Сетевая библиотекаСетевая библиотека
Moord met een hoger doel Blake Pierce Een Avery Black Mysterie #1 Een bijzonder meeslepend verhaal waarvan je vanaf het eerste hoofdstuk volledig in de ban raakt. Recensie Midwest Book, Diane Donovan (over Once Gone) Een nieuwe psychologische thriller van de hand van beststeller auteur #1 Blake Pierce. Avery Black, moorddetective, is door de hel gegaan. Ooit was ze een top strafpleitster, maar raakte uit de gratie toen ze een briljante Harvard professor ten onrechte vrijpleitte. Toen hij weer moordde, kon Avery enkel schaamtevol toekijken. Ze verloor haar man en dochter en haar leven viel in een klap in duigen. Langzaam tracht Avery er terug bovenop te komen, dit keer echter aan de andere kant van de balie. Ze werkt zich weer op en wordt moorddetective, tot grote minachting van haar collega’s, die zich nog steeds herinneren wat destijds is gebeurd en dit haar nog steeds niet hebben vergeven. Wanneer Boston opgeschrikt wordt door een seriemoordenaar die het heeft gemunt op meisjes van elitescholen, moeten zij echter toegeven dat Avery over briljante gaven beschikt en roepen zij haar hulp in. Dit is Avery’s ultieme kans om zichzelf te bewijzen en zo haar schuld uit het verleden af te lossen. Avery zal echter al snel ondervinden dat zij het moet opnemen tegen een moordenaar die even slim is als zij. In dit psychologische kat en muis spel, slaat de moordenaar ongenadeloos en op mysterieuze wijze toe. In een spannende race tegen de klok krijgt Avery te kampen met een aantal schokkende en onverwachte wendingen die uiteindelijk naar een verrassende climax zullen leiden die zelfs Avery zich niet had kunnen voorstellen. Deze bloedstollende, duistere psychologische thriller, met een bijzonder populaire Avery in de hoofdrol, zal je tot laat in de nacht wakker houden. Het is de eerste thriller in een nieuwe reeks spannende moordmysteries. Boek #2 uit de serie Avery Black zal weldra verschijnen. Een meesterwerk in het thriller en mysterie genre. Pierce heeft met duidelijk psychologisch inzicht levensechte karakters ontworpen. De lezer kruipt meteen in de huid van de personages en leeft op bijzonder realistische wijze mee met de gebeurtenissen en met de ontwikkelingen die zij doormaken. Een bijzonder spannende verhaallijn en onverwachte wendingen zorgen ervoor dat het boek je tot in de vroege uurtjes wakker zal houden. Recensies Boeken en Films, Roberto Mattos (over Once Gone) . MOORD MET EEN HOGER DOEL EEN AVERY BLACK-MYSTERY BOEK 1 BLAKE PIERCE Blake Pierce Blake Pierce is de auteur van de bestselling mystery-serie met Riley Paige, die bestaat uit de spannende thrillers Eens weg (boek 1), Eens gepakt (boek 2) en Eens begeerd (boek 3). Blake Pierce is ook de auteur van de mystery-serie met MacKenzie White. Blake is zelf al zijn hele leven lang een grote fan van mystery-boeken en thrillers. Hij hoort graag wat je van zijn boeken vindt. Neem gerust eens een kijkje op www.blakepierceauthor.com (http://www.blakepierceauthor.com) om meer over hem te weten te komen en op de hoogte te blijven van zijn boeken. Copyright © 2016 door Blake Pierce. Alle rechten voorbehouden. Met uitzondering van toestemming onder de U.S. Copyright Act uit 1976, mag niets uit deze uitgave in enige vorm of op enige manier worden verveelvoudigd, gedistribueerd, overgedragen of opgeslagen in een database of een geautomatiseerd gegevensbestand, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteur. Dit e-book heeft enkel een licentie voor persoonlijk gebruik. Dit e-book mag niet verkocht of doorgegeven worden aan derden. Als u dit boek met anderen wil delen, koop dan voor iedere ontvanger een afzonderlijk exemplaar. Als u dit boek aan het lezen bent of als dit boek niet alleen voor uw gebruik werd gekocht, retourneer het boek dan en koop uw eigen exemplaar. Dank u voor het respecteren van het harde werk van deze auteur. Dit is een fictief boek. Namen, karakters, bedrijven, organisaties, plaatsen, gebeurtenissen en incidenten zijn een product van de verbeelding van de auteur of worden fictief gebruikt. Enige overeenkomst met werkelijke personen, levend of dood is geheel toevallig. Jacket image Copyright miljko, gebruikt onder licentie van iStock.com. ANDERE BOEKEN VAN BLAKE PIERCE RILEY PAIGE MYSTERY-SERIE EENS WEG (boek 1) EENS GEPAKT (boek 2) EENS BEGEERD (boek 3) AVERY BLACK MYSTERY-SERIE MOORD MET EEN HOGER DOEL (boek 1) OP DE VLUCHT VOOR HOGERE KRACHTEN (boek 2) INHOUD PROLOOG (#ue1170f77-27be-5f36-ae3c-ba85ad873ae3) HOOFDSTUK EEN (#u78ebeb6a-041d-51af-bc5e-115a75b50ff3) HOOFDSTUK TWEE (#uc914a2ad-75f5-5fc1-9908-9bc99f845433) HOOFDSTUK DRIE (#u080bf115-1b48-5b0b-8523-7759d466b23c) HOOFDSTUK VIER (#u63a0782c-5ba4-5baf-9f6e-14b61cb998d3) HOOFSTUK VIJF (#ua7c46e83-4a6c-58e5-86a6-85c979a2f01c) HOOFDSTUK ZES (#ude9f27c0-b959-575b-92f8-3de711359f58) HOOFDSTUK ZEVEN (#u7d3bb4d3-648b-55c8-b52c-45edab27a6b1) HOOFDSTUK ACHT (#ue4fec8fc-b257-581b-88b4-83290e379001) HOOFDSTUK NEGEN (#u26a2ee31-0895-55d4-9a8d-3d4d581c4edd) HOOFDSTUK TIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ELF (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TWAALF (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK DERTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VEERTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIJFTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZESTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZEVENTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ACHTTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK NEGENTIEN (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK EENENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TWEEËNTWINIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK DRIEËNTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIERENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIJFENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZESENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZEVENENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ACHTENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK NEGENTWINTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK DERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK EENENDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK TWEEËNDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK DRIEËNDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIERENDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VIJFENDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZESENDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ZEVENENDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK ACHTENDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK NEGENENDERTIG (#litres_trial_promo) HOOFDSTUK VEERTIG (#litres_trial_promo) PROLOOG Cindy Jenkins slaagde er maar niet in om het feestje van de studentenvereniging in het Atrium te verlaten. De enorme ruimte was versierd met stroboscooplampen, twee goed gevulde bars en aan het plafond hing een schitterende discobal die zijn kleurrijke lichtjes op de dansende feestgangers wierp. De hele nacht had ze met iedereen, maar met niemand in het bijzonder gedanst. Danspartners kwamen en gingen de hele avond. Cindy zwaaide met haar kastanjebruine haar en toverde voor elk van hen een perfecte glimlach tevoorschijn. Met haar kristalheldere blauwe ogen verleidde ze iedere danspartner. Dit was háár nacht, een feestje niet alleen voor de eer van Kappa Kappa Gamma, maar voor elk jaar dat ze het beste van zichzelf had gegeven. Haar toekomst, zo wist ze, was verzekerd. De afgelopen twee jaar had ze stage gelopen bij een van de grootste boekhoudbedrijven van de stad. Ze hadden haar onlangs zelfs een contract als assistent-boekhoudster aangeboden. Haar startsalaris zou ruim voldoende zijn om enkele nieuwe outfits te kopen en ze zou makkelijk een flat kunnen huren in de buurt van het bedrijf. Haar resultaten? De beste van de klas. Ze zou best nog een tijdje kunnen flierefluiten tot het einde van het studiejaar, maar dat woord kwam niet in haar woordenboek voor. Met alles wat ze deed gaf ze altijd het beste van zichzelf. Intens werken en intens genieten, dat was haar motto. En vanavond wilde ze genieten. Cindy schaterde het uit bij haar zoveelste behoorlijk sterke “Dreamy Blue Slush”-cocktail, schreeuwde mee met de Kappa Kappa Gamma-leus en danste uitbundig. De stroboscooplampen gaven haar bewegingen een bijzonder effect. Ze gooide haar weelderige haren naar achteren en fronste haar wenkbrauwen toen een student die ze al jaren kende haar wilde kussen. Waarom ook niet, dacht ze. Een kus kan toch wel, niets serieus, niets wat haar relatie zou schaden. Gewoon een kusje, zodat iedereen kon zien dat ze niet altijd dat brave meisje was dat alles volgens het boekje deed. Haar vrienden moedigden haar met luide kreten aan. Cindy maakte zich los van de jongeman. Het dansen, de alcohol en de hitte eisten hun tol. Ze had moeite rechtop te blijven staan en lachend klampte ze zich weer aan hem vast. “Kom je met me mee naar huis?” fluisterde hij. “Ik heb een vriend.” “Waar is hij dan?” Inderdaad, dacht Cindy. Waar is Winston eigenlijk? Hij haatte dit soort studentenfeestjes. “Niet meer dan een zootje omhooggevallen meiden die te veel drinken en hun vriend bedriegen,” zei hij altijd. Nou, dacht ze, eigenlijk heeft hij wel gelijk. Iemand anders kussen terwijl ze eigenlijk al een relatie had was het avontuurlijkste wat ze ooit had gedaan. Je bent dronken, mompelde ze in zichzelf. Ze moest hier weg. “Ik moet gaan,” wauwelde ze. “Nog een dans?” “Nee,” antwoordde ze, “ik moet er echt vandoor.” Met tegenzin liet de jongeman haar gaan. Starend naar de populaire laatstejaarsstudente van Harvard liep hij weer naar de dansende menigte en zwaaide naar haar. Cindy duwde een bezwete lok achter haar oor en verliet de dansvloer; haar blik was troebel en ze had een gelukzalige glimlach op haar gezicht. Haar favoriete nummer begon te spelen en ze baande zich een weg tussen de dansende studenten door. “Neeeeee!” riepen haar vriendinnen toen ze zagen dat ze op weg was naar de uitgang. “Waar ga je heen?” vroeg een van hen. “Ik ga naar huis,” zei ze vastberaden. Haar beste vriendin Rachel maakte zich van de groep los en nam haar bij de hand. Rachel was een kleine, wat gedrongen brunette, helemaal niet het mooiste of slimste meisje van de groep, maar haar vurige, seksuele temperament zorgde ervoor dat ze altijd in het middelpunt van de belangstelling stond. Ze droeg een kort glitterjurkje en telkens als ze bewoog leek het alsof de naden het zouden begeven. “Je kunt helemaal nog niet naar huis!” schreeuwde ze. “Ik heb echt te veel gedronken,” antwoordde Cindy. “We hebben onze 1 aprilgrap nog niet eens uitgehaald! Die zou het hoogtepunt van het feest worden! Alsjeblieft? Blijf je nog even?” Cindy dacht aan haar vriend. Twee jaar waren ze nu al samen. Ze zouden elkaar later op de avond zien. Ze dacht aan de kus op de dansvloer en vroeg zich af hoe ze dat ooit had durven doen. “Nee echt,” zei ze, “ik moet ervandoor!” Ze keek Rachel aan, was zich bewust van de erotische uitstraling van haar vriendin, wierp een blik op de jongeman en voegde er lachend aan toe: “Wie weet waar ik verder nog toe in staat ben als ik blijf.” “O!” riepen haar vriendinnen uit. “Alle remmen los!” Cindy gaf Rachel een zoen op haar wang en fluisterde: “Geniet nog van de avond. Ik zie je morgen wel.” Daarna vertrok ze naar huis. Eenmaal buiten ademde Cindy de frisse avondlucht in. Ze veegde het zweet van haar gezicht en in haar korte gele zomerjurkje vervolgde ze haar weg door Church Street. De gebouwen in dit gedeelte van de stad waren lage bakstenen constructies, af en toe afgewisseld met enkele statige woonhuizen die door bomen waren omringd. Ze ging linksaf, Brattle Street in, stak de straat over en liep verder in zuidwestelijke richting. Op de meeste straathoeken stonden straatlantaarns, maar een gedeelte van Brattle Street was in complete duisternis gehuld. Cindy liep vastberaden door en spreidde haar armen zijwaarts, alsof de