallen,” zei zijn moeder. Kevin liet haar zijn telefoon zien met de informatie over SETI. “Ze zijn niet gek,” zei hij. “Het zijn wetenschappers.” “Wetenschappers kunnen ook gek zijn,” zei zijn moeder. “En dit hele idee… Kevin, kun je niet gewoon accepteren dat je dingen ziet die er niet zijn?” Dat was het probleem; het was veel te makkelijk om dat te accepteren. Hij kon makkelijk tegen zichzelf zeggen dat dit niet echt was, maar er knaagde iets aan hem dat hem vertelde dat dat een slecht idee was. De aftelling ging nog steeds door, en Kevin had het vermoeden dat hij iemand moest zien te vinden die hem geloofde, voordat de climax bereikt werd. “Mam, de cijfers die ik zei dat ik zag… het bleek de locatie van een sterrenstelsel te zijn.” “Er zijn zoveel sterren dat ik zeker weet dat een willekeurige combinatie van cijfers aan een van hen gerelateerd zal zijn,” zei zijn moeder. “Het zou hetzelfde zijn als de massa van een ster of…” “Dat bedoel ik niet,” zei Kevin. “Ik bedoel dat het precies hetzelfde was. Luna heeft de cijfers gegoogeld, en het Trappist 1 systeem was het eerste in de zoekresultaten. Het enige in de zoekresultaten.” “Ik had moeten weten dat Luna erbij betrokken was,” zuchtte zijn moeder. “Ik ben dol op die meid, maar ze heeft te veel fantasie voor haar eigen bestwil.” “Alsjeblieft, mam,” zei Kevin. “Dit is echt.” Zijn moeder legde haar handen op zijn schouders. Sinds wanneer moest ze omhoog reiken om dat te doen? “Dat is het niet, Kevin. Dr. Yalestrom zei dat je moeite had om dit allemaal te accepteren. Je moet begrijpen wat er gaande is, en ik moet je helpen om het te accepteren.” “Ik weet dat ik stervende ben, mam,” zei Kevin. Hij had het niet zo moeten brengen, want hij kon de tranen in zijn moeders ogen zien. “Is dat zo? Want dit—” “Ik zal een manier vinden om er te komen,” beloofde Kevin. “Ik pak de bus wel als het moet. Ik pak een trein de stad in en loop de rest. Ik moet in ieder geval met ze praten.” “En uitgelachen worden?” Zijn moeder draaide zich om en keek hem niet aan. “Je weet dat dat gaat gebeuren, toch, Kevin? Ik probeer je te beschermen.” “Dat weet ik,” zei Kevin. “En ik weet dat ze me waarschijnlijk zullen uitlachen, maar ik moet het in ieder geval proberen, mam. Ik heb het gevoel dat dit heel belangrijk is.” Hij wilde meer zeggen, maar hij wist niet of dat zou helpen. Zijn moeder zweeg, en hij wist dat ze nadacht. Op dat moment was dat het beste waar Kevin op kon hopen. Ze bleef denken, haar hand trommelend op de keukentafel terwijl ze een besluit nam. Kevin hoorde zijn moeder zuchten. “Goed dan,” zei ze. “Ik doe het. Ik zal je brengen, maar alleen omdat ik het vermoeden heb dat als ik het niet doe, ik binnenkort een telefoontje van de politie krijg die me gaat vertellen dat mijn zoon ergens in een bus is flauwgevallen.” “Bedankt, mam,” zei Kevin, en hij omhelsde haar. Hij wist dat ze hem niet echt geloofde, maar op een bepaalde manier maakte dat haar blijk van liefde alleen maar indrukwekkender. HOOFDSTUK VIJF Het kostte ongeveer een uur om van Walnut Creek naar het SETI Instituut in Mountain View te rijden, maar voor Kevin voelde het als een eeuwigheid. Het was niet alleen omdat het verkeer in de stad langs wegafzettingen kroop; elk moment was een verspilling als hij daar al had kunnen zijn, als hij al had kunnen uitvinden wat er met hem aan de hand was. Zij moesten het weten, hij wist het zeker. “Verwacht er niet te veel van,” waarschuwde zijn moeder hem voor de twintigste keer. Kevin wist dat ze alleen probeerde om hem te beschermen, maar toch wilde hij zijn opwinding niet temperen. Hij wist zeker dat dit de plek was waar hij erachter zou komen wat er aan de hand was. Het waren wetenschappers die aliens bestudeerden. Zij zouden toch zeker wel alles weten? Maar toen ze er aankwamen, was het instituut niet wat hij verwacht had. 189 Bernardo Avenue zag er eerder uit als een kunstgalerie of een onderdeel van een universiteit dan als het soort ultra-high-tech gebouw dat Kevins fantasie had bedacht. Hij had gebouwen verwacht die eruitzagen alsof ze uit de ruimte konden komen, maar in plaats daarvan zagen ze er een beetje uit als dure versies van zijn schoolgebouw. Ze parkeerden voor de gebouwen. Kevin haalde diep adem. Dit was het dan. Ze liepen een lobby in, waar ze ontvangen werden door een vrouw die haar glimlach in een vraag veranderde nog voor ze iets had gezegd. “Hallo, weet u zeker dat u hier goed zit?” “Ik moet met iemand praten over buitenaardse signalen,” zei Kevin voordat zijn moeder een poging kon wagen om het uit te leggen. “Het spijt me,” zei de vrouw. “We geven niet echt openbare rondleidingen.” Kevin schudde zijn hoofd. Hij wist dat hij moest zorgen dat zij het begreep. “Ik ben hier niet voor een rondleiding,” zei hij. “Ik denk… ik denk dat ik een soort buitenaards signaal ontvang.” De vrouw keek hem niet aan met het soort schok en ongeloof als de meeste andere mensen, of zelfs met de verbaasde blik die zijn moeder hem had toegeworpen. Dit was eerder een gelaten blik, alsof ze hier vaker mee te maken kreeg dan ze zou willen. “Ik begrijp het,” zei ze. “Helaas bevinden we ons niet in de positie om te praten met mensen die hier binnen komen lopen. Als je ons een e-mail stuurt, zullen we het met alle plezier overwegen, maar momenteel…” “Kom op, Kevin,” zei zijn moeder. “We hebben het geprobeerd.” Tot zelfs zijn eigen verbazing schudde Kevin zijn hoofd. “Nee, ik ga niet.” “Kevin, je moet wel,” zei zijn moeder. Kevin ging zitten, precies in het midden van de lobby. Het tapijt was niet erg comfortabel, maar dat kon hem niet schelen. “Ik ga nergens heen tot ik iemand kan spreken.” “Wacht eens, dat kun je niet doen,” zei de receptioniste. “Ik ga nergens heen,” zei Kevin. “Kevin…” begon zijn moeder. Kevin schudde zijn hoofd. Hij wist dat het kinderachtig was. Maar hij was dertien, en hij kon doen wat hij wilde. Trouwens, dit was belangrijk. Als hij nu naar buiten liep, was het voorbij. Dat kon hij niet laten gebeuren. “Sta op, of ik moet de bewaking bellen,” zei de receptioniste. Ze liep naar hem toe en pakte Kevins arm stevig vast. Onmiddellijk vestigde Kevins moeder haar aandacht op de receptioniste. Ze kneep haar ogen samen. “Blijf met je poten van mijn zoon af.” “Zorg dan dat hij opstaat en vertrekt voor ik de politie moet inschakelen.” De receptioniste liet hem los, hoewel dat waarschijnlijk iets te maken had met de blik die zijn moeder haar toewierp. Kevin had het gevoel dat ze nu eindelijk wel een manier had om haar zoon te beschermen, en dat zou ze doen ook, wat het ook kostte. “Dreig niet met de politie. Kevin doet niemand kwaad.” “Denk je dat we hier niet regelmatig gekken krijgen?” “Kevin is niet gek!” schreeuwde zijn moeder op een volume dat ze normaal bewaarde voor wanneer Kevin echt iets verkeerd had gedaan. In de volgende minuten werd er meer geruzied dan Kevin wilde. Zijn moeder schreeuwde naar hem dat hij op moest staan. De receptioniste schreeuwde dat ze de bewaking ging bellen. Ze schreeuwden naar elkaar, en de vrouw leek in de veronderstelling te zijn dat zijn moeder in staat was Kevin van zijn plek te krijgen. Kevin hoorde alles met een verrassende kalmte aan. Het trok hem mee, en in de dieptes zag hij iets… Om zich heen voelde hij de koude duisternis van de ruimte, de flikkerende sterren. De Aarde zag er van bovenaf zo anders uit dat het Kevin de adem benam. Er zweefde een zilverachtig object in de ruimte, slechts een van vele anderen die in de baan om de aarde hingen. De woorden Pioneer 11 waren op de zijkant gestencild… Toen lag hij op de vloer van het