schaduwen haar lichaam konden zuiveren van alcohol en uitputting en haar nieuwe energie konden geven voor haar afspraakje met Winston. Links van haar zag ze een smal steegje. Instinctief was ze iets voorzichtiger: het was tenslotte al heel laat en ze kende maar al te goed de reputatie van deze verlaten wijk van Boston. Eigenlijk had ze helemaal geen zin om zich hier zorgen over te maken. De toekomst lachte haar stralend toe. Vanuit haar ooghoeken zag ze een beweging en ze draaide zich om. Te laat. Ze voelde plotseling een scherpe pijn in haar nek en haar adem stokte. Ze keek achterom en besefte opeens waar de pijn vandaan kwam. Een naald. De angst sloeg haar om het hart en de opwinding die ze daarnet nog voelde was meteen verdwenen. Op datzelfde ogenblik voelde ze een duw in haar rug en een tengere arm greep de hare vast. Haar aanvaller was kleiner dan zij, maar bijzonder sterk. Ze werd het steegje in getrokken. “Ssst!” De gedachte dat dit een grap zou kunnen zijn verdween in het niets toen ze de boosaardige, sterke stem hoorde. Ze probeerde zich uit alle macht te verzetten en wilde het uitschreeuwen. Haar stem bleek het echter niet meer te doen. Het was alsof iets alle spieren in haar nek verlamde. Ook haar benen verloren hun kracht en ze kon amper nog rechtop blijven staan. Doe iets, smeekte ze zichzelf en ze besefte meteen dat als ze niets zou doen, ze zou sterven. De sterke arm omklemde haar van rechts. Cindy kon zich uit de greep verlossen en spande haar nek om haar aanvaller een achterwaartse kopstoot te kunnen geven. Haar achterhoofd smakte tegen zijn neus en ze kon het bijna horen kraken. De man vloekte binnensmonds en liet haar los. Rennen, dacht ze bij zichzelf. Maar haar lichaam weigerde elke beweging. Haar benen begaven het en ze kwam hard op de straatstenen terecht. Cindy lag op haar rug, haar benen en armen wijd uitgespreid. Ze kon zich niet meer bewegen. Haar aanvaller knielde naast haar neer. Voor zijn gezicht viel het vieze haar van een slonzige pruik, hij had een valse snor en droeg een bril met sterke glazen. Zijn ogen, koud en hard, deden haar huiveren. Emotieloos. “Ik hou van jou,” zei hij. Cindy probeerde te schreeuwen, maar kwam niet verder dan een zwak gemurmel. Zijn gezicht raakte bijna het hare. Plotseling, alsof hij zich van de omgeving bewust werd, stond hij rechtop. Cindy voelde dat hij haar handen vastgreep en haar verder de steeg in sleurde. Haar ogen vulden zich met tranen. Alsjeblieft, smeekte ze bij zichzelf, help me, help! Ze dacht aan de studenten, aan haar vrienden, aan haar eigen gelach op het feest. Help! Aan het einde van het steegje raapte de man haar op en omhelsde haar stevig. Haar hoofd viel slap op zijn schouder. Hij streelde liefdevol haar haren. Hij nam haar bij de hand en draaide haar rond alsof ze geliefden waren. “Alles komt goed,” zei hij luid, alsof anderen meeluisterden, “ik doe de deur wel open.” Cindy zag wat verderop een groepje mensen staan. Ze had moeite met denken, kon zich niet bewegen en alle pogingen om te spreken faalden. De deur aan de passagierskant van het blauwe minibusje stond open. Hij zette haar op de passagiersstoel en sloot het portier voorzichtig, zodat ze met haar hoofd tegen het raampje kon leunen. Hij ging op de chauffeursstoel zitten en trok een zachte kussensloop over haar hoofd. “Slaap nu maar, mijn liefste,” zei hij toen hij de auto startte. “Slaap!” Het minibusje reed weg en alles werd zwart voor Cindy’s ogen. Het laatste waar ze nog aan dacht was haar toekomst, haar mooie toekomst die zo plotseling was weggerukt. HOOFDSTUK EEN Avery Black stond helemaal achteraan in de overvolle vergaderzaal. Diep in gedachten verzonken leunde ze tegen de muur en nam alles in zich op. Meer dan dertig agenten hadden zich in de kleine vergaderzaal van het Boston Police Department in New Sudbury Street verzameld. Twee van de vier muren waren geel geschilderd, de andere twee waren glazen wanden die uitkeken op de tweede verdieping van het politiebureau. Hoofdinspecteur Mike O’Malley, geboren en getogen in Boston, liep zenuwachtig heen en weer achter het podium. O’Malley was klein, maar goed gebouwd voor zijn vijftig lentes en had donkere ogen en dito haar. Avery had het gevoel dat hij altijd onrustig was en niet lekker in zijn vel zat. “En ten slotte,” zei hij met zijn zware accent, “wil ik graag Avery Black welkom heten op bij de afdeling Moordzaken.” Een plichtmatig geklap vulde de anders zo stille vergaderzaal. “Nou, nou,” snauwde de hoofdinspecteur, “zo begroet je een nieuwe rechercheur toch niet? Black heeft meer arrestaties op haar naam staan dan jullie samen en rekende bijna in haar eentje de West Side Killers in. Een beetje meer respect tonen graag.” Terwijl hij dit zei knikte hij met een neutrale blik in de richting van de achterkant van de zaal. Avery hield haar hoofd gebogen en verschool haar gezicht onder haar geblondeerde haren. In haar zwarte onberispelijke broekpak en witte blouse, van toen ze nog strafrechtadvocaat was, zag ze er eerder uit als een advocaat dan als een agent. Deze outfit was trouwens een van de redenen waarom de meeste van haar collega’s haar ontweken of over haar roddelden. “Avery!” De hoofdinspecteur wierp zijn armen in de lucht. “Ik probeer je hier wat steun te geven. Wakker worden!” Verrast keek ze op en zag een zee van gezichten die haar vijandelijk aanstaarden. Ze begon zich werkelijk af te vragen of het wel zo’n goed idee was geweest om naar Moordzaken te komen. “Goed, over op de orde van de dag,” vervolgde de hoofdinspecteur. “Avery, mijn kantoor. Nu.” Daarop wendde hij zich meteen tot een andere agent. “En jou wil ik ook spreken, en jij, Hennessey, kom onmiddellijk hier. En Charlie, waar ga jij zo snel naartoe?” Avery wachtte tot de menigte de vergaderzaal had verlaten voordat ze naar het kantoor van O’Malley liep. Bij de deur botste ze op een agent die ze al eerder op de afdeling had gezien, maar nog nooit formeel had begroet. Ramirez, een latino, was iets groter dan zijzelf, vrij tenger en met een bijzonder elegant voorkomen. Zijn haar was kortgeknipt, zijn baard pas geschoren en ondanks zijn strakke pak had hij iets soepels en nonchalants over zich. Hij nam een slokje van zijn koffie en bleef haar zonder enige emotie staan aankijken. “Kan ik je helpen?” vroeg ze. “Nee, het is net andersom,” zei hij, ‘ik ben degene die jou gaat helpen.” Hij stak ter begroeting zijn hand uit, maar Avery nam deze niet aan. “Ik wilde de beroemde Avery Black weleens persoonlijk ontmoeten. Er doen heel wat geruchten over jou de ronde. Ik wilde weleens weten wat ervan waar is. Tot nu toe heb ik gehoord: verstrooid en doet alsof ze te goed is voor het korps. Check, ik heb er twee goed. Niet slecht voor een maandag.” Een vijandelijke benadering door haar collega’s was niets nieuws voor Avery. Al vanaf de eerste dag bij de politie, nu drie jaar geleden, had ze er al mee te maken. Nog nooit had ze er echte vrienden gehad en haar collega’s kon ze amper vertrouwen. Avery drong zich langs Ramirez heen. “Veel geluk bij de hoofdinspecteur,” riep Ramirez haar na, “hij kan echt een eikel zijn.” Het sarcasme in zijn stem ontging haar niet en ze wuifde zijn opmerking weg. Door de jaren heen had Avery geleerd hoe ze haar vijandige collega’s moest aanpakken. Een raak antwoord geven was beter dan hen volledig negeren. Zo kon ze hen laten voelen dat ze zich niet liet afschrikken en dat ze vast van plan was te blijven. Op de tweede verdieping van het politiebureau in het centrum van Boston was het altijd een drukte van jewelste. De kleedruimtes bevonden zich in het midden en werden door glazen kantoren omgeven. Door verschillende agenten werd Avery scherp aangekeken. “Moordenaar,” hoorde ze iemand mompelen. “Moordzaken ligt je perfect,” zei iemand anders binnensmonds. Avery kwam langs een Ierse agent die ze ooit uit de klauwen van een bende had gered. Ze wierp Avery een vriendelijke blik toe en fluisterde: “Veel geluk, Avery. Je verdient het.” Avery lachte haar toe. “Bedankt.” Het eerste vriendelijk woord van de dag krikte haar zelfvertrouwen op en zelfverzekerd stapte ze het kantoor van de hoofdinspecteur binnen. Tot haar verbazing zag ze dat Ramirez door het raam stond toe te kijken. Hij hief zijn beker koffie en grijnsde. “Kom binnen,” zei de hoofdinspecteur, “en sluit de deur.” Avery ging zitten. O’Malley zag er van dichtbij nog triester uit. Het was duidelijk dat hij zijn zwarte haar kleurde en rond zijn ogen en mond had hij talloze rimpels. Vermoeid wreef hij over zijn slapen en leunde naar achteren. “Vind je het leuk hier?” vroeg hij haar. “Hoe bedoel je?” “Ik bedoel dit hier, bureau A1, in het hart van Boston. Je zit er hier echt middenin. Het echte werk. Je komt uit een klein stadje, toch? Oklahoma?” “Ohio.” “Goed, goed,” mompelde hij. “Wat vind je nu precies zo boeiend aan dit politiebureau in het centrum? Er waren heel wat andere afdelingen hier in Boston waar je terechtkon. Je had in de buitenwijken kunnen werken. Heel wat bendes daar. Maar je solliciteerde enkel voor onze dienst.” “Ik hou van grote steden.” “Er lopen hier heel wat griezels rond. Weet je zeker dat je hier klaar voor bent? Dit is Moordzaken, heel wat anders dan jongeren die met elkaar op de vuist gaan.” “Ik heb in mijn leven heel wat gezien: ik was erbij toen een van de leiders van de West Side Killers iemand levend vilde terwijl zijn bendeleden kalmpjes toekeken. Over welk soort griezels hebben we het hier?” O’Malley hield haar nauwlettend in het oog. “Er is mij verteld,” zei hij, “dat die Harvard-psychopaat jou behoorlijk hard heeft aangepakt. Hij maakte je compleet belachelijk. Maakte je hele leven kapot. Van een veelbelovende advocaat naar de totale afgang, en dan niets meer. En later als groentje naar het politiekorps. Best wel pijnlijk, toch?” Avery verschoof ongemakkelijk in haar stoel. Waarom kon hij het verleden niet laten rusten? Waarom moest hij hierop terugkomen? Waarom nu? Vandaag was een bijzondere dag: haar promotie bij Moordzaken. Ze wilde dat niets deze dag zou verpesten en zeker haar verleden niet. Wat voorbij is, is voorbij. Ze moest vooruitkijken. “Toch kreeg je het prima voor mekaar,” zei hij met enig respect. “Je bouwde hier een nieuw leven op en dit keer aan de juiste kant. Respect. Maar,” zei hij, terwijl hij haar aankeek, “ik wil er zeker van zijn dat je hier klaar voor bent. Dus: ben je er klaar voor?” Ze keek hem aan en vroeg zich af waar hij heen wilde. “Als ik er niet klaar voor was, zou ik hier niet zijn,” antwoordde ze. Hij knikte tevreden. “We hebben net een telefoontje gekregen,” zei hij. “Een dood meisje. In scène gezet. Het ziet er niet goed uit. De mannen ter plaatse weten niet goed wat ze ervan moeten denken.” Avery’s hart begon sneller te slaan. “Ik ben er klaar voor,” zei ze. “Echt?” vroeg hij haar. “Ik weet dat je goed bent, maar als dit een grote zaak wordt, wil ik er zeker van zijn dat je niet zal instorten.” “Ik zal niet instorten,” antwoordde ze. “Dat is wat ik wilde horen,” zei hij en hij schoof wat met de papieren op zijn bureau. “Dylan Connelly staat aan het hoofd van de afdeling Moordzaken. Hij is momenteel ter plaatse, samen met de forensische dienst. Je hebt trouwens ook een nieuwe partner. Zorg ervoor dat hij het overleeft.” “Dat was mijn schuld niet,” verdedigde ze zich. Ze voelde de woede in zich opkomen toen ze dacht aan het onderzoek van Interne Zaken, en dat allemaal omdat haar vorige partner – een zelfingenomen driftkop – een kogel door zijn lijf had gekregen toen hij in zijn eentje wilde infiltreren in een bende, om daarna met de pluimen van haar onderzoek te gaan pronken. De hoofdinspecteur wees naar buiten. “Je partner wacht op je. Jij hebt de leiding. Stel me niet teleur.” Ze draaide zich om en zag Ramirez staan. Ze kreunde. “Ramirez? Waarom hij?” “On eerlijk te zijn,” zei O’Malley schouderophalend, “was hij de enige die met jou wilde samenwerken. De rest lijkt een hekel aan je te hebben.” Ze voelde hoe de knoop in haar maag zich aanspande. “Een betrouwbare, jonge rechercheur,” voegde hij eraan