SETI Instituut. Zijn moeder, en de receptioniste, hielpen hem omhoog. “Is hij in orde?” vroeg de receptioniste. “Moet ik een ambulance bellen?” “Nee, het gaat wel,” zei Kevin. Zijn moeder schudde haar hoofd. “We weten wat er mis is. Mijn zoon is stervende. Dit alles… ik dacht dat het hem zou helpen om te accepteren dat wat hij ziet niet echt is, dat het de ziekte is.” Het voelde als verraad, alsof Kevins moeder al langer van plan was geweest om zijn dromen te verwoesten. “Ik begrijp het,” zei de receptioniste. “Oké, laten we je omhoog helpen, Kevin. Kan ik iets voor jullie halen?” “Ik wil gewoon met iemand praten,” zei Kevin. De receptioniste beet op haar lip en knikte toen. “Oké, ik zal zien wat ik kan doen.” Zomaar ineens leek haar hele houding veranderd te zijn. “Wacht hier. Ga maar zitten. Ik ga kijken of er iemand aanwezig is die in ieder geval met je kan praten, en je misschien kan rondleiding. Hoewel er niet veel te zien is.” Kevin en zijn moeder namen plaats. Hij wilde haar alles vertellen over wat hij zojuist had gezien, maar hij kon aan haar gezicht zien dat het haar alleen maar pijn zou doen. Dus in plaats daarvan bleef hij zwijgend wachten. Uiteindelijk verscheen er een vrouw. Ze was een jaar of vijftig, gekleed in een donker pak dat suggereerde dat ze het soort vergaderingen had waar casual kleding niet gepast was. Er was iets aan haar dat zei dat ze een academicus was—misschien kwam het door de nieuwsgierigheid waarmee ze Kevin aankeek. Ze gaf zijn moeder een hand, en toen Kevin. “Hallo, Kevin,” zei ze. “Ik ben Dr. Elise Levin. Ik ben de directrice van het instituut.” “U heeft de leiding?” vroeg Kevin hoopvol. “Over alle buitenaardse zaken?” Ze glimlachte geamuseerd. “Ik denk dat dat een beetje overdreven is. Een groot deel van de zoektocht naar buitenaards leven vindt elders plaats. NASA verstrekt data, er zijn een aantal universiteiten bij betrokken, en we huren vaak tijd op de telescopen van andere mensen als dat mogelijk is. Maar inderdaad, ik heb de leiding over dit instituut en de dingen die hier gebeuren.” “Dat moet ik u iets vertellen,” zei Kevin. Hij praatte sneller dan hij wilde, in een poging zijn woordje te doen voordat deze volwassene tijd had om over hem te twijfelen. “Er is iets gaande. Ik weet dat het raar klinkt, maar ik zie dingen, er is een soort van aftelling…” Hoe kon hij de aftelling uitleggen? Het was niet zoals cijfers, er was geen duidelijk punt dat het einde markeerde. Het was gewoon een vage puls die binnenkwam met het signaal in zijn hersenen, een puls die gestaag, bijna onmerkbaar sneller werd terwijl het aftelde naar iets waarvan Kevin niet wist wat het was. “Waarom vertel je me er niet over terwijl we rondkijken?” suggereerde Dr. Levin. “Ik zal je laten zien wat we hier zoal doen.” Ze leidde Kevin en zijn moeder door de gangen van het instituut, en om eerlijk te zijn had Kevin gedacht dat het spannender zou zijn. Hij had gedacht dat het minder op een kantoorpand zou lijken. “Ik dacht dat hier grote telescopen zouden zijn, of laboratoria vol apparatuur om dingen uit de ruimte te testen,” zei Kevin. Dr. Levin haalde haar schouders op. “We hebben wel laboratoria, en we testen zo nu en dan materialen, maar we hebben geen telescopen. We werken echter wel samen met Berkeley om een speciale radiotelescoop te bouwen.” “Hoe zoekt u dan naar aliens?” vroeg Kevins moeder. Het leek erop dat zij net zo verbaasd was door het gebrek aan enorme telescopen en luisterapparatuur als Kevin. “We werken samen met andere mensen,” zei Dr. Levin. “We vragen om, of huren, tijd op telescopen en sensor apparatuur. We werken met data van NASA. We doen suggesties voor plekken waar ze zouden kunnen zoeken, of andere data die ze kunnen verzamelen. Het spijt me, ik weet dat het niet zo spannend is als mensen soms denken. Hier, kom met me mee.” Ze leidde hen naar een kantoor dat er in ieder geval iets interessanter uitzag dan de andere ruimtes. Er stonden een aantal computers, er hingen posters van het zonnestelsel, en er lagen een paar tijdschriften die SETI’s werk hadden genoemd. Het meubilair zag eruit alsof het speciaal was ontworpen om ergonomisch, stijlvol en zo comfortabel als een baksteen te zijn. “Ik zal je een aantal dingen laten zien waar we aan werken,” zei Dr. Levin. Ze haalde afbeeldingen tevoorschijn van grote telescopen die werden gebouwd. “We kijken naar het ontwikkelen van radiotelescopen die misschien krachtig genoeg zijn om ambient radio frequenties op te vangen, in plaats van gewoon te wachten tot iemand ons een signaal stuurt.” “Maar ik denk dat iemand ons een signaal stuurt,” zei Kevin. Ze moest het begrijpen. Dr. Levin zweeg even. “Ik wilde je vragen of je refereert aan de theorie waarbij sommige mensen denken dat hoge-frequentie radiogolven van een pulsar begrijpelijke signalen zijn, maar dat is niet zo, of wel?” “Ik heb dingen gezien,” zei Kevin. Hij probeerde de visioenen uit te leggen. Hij vertelde haar over het landschap dat hij gezien had, en de aftelling. “Aha,” zei Dr. Levin. “Maar ik moet je iets vragen, Kevin. Je begrijpt dat SETI dit soort dingen onderzoekt op een wetenschappelijke manier, door echte bewijzen te zoeken? Dat is de enige manier waarop we dit kunnen doen, en zeker weten dat wat we vinden ook echt is. Dus ik moet je vragen, Kevin, hoe weet je dat wat jij ziet echt is?” Kevin had die vraag al met Luna beantwoord. “Ik heb een aantal cijfers gezien. Toen ik ze opzocht, bleek dat het de locatie was van iets dat het Trappist 1 systeem heet.” “Een van de meer veelbelovende kandidaten voor buitenaards leven,” zei Dr. Levin. “Maar Kevin, begrijp je mijn probleem nu? Je zegt dat je die cijfers hebt gezien, en ik geloof je, maar misschien heb je ze gezien omdat je er ergens over hebt gelezen. Ik kan SETI’s middelen op basis van jouw verklaring niet inzetten, en ik weet hoe dan ook niet wat we nog meer zouden kunnen doen als het op het Trappist 1 systeem aankomt. Voor zoiets zou ik iets nieuws nodig hebben. Iets dat je op geen enkele andere manier zou kunnen weten.” Kevin merkte dat ze probeerde hem zo vriendelijk mogelijk af te wijzen, maar toch deed het pijn. Hoe kon hij hen dat geven? Toen dacht hij over wat hij in de lobby gezien had. Daar moest een reden voor geweest zijn, toch? “Ik denk…” Hij wist niet of hij het kon zeggen of niet, maar hij wist dat hij moest. “Ik denk dat u een signaal gaat ontvangen van iets dat Pioneer 11 heet.” Dr. Levin keek hem een paar seconden aan. “Het spijt me, Kevin, maar dat is niet erg waarschijnlijk.” Kevin zag zijn moeder fronzen. “Wat is Pioneer 11?” “Het is een van de diepe ruimtesondes die NASA heeft gelanceerd,” legde Dr. Levin uit. “Hij vloog door ons zonnestelsel, stuurde data terug, en had voldoende snelheid om voorbij de grenzen van het zonnestelsel te vliegen. Helaas hebben we voor het laatst contact gehad in 1995, dus ik denk niet dat—” Ze zweeg toen haar telefoon overging, en haalde hem tevoorschijn alsof ze het telefoontje wilde weigeren. Kevin zag het moment waarop ze zag wie er belde. “Het spijt me, dit moet ik aannemen,” zei ze. “Ja, hallo, wat is er? Kan het even wachten, ik ben bezig met… oké, als het zo dringend is. Een signaal? Je bent me omdat er data binnenkomt bij NASA? Maar NASA heeft altijd…” Ze zweeg weer, en staarde vol ongeloof naar Kevin. Toch sprak ze. “Mag ik raden?” zei ze in de telefoon. “Je hebt net een signaal binnengekregen van Pioneer 11? Echt? Nee, dat kan ik je niet vertellen. Ik denk dat je me toch niet zou geloven.” Ze legde de telefoon neer en staarde Kevin aan alsof ze hem voor het eerst