toe. Hij stond op ten teken dat hun gesprek afgelopen was. “Wees niet te kieskeurig wat vrienden betreft.” HOOFDSTUK TWEE “Hoe ging het?” vroeg Ramirez toen Avery het kantoor uit kwam. Ze boog haar hoofd en stapte vastberaden door. Avery had een hekel aan dat soort babbeltjes, en collega’s die haar nieuwsgierige vragen stelden, vertrouwde ze al helemaal niet. “Wat hebben we tot nu toe?” vroeg ze. “Puur zakelijk.” Ramirez lachte. “Fijn om weten. Goed, Black, we hebben een dood meisje dat op een bankje is neergezet in Lederman Park, dicht bij de rivier. Het is een drukbezochte plaats. Niet echt een ideale plek dus om er een lichaam achter te laten.” Verschillende agenten begroetten Ramirez. “Neem ze te grazen, jongen!” “Het beste met haar, kerel!” Avery schudde haar hoofd. “Grappig hoor,” zei ze. Ramirez hield zijn handen omhoog. “Ik heb niets gezegd.” “Jullie zijn allemaal hetzelfde,” snauwde ze. “Ik had nooit gedacht dat een politiebureau net een advocatenkantoor zou zijn. Een exclusief jongensclubje, hè? Vrouwen niet toegestaan.” “Rustig maar, Black.” Ze liep door op weg naar de liften. Enkele agenten konden hun lach niet bedwingen. Gewoonlijk trok Avery zich hier helemaal niets van aan, maar iets in deze nieuwe zaak zorgde ervoor dat ze zich onrustig voelde. De woorden van de hoofdinspecteur spookten door haar hoofd. Ze weten niet goed wat ze ervan moeten denken. In scène gezet. Geen normale moordzaak dus. Bovendien bezorgde de nonchalante en koele houding van haar nieuwe partner haar een vervelend gevoel. Een beetje te makkelijk. Niets was ooit te makkelijk. Net toen de liftdeuren dichtgingen, hield Ramirez deze tegen. “Het spijt me, oké?” Hij leek oprecht. Handen geheven en een verontschuldigende blik in zijn donkere ogen. Hij duwde op het knopje en de lift ging naar beneden. Avery keek hem tersluiks aan. “De hoofdinspecteur vertelde me dat je de enige bent die met mij wil samenwerken. Waarom?” “Je bent dé Avery Black,” zei hij, alsof dat iets vanzelfsprekends was. “Natuurlijk was ik nieuwsgierig. Niemand kent je echt, maar iedereen heeft wel een mening over jou: idioot, geniaal, hoe je ooit was, iemand die komt en gaat, moordenares, heldin. Ik wilde zelf te weten komen hoe je bent.” “Waarom is dat zo belangrijk voor je?” Ramirez schonk haar een mysterieuze glimlach, maar zei verder niets. * * * Avery liep achter Ramirez aan, die ontspannen door de ondergrondse garage stapte. Hij droeg geen stropdas en de bovenste twee knopjes van zijn overhemd stonden open. “Ik sta daar,” zei hij en hij wees. Ze liepen langs twee agenten die hem leken te kennen. Een van hen zwaaide en keek hem aan met een blik van: wat moet je nou met haar? Hij liep met haar naar een stoffige Crimson Cadillac, oud en met twee gescheurde stoelen. “Betrouwbaar karretje,” grapte Avery. “Dit schatje heeft mij al heel wat diensten bewezen,” antwoordde hij trots, terwijl hij liefdevol over de motorkap streek. “Het enige wat ik hoef te doen is me kleden als een pooier of een hongerlijdende Spanjaard en niemand vindt me verdacht.” Ze reden de parkeergarage uit. Lederman Park lag op slechts enkele kilometers van het politiebureau. Ze reden westwaarts Cambridge Street in en gingen rechtsaf naar Blossom Street. “Dus...” zei Ramirez, “ik heb gehoord dat je vroeger advocaat was.” “En?” Met haar blauwe ogen keek ze hem vanuit haar ooghoeken onderzoekend aan. Ze was meteen op haar hoede. “Wat heb je nog meer gehoord?” “Strafpleiter,” voegde hij eraan toe, “de beste die er was.” Werkte je vroeger niet voor Goldfinch & Seymour? Behoorlijk bekend bedrijf. Waarom ben je gestopt?” “Weet je dat dan niet?” “Ik weet dat je heel wat schurken hebt verdedigd. Je was bijzonder goed, toch? Je kreeg zelfs enkele corrupte smerissen achter de tralies. Best wel een mooi leventje, denk ik. Een mooi salaris, succesvol. Wie geeft nu zo’n baan op om bij de politie te komen werken?” Avery dacht aan het huis waar ze was opgegroeid, een kleine boerderij omringd door uitgestrekte velden. Ze hield niet van die eenzaamheid en al helemaal niet van de dieren en de geur van de boerderij: uitwerpselen, vacht en veren. Al heel snel wist ze dat ze daar weg wilde. En dat had ze ook gedaan: Boston. Eerst het middelbaar onderwijs, daarna een rechtenstudie en uiteindelijk had ze een prachtige carrière opgebouwd. En nu dit. Ze zuchtte diep. “Ik heb geleerd dat de toekomst soms anders kan lopen dan gepland.” “Hoe bedoel je?” In gedachten zag ze die glimlach weer voor zich, die oude, akelige glimlach van een gerimpelde oude man met een sterke bril. Hij had zo oprecht, zo nederig, slim en eerlijk geleken. Zo zagen ze er allemáál uit, realiseerde ze zich nu. Uiteindelijk was er een einde gekomen aan alle rechtszaken, iedereen had zijn leven hervat en ze had beseft dat ze niemand had gered, dat ze geen mensen had verdedigd, dat ze enkel een pion was geweest, een pion in een maatschappij die veel te ingewikkeld was en veel te vastgeroest zat om ooit te veranderen. “Het leven kan hard zijn,” mijmerde ze. “De ene dag denk je dat je alles weet en de volgende dag komt de waarheid aan het licht en valt je hele wereld in duigen.” Hij knikte. “Howard Randall,” zei hij en meteen werd alles duidelijk. Bij het horen van zijn naam werd ze zich bewuster van alles: de koude lucht in de auto, hoe ze daar zat, hun locatie in de stad. Lange tijd had niemand in haar bijzijn zijn naam uitgesproken. Ze voelde zich ontmaskerd en kwetsbaar. Als reactie herpakte ze zich en ze ging rechtop zitten. “Sorry,” zei hij, “het was niet mijn bedoeling om...” “Het geeft niet,” zei ze. Maar het gaf wel. Hij had aan alles een einde gemaakt. Haar leven. Haar baan. Haar verstand. Het was een hele uitdaging om strafpleiter te zijn, het was aan hém om te bewijzen dat het nut had. Een geniale Harvard-professor, algemeen gerespecteerd, eenvoudig en vriendelijk en verdacht van moord. Door hém te verdedigen zou ze bewijzen dat alles de moeite waard was. Voor de eerste keer in haar leven zou ze kunnen doen waar ze van jongs af aan van had gedroomd: de onschuldigen verdedigen en bewijzen dat er toch gerechtigheid bestond. Niets was echter minder waar. HOOFDSTUK DRIE Het park was al afgesloten voor het publiek. Twee agenten in burger hielden Ramirez staande en gebaarden dat hij de hoofdparkeerplaats af moest rijden en links af moest slaan. Tussen alle agenten, die overduidelijk van haar eenheid waren, zag Avery er enkele die van de staatspolitie waren. “Wat doet de staatspolitie hier?” vroeg ze. “Hun kantoor is aan het einde van de straat.” Ramirez parkeerde zijn auto naast enkele politievoertuigen. De plaats delict was voor een groot gedeelte afgezet met gele tape. Achter deze afsluiting stonden heel wat nieuwswagens, reporters en camera’s. Een groepje joggers en regelmatige bezoekers van het park stonden nieuwsgierig te kijken wat er aan de hand was. “Niemand komt erin,” zei een agent. Avery haalde haar badge tevoorschijn. “Moordzaken,” zei ze. Het was de eerste keer dat ze zich in haar nieuwe functie voorstelde en ze voelde toch een zekere trots. “Waar is Connelly?” vroeg Ramirez. Een agent wees in de richting van de bomen. Ze liepen over het gazon, met aan hun linkerzijde een baseballveld. Gele tape was rond de bomen vastgemaakt. Het pad naar Charles River was met bladeren bedekt. Een agent, iemand van de forensische dienst en een fotograaf stonden voor een bankje. Avery vermeed elk contact met de mensen ter plaatse. Door de jaren heen had ze geleerd dat sociaal contact haar afleidde en dat ze door te veel vragen en formaliteiten haar aandacht moeilijk bij de zaak kon houden. Jammer genoeg was ook dat een van de redenen voor de minachting van haar hele eenheid. Het slachtoffer was een jong meisje dat schuin op het bankje was neergezet. Het leed geen twijfel dat ze dood was. Met uitzondering van haar blauwige huidskleur, haar houding en gezichtsuitdrukking leek het alsof er niets aan de hand was. Ze leek op een verliefde jonge vrouw die op iemand wachtte. Haar gezicht rustte op haar handen, die op de rugleuning van het bankje lagen. Een ondeugende glimlach sierde haar gezicht. Haar houding deed denken aan iemand die al een hele tijd wachtte en die zich net had omgedraaid om te kijken of er iemand aankwam, of iemand die zich mateloos verveelde. Ze droeg een geel zomerjurkje en witte teenslippers, haar prachtige kastanjebruine haren vielen over haar linkerschouder. Haar benen waren over elkaar geslagen en haar tenen rustten lichtjes op het pad. Alleen haar ogen verraadden haar kwelling. Deze straalden pijn en ongeloof uit. Avery hoorde in gedachten een stem, de stem van de oude man die dag en nacht door haar hoofd spookte. Wat zijn eigen slachtoffers betrof had hij haar ooit de vraag gesteld: Wat zijn ze? Enkel lege vaten, naamloze, anonieme lege vaten, slechts enkelen van de miljarden die afwachten tot ze hun bestemming hebben gevonden. Ze voelde de woede in zich opborrelen, woede over de vernederingen die ze had ondergaan en die haar hele leven hadden verwoest. Ze ging dichter bij het lichaam staan. Als advocaat had ze heel wat forensische rapporten moeten lezen. Ze had duizenden foto’s van de patholoog-anatoom moeten bekijken en alle gruwelijkheden moeten doornemen die met haar zaak te maken hadden. Als agent was haar kennis er beslist op vooruitgegaan toen ze routinematig alle moordslachtoffers moest onderzoeken. Ze had geleerd de situatie perfect in te schatten. Het viel haar op dat de jurk gewassen was en dat het haar van het meisje verzorgd was. Haar vinger- en teennagels waren pas schoongemaakt en ze rook kokosnoot en honing en een vleugje formaldehyde. “Wil je haar kussen, of zo?” vroeg iemand haar. Met haar handen op haar rug boog ze zich over het slachtoffer heen. Op het bankje zag ze een geel kaartje met het cijfer vier erop. Ernaast, ter hoogte van de taille van het meisje, lag nauwelijks zichtbaar op het geel van de jurk een stugge oranje haar. Het hoofd van de afdeling Moordzaken, Dylan Connelly, stond haar met zijn handen in de zij aan te kijken en wachtte op antwoord. Hij was zwaar en stevig gebouwd, had golvend blond haar en doordringende blauwe ogen. Zijn borst en armen scheurden de naden van zijn blauwe overhemd bijna open. Hij droeg een bruine linnen broek en zware zwarte schoenen. Avery had hem op het bureau al gezien, niet echt haar type, maar ze bewonderde zijn bijna dierlijke vastberadenheid. “Dit is een plaats delict, Black. Kijk de volgende keer uit waar je loopt. Je mag van geluk spreken dat we alles al hebben onderzocht op sporen.” Stomverbaasd keek ze naar beneden. Ze had heel goed uitgekeken waar ze stapte. Ze keek omhoog, recht in de staalblauwe, koude ogen van Connelly, en besefte dat hij haar het gevoel wilde geven dat ze niet welkom was. “Ik wist niet dat dit een plaats delict was,” sneerde ze. “Bedankt dat je het even uitlegt.” Ramirez grinnikte. Connelly kwam dichterbij en beet van zich af. “Weet jij eigenlijk wel waarom niemand jou kan hebben, Black? Je bent niet alleen een buitenstaander, maar toen jij nog aan de andere kant stond, had je geen greintje respect voor ons. En nu je bij ons bent, toon je nog minder respect. Laat één ding duidelijk zijn: ik mag jou niet, ik vertrouw je niet en ik wilde je al helemaal niet in mijn team.” Hij wendde zich tot Ramirez. “Vertel haar wat we al weten. Ik ga naar huis, douchen. Ik voel me ziek,” zei hij. Hij deed zijn plastic handschoenen uit en gooide ze op de grond. Hij richtte zich tot Avery en voegde eraan toe: “Ik verwacht tegen het einde van de dag een uitgebreid rapport. Om vijf uur stipt. Vergaderzaal. Is dat duidelijk? Kom niet te laat. En ruim ook deze troep op voordat je gaat. De agenten van de staatspolitie waren zo vriendelijk om een stapje terug te doen om ons hier ons werk te laten doen. Wees jíj nu maar zo vriendelijk om ze wat respect te tonen.” Geïrriteerd ging hij ervandoor. “Je kunt goed met mensen omgaan, zeg,” zei Ramirez Avery haalde haar schouders op. De forensisch specialist ter plaatse was Randy Johnson, een goedgebouwde, jonge Afro-Amerikaanse vrouw. Ze had grote ogen en was heel zelfbewust. Haar korte dreadlocks gingen slechts voor de helft schuil onder haar witte kapje. Avery had vroeger al eens met haar samengewerkt. Ze vormden ooit een sterk team bij een zaak van huiselijk geweld. De laatste keer dat ze elkaar hadden gezien was in de kroeg. Randy vond het geweldig om samen met Avery op de zaak te zitten, en ze stak een hand naar Avery uit. Plotseling besefte ze dat ze nog steeds haar handschoenen droeg, en ze bloosde en schaterde het uit. “Oeps, jakkes!” zei ze en ze voegde er nog steeds lachend aan toe: “Misschien ben ik wel besmet!” “Ook leuk om jou te zien, Randy.” “Gefeliciteerd met Moordzaken.” Randy boog plechtig. “Je bent erop vooruitgegaan.” “Stapje voor stapje,” zei Avery grinnikend. “Wat hebben we hier?” “Volgens mij was er iemand verliefd,” antwoordde Randy. “Hij heeft haar behoorlijk opgeknapt. Sneed haar open langs haar rug. Haalde alles eruit, vulde haar weer op zodat ze niet zou gaan rotten en naaide haar weer dicht. Frisgewassen jurkje. Manicure. Bijzonder voorzichtig ook. Nog geen vingerafdrukken. Na grondig onderzoek in het lab zal ik je meer kunnen vertellen. Tot nu toe heb ik twee wonden gevonden. Zie je die glimlach? Dat kun je op twee manieren doen: je kunt de mond aan de binnenkant vastpinnen, of je kunt door middel van een soort gel een glimlach op een dood gezicht toveren. Deze wond echter” – ze wees naar de hoek van de lippen – “wijst op een injectie. En hier zit er nog een.” Ze wees naar de nek. “Door de verkleuring kan ik met zekerheid zeggen dat deze injectie eerst werd gegeven, misschien zelfs al tijdens de ontvoering. De dood moet zo’n achtenveertig uur geleden zijn ingetreden. Ik heb trouwens enkele interessante haren gevonden.” “Hoe lang zit ze hier al?” “Fietsers hebben haar om zes uur gevonden,” zei Ramirez. “Elke nacht wordt er om middernacht en om drie uur gepatrouilleerd in het park. Toen zat ze er nog niet.” Avery bleef naar de ogen van het dode meisje staren. Het leek alsof ze naar iets keek in de verte, maar toch naar iets heel dichtbij langs de oever, naar iets aan hun kant van de rivier. Voorzichtig ging ze achter het bankje staan en volgde de kijkrichting van het meisje. Stroomafwaarts zag ze een aantal bakstenen gebouwen; een ervan was bijzonder laag en had een witte koepel op het dak. “Wat is dat voor gebouw?” vroeg ze. “Dat grote gebouw daar, met die koepel.” Ramirez tuurde in de verte. “Misschien het Omni Theatre?” “Kunnen we te weten komen wat daar opgevoerd wordt momenteel?” “Waarom?” “Ik weet niet, maar ik heb zo’n voorgevoel.” Avery kwam overeind. “Weten we wie ze is?” “Ja,” antwoordde Ramirez, terwijl hij in zijn notities keek. “We gaan ervan uit dat het Cindy Jenkins is. Laatstejaarsstudente op Harvard. Lid van de studentenvereniging Kappa Kappa Gamma. Ze wordt al twee dagen vermist. De campuspolitie en de politie van Cambridge hebben afgelopen avond haar foto verspreid. Connelly gaf opdracht om de foto’s te bekijken. Het bleek Cindy Jenkins te zijn. We wachten wel nog op bevestiging. Ik zal de familie opbellen.” “Hoe zit het met de bewaking?” “Jones en Thompson zijn daar nu mee bezig. Je kent ze wel, toch? Prima rechercheurs. Vandaag kunnen we rekenen op hun hulp. Als we niet kunnen aantonen dat we de extra hulp nodig hebben, staan we er vanaf morgen alleen voor. Er staan geen camera’s in het park, maar iets verderop aan de snelweg en aan de overkant van de straat staan er wel enkele. Vanmiddag moeten we meer weten.” “Getuigen?” “Geen enkele tot nu toe. De fietsers waren duidelijk. Ik kan wel eens wat rondvragen.” Avery nam de omgeving in zich op. Een groot deel van het park was afgezet met gele tape. Er was niets bijzonders gevonden bij de rivier, op het fietspad of in het gras. Ze stelde zich de gebeurtenissen voor. Hij was hoogstwaarschijnlijk langs de hoofdweg gekomen en had zijn auto nabij het water geparkeerd zodat hij makkelijk het bankje kon bereiken. Maar hoe had hij het lichaam erop gekregen zonder argwaan te wekken? Dat vroeg ze zich af. Op toeschouwers was hij misschien voorbereid geweest. Misschien had hij een manier gevonden om haar er nog levend te laten uitzien. Avery draaide zich weer om naar het lichaam. Het zou zo gegaan kunnen zijn. Het meisje was mooi, zelfs in de dood, bijna onwerkelijk mooi. Hoogstwaarschijnlijk had hij er heel wat tijd aan besteed om haar er zo mooi mogelijk te laten uitzien. Dit was niet het werk van een bende, dacht ze. Dit was geen gekwetste minnaar. Het was heel anders. Avery had zoiets al eens gezien. Opeens vroeg ze zich af of O’Malley misschien gelijk had. Misschien was ze er nog niet klaar voor. “Kan ik je auto even lenen?” vroeg ze. Ramirez trok een wenkbrauw op. “Wat doen we dan met de plaats delict?” Vol zelfvertrouwen haalde ze haar schouders op. “Je bent een grote jongen. Bedenk maar wat.” “Waar ga jij dan naartoe?” “Naar Harvard.” HOOFDSTUK VIER Hij zat in zijn kantoortje, superieur, triomfantelijk, machtiger dan wie ook ter wereld. Zijn computer stond aan. Hij slaakte een diepe zucht, sloot zijn ogen en zijn gedachten dwaalden af. Hij dacht aan de donkere kelder bij hem thuis, die er eigenlijk een beetje uitzag als een plantenkwekerij. Klaprozen in verschillende variëteiten sierden de grootste kamer: rood, geel en wit. Heel wat andere psychedelische planten, die hij in de loop der jaren had verzameld, had hij in lange bloembakken geplant. Sommige zagen er buitenaards uit, andere leken op meer alledaagse soorten die je zomaar overal in de natuur kon vinden. Maar zijn planten hadden bijzondere eigenschappen. Een automatisch bewateringssysteem, een temperatuurmeter en ledverlichting zorgden ervoor dat ze weelderig bloeiden. Een lange gang met houten wanden leidde naar de andere kamers. De wanden waren versierd met foto’s. Op de meeste foto’s waren dieren te zien in verschillende stadia van de dood om daarna “herboren” te worden als opgezette dieren: een gestreepte kat spelend met een bolletje wol, een zwart-wit gevlekte hond liggend op zijn rug alsof hij wachtte tot iemand hem over zijn buik zou aaien. Dan had je de deuren. Hij stelde zich voor hoe de deur aan de linkerkant openging. Daar zag hij haar weer, haar naakte lichaam dat op de zilverkleurige metalen tafel lag. De ruimte werd verlicht door felle tl-lampen. In een glazen vitrine stonden allerlei gekleurde vloeistoffen in glazen potten. Het gevoel van haar huid toen hij met zijn vingers langs de buitenzijde van haar bovenbenen streek. Hij herbeleefde de hele procedure die hij zo voorzichtig had uitgevoerd: hij had alle ingewanden verwijderd, het lichaam geconserveerd, schoongemaakt en weer opgevuld. Tijdens dit hele proces van wedergeboorte had hij foto’s genomen. Het waren zijn trofeeën waarmee hij later nog meer wanden zou versieren. Sommige foto’s hingen er al. Een sterke, bovennatuurlijke energie vulde zijn lichaam. Jarenlang had hij elke vorm van menselijk contact vermeden. Hij beschouwde mensen als griezelige, gewelddadige en oncontroleerbare wezens. Heel anders dan dieren. Hij hield van dieren. Maar mensen hadden een betere offerwaarde voor de Hogere Geest. Na de dood van het meisje was de hemel opengegaan en had hij de vage gestalte van de Almachtige Schepper kunnen zien, die hem streng toefluisterde: méér! Plotseling werd hij uit zijn dromen opgeschrokken door een luide stem. “Jij daar, alweer aan het dagdromen?” Een morrende medewerker stond hem fronsend aan te kijken. Hij zag eruit als een honkbalspeler. Ondanks zijn blauwe pak leek hij bijzonder indrukwekkend. Onderdanig boog hij zijn hoofd. Met voorovergebogen schouders veranderde hij in een zielig mannetje dat niets te betekenen had. “Het spijt me, meneer Peet.” “Ik ben je verontschuldigingen meer dan zat. Bezorg me zo vlug mogelijk die cijfers.” Vanbinnen grijnsde de moordenaar als een lachende reus. Het spelletje was bijna even opwindend op de werkvloer als bij hem thuis. Niemand wist hoe bijzonder hij wel was, hoe toegewijd en hoe onmisbaar voor de natuurlijke balans van het universum. Niemand van hen zou een ereplaats krijgen in het koninkrijk van de Opperwereld. Hun alledaagse, saaie, aardse taken: zich netjes opdoffen, vergaderingen bijwonen, geld de wereld rondsturen... allemaal zo nutteloos. Maar hij had dit alles wel nodig. Het verbond hem met de buitenwereld en hierdoor kon hij zijn goddelijke taken vervullen. Zijn baas bromde iets en vertrok. Met gesloten ogen stelde hij zich zijn Oppergod voor: de duistere, in schaduw gehulde figuur die hem in zijn dromen toefluisterde en zijn gedachten bepaalde. Fluisterend begon hij zijn loflied te zingen: “O God, o God, ons werk is puur. Vraag en ik zal geven: meer.” Méér! HOOFSTUK VIJF Avery had een naam: Cindy Jenkins. Ze kende de studentenvereniging Kappa Kappa Gamma. En ook Harvard kende ze maar al te goed. De Ivy League-school had haar aanvraag als eerstejaarsstudente geweigerd, maar omdat ze met twee jongens van de school verkering had gehad, had ze toch kunnen deelnemen aan het sociale leven op Harvard. De studentenverenigingen op Harvard, zowel die voor de meisjes als voor de jongens, waren in tegenstelling tot verenigingen van andere universiteiten niet officieel erkend. Ze beschikten niet over de befaamde Greek Houses die je bij veel andere universiteiten wel vond. Dit betekende echter niet dat er op Harvard niet werd gefeest. De meeste van die feestjes vonden regelmatig plaats in huizen of flats buiten het universiteitscomplex en ze werden “organisaties” of speciale “clubs” genoemd. Avery had zelf ondervonden hoe het studentenleven echt in elkaar zat. Overdag leek iedereen zich enkel te concentreren op de studieresultaten, maar zodra de avond viel veranderden de toegewijde studenten in echte feestbeesten. Bij het rode verkeerslicht keek Avery even snel op internet. Ze las dat Kappa Kappa Gamma in Cambridge twee ruimten in hetzelfde gebouw in Church Street huurde. De ene ruimte was bedoeld voor speciale evenementen, de andere voor vergaderingen en als sociale ontmoetingsplek voor studenten. Ze reed over Longfellow Bridge en hield rechts aan richting Massachusetts Avenue. Aan haar rechterzijde zag ze tussen de bomen door de campus van Harvard, met zijn immense rode bakstenen gebouwen en betegelde paadjes. Avery parkeerde haar auto, deed de portieren op slot en keek omhoog naar de blauwe lucht. Het was een warme dag en de temperatuur liep nu al op tot tweeëntwintig graden. Ze keek op haar horloge: halfelf. Het Kappa-gebouw was langwerpig, had een bakstenen voorgevel en bestond uit twee verdiepingen. Op de begane grond waren enkele kledingzaken gevestigd. Avery veronderstelde dat zich op de tweede verdieping kantoren bevonden en de flats van de studentenvereniging. Het enige naambordje bij de bel van de tweede verdieping was een blauwe fleur-de-lis, het symbool van Harvard, en ze drukte op het knopje. Door de intercom hoorde ze een hese stem. “Ja?” “Politie,” snauwde ze, “doe open.” Een ogenblik bleef het stil. “Even serieus,” antwoordde de stem toen, “wie is dit?” “Het is de politie,” zei Avery ernstig. “Er is niets aan de hand. Niemand zit in moeilijkheden. Ik wil alleen maar even praten met iemand van Kappa Kappa Gamma.” Met een zoem ging de deur open. Boven aan de trap werd Avery begroet door een slaperig, uitgeput ogend meisje in een wijde grijze trui en witte joggingbroek. Ze zag eruit alsof ze de hele nacht had gefeest. Slierten donker haar bedekten het grootste gedeelte van haar gezicht. Ze had donkere kringen onder haar ogen, en haar lichaam, waar ze waarschijnlijk bijzonder trots op was, zag er nu eerder opgeblazen en vormloos uit. “Wat moet u hier?” vroeg ze. “Rustig maar,” antwoordde Avery. “Dit heeft niets te maken met de activiteiten van de studentenvereniging. Ik kom alleen maar een paar vragen stellen.” “Kan ik uw identificatie zien?” Avery haalde haar badge tevoorschijn. Argwanend wierp ze een blik op Avery, keek wat er op de badge stond en deed een stap achteruit. De ruimte van Kappa Kappa Gamma was groot en het zonlicht