zag. “Hoe deed je dat?” vroeg ze. Kevin haalde zijn schouders op. “Ik zag het toen ik in de lobby wachtte.” “Je zag het? Op dezelfde manier dat je dat buitenaardse landschap ‘zag’?” Dr. Levin staarde hem aan, en Kevin kreeg het gevoel dat ze iets probeerde te bedenken. Waarschijnlijk hoe hij dit voor elkaar had kunnen krijgen. Het duurde bijna een minuut voordat ze een besluit nam. “Ik denk,” zei Dr. Levin op de voorzichtige toon van iemand die zeker wilde weten dat ze niet gek werd, “dat je beter met mij mee kunt komen.” HOOFDSTUK ZES Kevin en zijn moeder volgden Dr. Levin van SETI’s faciliteiten naar een auto die veel te klein leek om eigendom te zijn van iemand in haar positie. “Ze is heel milieuvriendelijk,” zei ze op een toon die suggereerde dat ze die vraag wel vaker kreeg. “Kom, het zal een stuk makkelijker worden als ik jullie beiden breng. Ze hebben een behoorlijk strenge beveiliging.” “Wie?” vroeg Kevins moeder. “NASA.” Kevins adem stokte in zijn keel. Ze gingen praten met NASA? Als het op buitenaardse wezens aankwam, was dat nog beter dan SETI. Het was een kort ritje door Mountain View, hoogstens een paar minuten. Toch duurde het lang genoeg voor Kevin om uit het raam te staren naar de tech bedrijven die zich in de omgeving hadden gevestigd, duidelijk aangetrokken door NASA en Berkeley, en de aanwezigheid van zo veel slimme mensen op één plek. “Gaan we echt naar NASA?” zei Kevin. Hij kon het niet echt geloven, wat eigenlijk niet logisch was gezien alle dingen die hij de afgelopen dagen had moeten geloven. De NASA campus was alles dat het SETI gebouw niet was. Het was groot, verspreid over meerdere gebouwen, in een omgeving die uitzicht bood op zowel de baai als de omringende heuvels. Er was een bezoekerscentrum dat in feite een tent was, gebouwd op een schaal die nauwelijks te bevatten was, spierwit en beschilderd met het NASA logo. Maar ze reden verder, naar een plek die voor het publiek was afgesloten, achter een hek en een slagboom waar Dr. Levin haar ID moest laten zien om hen naar binnen te krijgen. “Ik word verwacht,” zei ze. “En wie zijn dit, mevrouw?” vroeg de bewaker. “Dit zijn Kevin McKenzie en zijn moeder,” zei Dr. Levin. “Ze horen bij mij.” “Ze staan niet op de—” “Ze horen bij mij,” zei Dr. Levin weer, en voor het eerst kreeg Kevin een idee van de hardheid die nodig was voor haar functie. De bewaker aarzelde even, en haalde toen een paar bezoekerspasjes tevoorschijn, die Dr. Levin aan hen overhandigde. Kevin hing de zijne om zijn nek, en het voelde als een trofee, een talisman. Hiermee kon hij gaan en staan waar hij wilde. Hiermee zouden mensen hem echt geloven. “We moeten naar de onderzoeksafdeling,” zei Dr. Levin. “Kijk alsjeblieft uit dat je niets aanraakt, want een aantal experimenten zijn zeer kwetsbaar.” Ze leidde hen een gebouw binnen dat voornamelijk leek te bestaan uit delicate rondingen van staal en glas. Dit was het soort plek dat Kevin had verwacht te zien toen ze naar Mountain View kwamen. Dit was hoe een plek die naar de ruimte keek eruit hoorde te zien. Aan weerszijden van de gang waren laboratoria, met geavanceerde apparatuur die suggereerde dat ze vrijwel alles konden testen. Er stonden lasers en computers, banken en apparaten die eruitzagen alsof ze voor scheikunde waren ontworpen. Er waren werkplaatsen vol lasapparatuur en onderdelen die eruitzagen alsof ze voor auto’s bedoeld waren, maar Kevin wilde graag geloven dat ze voor voertuigen op andere planeten waren gemaakt. Dr. Levin vroeg rond, blijkbaar op zoek naar waar de mensen waren die verbonden waren aan het nieuws over de boodschap van Pioneer 11. Als ze iemand passeerden hield ze hen aan, en Kevin kreeg de indruk dat ze iedereen in het gebouw kende. SETI mocht dan een onafhankelijk instituut zijn, zoals zij had