verlichtte de kamer. Het plafond was bijzonder hoog. Een aantal comfortabele beige zitbanken en blauwe zitzakken stonden her en der verspreid. De muren waren donkerblauw geschilderd. Er was een bar, een geluidsinstallatie en een gigantische flatscreen-tv. De grote ramen keken uit op de overkant van de straat. Avery keek naar buiten en zag de bovenkant van een ander gebouw en de eindeloos blauwe lucht. Enkele wolkjes dreven voorbij. Ze dacht aan haar eigen studententijd, die er waarschijnlijk heel anders had uitgezien dan die van de meeste meisjes bij Kappa Kappa Gamma. Om te beginnen betaalde zij zelf haar studie. Elke dag na school werkte ze bij een plaatselijke advocatenfirma, waar ze was opgeklommen van secretaresse tot assistent-raadgever. Bovendien dronk ze zelden tijdens haar studententijd. Haar vader was een gewelddadige alcoholist geweest. Na feestjes was zij meestal degene die iedereen veilig thuisbracht, of ze bleef op haar kamer om te studeren. Opeens keek het meisje haar hoopvol aan. “Gaat dit over Cindy?” vroeg ze. “Ben je een vriendin van Cindy?” “Ja, ze is mijn beste vriendin,” zei ze. “Zeg alstublieft dat het goed met haar gaat.” “Hoe heet je?” “Rachel Strauss.” “Heb jij de politie gebeld?” “Ja, inderdaad. Cindy was nogal dronken zaterdagavond toen ze het feestje verliet. Sinds die avond heeft niemand haar meer gezien. Zo is Cindy eigenlijk helemaal niet.” Ze draaide even met haar ogen en voegde er glimlachend aan toe: “Meestal is ze nogal voorspellend, heel perfectionistisch, weet u wel? Ze gaat altijd op tijd naar bed, volgens een strak schema dat zeg maar nooit verandert tenzij je het minstens vijf jaar van tevoren aanvraagt. Zaterdagavond ging ze helemaal uit haar bol. Drinken. Dansen. Ze gooide alles overboord. Het was best wel leuk haar zo te zien.” Eventjes staarde Rachel voor zich uit. “Ze zag er echt gelukkig uit.” “Had ze daar een bepaalde reden voor?” vroeg Avery. “Ze was de beste van de klas. En ze had net een baan aangeboden gekregen.” “Wat voor baan?” “Een baan bij Devante Accounting. Dat is zowat het beste bedrijf in heel Boston. Ze studeerde boekhouding. Ongelooflijk saai, ik weet het, maar ze was ontzettend goed met cijfers.” “Kun je me wat meer vertellen over zaterdagavond?” Rachels ogen vulden zich met tranen. “Het gaat dus over Cindy, hè?” “Ja, inderdaad,” zei Avery, “misschien kunnen we beter even gaan zitten.” Rachel stortte in en begon te huilen. Door haar tranen heen probeerde ze te spreken. “Is alles goed met haar? Waar is ze?” Avery vond dit onderdeel van haar werk verschrikkelijk: met familie en vrienden praten. Eigenlijk kon ze over de zaak nog niet veel kwijt. Hoe meer mensen er van de zaak op de hoogte waren, hoe meer er werd gekletst, en zo konden ook de daders heel wat informatie te weten komen. Meestal had niemand hier begrip voor: men was te veel van streek. Men wilde alleen maar antwoorden. Avery zat naast haar. “We zijn blij dat je ons hebt gebeld,” zei ze. “Daar heb je goed aan gedaan. Ik vrees dat ik je nog niet veel over de zaak kan vertellen, zolang het onderzoek nog loopt. Wat ik je wel kan zeggen is dat ik er alles aan doe om te weten te komen wat er die nacht met Cindy is gebeurd. Ik kan dit echter niet alleen, en daarom heb ik je hulp nodig.” Rachel knikte en veegde haar tranen weg. “Ik kan helpen,” zei ze. “Ik kan helpen.” “Ik wil weten wat je je kunt herinneren over die nacht én over Cindy. Met wie heeft ze gepraat? Is je iets opgevallen? Heeft ze bepaalde opmerkingen gemaakt? Waren sommige mensen erg in haar geïnteresseerd? Wat weet je nog over het ogenblik waarop ze is weggegaan?” Rachel stortte weer in. Na een tijdje stak ze haar hand op en leek ze zich iets beter te voelen. “Ja,” zei ze, “zeker.” Avery probeerde haar een beetje af te leiden en vroeg: “Waar is iedereen trouwens?” Ik dacht altijd dat deze studentenhuizen vol zaten met meisjes die in hun Kappa-outfit aan het bekomen waren van hun kater.” “De meesten zijn naar hun colleges,” zei Rachel, terwijl ze haar ogen droogdepte. “En een paar meisjes zijn gaan ontbijten. Trouwens,” voegde ze eraan toe, “dit is geen echt studentenhuis. Het is alleen maar een ruimte die we huren om uit te rusten en wat te chillen als we niet naar onze kamers willen. Cindy verbleef hier trouwens nooit. Het was haar te modern. Ze hield meer van een iets huiselijkere sfeer.” “Waar woont ze dan wel?” “Op een studentenkamer niet ver hier vandaan,” zei Rachel. “Maar zaterdagavond ging ze niet naar huis. Ze zou haar vriend ontmoeten.” “Vriend?” Rachel knikte. “Winston Graves, populaire laatstejaarsstudent, roeier, enorme eikel. Niemand begreep wat ze in die gozer zag. Ik wel, denk ik. Hij is razend knap en zijn ouders zijn stinkend rijk. Cindy had nooit geld. Als je zelf niet veel geld hebt, kan ik wel begrijpen dat je voor dit soort types valt.” Inderdaad, dacht Avery. Daar weet ik alles van. Ze bedacht hoe het geld, de prestige en de macht van haar vorige baan ertoe hadden geleid dat ze ging geloven dat ze helemaal niet meer dat bange en vastberaden meisje was dat Ohio had verlaten. “Waar woont Winston?” vroeg ze. “Winthrop Square. Dat is hier niet zo ver vandaan. Maar Cindy is daar nooit aangekomen. Winston kwam zondagmorgen langs en vroeg naar haar. Hij dacht dat ze vergeten was dat ze hadden afgesproken en dat ze hem had laten zitten. Dus zijn we samen naar het huis gegaan waar ze woont. Maar daar was ze ook niet. En toen heb ik de politie gebeld.” “Kan ze ergens anders naartoe gegaan zijn?” “Zeker niet,” zei Rachel. “Zo is Cindy helemaal niet.” “Dus toen ze hier vertrok wist je zeker dat ze naar Winston ging?” “Absoluut.” “Denk je dat er iets gebeurd kan zijn waardoor ze misschien haar plannen had gewijzigd? Is er die avond zelf iets gebeurd, of misschien zelfs op het einde van de avond?” Rachel schudde haar hoofd. “Nee, of toch,” besefte ze opeens. “Ja, er was wel iets. Ik weet zeker dat het niets te betekenen heeft, maar er was een jongen die haar al jarenlang leuk vindt. Hij heet George Fine. Hij is knap, stoer, een eenling en een beetje vreemd, als u begrijpt wat ik bedoel. Hij traint veel en gaat vaak joggen op de campus. Vorig jaar zat hij een keer bij hetzelfde hoorcollege als ik. We maakten er altijd grapjes over dat hij sinds het eerste jaar bijna elk semester bij Cindy in de les zat. Ze leek wel een obsessie voor hem. Hij was hier zaterdagavond ook en het gekke is dat Cindy die avond vrij veel met hem heeft gedanst en dat ze zelfs gekust hebben. Zoiets doet Cindy eigenlijk helemaal nooit. Ik bedoel, ze heeft een relatie met Winston, ook al zijn ze niet het perfecte koppel, maar ze was echt stomdronken en helemaal uitgelaten. Ze kusten, dansten en opeens was ze weg.” “Is George haar gevolgd?” “Dat weet ik eigenlijk niet,” zei ze. “Echt waar. Ik kan me niet herinneren dat ik hem nog heb gezien nadat Cindy vertrokken was, maar dat was misschien omdat ik ook behoorlijk dronken was.” “Weet je nog hoe laat ze vertrokken is?” “Ja,” zei ze, “stipt om kwart voor drie. Zaterdag hadden we ons jaarlijkse 1 aprilfeestje en we zouden een goede grap uithalen, maar iedereen had zoveel plezier dat we er helemaal niet meer aan hadden gedacht, tot Cindy op het punt stond te vertrekken.” Rachel boog haar hoofd. Opeens werd het helemaal stil. “Nou,” zei Avery, “je hebt me goed geholpen. Dank je wel. Hier heb je mijn kaartje. Als je je nog iets herinnert of als andere studenten zich nog iets herinneren, neem dan contact met me op. Het onderzoek is momenteel volop aan de gang, dus zelfs het kleinste detail kan ons al een heel eind op weg helpen.” Rachel keek haar aan en tranen welden op in haar ogen. Langzaam rolden ze over haar wangen. Heel stil en beheerst zei ze: “Ze is dood, hè?” “Rachel, daar kan ik niets over zeggen.” Rachel knikte, hield haar handen voor haar gezicht en stortte helemaal in. Avery boog naar voren en hield haar stevig vast. HOOFDSTUK ZES Weer buiten keek Avery naar de hemel en ze slaakte een diepe zucht. Het was behoorlijk druk in Church Street en ze merkte dat er op heel wat gevels camera’s hingen. Ze kon zich moeilijk voorstellen dat de ontvoering hier had plaatsgevonden, zelfs midden in de nacht. Waar ben je heen gegaan? vroeg ze zich af. Ze zocht op haar telefoon naar de makkelijkste route naar Winthrop Square. Ze liep wat verder Church Street af en sloeg links af naar Brattle Street. Die was breder dan Church Street en er waren net zoveel winkels. Aan de overkant van de straat zag ze Brattle Theatre. Daarnaast liep een smal steegje met op de hoek een koffiezaakje. Bomen zorgden voor wat schaduw in de straat. Nieuwsgierig stak Avery de straat over en liep het steegje in. Toen keerde ze terug naar Brattle Street en bekeek de gevels van de winkels in de buurt. Minstens twee ervan hadden een camera. Ze stapte een sigarettenwinkel binnen. Een belletje kondigde haar bezoek aan. “Kan ik u helpen?” vroeg een oude blanke hippie met dreadlocks. “Ja,” zei Avery. “Ik zag dat er een camera aan de gevel hangt. Welk bereik heeft dat ding?” “De hele straat,” zei hij, “in beide richtingen. Twee jaar geleden heb ik die moeten installeren. Die vervloekte studenten! Iedereen denkt altijd dat die Harvard-studenten zo verstandig zijn, maar ze zijn net zo’n stelletje klootzakken als andere mensen. Al jaren slaan ze mijn ruiten telkens aan diggelen. Een studentengrap, zeker? Nou, niet voor mij. Weet je wel hoeveel die ruiten me kosten?” “Dat is inderdaad vervelend. Luister, ik heb geen huiszoekingsbevel,” zei ze, terwijl ze haar badge tevoorschijn haalde, “maar een van die idiote studenten heeft voor nogal wat overlast gezorgd een beetje verderop in de straat. Jammer genoeg hangen daar geen camera’s. Mag ik de beelden van uw camera’s eens bekijken? Ik weet ongeveer hoe laat dat was. Het zal niet zo lang duren.” Hij fronste en mompelde wat in zichzelf. “Ik weet niet,” zei hij toen, “ik moet de winkel in het oog houden. Ik ben hier in mijn eentje.” “Ik kan het de moeite waard maken.” Ze lachte. “Wat dacht u van vijftig dollar?” Hij boog zijn hoofd en zonder een woord te zeggen stapte hij achter de toonbank vandaan en draaide het bordje aan de deur van “open” naar “gesloten”. “Vijftig dollar?” zei hij. “Kom maar verder!” Achter in de winkel was het een rotzooi van jewelste en het was er behoorlijk donker. Achter de kartonnen dozen en een heleboel rommel kwam een kleine tv tevoorschijn. Erboven hing een plank aan de wand met daarop een elektronische installatie die met een kabel aan de tv verbonden was. “Eigenlijk gebruik ik dat ding niet vaak,” zei hij, “alleen als er moeilijkheden zijn. De opnamen worden elke week op maandagavond gewist. Wanneer heeft het incident plaatsgevonden?” “Zaterdagavond,” zei ze. “Nou, dan hebt u geluk.” Hij startte het systeem op. Op de zwart-witbeelden was de voorkant van de winkel te zien. Avery kon de ingang duidelijk zien, net als de overkant van de straat en het begin van Brattle Street. Het gedeelte dat haar interesseerde lag ongeveer vijftig meter verderop. Het beeld werd troebeler en het steegje was niet duidelijk meer te zien. Met de muis spoelde hij de beelden terug. “Hoe laat was het precies?” vroeg hij. “Kwart voor drie,” zei ze, “maar ik zou ook graag de beelden zien van andere tijdstippen. Vindt u het goed als ik zelf even kijk? U kunt gerust terug naar de winkel.” De man keek haar achterdochtig aan. “Bent u van plan iets te stelen?” “Ik ben een smeris,” zei ze. “Stelen ligt niet in mijn aard.” “Nou, u ziet er niet uit zoals de meeste smerissen,” zei hij lachend. Avery pakte een kleine, zwarte stoel. Ze veegde het stof eraf en ging zitten. Ze bestudeerde de installatie en algauw had ze gevonden hoe ze de beelden voor- en achteruit kon spoelen. Om kwart voor drie zag ze enkele mensen Brattle Street in en uit gaan. Om tien voor drie leek de straat leeg. Om acht voor drie kwam er iemand in beeld vanuit de richting van Church Street. Aan haar haren en jurk te zien was het een meisje. Ze stak Brattle Street over en sloeg links af. Toen ze langs het koffiezaakje liep, kwam er een donkere figuur achter de bomen vandaan en pakte haar vast. Opeens waren ze allebei verdwenen. Eventjes kon Avery slechts enkele onduidelijke donkere bewegingen zien. De beelden liepen verder en de bomen namen weer hun oorspronkelijke vorm aan. Het meisje kwam niet meer tevoorschijn. Ze haalde haar portofoon van haar riem. “Ramirez,” zei ze, “waar ben je?” “Wie is dit?” antwoordde een krakende stem. “Je weet maar al te goed wie ik ben. Je nieuwe partner.” “Ik ben nog steeds in Lederman Park. We zijn hier bijna klaar. Ze hebben net het lichaam weggehaald.” “Je moet meteen hierheen komen,” zei ze en ze gaf het adres door. “Ik denk dat ik weet waar Cindy Jenkins werd ontvoerd.” * * * Een uur later had Avery beide uiteinden van het steegje met gele tape laten afzetten. Een politieauto en het busje van de forensische dienst stonden geparkeerd op de stoep van Brattle Street. Een politieagent hield nieuwsgierige bezoekers op afstand. Het steegje kwam uit op een brede, donkere straat. Aan de ene kant daarvan bevond zich een glazen gebouw van een makelaarskantoor en een laadperron. De andere kant was bebouwd met woningen. Er was ook een parkeerplaats met ruimte voor vier auto’s. Ook het andere eind van het steegje was afgezet met gele tape en een politieauto. Avery stond voor het laadperron. “Daar,” zei ze, terwijl ze naar een camera in de hoogte wees. “Die opnamen hebben we nodig. Het is hoogstwaarschijnlijk de camera van het makelaarskantoor. We gaan naar binnen om te kijken wat we te weten kunnen komen.” Ramirez schudde zijn hoofd. “Je bent niet wijs,” zei hij. “Er was helemaal niets geks te zien op die beelden.” “Cindy Jenkins hoefde helemaal niet in dit steegje te zijn,” zei Avery. “Haar vriend woont de andere kant op.” “Misschien maakte ze gewoon een ommetje,” redeneerde hij. “Wat ik bedoel is dat we hier heel wat mensen op zetten en misschien leidt het tot niets.” “Natuurlijk zal het tot iets leiden. Je hebt de beelden toch gezien?” “Het enige wat ik zag waren een aantal vage zwarte schimmen waar ik niets van kon maken!” Hij bleef volhouden. “Waarom zou de moordenaar hier toeslaan? Overal hangen camera’s. Hij zou wel helemaal gek moeten zijn.” “We gaan kijken wat we te weten kunnen komen,” zei ze. De eigenaar van het glazen gebouw en het laadperron was Top Real Estate Company. Na een kort gesprek met de beveiligingsmedewerker bij de ingang namen Avery en Ramirez plaats in de zachte, lederen stoelen en wachtten op een van de medewerkers van het kantoor. Tien minuten later verscheen de verantwoordelijke van de beveiligingsdienst, samen met de bedrijfsleider. Avery zette haar mooiste glimlach op en schudde hen de hand. “Bedankt dat u ons wilde ontvangen,” zei ze. “We willen graag de beelden zien van de camera die boven het laadperron hangt. We hebben geen huiszoekingsbevel,” zei ze, “maar wat we wel hebben is een meisje dat werd vermoord en dat zaterdagavond hoogstwaarschijnlijk net voor uw deur werd ontvoerd. Als er op de beelden niets te zien is, zijn we hier binnen twintig minuten weer weg.” “En als er wel wat te zien is?” vroeg de bedrijfsleider. “Dan hebt u de juiste beslissing genomen om de politie te helpen bij deze uiterst gevoelige en urgente zaak. Het kan wel een hele dag duren om een huiszoekingsbevel te regelen. Dit meisje is al twee dagen dood. Zij kan ons niets meer vertellen. Zij kan ons niet verder helpen. Maar ú kunt dat wel. Help ons alstublieft. Elke seconde die we verliezen, maakt het moeilijker om de dader op te sporen.” De bedrijfsleider knikte bij zichzelf en wendde zich tot zijn beveiligingsmedewerker. “Davis,” zei hij, “breng ze naar boven. Geef ze alles wat ze nodig hebben. Als er problemen zijn,” zei hij tegen Avery, “dan hoor ik het wel.” Op weg naar boven floot Ramirez zachtjes. “Wat charmant,” zei hij. “Ik doe wat ik moet doen,” fluisterde Avery. Het beveiligingskantoortje van Top Real Estate was uitgerust met meer dan twintig beeldschermen. De medewerker nam plaats aan een zwarte tafel met een toetsenbord. “Oké,” zei hij. “Tijd en plaats?” “Het laadperron. Ongeveer om acht voor drie, en vanaf daar graag verdergaan.” Ramirez schudde zijn hoofd. “Ik weet zeker dat we niets zullen vinden.” De beelden van de camera waren van een veel betere kwaliteit dan die van de sigarettenwinkel en bovendien in kleur. De meeste schermen hadden hetzelfde formaat, maar een ervan was groter. De beveiligingsmedewerker verbond de camera op het laadperron met het grootste scherm en spoelde de beelden terug. “Daar!” riep Avery. “Stop!” Het beeld stopte op tien voor drie. De camera liet een panoramisch beeld zien van de parkeerplaats tegenover het laadperron, evenals het bordje van de doodlopende straat en de straat die zich daarachter bevond. Het steegje dat naar Brattle Street leidde was maar half te zien. Op de parkeerplaats stond maar één auto geparkeerd: een donkerblauw minibusje. “Die auto hoort daar helemaal niet te staan,” zei de man en hij wees. “Is het kenteken leesbaar?” vroeg Avery. “Ja, ik heb het,” zei Ramirez. Alle drie tuurden ze naar het scherm. Een tijd lang zagen ze alleen de bewegingen van de auto’s in de tegenoverliggende straat en de bewegende bomen. Om zeven voor drie kwamen er twee personen in beeld. Ze zagen eruit als een verliefd koppel. Een ervan was een man, tamelijk tenger en klein, met dik weerbarstig haar, een snor en een bril. De andere persoon was een meisje, groter en met lang haar. Ze droeg een licht zomerjurkje en sandalen. Het leek alsof ze dansten. Hij hield een van haar handen vast en draaide haar in het rond. “Wel heb ik ooit,” zei Ramirez, “dat is Jenkins!” “Hetzelfde jurkje,” zei Avery, “dezelfde schoenen, dezelfde haren.” “Ze is gedrogeerd,” zei hij. “Kijk, haar voeten slepen over de grond.” Ze zagen dat de moordenaar de deur aan de passagierskant van het busje openmaakte en haar erin zette. Toen hij zich omdraaide om naar de andere kant van het busje te lopen, keek hij recht in de camera bij het laadperron, maakte een theatrale buiging en liep naar de deur aan de bestuurderskant. “Verdomme!” riep Ramirez uit. “Die klootzak daagt ons gewoon uit!” “Ik wil het hele team op deze zaak,” zei Avery. “Thompson en Jones houden zich vanaf nu alleen nog hiermee bezig. Thompson kan in het park blijven. Licht hem in over het minibusje, dan weet hij waar hij naar moet zoeken. We moeten te weten komen welke kant dat busje op is gegaan. Jones heeft een lastigere opdracht. Hij moet meteen hierheen komen en het busje volgen. Het kan me niet schelen hoe hij het doet. Zeg hem dat hij alle mogelijke camerabeelden moet bestuderen.” Ze draaide zich om naar Ramirez, die haar geschokt en vol bewondering aanstaarde. “We hebben onze moordenaar.” HOOFDSTUK ZEVEN Om kwart voor zeven ’s avonds nam Avery de lift naar de tweede verdieping van het politiebureau. Ze voelde zich uitgeput. Alle energie en kracht door de gebeurtenissen van die morgen hadden geleid tot een vruchtbare dag. De avond zou echter nog veel onbeantwoorde vragen brengen. Haar lichte huid was wat verbrand door de zon en haar haren zagen er niet uit. Haar jasje hing slordig over haar arm, haar blouse was smoezelig en gekreukt. Ramirez daarentegen zag er nog steeds uit om door een ringetje te halen: zijn haren netjes naar achteren gekamd, zijn pak zag eruit alsof het net van de stomerij kwam, zijn ogen stonden nog steeds bijzonder alert en op zijn voorhoofd parelden enkel wat druppeltjes zweet. “Hoe kun jij er na zo’n dag nog zo goed uitzien?” vroeg ze. “Dat is mijn Spaans-Mexicaanse bloed,” verduidelijkte hij. “Ik kan makkelijk vierentwintig of achtenveertig uur doorgaan en er nog steeds perfect uitzien.” Hij schonk Avery een pijnlijke blik en verzuchtte: “Je ziet er inderdaad vreselijk uit.” In zijn ogen blonk respect. “Maar je hebt het wel gedaan!” ’s Avonds was het maar half zo druk op de tweede verdieping. De meeste agenten waren al naar huis of patrouilleerden op straat. In de vergaderzaal brandde nog licht. Dylan Connelly beende heen en weer, blijkbaar helemaal van streek. Toen hij hen zag gooide hij de deur open. “Waar hebben jullie in hemelsnaam uitgehangen?” snauwde hij. “Ik wilde om vijf uur stipt een verslag op mijn bureau. Het is bijna zeven uur. Jullie radio stond uit. Allebei,” benadrukte hij. Hij wees naar Avery. “Van jou had ik dat nog kunnen verwachten, Black, maar zeker niet van jou, Ramirez! Niemand heeft me gebeld. Niemand beantwoordde zijn telefoon. Ook de hoofdinspecteur is woedend, dus je hoeft niet bij hem te gaan klagen. Zien jullie de ernst van de situatie eigenlijk wel in? Wat dachten jullie wel?” Ramirez stak zijn handen in de lucht. “Maar we hébben gebeld,” zei hij. “Ik heb een boodschap ingesproken.” “Je hebt twintig minuten geleden gebeld,” snauwde Dylan. “Ik probeer je al sinds halfvijf elk halfuur te bereiken. Was er iemand dood? Zaten jullie achter de moordenaar aan? Want dit zijn de enige antwoorden die ik kan aanvaarden voor jullie regelrechte ongehoorzaamheid. Ik zou jullie onmiddellijk van de zaak moeten halen.” Hij wees in de richting van de vergaderzaal. “Naar binnen, nú.” Boze bedreigingen waren niet aan Avery besteed. Dylans woede was niet meer dan een achtergrondgeluid dat ze makkelijk kon buitensluiten. Ze had dit lang geleden al moeten leren, in Ohio, toen ze had moeten horen hoe haar vader elke nacht tegen haar moeder tekeerging. In die tijd hield ze haar handen hard tegen haar oren, zong liedjes en droomde over de dag dat ze eindelijk vrij zou zijn. Geen tijd voor herinneringen nu, er waren dringendere zaken. De middagkrant lag op tafel. Op de voorpagina stond een foto van Avery Black, die met een geschrokken blik recht in de camera keek die onverwacht in haar gezicht geduwd was. De kop, in grote letters, luidde: Moord in Lederman Park: strafpleiter van een seriemoordenaar onderzoekt de zaak! Naast deze paginagrote foto stond een foto van Howard Randall, de oude verschrompelde seriemoordenaar met jampotglazen en een valse lach, de man van wie Avery nog steeds nachtmerries had. Deze foto had als titel: ‘Vertrouw niemand: advocaat noch politie.’ “Heb je dit gezien?” snoof Connelly. Hij pakte de krant op en gooide die terug op tafel. “Je hebt de voorpagina gehaald! Het is pas je eerste dag bij Moordzaken en je bent al voorpaginanieuws. Alwéér. Heb je er enig idee van hoe onprofessioneel dit overkomt? Nee, nee,” zei hij toen hij Ramirez’ blik zag, “waag het niet om hier iets op te zeggen. Jullie hebben het allebei verpest. Ik weet niet met wie jullie vanmorgen hebben gesproken, maar jullie hebben een gigantische puinhoop veroorzaakt. Hoe kreeg Harvard te horen dat Cindy Jenkins dood is? Op de website van Kappa Kappa Gamma werd een herdenkingsregister geopend.” “Een goeie gok?” zei Avery. “Krijg de klere, Black! Je staat niet langer op de zaak. Heb je dat goed begrepen?” Hoofdinspecteur O’Malley kwam de kamer binnen. “Wacht,” protesteerde Ramirez. “Dit kun je niet maken. Je weet helemaal niet wat we te weten zijn gekomen.” “Het kan me niet schelen wat je te weten bent gekomen,” gromde Dylan. “Ik ben nog niet klaar. Het wordt nog beter. De burgemeester heeft een uur geleden gebeld. Blijkbaar speelt hij golf met de vader van Jenkins en hij wilde weten waarom een strafpleiter, die nota bene een seriemoordenaar heeft vrijgepleit, op de moordzaak zit van de dochter van een van zijn beste vrienden.” “Kalm aan,” zei O’Malley. Dylan draaide zich met een rood gezicht en open mond om. Bij het zien van de hoofdinspecteur – die een heel stuk kleiner en stiller was, maar die bijzonder opgefokt was en eruitzag alsof hij elk moment kon ontploffen – nam Dylan een stap terug. “Om welke reden dan ook,” zei O’Malley gelaten, “is deze zaak gewoon helemaal uit de hand gelopen. Daarom wil ik precies weten wat jullie de hele dag hebben gedaan, tenminste als jij daar mee akkoord kunt gaan, Dylan?” Connelly mompelde iets bij zichzelf en draaide zich om. De hoofdinspecteur knikte naar Avery. “Voor de draad ermee.” “Ik heb de naam van het meisje nooit genoemd,” zei Avery, “maar ik heb wel een van haar