gezegd, maar het was duidelijk dat Dr. Levin hier veel tijd doorbracht. “Hey, Marvin, waar is iedereen?” vroeg ze een bebaarde man in een geruit shirt. “De meesten hebben zich verzameld in het centrum voor supercomputer onderzoek,” zei hij. “Bij iets als dit willen ze zien wat de pits opleveren.” “De pits?” vroeg Kevin. Dr. Levin glimlachte. “Dat zal je wel zien.” “Wie zijn dit?” vroeg de bebaarde man. “Wat zou je zeggen als ik je vertelde dat Kevin hier aliens kan zien?” vroeg Dr. Levin. Marvin lachte. “Je kunt nog zo je best doen om de reputatie van gestoorde alienjager te vervullen, Elise. Je bent net zo sceptisch als de rest.” “In dit geval misschien niet,” zei Dr. Levin. Ze keek naar Kevin en zijn moeder. “Deze kant op.” Ze leidde hen naar een ander gedeelte van het gebouw, en Kevin voelde dat dit gedeelte nog meer beveiligd was, met waar hij ook keek ID-scanners en camera’s. Bovendien was het de schoonste plek die hij ooit had gezien. Een stuk schoner dan bijvoorbeeld zijn slaapkamer. Het leek wel of er geen stofje was toegestaan, laat staan stapels met kleren die zijn kamer vulden tot zijn moeder hem opdroeg om te gaan opruimen. De laboratoria waren bijna leeg nu, en leeg op een manier die suggereerde dat de mensen haastig waren vertrokken omdat er elders iets spannenders gaande was. Het was makkelijk om te zien waar ze heen waren gegaan. Terwijl ze hun bestemming naderden, zag Kevin mensen die zich in de gang verdrongen. Hij ving fragmenten op van wat ze tegen elkaar zeiden. “Er is een signaal, een echt signaal.” “Na al die tijd.” “Het is niet alleen telemetrische data, of zelfs scans. Er is iets… anders.” “We zijn er,” zei Dr. Levin. Ze kwamen aan bij een ruimte waar de deur open was gelaten, duidelijk zodat alle mensen zich naar binnen konden proppen. “Laat ons door, alsjeblieft. We moeten Sam spreken.” Het bleek een grote ruimte te zijn, gevuld met knipperende lichten die omgeven waren door looppaden. Het leek een beetje op een theater waar de acteurs computers waren. Kevin herkende ze als computers, ondanks het feit dat ze in niets leken op de kleine, nauwelijks functionerende laptop die zijn moeder voor hem had gekocht om zijn huiswerk op te doen. Dit waren apparaten zo groot als salontafels, auto’s, kamers, allemaal matzwart en glinsterend van de lichtjes. De mensen die erbij zaten hadden pakken aan zoals technische onderzoekers op televisie droegen. “Onder de indruk?” vroeg Dr. Levin. Kevin kon alleen maar knikken. Hij had er geen woorden voor. Het was… ongelofelijk. “Wat is dit voor plek?” vroeg zijn moeder, en Kevin wist niet of het goed of slecht was dat zelfs zijn moeder het niet begreep. “Dit is de plek waar NASA haar supercomputer onderzoek doet,” legde Dr. Levin uit. “Kunstmatige Intelligentie, kwantumcomputeren, meer geavanceerde supergeleiders. Het is tevens de apparatuur die ze gebruiken om te werken aan… complexe kwesties. Kom, we moeten met Sam praten.” Ze leidde hen tussen de mensen door en Kevin volgde. Hij deed zijn best om snel genoeg te zijn, voordat de openingen die ze creëerde weer gevuld raakten met mensen. Hij haastte zich achter haar aan tot ze bij een lange, enigszins kromme man kwamen die bij een van de computers stond. Anders dan de anderen droeg hij geen schoon pak. Zijn lange, knokige vingers leken in elkaar verstrikt te raken terwijl hij typte. “Professor Brewster,” zei Dr. Levin. “Dr. Levin, ik ben blij dat u… wacht, u heeft bezoekers meegenomen. Dit is niet echt het moment voor een rondleiding, Elise.” Конец ознакомительного фрагмента. Текст предоставлен ООО «ЛитРес». Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/pages/biblio_book/?art=43694551&lfrom=334617187) на ЛитРес. Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.
КУПИТЬ И СКАЧАТЬ ЗА: 199.00 руб.