medestudenten bij Kappa Kappa Gamma ondervraagd, de beste vriendin van Cindy Jenkins, Rachel Strauss. Zij heeft waarschijnlijk het verband gelegd. Het spijt me,” zei ze met een oprecht verontschuldigende blik in Dylans richting. “Ik ben niet zo goed in small talk. Ik was op zoek naar antwoorden en die heb ik gevonden.” “Vertel het dan,” moedigde Ramirez haar aan. Avery liep om de vergadertafel heen. “We hebben te maken met een seriemoordenaar.” “Kom nou toch!” mopperde Dylan. “Hoe kan zij dat nou weten? Ze is pas één dag met de zaak bezig. We hebben pas één dood meisje. Dat kan helemaal niet.” “Hou nu toch eens je mond!” schreeuwde O’Malley. Dylan beet op zijn onderlip. “Dit is geen gewone moord,” zei Avery. “Dat zei je zelf ook al, hoofdinspecteur, en ik denk dat jij dit ook ingezien moet hebben,” zei ze tegen Dylan. “Het slachtoffer ziet eruit alsof ze nog leeft. Onze moordenaar aanbad haar. Geen enkele blauwe plek op haar lichaam, geen verkrachting, dus een overval of huiselijk geweld kunnen we alvast uitsluiten. Het forensisch rapport bevestigt dat ze werd gedrogeerd met een krachtig, hoogstwaarschijnlijk natuurlijk middel dat de moordenaar waarschijnlijk zelf heeft samengesteld uit plantenextracten, waardoor ze bijna meteen verlamd raakte en langzaam werd vermoord. Ervan uitgaande dat hij deze planten zelf ergens stiekem kweekt, heeft hij hiervoor licht, een watersysteem en plantenvoeding nodig. Ik heb een paar mensen opgebeld om te weten te komen hoe deze zaden worden geïmporteerd, waar ze worden verkocht en hoe je aan al het benodigde materiaal hiervoor kunt komen. Hij wilde dat zijn slachtoffer in leven bleef, in elk geval een tijdje. Ik had geen idee waarom, tot we hem zagen op het beeld van bewakingscamera’s.” “Wat?” fluisterde O’Malley. “We hebben hem,” zei Ramirez. “Maar maak je nog niet al te blij. De beelden zijn korrelig en het is lastig te zien, maar de hele ontvoering werd door twee camera’s geregistreerd. Jenkins verliet zondagnacht iets na halfdrie een feestje om naar het huis van haar vriend te gaan. Hij woont op ongeveer vijf straten van het Kappa Kappa Gamma-gebouw. Avery nam dezelfde weg die Jenkins normaal zou hebben genomen. Ze kwam langs een steegje. Ik weet niet hoe ze erbij kwam, maar opeens kreeg ze het idee om de bewakingscamera van een sigarettenwinkel daar in de buurt te controleren.” “Daar is een bevelschrift voor nodig,” onderbrak Dylan. “Alleen als iemand erom vraagt,” antwoordde Avery. “En soms kom je al een heel eind met enkel een vriendelijke lach en een aardig gesprekje. Deze winkel kreeg het afgelopen jaar een keer of tien met vandalisme te maken,” vervolgde ze. “Onlangs heeft de eigenaar een bewakingscamera geïnstalleerd. Nu ligt die winkel aan de andere kant van de straat, schuin tegenover dat steegje en op een wat grotere afstand, maar toch kun je op de beelden duidelijk een meisje zien – en ik geloof echt dat het Cindy Jenkins was – die tussen de bomen vastgegrepen wordt.” “En toen belde ze mij,” ging Ramirez verder. “Eerlijk gezegd dacht ik dat ze gek was. Echt waar. Die beelden leken mij echt niet duidelijk genoeg. Maar Avery wilde dat ik de forensische dienst belde om de hele zaak daar ter plaatse te onderzoeken. Je kunt je wel voorstellen dat ik kwaad was. Maar,” zei hij enthousiast, “ze had gelijk. Er hing nog een andere camera in de buurt, bij het laadperron op het einde van het steegje. We vroegen het bedrijf of we de beelden konden zien. Ze gingen akkoord en boem!” zei hij met uitgestrekte armen. “Op de beelden zagen we een man uit het steegje komen die ons slachtoffer stevig vasthield. Dezelfde jurk. Dezelfde schoenen. Hij was tenger gebouwd en duidelijk kleiner dan Cindy, en hij danste. Hij hield haar vast en danste werkelijk met haar. Ze was duidelijk onder invloed van iets. Haar voeten hingen er maar zo’n beetje bij. Op een bepaald ogenblik kijkt hij zelfs recht in de camera. Die griezel stond ons gewoon uit te lachen. Hij zette haar op de passagiersstoel van een minibusje en reed weg alsof er niets was gebeurd. Een donkerblauwe Chrysler was het.” “Kenteken?” vroeg Dylan. “Vals natuurlijk. Ik heb het al gecheckt. Zal wel een nep nummerplaat zijn. Ik ben een lijst aan het samenstellen van alle Chrysler-minibusjes met dezelfde kleur die de afgelopen vijf jaar in een straal van vijf naburige staten werden verkocht. Hij had zich natuurlijk ook hebben vermomd. Je kon amper zijn gezicht zien. Hij had een snor, mogelijk een pruik op en droeg een bril. Het enige wat we kunnen inschatten is zijn lengte – ongeveer een meter zeventig – en misschien zijn huidskleur: blank.” “Waar zijn de opnamen?” vroeg O’Malley. “Beneden bij Sarah,” antwoordde Avery. “Ze zegt dat het wel een tijdje kan duren, maar ze zal proberen op basis van wat ze kan zien morgen een compositietekening af te hebben. Als we iets van een gezicht hebben, kunnen we dat vergelijken met onze verdachten en onze database checken om te kijken of er iets herkenbaars tussen zit.” “Waar zijn Jones en Thompson?” vroeg Dylan. “Ik hoop dat ze nog steeds aan het werk zijn,” zei Avery. “Thompson heeft de leiding over de surveillance in het park. Jones probeert uit te zoeken waar het busje heen reed nadat hij uit het zicht verdween.” “Toen we vertrokken,” voegde Ramirez eraan toe, “had Jones al minstens zes verschillende camera’s binnen een straal van tien straten rond het steegje ontdekt die weleens interessant zouden kunnen zijn.” “Zelfs al verliest hij het busje uit het oog,” zei Avery, “dan weten we tenminste welke kant het op is gegaan. We weten dat hij vanuit het steegje in noordelijke richting ging. Samen met wat Thompson eventueel in het park vindt, zal dat het mogelijk maken om een bepaald gebied af te bakenen, en als het moet kunnen we alle huizen contoleren.” “Hoe zit het met sporen?” vroeg O’Malley. “Niets gevonden in het steegje,” antwoordde Avery. “Is dit alles?” “We hebben ook enkele verdachten. De avond van haar ontvoering was Cindy op een feestje. Er was daar ook een gozer die George Fine heet. Naar verluidt zit hij al jaren achter Cindy aan: hij volgt dezelfde vakken als zij en verschijnt op alle feestjes waar Cindy ook is. Zaterdag kuste hij Cindy voor de eerste keer en heeft hij de hele avond met haar gedanst.” “Heb je hem al gesproken?” “Nog niet,” zei ze en ze keek hierbij naar Dylan. “Ik wilde eerst je toestemming vragen voordat ik heel Harvard in rep en roer zou brengen.” “Ik ben blij dat je toch iets van gevoel voor protocol hebt,” gromde Dylan. “En dan hebben we nog haar vriendje,” voegde Avery eraan toe, “Winston Graves. Cindy zou die nacht naar zijn huis komen. Maar ze is er nooit aangekomen.” “Dus we hebben twee mogelijke verdachten, opnamen van de ontvoering en een busje dat we moeten opsporen. Ik ben onder de indruk. En het motief? Heb je daar al over nagedacht?” Avery meed zijn blik. Zowel de camerabeelden als de manier waarop het slachtoffer was behandeld en neergezet, wezen op een man die genoot van wat hij deed. Hij had het al eerder gedaan en hij zou het weer doen. Hij werd kennelijk gemotiveerd door een kick van machtsgevoelens, want hij trok zich niets aan van de politie. Dat leidde ze af uit de buiging die hij voor de camera bij het steegje had gemaakt. Daar was ofwel lef ofwel domheid voor nodig, en niets in de manier waarop hij het lichaam had gedumpt of haar had ontvoerd wees op een gebrek aan beoordelingsvermogen. “Hij speelt een spelletje met ons,” zei ze. “Hij houdt van wat hij doet en hij wil het nog een keer doen. Ik denk dat hij een plan heeft. Dit is nog niet voorbij.” Dylan snoof en schudde zijn hoofd. “Belachelijk,” siste hij. “Goed,” zei O’Malley. “Avery, je mag morgen met de verdachten gaan praten. Dylan, jij licht Harvard in dat Avery morgen langskomt. Ik bel vanavond de hoofdcommissaris en licht hem in over wat we tot zo ver hebben. Ik kan ook bevelschriften regelen voor de bewakingscamera’s. Zorg ervoor dat Thompson en Jones alert blijven. Dan, ik weet dat je het de hele dag al behoorlijk druk heb gehad, maar nog één klusje en dan kun je naar huis. Probeer achter de adressen van die twee jongens van Harvard te komen. Rij er even langs op weg naar huis. Probeer er zeker van te zijn dat ze deze nacht nergens naartoe gaan. Ik wil niet dat iemand de benen neemt.” “Komt in orde,” zei Ramirez. “Goed!” O’Malley klapte in zijn handen. “Aan de slag. Jullie hebben prima werk geleverd. Je mag trots zijn op jezelf. Avery en Dylan, wacht nog even hier.” Ramirez wees naar Avery. “Zal ik je morgen ophalen? Acht uur? Dan kunnen we samen hierheen komen.” “Prima.” “Ik ga nog even bij Sarah langs, misschien heeft ze de tekening al.” Het enthousiasme van een partner die graag wilde helpen, uit zichzelf en zonder dat ze het hoefde te vragen, was nieuw voor Avery. Alle andere partners die zo ooit had gehad sinds ze bij de politie was gekomen, zagen haar het liefst de mist in gaan. “Klinkt goed,” zei ze. Nu Ramirez vertrokken was liet O’Malley Dylan aan de ene kant van de vergadertafel plaatsnemen en Avery aan de andere kant. “Luister, jullie allebei,” zei hij met krachtige stem. “Mijn baas belde me vandaag op met de vraag hoe ik het ooit in mijn hoofd heb kunnen halen een bekende en beruchte ex-strafpleiter op deze zaak te zetten. Avery, ik heb hem verteld dat je de perfecte persoon was voor deze zaak en ik sta achter mijn beslissing. Het werk dat je vandaag hebt geleverd, bewijst dat ik gelijk had. Het is echter al halfacht en ik zit nog steeds hier. Ik heb een vrouw en drie kinderen die thuis op me zitten te wachten en ik wil niets liever dan naar huis gaan en deze ellendige plek hier even vergeten. Maar blijkbaar delen jullie mijn bezorgdheid niet, dus begrijpen jullie misschien niet wat ik probeer te zeggen.” Verwonderd keek Avery hem aan. “Doe dus wat jullie moeten doen en val me niet langer lastig met jullie flauwekul!” riep hij uit. Een gespannen stilte vulde de kamer. “Dylan, neem je taak op als verantwoordelijke van de dienst! Bel me niet voor elk onbenullig detail. Zorg ervoor dat je je mensen zelf onder controle hebt. En jij,” – hij wendde zich tot Avery – “hou maar op met je zogenaamde grappen en laat die wat-kan-mij-het-schelen houding varen, en doe maar gewoon alsof het je wél iets kan schelen, want ik weet dat dat zo is.” Hij staarde haar lange tijd aan. “Dylan en ik hebben uren op een telefoontje van jullie gewacht. Wil je je radio uitschakelen? Wil je geen telefoons beantwoorden? Misschien kun je dan beter nadenken? Prima, doe je best. Maar wanneer een leidinggevende je opbelt, dan bel je hem terug. Als dit nog eens gebeurt, dan haal ik je van de zaak. Begrepen?” Avery knikte onderdanig. “Begrepen,” zei ze. “Ik snap het,” zei Dylan en hij knikte. “Prima,” zei O’Malley. Hij richtte zich op en glimlachte. “Ik had dit eigenlijk al veel eerder moeten doen, maar nu lijkt me wel een geschikt ogenblik. Avery, ik stel je graag voor aan Dylan Connelly, een gescheiden vader van twee kinderen. Zijn vrouw verliet hem twee jaar geleden omdat hij nooit thuis was en te veel dronk. Ze hebben een nieuw leven in Maine opgebouwd en hij ziet zijn kinderen nooit, dus daarom is hij de hele tijd zo chagrijnig.” Dylan verstijfde en stond op het punt iets te zeggen, maar zweeg. “En Dylan, dit is Avery Black, voormalig strafpleiter die het helemaal verneukt heeft en een van de gevaarlijkste seriemoordenaars weer de straten van Boston in heeft laten gaan, een man die opnieuw heeft gemoord en haar hele leven heeft verwoest. Ze verloor een miljoenendeal, heeft een ex-man en een kind dat haar nauwelijks nog wil zien. En net zoals jij verdringt ze haar verdriet door hard te werken en te veel alcohol te drinken. Zien jullie nu in dat jullie eigenlijk meer op elkaar lijken dan jullie denken?” Plotseling werd hij weer ernstig. “Stel me niet nog een keer teleur of ik haal jullie allebei van de zaak.” HOOFDSTUK ACHT Avery en Dylan waren alleen achtergebleven in de vergaderzaal. Zwijgend zaten ze tegenover elkaar. Geen van beiden bewoog. Dylan hield zijn hoofd gebogen. Hij had een ondefinieerbare grimas op zijn gezicht en leek over iets na te denken. Voor het eerst voelde Avery enige sympathie voor hem. “Ik weet hoe je je voelt,” begon Avery. Dylan stond zo plotseling en snel op dat zijn stoel tegen de muur knalde. “Denk maar niet dat dit ook maar iets verandert,” zei hij. “Jij en ik zijn totaal verschillend.” Zijn dreigende lichaamshouding straalde woede en afstandelijkheid uit, maar zijn ogen zeiden iets anders. Avery kon zien dat hij elk ogenblik kon instorten. De hoofdinspecteur had iets gezegd wat hem had geraakt, net zoals het haar had geraakt. Beiden waren beschadigd, eenzaam. Alleen. “Luister,” zei ze, “ik dacht alleen...” Dylan draaide zich om en opende de deur. De manier waarop hij de ruimte verliet bevestigde haar vermoedens: hij had tranen in zijn bloeddoorlopen ogen. “Verdorie,” mompelde ze. De avonden vond Avery het ergst. Ze had geen vriendenkring meer, geen echte hobby’s behalve haar werk en ze voelde zich meestal zo moe dat ze zich niet kon voorstellen om wat te sporten. Helemaal alleen aan die grote vergadertafel liet ze haar hoofd zakken en vreesde voor wat komen zou. Naar huis gaan na deze zware dag voelde net als alle andere dagen, alleen was de sfeer behoorlijk geladen en vele collega’s werden door het voorpaginanieuws nog meer aangemoedigd. “Hé, Black,” riep iemand, terwijl hij naar haar foto wees. “Leuke kop.” Een andere agent tikte op de foto van Howard Randall. “Volgens dit verhaal waren jullie behoorlijk gek op elkaar, Black. Hou je van gerontofilie? Je weet toch wel wat dat betekent? Dat je het graag met oude mannetjes doet.” “Wat zijn jullie toch grappig.” Ze glimlachte en richtte als een wapen haar vingers op hen. “Rot op, Black.” In de garage stond een witte BMW geparkeerd, vijf jaar oud, vuil en verwaarloosd. Avery had die gekocht op het hoogtepunt van haar succes als strafpleiter. Waar zat je toen met je gedachten? mijmerde ze. Waarom koopt iemand nu een wítte auto? Prestige, herinnerde ze zich. De witte BMW was opvallend en flitsend geweest en ze wilde er iedereen duidelijk mee maken dat ze het had gemaakt. Nu was hij niet meer dan een herinnering aan haar mislukkingen. Avery’s flat was in Bolton Street, in het zuidelijk deel van Boston. Het was een kleine flat, op de tweede verdieping, met twee slaapkamers. Het was heel wat minder dan haar vorige luxueuze penthouse, maar het was er ruim en netjes, met een mooi terras, waar ze kon ontspannen na een drukke werkdag. De woonkamer was groot en op de vloer lag een zacht bruin tapijt. De keuken bevond zich rechts van de voordeur en was door twee grote kookeilanden afgescheiden van de rest van de kamer. Planten of dieren had ze niet. De flat lag aan de noordzijde van het gebouw, waardoor het er meestal donker was. Avery gooide haar sleutels en de rest van haar spullen op tafel: wapen, schouderholster, portofoon, badge, riem, telefoon en portefeuille. Op weg naar de douche deed ze haar kleren uit. Na een lange douche om de gebeurtenissen van de dag van zich af te spoelen, deed ze gemakkelijke kleding aan, nam een biertje, griste ze haar telefoon van tafel en ging naar het terras. Ze keek op haar telefoon en zag twintig gemiste oproepen en zo’n tien berichten. De meeste waren van Connelly en O’Malley, en met een hoop geschreeuw. Soms was Avery zo geconcentreerd met een zaak bezig dat ze weigerde haar telefoon te beantwoorden, vooral als ze nog geen enkel puzzelstukje op zijn plek had weten te leggen. Vandaag was zo’n soort dag geweest. Ze scrolde omlaag langs de laatstgekozen nummers en langs alle nummers van diegenen die haar de laatste maand hadden opgebeld. Niet een ervan was van haar dochter of haar ex. Opeens besefte ze dat ze hen miste. Ze koos een nummer. De telefoon ging over. Een boodschap beantwoordde haar oproep: “Hallo, met Rose. Ik ben er even niet, maar als je een korte boodschap inspreekt met je naam en nummer, dan bel ik je zo snel mogelijk terug. Dank je wel.” Piep. Even speelde ze met het idee Jack te bellen, haar ex. Hij was een goeie vent, haar schoolliefde en met een hart van goud, echt een heel fijne persoon. Toen ze achttien was hadden ze een passionele relatie gehad, maar met haar misselijkmakend ego nadat ze de baan van haar leven had binnengehaald, had ze alles verpest. Jarenlang had ze anderen de schuld gegeven voor hun scheiding en voor de breuk met haar dochter: Howard Randall met zijn leugens, haar vorige baas, het geld, de macht en alle personen die ze had moeten gebruiken en misleiden om de waarheid steeds een stap voor te blijven. Langzaamaan werden haar klanten minder betrouwbaar en toch wilde ze doorgaan, ze bleef blind voor de waarheid en speelde een spel met de gerechtigheid, enkel en alleen om dat ene doel te kunnen bereiken: winnen. Nog een laatste zaak, had ze zich vaak voorgenomen. De volgende keer verdedig ik iemand die écht onschuldig is en zet ik alles recht. Howard Randall was die laatste zaak geweest. “Ik ben onschuldig,” had hij uitgeroepen bij hun eerste ontmoeting. “Deze studenten zijn mijn leven. Waarom zou ik ze iets willen aandoen?” Avery had hem geloofd en voor de eerste keer in lange tijd had ze ook geloofd in zichzelf. Randall was een wereldberoemde professor Psychologie aan Harvard, in de zestig, zonder enig motief en voor zover bekend geen verleden vol krankzinnige persoonlijke overtuigingen. Hij zag er zelfs zwak en gebroken uit en Avery had altijd al de zwakken willen verdedigen. Hem vrij krijgen was het hoogtepunt van haar carrière geweest, het allerhoogste wat ze ooit had kunnen bereiken. Tot hij weer moordde, met als enige doel haar als mislukte advocate te kijk te zetten. Het enige wat Avery had willen weten was: waarom? “Waarom heb je het gedaan?” had ze hem ooit eens gevraagd in zijn cel. “Waarom heb je gelogen en mij erin geluisd? Enkel maar om voor de rest van je leven vast te zitten?” “Omdat ik wist dat je kon worden gered,” had Howard haar geantwoord. Gered, dacht Avery. Is dit dan verlossing, vroeg ze zich af en ze keek om zich heen. Hier? Nu? Geen vrienden? Geen gezin? Met een biertje in mijn hand een nieuw leven proberen op te bouwen en op moordenaars te jagen om mijn fouten uit het verleden recht te zetten? Ze nam een slok bier en schudde haar hoofd. Nee, dit is geen verlossing. Nog niet, tenminste. Ze dacht weer aan de moordenaar. Er begon zich een beeld van hem te vormen in haar hoofd: stil, eenzaam, wanhopig op zoek naar aandacht, een specialist in kruiden en in lichamen. Een alcoholist of een drugsverslaafde was uitgesloten. Daarvoor was hij te voorzichtig. Het minibusje kon op een gezinsleven wijzen, maar zijn acties wezen uit dat een gezin was wat hij wílde, niet wat hij hád. Gedachten en beelden spookten door haar hoofd en na nog twee biertjes viel ze in haar comfortabele tuinstoel in slaap. HOOFDSTUK NEGEN Avery droomde dat haar gezin weer samen was. Haar ex was atletisch gebouwd, met kortgeknipt bruin haar en prachtige, groene ogen. Beiden waren ze fervente klimmers en ze waren op pad met hun dochter, Rose: ze was pas zestien toen haar aanvraag voor Brandeis College werd goedgekeurd. In Avery’s droom was ze pas zes. Alle drie liepen ze zingend langs een pad met dicht op elkaar groeiende bomen. Donkere vogels fladderden en schreeuwden toen de bomen plotseling veranderden in een donker monster dat Rose een mes in haar borst stak. “Nee!” schreeuwde Avery. Een andere hand viel Jack aan, en hij en haar dochter werden beiden omhooggehesen. “Nee! Nee! Nee!” huilde Avery. Het monster daalde naar haar af. Donkere lippen fluisterden in haar oor. Gerechtigheid bestaat niet. Avery schrok wakker door een onophoudelijk geluid. Ze zat nog steeds op het terras. De zon stond al aan de hemel. Haar telefoon bleef maar fel rinkelen. Ze nam op. “Black.” “Hoi, Black!” antwoordde Ramirez. “Neem jij dan nooit je telefoon op? Ik sta beneden. Pak je spullen en kom hierheen. Ik heb koffie en de compositietekeningen.” “Hoe laat is het?” “Halfnegen.” “Geef me vijf minuten,” zei ze en ze verbrak de verbinding. De droom bleef in haar gedachten rondspoken. Met veel moeite stond ze op en ging haar flat in. Haar hoofd bonsde. Ze trok een verbleekte spijkerbroek aan en een eenvoudig wit T-shirt dat meteen wat chiquer stond met een zwarte blazer. Haar ontbijt bestond uit drie slokken jus d’orange en een mueslireep. Onderweg naar buiten wierp ze een blik in de spiegel. Haar kleding en haar povere ontbijt vielen in het niets vergeleken bij de dure broekpakken en de dagelijkse luxueuze ontbijten in de meest exclusieve restaurants van vroeger. Leer er maar mee te leven, dacht ze. Mooi zijn hoeft niet meer. Je taak is nu slechteriken vangen. In de auto gaf Ramirez haar een beker koffie. “Je ziet er goed uit, Black,” grapte hij. Zoals altijd was hij het toonbeeld van perfectie: donkere spijkerbroek, lichtblauw overhemd, donkerblauw jasje met donkerbruine riem en glimmende schoenen. “Je had model moeten worden in plaats van politieagent,” bromde Avery. Hij gaf haar een stralend witte glimlach. “Eigenlijk heb ik vroeger inderdaad wat modellenwerk gedaan.” Hij reed de straat door en ging in noordelijke richting. “Heb je wat kunnen slapen?” vroeg hij haar. “Niet echt, en jij?” “Als een roos,” zei hij trots. “Ik slaap altijd goed. Ik trek me de dingen niet zo aan, weet je. Ik laat de dingen graag los,” zei hij en hij wuifde zijn hand door de lucht. “Nog nieuws?” “Beide jongens waren gisteravond thuis. Connelly heeft erop toegezien dat ze er niet vandoor gingen. Hij heeft ook met de decaan gesproken om wat meer informatie te krijgen en om ervoor te zorgen dat niemand verrast zou zijn door een aantal agenten in burger op de campus. Geen van beiden heeft een strafblad. De decaan zei dat ze allebei goede jongens zijn, afkomstig uit goede families. We zullen zien vandaag. Nog niks gehoord van Sarah over de gezichtsherkenningssoftware. Daar horen we vanmiddag van. Een paar autodealers belden me terug met namen en nummers. Ik zal er voorlopig een lijst van maken en afwachten wat ervan komt. De ochtendkrant al gezien?” “Nee.” Hij haalde de krant tevoorschijn en gooide die op haar schoot. Een kop in grote, dikke letters: Moord op Harvard. Ook stond er op de voorpagina een foto van Lederman Park en een kleinere foto van de Harvard-campus. Het artikel herhaalde nog eens de tekst van de editie van de vorige dag en er stond een kleinere, oude foto bij van Avery en Randall samen in de rechtszaal. De naam Cindy Jenkins werd vermeld, maar er was geen foto van haar gepubliceerd. “Hebben ze geen ander nieuws?” zei Avery. “Ze is een blank meisje van Harvard,” antwoordde Ramirez, “natuurlijk is dit groot nieuws. Het is onze taak ervoor te zorgen dat die blanke kinders veilig zijn.” Avery trok een wenkbrauw op. “Dat klinkt vrij racistisch.” Ramirez knikte instemmend. “Ja inderdaad,” beaamde hij, “Ik ben waarschijnlijk een beetje een racist.” Ze reden door de straten van South Boston, over Longfellow Bridge en Cambridge in. “Waarom ben je eigenlijk smeris geworden?” vroeg Avery. “Ik vind het geweldig om een smeris te zijn,” zei hij. “Mijn vader was agent, mijn grootvader was agent en nu ben ik agent. Ik ging naar de politieacademie en leerde snel het vak. Hoe kun je dit nu niet leuk vinden? Ik mag een wapen en een badge dragen. Ik heb pas geleden een bootje gekocht. Ik vaar naar de baai, zit er wat te chillen, vang wat vis en daarnaast vang ik moordenaars. Het werk te doen van God dus.” “Ben je gelovig? “Niet echt,” zei hij, “alleen bijgelovig. Als er al een god bestaat, wil ik er gewoon zeker van zijn dat hij weet dat ik aan zijn kant sta, snap je?” Nee, dacht Avery, eigenlijk niet. Haar vader was een gewelddadige man geweest, terwijl haar moeder trouw naar de kerk ging en bad tot God, ze was er bijna door bezeten. Weer hoorde ze de stem uit haar dromen. Конец ознакомительного фрагмента. Текст предоставлен ООО «ЛитРес». Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/pages/biblio_book/?art=43692335&lfrom=334617187) на ЛитРес. Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.
СКАЧАТЬ БЕСПЛАТНО